Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Kijken door een caleidoscoop

    Kijken door een caleidoscoop

    De laatste lach was in 1997 het prozadebuut van R.A. Basart en de recensenten wisten er niet goed raad mee. Een boek dat niet te vergelijken was met bestaande boeken en vooral indruk maakte door het inventieve taalgebruik. ‘Literaire hoogstandjes’ was de beschrijving die de dienstdoende recensenten als vanzelf in viel. Na negentien jaar stilte verschijnt nu De verzoening, en die kwalificatie dringt zich opnieuw op.

    De verzoening is een maalstroom van vreemde, vaak hilarische gebeurtenissen, van vreemde, vaak komische personages die heel precies worden beschreven, en tezamen een grabbelton van literaire fragmenten vormen. Het behoort tot de boeken die je het best in kleine hapjes kan lezen omdat dan de taalvaardigheid en het uitdrukkingsvermogen van de schrijver het best tot hun recht komen. Daarbij kan je als lezer ook telkens een willekeurig hoofdstuk nemen, omdat het geen ontwikkeling kent, noch qua verhaal noch qua personages. Alles gaat uiteindelijk om het Heilig Hart College te Kortenhoef, waar veel in de roman figurerende personages iets mee van doen hebben.
    Directeur doctor Gé Koridon wil fundamentele veranderingen aanbrengen in de onderwijstraditie van het Heilig Hart College, maar verdwijnt in zijn eigen redeneringen als hij de onderwijsstaf toespreekt. Gelukkig heeft hij steun aan onderwijsconsultant Marian Hahn, die het lanceren van vernieuwings-platitudes als beroep heeft. De onderwijsstaf is natuurlijk tegen de plannen en ook de leerlingen laten weten liever ouderwets onderwijs te willen hebben. Dat zou een spannend conflict kunnen opleveren, een echt eigentijds verhaal. Maar daar heeft Basart – alhoewel goed thuis in de onderwijswereld – de pen niet voor opgepakt. Het Heilig Hart college is niet meer dan de spil waar toevalligerwijs zijn personages omheen draaien en de vreemdste avonturen beleven.

    Buien van schrijfdrift
    Het boek bevat negen delen, waarvan sommige in twee hoofdstukken verdeeld zijn, in totaal 13 tekstgedeelten. Basart voorziet ze niet alleen van titels maar ook van data die in het algemeen wel iets met de beschreven gebeurtenissen van doen hebben maar mogelijk ook aangeven wanneer hij ze in een bui van schrijfdrift op papier heeft gezet: vanaf zomer 2004 via september, november, winter 2004 en voorjaar 2005 tot de zomer van dat jaar.
    In 2010 verscheen een met enthousiasme ontvangen voorpublicatie van 8 pagina’s in de Dietsche Warande & Belfort. Dat zal hem aangemoedigd hebben. En er volgde nog een duwtje. In 2011 ontving Basart van het Letterenfonds een werkbeurs van € 12.000 ‘voor proza’, dus vermoedelijk om De verzoening af te ronden, want ander proza van zijn hand is niet verschenen. Maar pas nu, in 2016 verschijnt het dan eindelijk.

    Caleidoscopisch
    En het resultaat is een verbale caleidoscoop. Wie kent nog de caleidoscoop? Het is een kijker die daarin gelegde voorwerpjes veelvoudig weerspiegelt en zo telkens wisselende figuren vertoont. Met name als de kijker rondgedraaid wordt. Basarts weerspiegelde voorwerpjes zijn een tengere Thaise postbode, een grote buurman, een overheersende school-directeur, twee echtgenotes, diverse leraren, fotograaf Bob Tak (‘Een naam als twee snelle stompen in de maagstreek’) en nog een dozijn andere komende en gaande personen.
    Als de schrijver zijn caleidoscoop draait, vallen de stukken in een ander, tamelijk lukraak, maar altijd vrolijk patroon. De personages vermaken zich meestal kostelijk, en de lezer ook, als hij maar niet probeert enige logica of verhaal in De verzoening te vinden. Het zijn losse scènetjes, aanstekelijk beschreven.

    Een voorbeeld:
    ‘Heb ik nou altijd willen weten,’ riep hij zo luid als hij kon. ‘Hoe zo’n ding heet! Plofstamper zou ik zeggen!’
    De stratenmaker keek op; hij was bezig met de aanleg van een klinkerpaadje, dwars door het plantsoen.
    ‘Iets als pneumatische plofstamper,’ vervolgde de dokter.
    Hij wees op het apparaat, dat de werkman inmiddels had uitgezet. ‘Of trilstamper,’voegde hij er zachter aan toe.’Al zult u ‘t zelf wel anders noemen. U heeft er vast een andere naam voor,’ besloot hij bijna fluisterend. (…)
    ‘Monumentje,’ zei de stratenmaker. Hij verwijderde zijn gehoorbeschermers; de dokter herhaalde zijn vraag.
    ‘Dat noemen we een wakker. Of kikker.’

    Dadaisme
    Het dadaisme heeft in Nederland nooit veel aanhang gehad. Met Paul van Ostaaijen en later het tijdschrift Babarber (van Bernlef en K. Schippers) hebben we het zo ongeveer wel gehad. Maar met R.A. Basart krijg het een nieuwe representant. Zijn roman is één en al chaos maar op elke pagina trakteert hij de lezer op woord vernuftigheden die geregeld de lachspieren kittelen:
    Een paar juweeltjes op willekeurig gekozen pagina’s:

    ‘Terwijl we slalomden langs groepjes rarbarberende wachtenden.’

    Hij maakte het geluid van telegraafdraden in een western, een gestadig zachtzoemend gejammer.’ ‘Toen doken twee mannen op, een dikke en een dunne, die zich recht voor ons aan de oever installeerden (..) Terwijl hij grote gele ballen in het water wierp zei de dunne: “Als ik iéts weet, Freek, dan is ‘t wel van toeten en blazen.”’

    ‘Ze liep door een nauwe gang, tussen sproetige rozen en een haag van hoge bleekpaarse asters, de asters werden door bijen omzwermd, een trillende metalen snaar, ze kopte tegen appels aan diep doorbuigende takken.’

    ‘Ze zwegen tweestemmig.’

    ‘De dagen waren snotterig en bitter als andijvie.’

    Laten we hopen dat ondanks het caleidoscopische karakter van zijn proza, De verzoening de goedkeuring van menig lezer zal kunnen wegdragen. Wegsjouwen zou R.A. Basart daar misschien van maken. Of wegslepen. Of – wie weet – wegstuiteren.

     

  • Een Nederlandse Graham Greene

    Een Nederlandse Graham Greene

    Wat een goed boek is dit! Spannend! Hartverscheurend! Leerzaam!
    Lezer, Literair Nederland heeft gelukkig geen systeem van sterren of ballen om het oordeel van de recensent mee uit te drukken, maar beschouwt u het aantal uitroeptekens dat zojuist voorbij kwam gerust als indicatie van de bijzondere kwaliteiten van De oogst is voorbij, de laatste roman van Geert van der Kolk.
    ‘Andries Jordaan gaat in ontwikkelingshulp’, zo had het boek, in navolging van Heere Heeresma’s klassieker, ook kunnen heten. Maar verwacht geen lolbroekerij, dit boek is tragisch en pessimistisch.

    Jordaan gaat naar Kenia om ontwikkelingswerk te doen – landbouw, medische zorg – en krijgt te kampen met corruptie en fraude op alle ambtelijke niveaus en met onbegrip en tegenwerking bij de plaatselijke bevolking, die zich bezighoudt met veediefstal en niets van veranderingen wil weten. De goedbedoelde westerse bemoeienissen met leven en cultuur van de bevolking pakken averechts uit of blijven zonder resultaat. Jordaans zelfbeeld en gevoel van eigenwaarde, zijn ambities, zijn huwelijk en de opbloeiende relatie met een Britse arts: alles gaat eraan. Hij verwordt tot een cynische najager van zijn eigenbelang. Aan het slot laten wij hem achter in barre omstandigheden die zijn snelle ondergang lijken aan te kondigen.

    Graham Greene
    Dat hebben we vaker gezien: een hoogopgeleide en geciviliseerde Europeaan verliest de greep op zijn leven en gaat ten onder; de aanhoudende confrontatie met ondoorgrondelijke vreemdelingen, geweld, alcohol en de massieve tegenwerking door de autoriteiten legt eigen zwakheden bloot en laat niets over van welke plannen en illusies dan ook. Dit deprimerende gegeven kennen we bij voorbeeld uit de romans van Graham Greene, waarin vaak het enige lichtpuntje bestaat uit het halsstarrige, wanhopige geloof van een enkel personage in een toekomst die ooit iets ten goede zal zien veranderen. Greenes romans zijn zo aangrijpend doordat de schrijver de ellende van de wereld genadeloos schetst zonder zijn gevoel voor humor en zijn compassie te verliezen.

    Ook Van der Kolks boek is hier en daar humoristisch, maar wat overheerst is een nuchtere beschrijving van een onverbiddelijk, bijna mechanisch proces waarvan de uitkomst zich al vroeg in het boek doet vermoeden. Net als in boeken van Greene treedt ook hier een personage op, de optimistische en levenslustige Pippa, dat tot op zekere hoogte haar idealen weet te behouden. Dat lukt haar slechts door bijtijds de veelbelovende verhouding met Andries te verbreken en terug naar Engeland te gaan. En ook zij maakt brokken.

    De hierboven geschetste geschiedenis van Andries Jordaan mag een vertrouwd patroon volgen, het is een ‘waar’ verhaal dat de lezer een spiegel voorhoudt. Het is eenvoudig, vakkundig en doeltreffend opgeschreven, in een aangenaam, journalistiek aandoend soort Nederlands, met hier en daar een vleugje nauwelijks toegedekt Engels (‘Ze leek de perfecte gastvrouw’; de schrijver woont al 35 jaar in de Verenigde Staten) en af en toe een smakelijk archaïsme (‘De passagiers gaarden hun bagage bijeen’). Die intelligente en nuchtere benadering van het onderwerp maakt De oogst is voorbij heel geloofwaardig en overtuigend.

    Hóe overtuigend, blijkt uit het korte intermezzo waarin Jordaan terug is in Nederland vanwege de onvermijdelijke echtscheiding. De kinderen! De financiën! Maar zijn huis is verlaten en hij komt er niet in. Daar zit hij dan, op het tuinmuurtje, in een keurige straat in Driehuis. Het contrast met de Keniase wereld is immens. De lezer echter, die door alles wat de schrijver hem al heeft voorgeschoteld, de gebeurtenissen inmiddels ook met een soort antropologische distantie beschouwt, betrapt zich erop dat de vertrouwde Nederlandse realiteit hem net zo krankzinnig voorkomt als de Afrikaanse.

    Geloofwaardig en authentiek
    Wat het boek uitzonderlijk maakt, is de meesterlijke beschrijving van de wereld die Andries vermorzelt: West-Kenia en de omstandigheden van land en klimaat en traditie waarin de verschillende stammen een uiterst hard bestaan leiden. Zendingswerk en landbouwhervorming zijn Sysifuswerk en slechts technische wonderen als bromfietsen en kalasjnikovs vinden ingang.

    Alles is volstrekt geloofwaardig: landschappen, flora en fauna, de mensen en hun omgangsvormen, voedsel en kleding, de nederzettingen en het onbarmhartige klimaat. Van der Kolk heeft ter voorbereiding een lange reis door Afrika gemaakt. Hij wilde een reisverslag schrijven. In plaats daarvan heeft hij zijn observaties en ervaringen in deze roman verwerkt. Ze verlenen het boek een formidabele authenticiteit.

    U kende de naam Geert van der Kolk misschien nog niet? Voorin De oogst is voorbij staan veertien titels van hem vermeld, zowel romans als verhalenbundels. En op zijn website treft u foto’s aan van avonturen op zee. Zijn volgende boek schijnt over Nieuw-Guinea te gaan. We kunnen ons er nu reeds op verheugen!

     

     

     

     

  • In het land van de gefrituurde chocoladetaart

    In het land van de gefrituurde chocoladetaart

    Paul Theroux schrijft zoals hij reist: hij heeft een begin- en eindpunt, en een vervoermiddel (vaak de trein, hier de auto) en de route dicteert zijn verhaal. Dit keer blijft hij dicht bij huis: in 4 seizoenen doorkruist hij het Zuiden van de Verenigde Staten.

    Het Zuiden, dat is Deltablues en gegrilde chilikip, moerassen katoenvelden, meerval en barbecue, maar ook slavernij, Ku Klux Clan en rassenrellen en het Amerikaanse broertje van apartheid: segregation. Het land van Uncle Ben en Bill Clinton. Het Zuiden, dat is met geheven pink met pinkring nippen aan cocktails op de veranda’s van witte landhuizen. Het Zuiden, dat is ook wonen in verwaarloosde huisvestingsprojecten in grotendeels ontvolkte stadjes. Meer dan 20% van de inwoners overleven op ontwikkelingslandniveau, zonder fatsoenlijke gezondheidszorg of onderwijs voor de kinderen.

    Paul Theroux (zelf een ‘noorderling´ uit Boston) wilde dat eigensoortige continent binnen zijn eigen vaderland nader leren kennen en reed van Arkansas en Mississippi naar Alabama en Carolina en keek rond in steden, dorpen en gehuchten met namen als Greensboro, Marion, Little Rock en Speed. Hij bezocht gospelkerkdiensten, bluesfestivals en wapenbeurzen, en sliep in mottige motels die allemaal in handen leken van leden van de Indiase familie Patel. Hij schoof aan tafel met goedwillende idealisten, zwaarmoedige hulpverleners en bij de ‘Southern’ schrijfster Mary Ward Brown, met haar 95 jaar nog scherp als een scheermes. Ze is zelf liefdevol opgevoed door een zwarte dienstmeid en vindt de slavernij een schande en racisme iets voor de dommen. Maar toch. En haar vriend, Randall Curb, een uitermate belezen en internationaal gewaardeerde literatuurkenner waar Theroux een paar keer langs gaat, lijkt het daar ondanks zijn verlichte denkbeelden mee eens. Hij klaagt over de zwarten die in zijn district de meerderheid van de raadszetels en bestuurlijke posten bezetten.

    Meerval en katoen
    Stug voortreizend en -schrijvend probeert Theroux de complexe problematiek van het Zuiden in kaart te brengen. De erfenis van de slavernij, racisme, raciale achterdocht en de maatschappelijk nog steeds acceptabele variant daarvan, ‘segregatie’, is daar een deel van. Scholen die pas in de jaren 90 gemengd werden, dorpen die nog steeds ‘blank’ zijn, restaurants waar ’s zondags de blanken hun maaltijd afhalen bij de achterdeur, terwijl zwarte families tafelen aan de voorkant. Nabestaanden van zowel daders als slachtoffer van een lynchpartij die decennia later nog steeds bij elkaar om de hoek wonen. Onwrikbaar gestolde achterdocht en wrok, woede en frustratie.

    De mensen die Theroux ontmoet zijn dan weer onverwacht warm, gastvrij, relaxed en behulpzaam. Iedereen neemt de tijd om bij een portie gegrilde meerval met koolsla zijn verhaal te doen. In die verhalen komt beetje bij beetje de complexe problematiek van het Zuiden tot leven. Economisch ontwricht door globalisering en sociaal verlamd door rassenwaan en slavernij. Ook nu nog wonen totaal verarmde zwarten op grote lappen grond die onbebouwd blijven. Zoals de directrice van een welzijnsprogramma zegt: ‘In de Afro-Amerikaanse gemeenschap is het doel om te bezitten en niet om bezit te zijn,’ – van de bank, bij voorbeeld. En dus verliezen ze de strijd in de steeds grootschaliger landbouw, terwijl de zegeningen van de industriële revolutie al weer zijn overgewaaid. Vietnam concurreerde de meervalkwekerijen uit de markt en China de katoenvelden (waar door mechanisatie toch al bijna niemand meer werk vindt). Elektronicafabrieken werden overgenomen en uitgebouwd door Japanners, maar verhuisden uiteindelijk naar overzee, of over de grens naar Mexico. Het landschap waar Theroux doorheen rijdt is dan ook deels lieflijk, deels verwilderd en deels het decor voor een postindustriële rampenfilm. Leegstand, verval en spookdorpen. Motels waarvan niet duidelijk is of ze nog open zijn, bewoond door mensen die uit hun huis zijn gezet.

    Pioniers en bluesrevival
    Hoe kan dit ooit nog wat worden, vraag je je af. Ook Theroux gaat wanhopig op zoek naar hoop: hij zoekt mensen op die in hun nadagen nog een hulporganisatie hebben opgezet, en mensen die actief zijn in sociaal werk, vaak verbonden met een van de vele kerken. Opvallend: ze richten zich op onmiddellijke noden (doktersrekening, voedselpakket, kapotte koelkast) en vooral op huisvesting, van opknapbeurt tot leeftijdbestendige sociale nieuwbouw. Het schoolsysteem, sociale zekerheid, omscholing naar nieuw werk, er wordt wel eens naar verwezen, maar het lijkt nauwelijks aanwezig – op de bijstand na, die geen garantie biedt voor een fatsoenlijk leven, inclusief opleiding en ontwikkeling, voor kinderen, of zelfs maar het overeind houden van een afbladderend en verkruimelend huis. En dan zijn er nog de idealistische avonturiers van elders die neerstrijken in halfverlaten dorpen en daar iets met kringloopwinkels opzetten, of een atelier voor fietsen met frames van lokale bamboe. Goed bedoeld, maar niet waar het ‘eigen volk’ op zit te wachten. Uiteindelijk lijkt Theroux een begin te zien van iets dat de goede kant op gaat. Hij spreekt een burgemeester die trots is dat hij het plaatselijke bluesfestivalletje weer tot leven heeft weten te wekken. En hij trekt een paar dagen op met een kleine maar groeiende groep zwarten die een boerderij is begonnen. Dat valt niet mee, want banken doen moeilijk over hun kredietaanvragen en het Zuiden behoort tot de ‘bankarme gebieden’. Maar toch: de pioniers van een nieuwe generatie lijken het te kunnen gaan redden en – tja, wie weet, hoop je mee met de schrijver.

    Vreemde achtergrond
    Theroux citeert collega-schrijver, Nobelprijswinnaar en ex-vriend V.S. Naipaul die zei dat de reiziger iemand is ‘die zichzelf definieert tegen een vreemde achtergrond.’ Wat de vraag oproept hoe hij zichzelf dan wel niet definieert in dit boek. Allereerst als een harde werker. Theroux pakt aan en pakt door, al een heel oeuvre lang: van noord naar zuid door Afrika  (Dark Star Safari), de hele omtrek van de Middellandse zee (Pillars of Hercules), of van Engeland naar Japan per trein en weer terug (The great railway bazar). Hij houdt niet van half werk. Ook hier niet. Het diepe Zuiden heeft veel te bieden, en soms en beetje té veel. Onder meer een overzicht van alle eerdere reisboeken over het Zuiden; een overzicht van ‘het Zuiden’ in de literatuur in het algemeen, niet één maar drie beschrijvingen van een wapenbeursbezoek. En heel intermezzo over (zijn afrekening met) William Faulkner, de grote romancier van het Zuiden, en ook nog eens een complete verhandeling over het N-woord (nigger) en de complexe politieke correctheidscultus daaromheen. Theroux definieert zich ook als goede observator en luisteraar die gewone mensen portretteert in hun uitzonderlijkheid: een kapper en een advocaat die ook dominee zijn. De sociaal werker en haar timide collega, die de ex-vrouw was van Muddy Waters. De geestelijk ontspoorde Vietnam-veteraan en de Irakese steengroeve-eigenaar. Theroux definieert zichzelf als literator en ook dat soms een beetje al te nadrukkelijk; vooral ook als hij stilistisch uithaalt: ‘Het voorjaar was ook een prisma van vochtige geuren die uitstraalden in een regenboog van aroma’s; er school hoop in die lentewasemingen – een overgang van de onwerkelijke geurloze, neusknijpende winterkou.’ Wat u zegt. Gelukkig houdt hij het meestal bij een meer journalistieke stijl. En dan zijn er nog de bijna obsessieve herhalingen van sommige thema´s, die een zekere drammerigheid oproepen. Wel tien keer verklaart Theroux geschokt te zijn dat in zijn eigen Amerika mensen leven als in ontwikkelingslanden. En al even vaak vertelt hij dat er honderden miljoenen dollars van Washington naar Afrika gaan, maar dat naar het Zuiden niet wordt omgekeken. De Clinton-foundation is een van die rijke organisaties die ver weg goed doen, maar voorbij gaan aan hun eigen thuisland (Bill Clinton kwam uit Littlle Rock). Veel interessanter dan de meningen van de schrijver zijn de verhalen van de mensen die hij aan het woord laat. En daarvan heeft Het diepe Zuiden er veel te bieden.

  • Vader geëerd met een boek

    Vader geëerd met een boek

    Geven ontelbare feiten uit iemands leven een helder beeld van die persoon. En is dat eigenlijk wel wat de schrijver wil. Gaat dit boek over de vader, of vooral over de zoon. De lezer die denkt in Oberhausen de vader van Martin Müller, of van de schrijver Maarten Moll te leren kennen, komt bedrogen uit. Het is onmogelijk de vader een onweerlegbare persoonlijkheid toe te kennen. Vader Hermann Müller heeft zijn zoon Martin gevraagd zijn biografie te schrijven. Hij is echter niet bereid vragen te beantwoorden en over zijn leven te vertellen, zijn zoon moet zelf maar nadenken en opschrijven wat hij weet. Jarenlang stelt Martin dat uit of doet slechts halfslachtige pogingen om zijn vader op papier te krijgen. Pas als vader en zoon in Helsinki zijn, de vader voor een naderende auto stapt en daarna in het ziekenhuis in coma ligt, begint zijn zoon op te schrijven wat hij van Hermann weet.

    Oppervlakkige relatie
    En dat zijn feitjes, heel veel feitjes. ‘Ik was helemaal niet in mijn vader geïnteresseerd’, verontschuldigt hij zich in het begin omdat hij nauwelijks invulling kan geven aan wat hij van zijn vader weet. Zo neemt hij het zichzelf bijna kwalijk dat hij niet weet wat Hermann tussen zijn tweeëntwintigste en drieëntwintigste levensjaar heeft gedaan, een vergaande vermeende omissie. Ondanks de wekelijkse bezoeken aan zijn vader na de dood van zijn moeder en de vele films die ze op die avonden samen keken, ondanks de reisjes die ze jaarlijks maakten en het frequente telefonische contact, is de relatie aan de oppervlakte gebleven. Martin weet weinig van zijn vader te duiden.

    Vermoeiende vermeldingen
    Net als in zijn dichtbundel Lichaam (2012) met hetzelfde vader-zoon thema, mengt Moll feit met fictie, met de nadruk op fictie, vertelt hij in een interview. Zijn vader leeft nog en ligt niet in coma. Ergens schrijft hij in Oberhausen: ‘Omdat ik dat had verzonnen.’ Door de talloze – al of niet reële – feiten gaat het je al snel duizelen. Iemand is niet aangereden door een vrachtwagen, maar ‘aangereden door een vrachtwagenchauffeur uit Krefeld’. Ergens gaat het over een oude vrouw in een verzorgingshuis. ‘Het was mevrouw Moddejonge (de enige vrouw die ik heb zien vissen, de vrouw van de beste turfsteker uit Drenthe, tevens een dief van bijenkorven).’ Krefeld, vissen, turfsteker, dief van bijenkorven, het zijn volstrekt overbodige details die het verhaal waar het om gaat onnodig belasten. Namen van bijfiguren en toevallige passanten plus wat aan hen kleeft, het wordt allemaal genoemd. Deze vermoeiende, aan de ‘biografie’ toegevoegde vermeldingen geven de man die geportretteerd wordt geen reliëf. Mogelijk refereert Moll met zijn uitweidingen aan verhalen of gedichten van andere schrijvers (hij is literair redacteur/journalist bij Het Parool), maar, al of niet het geval, hij weet er geen maat mee te houden.

    Hij had een boeiend personage kunnen zijn
    Wat overblijft is een man in een blauw pak die met paarden zwom, op zich een prachtig gegeven. Deze man, ‘die de horzel die zo hard tegen zijn brillenglas was gevlogen dat het brak op het gras legde en wachtte tot hij weer wegvloog’ en die over een vrouw met wie hij kortstondig omging opmerkte: ‘Ze had een stem die ik niet in huis wilde’, had kunnen uitgroeien tot een boeiend romanpersonage als de zoon zich niet zo had uitgeput in wat hij meende te moeten opvullen. Met soms aardige vondsten, dat wel. Zo laat hij zijn vader vertellen dat deze zich had ingeschreven voor twintig gram as van Momo Lady (een paard, AM) en laat hij hem een enkele keer extreem ontevreden zijn: ‘Terug in de eetzaal trof ik mijn vader in een slecht humeur. Om zijn bord lagen, ik moest even goed tellen, elf onthoofde eieren. […] Ik had hem een dergelijk geintje ook zien uithalen in Bilbao, waar hij veertien koppen koffie liet komen voor hij tevreden was met de sterkte van de koffie.’

    Niet van de straat
    En passant wordt duidelijk gemaakt dat de vader niet van de straat is. Want de geschiedenis moet ook gewicht krijgen. De familie Müller heeft een legendarische achtergrond, met een stamboom en Müller-dagen. Alle familieleden geven namen aan de bomen in hun tuin. Alleen Hermann niet, vermoedelijk omdat zijn zus op jeugdige leeftijd uit een boom viel en overleed, een trauma dat hij op hoge leeftijd nog steeds niet te boven is.
    Hij maakt talloze reizen en reisjes, een feit dat nog eens opgevijzeld wordt met de vermelding dat de zoon verwekt is in Florence en de vader zelf in een hotel in Groningen. Hermann draagt goed gekozen kleding, is belezen – zo suggereert Martin / Moll – en bemint de alcohol.

    Mooie zinnen maar wat veel ‘mijn vader’
    Het boek is opgezet in kleine hoofdstukken met titels in alfabetische volgorde, volgens de abc-spelletjes die vader en zoon geregeld speelden waarbij de ander steeds een naam binnen dezelfde categorie moet noemen, bijvoorbeeld van sporters of filmacteurs. Er staan mooie formuleringen in zoals ‘Eenzaamheid is de drank met niemand kunnen delen. Ik wil het liefst de fles in kruipen, maar er is niemand die de dop erop kan draaien.’ En ‘Mijn vader probeerde dat wel, maar zijn moeder snauwde hem af en zijn vader keek alleen maar hardnekkig uit het raam in de hoop Mexico te zien liggen.’ Daarnaast moet de lezer moet wel erg veel ‘mijn vader’ verduren. Soms dertien keer op een pagina. ‘Mijn vader was graag […] de dertiende man op de maan geweest. […] Mijn vader houdt van lange schaduwen. […] Mijn vader vindt dat er te veel bewaard blijft. Mijn vader heeft Caruso gezien.’ Mijn vader dit en mijn vader dat. Bovendien is door het vele heen en weer springen in de tijd soms niet te volgen over wie en waar het precies gaat. En dan komt Moll ook nog af en toe met niet-bestaande dubbelgangers op de proppen.

    Eer aan de vader
    Aan het bed in het ziekenhuis in Helsinki leest Martin zijn vader voor wat hij over hem heeft geschreven. En hoopt dat hij er tevreden mee zal zijn. Waarom Hermann midden in de nacht voor een auto is gestapt blijft in het duister gehuld. Martin vraagt het zich niet af. Hij denkt over voorbije tijden, inventariseert en schrijft. Alles wat hij over zijn vader aan taferelen kan bedenken schrijft hij op. Het lijkt alsof Moll een aantal uitgangspunten in een schema heeft gezet, dwarsverbanden heeft aangebracht en het raamwerk met leuke invallen heeft ingevuld. Juist daardoor is Hermann verbleekt. Maar om dezelfde reden, het vastleggen van de vele kleine wederwaardigheden, is de vader met dit boek toch ook geëerd.

     

  • Zwelgend hart

    Zwelgend hart

    Liefdesverdriet is een ongesteldheid, onvergelijkbaar met andere kwalen van het menselijk hart. Een heftige, zelfmedelijdende golf van eigenwaan overspoelt onze gewoonlijk medemenselijke houding en zorgt voor een vervreemding van alles wat neigt naar helderheid en relativering. Dit moet bij schrijver/dichter Chrétien Breukers (1965) met factor twee vermenigvuldigd worden, gezien de mededeling op de achterflap van zijn jongste bundel De zomer haalt nog één keer uit. Breukers kijkt terug op maar liefst twee liefdes die voorbijgingen. Of dit feit een krachtiger impuls zou moeten geven aan de impact van zijn verdriet, en mogelijk aan de kwaliteit van de hier gepubliceerde gedichten, is de vraag die zich meteen opdringt. Wel is vast te stellen dat twee voorbije liefdes een grotere stroom aan zwelgende woorden teweegbrengen dan slechts een enkele.

    Het eerste gedicht uit deze bundel handelt over de verse herinnering aan het gezamenlijk liefdesspel. Op een bijtende toon haalt Breukers uit, de intimiteit vermorzelend onder de woorden:

    Hoe zal ik je beminnen? Haal ik de harde hand
    van stal of heb je liever eerst muziek en wijn
    en ruis van nepsatijnen lakens?

    Zal ik een bok doen toebereiden
    in zijn eigen melk? Mijn hoeven zet ik
    in je vlees. Mijn woede reageer ik
    af op officieren uit mijn leger.

    Dit is een boosheid die het ergste doet verwachten. Gelukkig gaat het er in de volgende verzen wat rustiger aan toe. De dichter mijmert over de eerste ontmoeting en vindt de juiste woorden om zijn passie te beschrijven: ‘Ik gromde van geluk’. Om te vervolgen met een wat uitgekauwde banketbakkersmetafoor: ‘Ik kneedde mij/ een lichaam naar gelijkenis. Ik tekende je ledematen/ in het deeg. Daar was je dan’.

    Breukers weet met zijn korte, afgeknepen zinnetjes een gevoelige wereld te boetseren. Liefde, teleurstelling en eenzaamheid worden vermengd met spontane observaties uit het dagelijks leven: een klussende buurman, een voorbijrijdende vuilniswagen of wandelend door de stad Utrecht. De samensmelting van die externe alledaagsheid met de persoonlijke zielenpijn vormt een goede basis voor deze poëzie maar wordt na een tiental gedichten ook wat clichématig. Er wordt doorlopend gereflecteerd op wat de dichter zelf voelt en ziet, er is geen sprake van een oorzaak, of een aanleiding, die tot deze toestand heeft geleid. Nog maar eens een gevoelige herinnering:

    Ochtend. De haag der dagen groeit per centimeter.
    De zon is grijs. De kade wordt gebezemd door het licht.
    De eerste auto’s maken geen geluid. Ik trek mijn kleren uit.
    Je slaapt. Ik ga de kamer in en sla het dekbed iets opzij.

    Mooi verwoord, hoewel de worsteling van de dichter langzamerhand wel erg overheersend wordt. Breukers laat met doeltreffende zinnen zijn verdriet de vrije loop, maar wil ook niet helemaal toegeven aan die treurige gesteldheid. Er is verzet, hij probeert het weg te duwen, het zit hem hoog dat hij in deze situatie is gemanoeuvreerd:

    Soms graaft het zich een weg door hersenstam en ruggenmerg,
    en ik, veel eenzamer dan God, doe net alsof het er niet is.

    Het is er niet. Het is er bij mijn weten nooit geweest. Nog even
    en ik hef op doordeweekse dagen tol op zaken van het hart.

    De herinnering aan de liefde én het besef dat hij slachtoffer van zijn eigen pijn is, wordt hem te veel (‘veeg het met één beweging van je hand bij mij vandaan’). Dan schiet hij uit zijn slof en vervalt in een rancuneuze stemming die het gemis omzet in regelrechte woede: ‘Mijn haat maakt groene bliksemflitsen in de lucht’. Het wordt moeilijk om de lijdende dichter te blijven volgen, zijn taal is afgepast en vol beeldende waarnemingen, maar de uitwerking van zijn gedichten brengt steeds meer ongemak. ‘Geef nooit het hele hart, dat is dan weg’ neemt hij zichzelf voor.

    Tegen het einde van de bundel ziet Breukers, in een nostalgische bespiegeling van ‘mijn oude buurt’, zijn dochters in de verte fietsen. Het daaropvolgende vers is een niet mis te verstane boodschap aan het adres van de moeder van zijn kinderen:

    Voed mijn dochters op en lever hellevegen af.
    Pook het vuur dat in hen sluimert op. Het kan,

    het lukt je wel. Je moederhaat als aanmaakblok,
    je vrouwentoorn als lucifer. Je minnaressenhoon.

    Het is niet de zomer, maar Chrétien Breukers zelf die nog één keer uithaalt. Op een steeds geforceerder wordende toon getuigt hij van zijn liefde, gemis, verontwaardiging en woede. Dat hij daarbij mooie plaatjes uit zijn omgeving en zijn herinnering schetst, is slechts een verzachtende omstandigheid: zonder enige vorm van introspectie wordt de wereld beschouwd, en vooral zijn eigen positie daarin. Hier is een boze dichter aan het woord.

     

  • Spelletje in Normandië loopt uit de hand

    Spelletje in Normandië loopt uit de hand

    Vier mannen uit dezelfde buurt, allemaal met twijfels over hun persoonlijke en maatschappelijke leven, besluiten een weekend weg te gaan. Alle vier, Gijs Tempeliers en zijn maten Dennis, Beau en Jochem, hebben een meer dan gewone interesse in oorlogen: de Eerste Wereldoorlog, de Tweede en de oorlog in Vietnam. Om hun leven wat op te schudden en de verveling te doorbreken besluiten ze in Normandië de steile rotswand te beklimmen die de geallieerden op D-day moesten overwinnen. Ter plekke raken ze verzeild in een bizar spel met een tragische afloop.

    Om positief te beginnen: Een weekendje oorlog is een spannend verhaal. De snelle opeenvolging van de gebeurtenissen maakt dat je door wilt lezen. Je wilt weten waar de idiote verwikkelingen waar de mannen in terecht komen op uitlopen.
    Minder duidelijk is wat je met het verhaal aan moet. Toegegeven: er zit veel spot in de dialogen en in de wijze waarop Gijs, de ik-figuur, zijn relaas vertelt. De mannen zijn nogal brallerig en overschreeuwen graag hun werkelijke gevoel. Je krijgt een idee van de balorigheid van de kerels en tussen de regels door wordt duidelijk dat hun patserige gedrag moet verbloemen hoe alleen ze zich voelen in bijvoorbeeld hun huwelijksleven. Maar het ligt er allemaal wel erg dik bovenop.
    De roman heeft alle ingrediënten in zich om fundamentele kwesties uit te diepen als: wat betekent kameraadschap in een noodsituatie? Kies je voor je eigen hachje of ben je solidair? Hoe ver laat je je leiden door een obsessie? Wat is er nodig om je te laten opzwepen door latente haatgevoelens (de vier mannen, die geen van allen de oorlog hebben meegemaakt, nemen wraak op Duitsers)? Hoe is het om te leven met een morele schuld als je er niet op wordt aangesproken?
    Toch scheert het verhaal langs al die vragen heen. Je gaat er niet werkelijk over nadenken.

    Eendimensionaal
    Van Deijl, die van huis uit journalist is, geeft er blijk van dat hij wel een spannende plot kan ontwikkelen, maar hij doet dat op een manier die erg dicht bij zijn vakgebied ligt: de roman lijkt meer een journalistiek verslag dan een literaire verbeelding. Er is geen zin die je onthoudt, geen beeld dat je bijblijft. Het verhaal wordt lineair verteld met nauwelijks gedachtesprongen naar verleden of toekomst. Het blijft eendimensionaal. Bovendien gebruikt de auteur nogal eens wijdlopige en uitleggerige zinnen als: ‘Dennis vond dat we de camper konden gebruiken als slaapplaats, want volgens hem was die daar heel geschikt voor en we bleven tenslotte maar twee nachtjes. Ik kon niet nagaan of het een verkooppraatje was, maar een verblijf in de camper was in elk geval stukken goedkoper dan een hotel.’
    Ook de beelden zijn niet sterk: ‘Ik had al die tijd geen honger gehad, maar inmiddels begon mijn maag te rommelen als een verstopte gootsteen.’ Voor veel lezers zal een verstopte gootsteen juist géén gerommel oproepen.

    De dialogen roepen af en toe weerstand op, bijvoorbeeld als ze niet stroken met een benarde situatie als waarin de vier mannen zich bevinden. Ze lijken erg bedacht. De romanfiguren gaan daardoor niet echt leven. En hun passie voor de oorlog moet je als lezer maar aannemen. Die wordt nauwelijks geloofwaardig.

    Een weekendje oorlog werpt interessante vragen op. Maar de auteur doet daar te weinig mee.

     

  • De weg van waarheid en begrip

    De weg van waarheid en begrip

    De ik-persoon heet Memory. Door haar adoptievader, Lloyd Hendricks, werd ze Mnemosyne (de personificatie van het geheugen en de herinnering) genoemd. Dat zegt al genoeg: het tweede boek van de Zimbabwaanse schrijfster Petina Gappah, dit keer een roman na een verhalenbundel, gaat primair over herinneren. Maar ook over zoveel meer. Het zijn grote thema’s waarover ze vertelt. Maar dat doet ze op een klein gehouden, bescheiden manier. Over recht en onrecht, overleven en zin geven aan het bestaan, over buitenstaander-zijn en racisme, menselijkheid en onmenselijkheid. Het komt allemaal, in een mooi verband, voorbij.

    Herinneren
    Memory is veroordeeld voor de moord op Lloyd Hendricks, de blanke adoptievader die haar, een albino waarop een vloek heet te rusten, opvoedde. Haar advocate zet Memory aan tot het vertellen van haar verhaal aan een Amerikaanse journaliste, en tot het opschrijven ervan. Dat zou kunnen helpen bij het indienen van een verzoek tot gratie. Het leidt dus zowel tot een orale autobiografie in de traditie van Zimbabwe als een geschreven autobiografie zoals we die in het Westerse wereld vanaf bijvoorbeeld Catharina van Siena kennen. Ook aan haar werd demonische bezetenheid toegeschreven.

    In korte zinnen schrijft Memory over haar jongste broertje Gift, dat is overleden, net als de jongste uit het gezin, Mobhi, die verdronk in een emmer. Om al snel over te springen op het leven in de gevangenis, waar ‘de hel inderdaad uit andere mensen blijkt te bestaan, vooral wanneer die andere mensen je vrouwelijke medegevangenen zijn en er een week lang geen water is.’ Zo’n sprong geeft het verwrongen tijdsbesef waarin Memory leeft treffend weer.
    Het opleidingsniveau van de bewaaksters wordt raak getroffen door tal van geestige en goed vertaalde taalfouten, zoals ‘verkeerd verzonden’ voor verkeerd verbonden, ‘organisme’ voor orgasme, ‘rigor mosterd’ voor rigor mortis en ‘doofdom’ voor doofstom. Mooi gedoseerd, zodat het niet melig wordt. Maar het lachen daarom ‘heeft iets hysterisch, want telkens wanneer ik lach, weet ik dat mijn lach in de duisternis vergaat.’

    Licht en duister
    Licht en duister liggen in deze schitterende roman dicht bij elkaar. Het is als de auto van meester Maenzanise, waarin een kind was geboren en een oude man was gestorven, ‘en ze waren allebei op weg geweest naar het ziekenhuis.’ De ene bewaakster was lichter van kleur dan de ander, de ene was schappelijker dan de ander. Of spelen deze verschillen zich alleen maar af in Memory’s hoofd?
    Het is een insteek die doet denken aan wat de filosoof Michel Foucault, die zich in het gevangeniswezen heeft verdiept, ergens schreef: te weten willen komen ‘in hoeverre het denken van je eigen geschiedenis het denken kan bevrijden van wat het stilzwijgend denkt en het de gelegenheid kan bieden anders te denken.’ Of, zoals Memory/Mnemosyne schrijft: ‘Soms ga je dingen begrijpen die je onmogelijk kunt hebben geweten; je snapt ze en je herschrijft je herinneringen om er een samenhangend geheel van te maken.’ Hiervoor staat het geld dat Memory haar moeder aan Lloyd Hendricks zag geven symbool. Ze denkt dat dit de prijs is die voor haar is betaald, maar dat blijkt anders te liggen.

    Verhaal
    Het kleine verhaal van haar leven dat Memory vertelt en opschrijft, wordt gespiegeld in het grote verhaal van de geschiedenis van Zimbabwe. Haar beroep zal ongeveer in dezelfde tijd dienen als er verkiezingen zijn. Beide zijn hoopvolle elementen: zal Memory gratie krijgen, zullen de vrijheidsstrijders winnen en misschien zelfs aan de macht komen? Gappah vlecht beide verhalen op een ingenieuze manier in elkaar.
    Maar niet in de laatste plaats schrijft Memory het verhaal ook voor zichzelf. Ze geniet ervan woorden, zinnen en alinea’s op papier te zetten, zoals een gevangene in een roman van Stephen King gedwongen werd een boek te schrijven en dit hem uiteindelijk op de been hield.

    Breuken en botsingen
    Gappahs boek wordt ook gekenmerkt door breuken en botsingen tussen het leven voor en na de dood van de kleine Mobhi, de periode in de gevangenis en de tijd ervoor, tussen hetgeen de Victorianen Rhodesië brachten aan Westerse cultuur en godsdienst en traditionele gewoonten, genezers en het atavistische geloof in voorouders.
    Zowel Memory als haar adoptievader vallen buiten de gangbare hokjes: Memory omdat ze albino is, Lloyd onder andere omdat hij zich in de ogen van de blanken teveel had aangepast aan de autochtone bevolking van het toenmalige Rhodesië. Je zou kunnen zeggen dat de overeenkomst tussen beiden is, dat ze allebei van binnen zwart waren. Maar er is nog een reden waarom Lloyd buiten de gemeenschap valt. De reactie van Memory daarop toont dat ze nog steeds een rooms-katholiek schoolmeisje is met bekrompen gedachten. Gaandeweg wordt ze zich daarvan bewust en bevrijdt ze zich daarvan.

    De roman is een subtiele, knap geschreven en vormgegeven aanklacht tegen alle kunstmatige scheidingen die Rhodesië/Zimbabwe, maar niet alleen daar, heeft opgeworpen om mensen, niet alleen blank en zwart, bij elkaar vandaan te houden. Het is echter geen pamflet, maar een grootse roman die tevens een ode is aan het verhaal, verteld en/of opgeschreven, als een weg naar waarheid en begrip.

  • Vechten tegen een waanbeeld

    Vechten tegen een waanbeeld

    Van Atte Jongstra is inmiddels wel bekend, dat hij geen ouderwetse verteller is die een verhaal schrijft met een kop en een staart. Bij hem vallen meteen literair-theoretische termen als autofictie, meta- en intertekstualiteit, die gangbaar zijn voor de zogenaamde postmoderne romanproductie.

    Zijn nieuwste roman Aan open zee is daar geen uitzondering op. Jongstra schrijft over het schrijven, over de relatie tussen de schrijver en de personages in zijn roman. Hij gebruikt teksten van anderen, citeert met en zonder bronvermelding, laat zien dat een schrijver op de schouders van vroegere schrijvers staat. Een roman van Jongstra is een uitgeschreven kaartenbak, grappig of gewild grappig aan elkaar geschreven. Hij citeert niet alleen uit de ‘hoge’ literatuur, maar gebruikt net zo gemakkelijk een tekst uit Ja zuster, nee zuster: ‘Zwaaien met je onderbroek, zwaaien met je hemd’ of parafraseert de Bijbel: ‘God, ik weet niet wat ik doe.’

    De roman
    Het verhaal van deze roman is gauw verteld. De schrijver Borg komt aan op een eiland in de Oostzee en vestigt zich daar enige maanden, om te schrijven aan het nieuwe Werk, een roman die hem eindelijk het succes zal moeten brengen dat hij nooit heeft gekend. We leren door de schrijver allerlei mensen kennen die tijdelijk of permanent op het eiland wonen en het verhaal krijgt een thrillerachtige sfeer als er lichaamsdelen worden gevonden in de zee rondom de eilanden. In het tweede deel leert Borg Mette kennen, een verpleegster met wie hij een liefdevolle relatie onderhoudt, een vrouw uit één stuk die zijn humor en zijn levensgevoel deelt. Eindelijk vindt hij ‘de vrouw om in te verdwijnen’ naar wie hij altijd heeft verlangd.

    Jongstra legt in zijn roman sterk de nadruk op de omstandigheid dat het boek een schepping van de auteur is die in het boek een hoofdrol speelt. De auteur is de schepper, de almachtige, degene die aan de touwtjes trekt van elk personage. Hij schrijft zelfs zijn eigen leven. Hij kan een personage ook huppakee de roman uitknikkeren, zoals dat ook gebeurt met een soapster die in het werkelijke leven op reis moet of zwanger is.

    Het Werk dat Borg schrijft is de roman die de lezer op datzelfde moment aan het lezen is. De mensen die je in het boek tegenkomt zijn ook de mensen die de schrijver ontmoet. Geleefde en beschreven tijd zitten elkaar zo dicht op de huid dat ze samen vallen. Jongstra vertelt bij iedere scène waar de schrijver Borg zich bevindt, om aannemelijk te maken dat hij er zelf bij was en becommentarieert voortdurend de gang van zaken.

    Strindberg
    Daarnaast staat de roman vol verwijzingen naar romans van anderen. In de dialoog die voorafgaat aan de roman zegt Borg: ‘Een goede roman leunt altijd op eerdere boeken. Onzin om te denken dat alles helemaal nieuw is.’ Jongstra denkt zeker dat de lezer dit niet uit de roman zelf zou kunnen halen, omdat hij het zo nadrukkelijk vermeldt. Dat lijkt een gotspe, want de hoofdpersoon van Jongstra’s boek heet Axel Borg, dezelfde naam als de hoofdpersoon van Strindbergs roman, met dezelfde titel Aan open zee, die op dezelfde eilanden speelt waar Jongstra zijn roman heeft gesitueerd. Jongstra’s personage Borg leest Het ravijn van de Russische schrijver Gontsjarov en vraagt zich af of hij ook zo’n soort boek moet schrijven. Moet de lezer van Jongstra’s boek eerst Strindberg en Gontsjarov lezen om te achterhalen wat de meerwaarde van deze verwijzing is?

    De kracht van een roman kan naast de inhoud van het verhaal dat verteld wordt liggen in de manier waarop dat gebeurt. Zeker aan het begin van de roman lijkt de schrijver sterk associatief te werk te gaan met veel klankrijm (ij-ij en ui-ui). Zijn beeldspraak is er in veel gevallen net of behoorlijk naast. Een voorbeeld? Axel Borg ziet op tegen de reis. Alles in hem verzet zich ertegen: ‘De dieseldampen aan boord van de veerboot, het zeewater dat zich straks in snotgroene walmen, algachtig aan hem zou meedelen, het dreigend grijs, een eilandgemeenschap waar hij zich in zou moeten vechten, de eenzaamheid van de komende maanden die hem toegrijnsden.’
    Zoveel klankrijm bij elkaar in een zin is teveel. Zeewater dat zich ‘algachtig’ aan hem ‘zou meedelen’. Water kan praten! De eenzaamheid die hem toegrijnst. Hallo meneer Eenzaamheid, haal die grijns van uw gezicht!

    Spook
    Deze roman toont aan dat Jongstra vecht tegen een spook uit zijn jeugd. Het spook van de tekst als een door God ingeblazen tekst, die zonder tussenkomst van de mens als een blijde ware boodschap via een schrijver wordt neergelaten onder de mensen. Het lijkt wel alsof Jongstra nog steeds vecht tegen het beeld dat hij als kind van een tekst heeft meegekregen. Maar dat beeld bestaat al lang niet meer. Jongstra blijft echter maar doorgaan met de aanval op dat beeld, alsof hem voor de eerste keer is uitgelegd dat het niet klopt.

    In het laatste hoofdstukje van de roman zegt Axel Borg tegen zijn geliefde Mette dat het hem niet gelukt is om een samenvatting van zijn roman te maken. Hij vraagt zich af of Mette misschien uit de ‘baaierd aan stukken en brokken’ kan opmaken wat hij ‘eigenlijk met het boek zou willen zeggen.’ Wil Jongstra nog eenmaal duidelijk maken dat Borg echt wel doorheeft dat zijn boek geen traditioneel verhaal is?

    Aan de ene kant is de auteur volgens Borg almachtig, dat laat hij op bijna iedere pagina blijken en aan de andere kant weet Borg niet waar zijn roman over gaat. Dat is verwarrend. Weet Jongstra het zelf? Of doet hij maar wat, zo lang het maar lekker klinkt en literair aandoet. Verwarring stichten is wat mager voor een roman van 266 bladzijden. Mager ja, want het verhaal zelf is oninteressant en in een gekunstelde stijl geschreven. Verwijzingen naar andere teksten moeten er diepgang aan verlenen die er niet is.

  • Indrukwekkend levensverhaal van een intellectuele buitenstaander

    Indrukwekkend levensverhaal van een intellectuele buitenstaander

    Andreas Burnier, pseudoniem van Catharina Irma Dessaur (1931-2002), is vooral bekend geworden als schrijfster van Het jongensuur (1969). Elisabeth Lockhorn schreef een knappe biografie met als titel Andreas Burnier, metselaar van de wereld. Het is een nadere kennismaking met de schrijfster en met haar minder bekende werk.

    In de verantwoording bij de biografie legt Lockhorn uit hoe ze te werk is gegaan bij het beschrijven van het levensverhaal van Andreas Burnier. Naast schriftelijke bronnen heeft ze zich gebaseerd op gesprekken met tijdgenoten uit diverse perioden uit het leven van de schrijfster. Lockhorn: ‘Het zwaartepunt van deze biografie ligt in de reconstructie van de interactie tussen leven en literair werk […]’.

    Het levensverhaal van Catharina Irma Dessaur begint op 3 juli 1931. Scheveningen, in de jaren dertig een dorp met ‘bakkers en melkboeren met handkarren’, vormt het decor van de eerste tien jaar van haar leven. Voor Irma is het een onbezorgde kindertijd, een tijd waarin ze veel leest. Een tijd waarin, erop terugkijkend, de zon altijd schijnt.

    Onderduikperiode
    Kort na het begin van de oorlog wil de Joodse familie Dessaur per boot vluchten naar Engeland. De koffers staan klaar, maar, ‘op de avond voor het vertrek kwam de Scheveningse visser vertellen dat zijn vrouw de zaak toch te gevaarlijk vond en werd de tocht afgeblazen.’ Op 3 mei 1942 wordt het voor Joden verplicht de Jodenster te dragen. In juli van dat jaar duikt de familie onder in Eindhoven waar Irma en haar ouders op verschillende adressen verblijven. Irma herinnert zich later: “Als ik ergens op straat zou komen en iemand van de politie of een Duitser zou naar mijn naam en adres vragen, dan moest ik voortaan zeggen dat ik ‘Ronnie van Dijk’ heette en dat ik woonde in de Stationsstraat, want iedere plaats van enige omvang heeft wel een Stationsstraat.”

    Irma is elf jaar oud als ze voor het eerst moet onderduiken. In totaal zal ze op zestien adressen verblijven. Op sommige plekken is ze maar enkele dagen of weken. ‘Het overgrote deel van de oorlog zal ze alleen doorbrengen, op allerlei plekken, zonder te weten waar haar ouders verblijven en of ze nog in leven zijn.’

    In 1969 verschijnt onder het pseudoniem Andreas Burnier Het Jongensuur, de roman over haar onderduikervaringen. Het romanpersonage Simone, alter ego van Ronnie van Dijk, heeft het gevoel in het verkeerde lichaam te zijn geboren. Ze vraagt zich af waarom juist zij een meisje moet zijn: ‘Het was een kwestie van geluk. Je had bij je geboorte vijftig procent kans dat je een jongen werd. Waarom had ik pech?’ Vanuit meerdere bronnen wordt bevestigd dat het boek sterk autobiografisch is. Burnier vertelt later dat vrijwel alles in Het Jongensuur echt is gebeurd.

    Intellect
    Na de oorlog doet Irma afstand van haar Joodse naam. Ze kiest definitief voor Ronnie, de naam die zij als onderduikkind kreeg. Lockhorn schrijft dat Ronnie zowel een jongens- als een meisjesnaam is en dat dat wel eens een uitkomst zou kunnen zijn ‘voor een meisje dat zich dag en nacht vragen stelt over haar seksuele identiteit.’

    De oorlogservaringen en de opvang na de oorlog hebben grote invloed op het leven van Ronnie. Het gezin waarin ze terugkeert kent nauwelijks warmte en affectie. Een aangenomen weeskind en Ronnies jongere broertje Joost worden in kostgezinnen geplaatst als zij te ‘lastig’ worden gevonden. Lockhorn verwijst hierbij o.a. naar het werk van schrijver-psychiater Hans Keilson, Sequentielle Traumatisierung bei Kindern, waarin hij beargumenteert dat traumatische oorlogservaringen en de opvang daarna het leven van een kind ernstig beïnvloeden. Ronnie kopieert jaren later het gedrag van haar moeder Rosa. Als haar huwelijk uitloopt op een scheiding, brengt zij haar twee kinderen ook onder in een pleeggezin. Lockhorn citeert een nichtje van Ronnie: ‘Het afstand doen van kinderen loopt bijna als een rode draad door de familie Dessaur.’ Ronnie voelt zich ‘bevrijd na die zwarte koker van tien jaar huwelijk’ en richt zich volledig op haar studie. Ze studeert cum laude af in de filosofie in Leiden en werkt later als hoogleraar criminologie in Nijmegen. In de woorden van Keilson: ‘Haar intellect is haar huis geworden.’ In therapie is zij overigens nooit geweest. Burnier daarover: ‘Sommige slapende honden kun je beter laten liggen.’

    Broer Joost Dessaur citerend: “Haar wetenschappelijke loopbaan en haar schrijverscarrière heeft ze fanatiek opgepakt. Ronnie deed nooit iets ‘een beetje’. Het enige wat Ronnie ooit ‘een beetje”’heeft gedaan in haar leven, is haar moederschap.”

    Actueel
    Ronnie neemt in haar essays over homoseksualiteit, euthanasie en feminisme een eigen positie in. Ze durft af te wijken van gangbare opinies. Chris Rutenfrans met wie ze in 1986 het pamflet Mag de dokter doden? schreef, vertelt dat Burnier ‘package deals’ verafschuwde: “als je op grond van bepaalde standpunten ingedeeld kunt worden in een ‘kamp’, dan word je min of meer gedwongen ook alle andere standpunten van dat kamp te delen. Daar voelde zij niets voor.”

    Veel onderwerpen waarover Burnier schreef zijn nog steeds actueel. Ze waarschuwt in haar stuk ‘Euthanasie: De zelfmoord op zieken en bejaarden‘ voor het gevaar dat criteria voor actieve euthanasie, louter bedoeld om een einde te maken aan iemands fysieke lijden, steeds ruimer kunnen worden. Het aanleggen van een norm voor de kwaliteit van het leven wijst ze stellig af.

    Zij is ook kritisch op bezuinigen op de kunst (in haar woorden: ‘De asfaltering van het kunstbeleid’ ), de ongewenste invloed van politiek en bedrijfsleven op onderwijs en wetenschappelijk onderzoek: ‘Zij (de overheid) bedient zich daartoe van ‘ombuigingen’, een zeer onschuldig lijkende term, vermoedelijk ontleend aan het loodgieterswezen. In het nog resterende wetenschappelijk onderzoek is de staatsoverheid steeds drastischer aan het infiltreren.’

    Burnier maakt zich sterk voor het feminisme, maar distantieert zich ervan als ze vindt dat de beweging dogmatisch trekken krijgt.  ‘Massabewegingen zijn per definitie na korte tijd onverdraaglijk.’ (in een interview met Willem M. Roggeman, september 1975).

    Zij zal altijd bekend blijven om Het Jongensuur. Uit deze biografie komt naar voren dat ook haar essays het waard zijn herlezen te worden. Burnier krijgt in 1983 de Annie Romeinprijs voor haar ‘vele eigenzinnige, originele, altijd interessante en tot nadenken stemmende publicaties op het gebied van de vrouwencultuur.’

    Buitenstaander
    Er niet bijhoren is een terugkerend thema in leven en werk van Andreas Burnier. Als meisje hoort ze niet bij de jongens. Als hoogleraar criminologie werkt ze met alleen maar mannen, maar wordt nooit ‘one of the guys‘. Een mooie typering geeft Karel Soudijn als hij haar gedichten bespreekt. Burnier is iemand die, ‘als een buitenstaander van buitenaf gadeslaat; ze registreert in een toeschouwersrol, maar heeft zich tevens ingedekt tegen kwetsbaarheid door niet te veel aan de gebeurtenissen deel te nemen.’ Lockhorn: ‘Een treffender omschrijving van de waakzame instelling van een voormalig onderduikkind valt bijna niet te geven.’

    Knappe biografie
    Elisabeth Lockhorn heeft meerdere jaren aan de biografie over Burnier gewerkt.  Om de leesbaarheid te vergroten gebruikt ze af en toe vooruitwijzingen: ‘En Ronnie, die een nieuwsgierige blik werpt op het huis aan de overkant, heeft geen flauw idee dat ze daar de man zal ontmoeten die de vader gaat worden van haar twee kinderen.’

    Lockhorn plaatst het levensverhaal van Burnier in historische context. Een enorme klus omdat Burnier over talloze onderwerpen heeft gepubliceerd. Als Burnier bijvoorbeeld schrijft over de achterstandspositie van de vrouw in de jaren zestig en zeventig, dan geeft Lockhorn uitleg over de betekenis van de ‘tweede feministische golf’ die duurde van 1965-1985, wat ze op zeer verhelderende wijze doet.

    Metselaar van de wereld is een evenwichtig portret van Burnier en haar werk. De titel is goed gekozen. ‘Metselaar van de wereld’, een typering van een vriendin van Andreas, slaat op het vermogen van Burnier ‘om telkens een nieuw wereldbeeld voor zichzelf op te bouwen.’ Met deze biografie heeft Lockhorn een indrukwekkende prestatie geleverd.

    Elisabeth Lockhorn interviewde voor Vrij NederlandOpzij en Marie Claire Nederlandse schrijvers. Deze interviews werden gebundeld als Geletterde mannen en Geletterde vrouwen. Haar biografie over Andreas Burnier staat op de longlist van de Erik Hazelhoff Prijs voor de beste biografie 2016. De shortlist haalde het boek helaas niet. Op 18 maart 2016 werd bekend dat de Henriëtte de Beaufortprijs aan haar is toegekend voor haar biografie over Andreas Burnier.

     

     

  • De macht om te binden of te ontbinden

    De macht om te binden of te ontbinden

    Saemus Heaney moet zich wel vermaakt hebben toen hem ter ore kwam dat er een relletje gaande was rond de Nederlandse vertaling van District & Circle, zijn bundel uit 2006 die in 2010 in Nederland werd vertaald en onmiddellijk uit de handel werd genomen. Door tijdgebrek en slordigheid was een onzorgvuldige werk ontstaan. De nieuwe vertaling uit 2010, door Onno Kosters en Han van der Vegt, vormt nu eens te meer een pleziertje voor de Ierse Nobelprijswinnaar. Vertalen is met de handen in de aarde van de taal zitten, schoffelen, dingen omgooien, echt vakwerk en ambachtelijkheid, en om die reden aan Heaney welbesteed. En nu is in zijn tweetaligheid dit vakwerk ook echt te volgen. In deze bundel, waarin als vanouds het Ierse landleven naast persoonlijke herinnering de hoofdrol spelen, kijkt Heaney ook terug op zijn lectuur van Wordsworth, Rilke, Seferis, Kaváfis, Neruda, Auden, hij incorporeert hun poëzie, vertaald ze en spreekt ze toe.

    Nu is dat niet het aantrekkelijkste deel van deze bundel. Heaneys oeuvre is een oeuvre uit een stuk, hij behoort tot de weinige dichters in wier werk op elke plaats een eigen en herkenbare toon te horen is. Een goede reden om als vertaler met de handen in het haar te zitten. Een uitstekende reden ook om te constateren dat Heaney in zijn eigen vertaling van gedichten van bijvoorbeeld Rilke, Rilke kapot maakt en er een vreemd samenraapsel van Rilke- en Heaney-elementen van maakt, een soep die niet smaakt.

    De bundel District en Circle bevat twee lange en veelbesproken gedichten: het titelgedicht, waarin een tocht met de metro mythische connotaties krijgt, en een variatie op een oud thema van Heaney, de ‘Tollund mens’. Deze gemummificeerde man die uit vierde eeuw voor Christus stamt en  in Denemarken in de jaren ’50 werd gevonden, is vanaf vroeg in Heaneys werk een heel aantrekkelijk motief gebleken. De man, die door een wonderlijk samenspel van grondlagen en weersinvloeden en chemische afscheiding van mos zeer goed behouden bleef, geeft een schok van herkenning door zijn ongelofelijk levensecht gelaat. Een tuimelende tijdreis deze ‘Man van Tollund’, en om die reden waarschijnlijk zo populair bij Heaney, die zijn ‘omkijken’  altijd heel ronduit en aards wenst vorm te geven. Toch zijn in deze bundel niet de dichtersgedichten, niet de langere kunststukken de ware attractie, maar is het de schijnbaar dagelijkse landwereld, waarvan we wel willen geloven dat die nog bestaat in Ierland.

    Hooitouw

    Die wirwar van zachte toevoer en voeding –
    handenvol aan een hoop hooi ontlokt,
    gevierd om op te gaan in het spinnen, vouwen,
    ineengedraaid en strakgetrokken, rikkerdekik, tot touw –

    maar even vaak hanteerde ik aan het andere eind
    de haak
    liep achteruit, wond met al mijn inzet
    door elke klink en knik het hele verhaal ineen
    om de eindjes in elkaar te vlechten –

                        in mijn linkerhand
    de uitgeboorde vlierstok met schroefdraad,
    in mijn rechter de vervaardigde streng.

                          De wind in mijn rug,
    de zon op mijn gezicht, de macht om te binden, of te ontbinden
    vergaard uit en gewrongen in elke ruk en slag.

    Deze wereld bestaat in Ierland waarschijnlijk zo min als in Nederland nog. Heaney herinnert hem zich, zoals hij zich Hughie O’Donoghue herinnert, en Mick Joyce, Creagh Meadows, Bobby Breen, en vele andere mensen en plaatsen die Heaney ‘door elke klink en knik ineenvlecht’ met de ‘macht van de dichter om te binden of te ontbinden’. Heaney dicht over landwerk en ambacht omdat dat de aardse taal van zijn omkijken is. Een portrettengalerij van gewone mensen is deze bundel daarmee ook. In de metaforiek van oude gebruiken en handelswijzen en woorden (egtand, aambeeld, kolenbak, slaaplelie, ransel) en de prachtig ontnuchterende gewoonheid van de beschreven mensen en wat zij doen: ‘op zaterdagavond in Loudans slagerswinkel / stonden we in de rij’ is District en Circle een rijke wereld in zichzelf.

    In de hoofdstraat van Granard kwam ik Duffy tegen,
    die ik nog kende van vóór de jaren des verstands,
    in korte broek in het lokaal voor Oudere Kinderen
    waar een keer op een winterdag juf Walls
    het hoofd verloor en ons de kuiten ranselde
    om vuilbekkerij waarvan we dachten dat ze die niet kon horen.
    ‘Godallemachtig ,’ riep Duffy uit, en liep op me af,
    z’n stok in de lucht, beide armen breed uitgespreid,
    godallemachtig! Weet je nog, dat Spaanse rietje?’

    Waarbij de vanzelfsprekendheid van dit gedeeld verleden en de humoristische schijnbare coïncidentie dat de schrijver van het gedicht zich Duffy herinnert om exact dezelfde reden als waarom Duffy zich hem blijkt te herinneren, precies de tijdsprong is waar het in deze poëzie vaak om draait.

    Een tijdsprong als bij de man van Tollund, de enige 2.500 jaar oude mummie die je vandaag gerust een knappe vent kunt noemen weet Heaney zijn eigen landsverleden en -verhalen, zijn sappig-archaïsche maar soepele taal, plezierig algemeen te maken, voor elke lezer, wars van opgeblazen dichterlijkheid. Heaney blijft goed.

     

    Deze recensie verscheen eerder in Poëzietijdschrift Awater.

  • Poëtische, maar cryptische roman

    Poëtische, maar cryptische roman

    Niet verder vertellen, de nieuwe roman van K. Schippers, wordt een sprookjesachtig vervolg op Waar was je nou genoemd, dat bekroond is met de Libris Literatuurprijs 2006. In beide romans speelt Schippers met de tijd en verdwijnt de hoofdpersoon via foto’s in het verleden. Maar waar Waar was je nou een organisch geheel vormt van tijdswisselingen, stijlvariaties en alledaagse observaties, blijft zijn opvolger een verzameling indrukken en verwarrende elementen, dat op den duur zelfs irritatie opwekt.

    K. Schippers staat bekend om zijn experimenten met taal, tijd en ruimte. Een conventioneel verhaal, waarin de gebeurtenissen grotendeels chronologisch worden gepresenteerd, is hem een gruwel. Voor Schippers moet de taal swingend zijn, onverwachte wendingen nemen en de lezer op het verkeerde been zetten. De taal is gebaseerd op zintuiglijke ervaringen en moet de lezer in trance brengen, zodat hij elk besef van tijd en ruimte laat varen. Dit is een mooi en ambitieus streven, dat doet denken aan de droomwerelden van de surrealisten, die in hun gedichten en schilderijen droom en werkelijkheid laten versmelten en daarmee essentiële vragen stellen over de als vanzelfsprekend geachte relatie tussen realiteit en representatie en tussen gevoel en verstand. Wat dat betreft is het vreemd dat in Schippers’ nieuwste roman geen René Magritte of Salvador Dalí figureren, maar de realistische schilder Georg Hendrik Breitner en de modernistische beeldhouwer Alberto Giacometti.

    Inmiddels liggen de hoogtijdagen van het surrealisme ver achter ons en het postmodernisme, dat oude stijlen hergebruikt en verstoppertje speelt met de lezer, is ook verleden tijd. Schippers gaat vrolijk op de oude voet verder en verzandt in gecompliceerde spielerei. Zo begint Niet verder vertellen met de mededeling dat ‘Simonetta Vespucci tussen de golven is geboren’, een verwijzing naar de vrouw die model stond voor de schilderijen van Sandro Botticelli. De hoofdpersoon zit met een geheimzinnige dame, genaamd Simone, in de trein richting Turijn, waar ze de lijkwade van Christus gaan bekijken. Verder bezoeken ze het Zwitserse bergdorp Stampa, om het licht en de ruimte te zien waarin De Chirico en Giacometti werkten. In het tweede deel van de roman duikt Schippers in het verleden van zijn moeder, die als meisje gefotografeerd wordt door Breitner. Zijn moeder is een eenvoudige winkelbediende in de provincie, maar ambieert eigenlijk een artistieke carrière. In de loop van de roman raken deze twee verhaallijnen steeds meer met elkaar vervlochten.

    Van dit gegeven had Schippers een boeiende roman kunnen maken, waarin het verlangen (en de onbereikbaarheid) van de kunst centraal staan. In plaats daarvan springt hij van de hak op de tak en irriteert hij de lezer met op het oog cryptische, quasifilosofische dialogen. In het hoofdstuk ‘Waar blijft Simone?’ staat de ik-persoon ongeduldig op zijn mysterieuze vriendin Simone te wachten, met wie hij de woon- en werkplaats van Giacometti gaat bezoeken. Daar, in de afgelegen, Zwitserse Alpen, komt het zonlicht niet over de bergen. Tijdens het wachten verliest hij zichzelf in ‘een weefsel van de lichtste voorvallen’. Wanneer Simone plotseling opbelt, murmelt hij ‘…dat het door geen enkel voorval wordt geraakt…’ Simone begrijpt niets van zijn reactie.

    ‘…wat krijgen we nou…’ vraagt ze.
    ‘…dat web…’
    ‘…het zal wel…’
    ‘…onderling zo zorgvuldig…’ ga ik nog door.

    Verder verspringt hij van tijd binnen een alinea (‘In dezelfde tijd liep ik over een gracht in Delft. Dichters lezen poëzie in Café de Eland en ik heb even vrij.’) en gebruikt hij regelmatig onduidelijke verwijzingen (‘Strak staat het, zonder te breken, niets van dit geringste dringt ergens door. Als het al iets doet, dan probeert het afwezig te zijn.’). Hier spreekt de dichter K. Schippers. Hij brengt beelden met elkaar in verband en laat ze -op verschillende plaatsen en in verschillende tijden- in elkaar overgaan. Daarvoor hanteert hij overigens prachtige, poëtische zinnen: ‘Buiten neemt de wind een paar bladeren op, niet al te gretig, veel zijn het er niet (…) om dan ineens z’n belangstelling voor wat hij toch zelf heeft opgetild te verliezen’. Maar dichterlijke vrijheden werken minder goed in romans, die afhankelijk zijn van sterke verhaallijnen en ontwikkelende personages. In Niet verder vertellen vraagt K. Schippers te veel van zijn lezer. Schippers’ creativiteit en vindingrijkheid resulteren in een poëtische, maar cryptische roman, die door het gebrek aan aanknopingspunten zijn doel voorbijschiet.

  • Superieur geouwehoer

    Superieur geouwehoer

    Wie wel eens geprobeerd heeft na te denken weet dat dat niet meevalt. Telkens als je een gedachte denkt beet te hebben komt er een andere doorheen. Het hele leven wordt zo één eindeloze poging niet afgeleid te raken. De liefdesmachine van Wouter Godijn doet verslag van zo’n proces.
    De ik-persoon, Alexander van Putten, wil ons een verhaal vertellen, maar wordt daarbij telkens gestoord. Soms door huiselijk ongemak (kapotte wasmachine, lastige dochter), maar meestal door de gedachtenstromen die hem beheersen en zijn pogingen om zowel die gedachtenstromen als het te vertellen verhaal in mooie taal te verwoorden.
    De zijpaden waar zijn gedachten hem opsturen zijn vaak hilarisch en vaak ontroerend.
    Maar het meest valt de schrijfstijl op: die borrelt van genoegen in het zoeken naar bizarre vergelijkingen en ongebruikelijke woordkeuzes. Al na een paar pagina’s weet de lezer: dit boek staat vol geouwehoer. Maar geouwehoer van klasse, bij wijlen briljant en op z’n minst zeer onderhoudend.

    Freek
    Hier is een schrijver aan het woord, die steeds het vertellen van zijn verhaal uitstelt, drogredeneringen daarvoor verzint, stopt met een ‘wordt vervolgd’.
    En dan weer een stukje aan het verhaal breit dat hij moet vertellen van iemand die misschien hijzelf is maar misschien ook niet en dat zal gaan over bijzondere avonturen in bos en veld van de kleine held.
    Die hij zelf is, natuurlijk. En die zijn vertelling onderbreekt met een zin als Zojuist enkele seconden met schrikogen naar die laatste alinea gekeken, die hooghartig terugkeek.
    Wouter Godijns roman De liefdesmachine doet sterk denken aan de conferences van Freek de Jonge in zijn beste tijd: startend met een verhaal, om dan op vele humoristische of trieste zijpaden te belanden, maar tenslotte toch weer terug te keren tot het verhaal (‘Maar ik had het over mijn broer…’).

    Klusje
    Het boek is verdeeld in drie delen. In het eerste deel lezen we mee over de schouder van de schrijver, genaamd Alexander van Putten, als hij  aantekeningen voor een roman maakt op zijn pc, maar steeds besprongen wordt door gedachtenspinsels. Die ook ter plekke genoteerd worden en uiteindelijk de hoofdmoot van de tekst vormen. Maar toch, maar toch, ontpopt zich langzamerhand het verhaal van de jonge Alexander die – zonder goed te begrijpen waarom, want bijzonder mooi is ze niet – in de jaren zeventig in een biologisch verantwoorde hut op de hei samen gaat wonen met Wilmie Kok. Zij is feministe en overal tegen, maar mijn hemel, wat kan zij rukken.

    Als ik zo doe – hallo ben je er nog? – word je dan nóg geiler? Dat is namelijk wél de bedoeling Alexie.’

    Als Godijns hoofdpersoon even ophoudt met piekeren en vrije associaties en een gebeurtenis of persoon beschrijft grijpt hij de lezer meteen bij de kladden. Wilmie’s lichaam en de liefdesdaad met haar beschrijft hij ontroerend en tegelijk met grote zelfspot en ontluistering. (..) ze ligt naast me, haar ogen heel groot en oplettend, haar gezicht vlakbij, ik kreun, mijn ademhaling zwoegt, mijn pik schokt in haar hand, die hem stevig vast houdt maar niet beweegt, nog steeds niet beweegt, mensen worden geboren, mensen sterven, in China is het zojuist middernacht geworden, nóg-nóg-nóg beweegt haar hand niet – en dan, plotseling, hard en griezelig doeltreffend, beweegt ze (‘ik zie aan je ogen wanneer je er niet op verdacht bent.’)

    Na dertien maanden is het uit met Wilmie. Alexander ziet haar pas tien jaar later terug. Hij heeft zich intussen gevestigd als shadow-therapeut, een wat wazige zijtak van psychotherapie en Wilmie maakt als patiënt een afspraak. De passie slaat opnieuw toe en na een gescheurd condoom worden ze een gezin met een meisjes-tweeling.

    Waarna bij Wilma de passie verdwijnt en hun huwelijk wordt zoals huwelijken na lange jaren worden: een oneindige reeks te verrichten handelingen en klusjes. Waaronder ook de liefdesdaad, waar Wilma weinig trek meer in heeft. Het wordt prachtig beschreven: Een héél enkele keer schijnt – néé het is echt zo – kómt, komt het idee bij haar op dat ze iets voor me zou kunnen doen. Ik kan zien hoe dat idee vorm aanneemt, er glijdt plotseling iets zachts over haar gezicht, wat haar terwijl het gebeurt vagelijk lijkt te verbazen. ‘God, Alex, ik word helemaal gaar van die bedelende hondenblik van je (heb ik die dan? Ik weet nergens van), kom dan maar even hier.’ 

    En even later gebeurt het dan: Wilmie rukt mijn boxersshort omlaag (het toeval wil dat ik geen lange broek aan heb) en begint me met één hand  af te trekken, terwijl ze met haar andere hand een handdoek klaarhoudt om het resultaat van haar arbeid op te vangen. Ik ben nu zelf een klusje geworden.

    Illusies armer
    Deel 2 gaat over het sterfproces van de vader van Alexander, die darmkanker krijgt als hij diep in de zeventig is. Het is het meest ontroerende deel van deze roman. De woordenstroom van Wouter Godijn tekent hier in klein en liefdevol detail de genegenheid van Alexander voor de oude man en zijn treurnis over diens naderende levenseinde. Hij doet dat zoals in al zijn proza, met kwinkslagen en olijke terzijdes om daarmee de angst te bestrijden dat het verdriet hem te machtig wordt.

    Hoe hij na de operatie euforisch van de morfine in een ziekenhuisbed zat. ‘Jongen, je hoeft je echt geen zorgen te maken. Het gaat prí-má. Hoe hij, met alle kanten uit piekend haar, het leek of er een soort kleine vleugeltjes uit zijn schedel staken, in een bruin-wit gestreepte pyjama en een druivenblauwe peignoir die flodderig om zijn vermagerde lichaam hingen en op sloffen die – hoe merkwaardig! – te groot leken voor zijn tekenfilmfiguurachtige flapvoeten, door een ziekenhuisgang scharrelt, telkens steun zoekend bij de dichtstbijzijnde muur. (…) ‘Ja, weet je, jongen, ze hebben een fysio-fysio….fysio-meneer-de-dinges op me afgestuurd om te vertellen dat ik zoveel mogelijk moet bewegen.’

    Met deel 1 en deel 2 is het leven van Alexander eigenlijk al in zijn geheel beschreven: de jongeman die hoopte en droomde is oud en dik geworden en alle illusies kwijt over het bereiken van geluk.

    Realiteit
    Maar Godijn heeft de reputatie graag in zijn romans het absurde en onwerkelijke een rol te laten spelen en dat komt in deel 3 tot uitdrukking: er meldt zich een patiënt in zijn therapie-praktijk die een groot probleem heeft: hij is altijd gelukkig. En blijkt dat te zijn als gevolg van een door hem ontwikkeld software-pakket. En hij is bang of wil juist graag (dat wordt niet helemaal duidelijk) dat de hele wereld daarvan gaat profiteren: geen gezijk, iedereen gelukkig en rijk. Natuurlijk blijkt uiteindelijk de software niet te werken en de roman besluit met een Alexander die zich realiseert dat hij gelukkig moet proberen te zijn met wat hij heeft: een niet meer zo mooie en aardige vrouw en twee vinnige dochters. En dat hij dat kan omdat hij van ze houdt en zij van hem.

    Zo samengevat is de inhoud van De liefdesmachine niet beter of slechter dan elke dertien andere romans in een dozijn. Maar al lezend wordt het de lezer duidelijk dat je bij Godijn niet moet zijn voor het verhaal, maar voor de kleurige bedrukte gedachtensnippers waarin hij het verpakt. En die woorden-confetti is aangenaam, al moet je er wel van houden. Er zullen ook lezers zijn die horendol worden van Godijns alsmaar voortzeggende gedachten stromen. Een tip: lees in de boekhandel één pagina en je bent verkocht of je weet ‘dit is mijn ding niet’.