Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Roman of essaybundel

    Roman of essaybundel

    Fotocamera’s weten zich vaak geen raad met een zwarte huid: ze werden afgesteld op een blanke huid en daardoor doet een foto van een donkere persoon vaak onderbelicht aan. Teju Cole haalt dit technisch mankement aan in een van de stukken in zijn dikke essaybundel Vertrouwde en vreemde dingen. Maar vervolgens neemt hij een intrigerende afslag: hij legt uit hoe dat mankement fotografen heeft gedwongen naar creatieve oplossingen te zoeken, waardoor er bijna als bijeffect intrigerende foto’s zijn gemaakt. Over de Afro-Amerikaanse fotograaf Roy DeCavara merkt Cole op dat hij op zijn portretten van donkere mensen, ‘in plaats van het zwart donkerder te laten lijken, (…) tegen die verwachting in (ging) en (…) het nog donkerder [maakte]’. Daardoor ontstaat er een rijke kleurschakering die aandachtig kijken vereist, maar beloont met het besef, ‘dat er meer is dan je op het eerste gezicht zou denken’.

    Roman of essay
    Zie hier hoe een aantal van de belangrijkste thema’s van Coles non-ficitie samenkomen: het zwarte lichaam, fotografie, kijken. Cole is naast romancier (Elke dag is voor de dief, Open stad) en essayist ook kunsthistoricus – met een voorkeur voor fotografie – en een Afro-Amerikaan met wortels in Nigeria. Voor diverse media schreef hij artikelen waarvan er in Vertrouwde en vreemde dingen een grote selectie samen is gebracht. Onderwerpen variëren van fotografie tot de uitverkiezing van Barack Obama en lynchpartijen in Nigeria. De ambitie straalt van het dikke boek af: Cole wil veel behandelen en diep graven – wat hem vaak wel lukt, maar niet altijd. Bestaat er eigenlijk zoiets als de Grote Amerikaanse Essaybundel, naar analogie van de Great American Novel?

    Het essay is een wat onduidelijk genre, want het verschil of de grens met andere non-fictiesoorten is niet altijd even duidelijk; want kan een lange recensie bijvoorbeeld geen essay zijn, of een reisverslag? Kan een opinieartikel in de krant een essay zijn en hoe zit het met een kort verhaal waarin op actuele kwesties gereflecteerd wordt? Cole lijkt met die vage definitie te spelen door voor verscheidene invalshoeken te kiezen: van reisverhaal tot e-mailwisseling. De toon wisselt per stuk en geregeld binnen het artikel: van bijna zakelijk kunsthistorisch of journalistiek, tot heel persoonlijk en intiem.

    Ongemakkelijke observatie
    Het boek begint na een prima voorwoord met een indringend stuk getiteld Het zwarte lichaam. Waarin Cole zijn reis naar- en verblijf  in het Zwitserse Leukerbad beschrijft en dat doet hij op een toon die niet misstaat in een roman. De door Cole bewonderde Afro-Amerikaanse auteur James Baldwin maakte begin jaren vijftig diezelfde reis en werd daar vreemd aangekeken door de blanke bevolking die waarschijnlijk nog nooit een donkere man had gezien. Cole beseft in Leukerbad dat hij daar zelf echt niet de eerste donkere man is – er zijn hem vele voorgegaan sinds Baldwin – maar dat er tegelijkertijd ‘wel wat gegluurd (werd) in het hotel toen ik incheckte, en in het goede restaurant verderop de weg, maar er wordt altijd gegluurd. (…) Er wordt gegluurd in New York City, waar ik al veertien jaar woon. Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika.’

    Het is een ongemakkelijke observatie: zelfs in zijn woonplaats is hij blijkbaar een soort bezienswaardigheid, puur omdat hij een zwarte huid heeft. De professionele kijker Cole is zich er ook bewust van dat hij zelf ook bekeken wordt, en laat dat bewustzijn in veel stukken zien. In een intrigerend stuk staat hij stil bij de mogelijkheid van Google om afbeeldingen te vinden en de angstgevoelens die die ‘pagina’s vol beelden’ bij hem opriepen. Even later biecht hij op dat hij én angstig is voor én gefascineerd door een andere Google-mogelijkheid: die om met de ene afbeelding visueel soortgelijk materiaal te vinden. ‘En opnieuw voelde ik angst, hoewel ik niet meer wist of het angst voor God was of voor Google, of dat er een substantieel verschil was tussen die twee.’ Cole neemt de moderne (digitale) beeldcultuur serieus en laat zich niet verleiden tot platitudes a la ‘alles doen voor honderden likes’ waaraan vele anderen zich wel bezondigen.

    Twee boeken in een
    Zoals gezegd is Vertrouwde en vreemde dingen een flinke bundel. Dat is een van de redenen dat er zo ergens richting de tweehonderdvijftigste pagina het gevoel opkomt een boek te hebben uitgelezen en er aan een tweede wordt begonnen. Dat heeft ook met de indeling van het boek te maken: eerst een afdeling literatuur (‘Dingen lezen’), daarna beeldcultuur, fotografie en andere beeldende kunst (‘Dingen zien’), en tot slot een afdeling met reisverslagen en politieke stukken (‘Aanwezig zijn’). Die indeling op onderwerp doet bijvoorbeeld erg kunstmatig aan: veel van Coles thema’s verwerkt hij op een vrije organische manier door het hele boek heen.

    Ook de selectie en redactie hadden wat strenger gemogen. Het stuk over een overleden Australische componist bijvoorbeeld voelt qua thematiek nogal misplaats aan in ‘Dingen zien’, en voegt weinig toe aan het boek. Ook duiken tegen het einde diverse minder geslaagde stukken op over buitenlandse politiek, die wel erg rechtdoorzee zijn (en soms drammerig), en eerder daarin journalistieke bijdragen lijken. Een beetje gênant wordt het bij de in het boek opgenomen mailwisseling (wederom die vrije benadering van het essay) met collega-schrijver Aleksandar Hemon. Waarin laatstgenoemde, Cole uitgebreid complimenteert met zijn werk, en andersom. Het Amerikaanse-talkshow-gehalte wordt daar echt te hoog, terwijl er soms best interessante kwesties aangesneden worden. Hemon bijvoorbeeld merkt op dat hij ‘het hardnekkige onderscheid tussen fictie en non-fictie in de Anglo-Amerikaanse literatuur altijd heel hinderlijk (heeft) gevonden, of problematisch zelfs.’ Ook Cole zegt zich daarover te verbazen:

    ‘We (lopen) ook niet door het museum (…) op zoek naar fictieve of non-fictieve schilderijen.Schilders realiseren zich dat alles een combinatie is van waarneming en verbeelding, van wat men te horen heeft gekregen en wat al eens vaker door iemand is gedaan.’

    Cole legt in dat fragment goed uit wat hij in de geslaagde stukken en op de beste momenten van Vertrouwde en vreemde dingen doet: de verleidelijk verhalende toon van fictief proza gebruiken terwijl hij de wereld om zich heen beschouwt, en/of laten zien hoe kunst wortelt in de samenleving en daar een uitstekende spiegel van kan zijn. Het vertrouwde wordt daardoor geregeld vreemd, en even vaak wordt er een poging gedaan om het vreemde vertrouwd te maken. Het boek als geheel is niet de Grote Amerikaanse Essaybundel die er in potentie in had gezeten, maar Cole doet een goede gooi.

     

     

  • Dingen in de tijd

    Dingen in de tijd

    David Grossman heeft recht van spreken, meer dan menigeen. Hij heeft het land waar hij woont lief, maar ziet ook in dat er bloed aan kleeft. Dat is de basis van zijn genuanceerde essays en toespraken over Israël uit 2006-2015 die door Christoph Buchwald zijn gebundeld.

    Genuanceerde stem
    Grossman probeert te duiden hoe het komt dat men in Israël aan de kant blijft staan en toekijkt, ‘als gehypnotiseerd, terwijl de waanzin, de alledaagsheid, het geweld en racisme zich meester maken van ons thuis?’ Hij vraagt zich af hoe het komt dat de joden in Israël het slachtoffer zijn geworden van angst en wanhoop. Hij is bang voor de prijs die hiervoor wordt betaald.
    De dood van zijn zoon Uri, augustus 2006, geeft Grossman niet automatisch het privilege om zijn stem in het debat te verheffen. Wel bracht ‘de confrontatie met dood en verlies een nuchterheid en helderheid met zich mee’ die, zoals de lezer van boeken en artikelen over Israël kan concluderen, veel stemmen in dat debat missen.

    Grossman is in staat de dialoog aan te gaan, boven elke vorm van fanatisme verheven. De dialoog met gematigde, zachte krachten – die volgens Henriëtte Roland Holst immers zullen winnen –, en met oog voor het lijden van de Palestijnen. Zonder te verdoezelen dat zij medeschuldig zijn aan de uitzichtloze situatie waarin het land verkeert. Maar erkennend dat, wanneer Israël in juli 2006 bij het begin van de Israëlisch-Libanese oorlog (waarmee het boek opent) een staakt-het-vuren van enkele dagen had aangekondigd, de situatie er nu wellicht anders zou hebben uitgezien.
    Dat geldt ook voor de gevangenenruil vier jaar later (2010). Israël zou toen een akkoord hebben kunnen ‘voorstellen dat een volledige wapenstilstand omvat, de stopzetting van alle terreuractiviteiten vanuit Gaza en de opheffing van het beleg.’ Het zijn gemiste kansen. Maar wie zijn wij in het Westen om te zeggen dat dit niet realistisch is? Het echte gevaar zou volgens Grossman wel eens in de verlammende, angstige houding van Israëlische politici kunnen schuilen. Waarin niet met elkaar wordt gesproken, laat staan naar elkaar wordt geluisterd. Waarin de politici hun stemmers, en zichzelf, ophitsen ‘met verwijzingen naar de Holocaust, het joodse lot en de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen.’
    En toch lijkt de auteur in het chronologisch verloop van de essays en toespraken te geloven dat Israël wijzer wordt. ‘Bedroefd, gekwetst, tandenknarsend, maar wel degelijk verstandiger – althans, omdat het niet anders kan.’

    Profetisch en hoopvol boek
    Het is aan de ene kant ook een griezelig, profetisch boek om te lezen. Bijvoorbeeld wanneer van Netanyahu wordt gezegd dat hij in staat is feiten uit te vlakken. Achter deze woorden doemt ook de president elect van de Verenigde Staten op. Dat maakt de wereld er niet veiliger op.
    Aan de andere kant ademt de bundel ook hoop. Grossman ziet zichzelf als deel van een schrijverswereld, van bondgenoten die samen ‘dat onontwarbare web vormen dat een geweldige kracht heeft, een kracht die de wereld kan maken en veranderen, een kracht die de stommen kan doen spreken, een kracht die verbeteringen kan aanbrengen.’ Wie zijn wij in het Westen om te zeggen dat dit niet realistisch is? Het is een tekst die, toeval of niet, precies in het hart, het midden van de uitgave staat. Zoals het in Uit de tijd vallen pas tegen het eind van het boek gebeurt: ‘En ik (…) ben eindelijk weer aan het schrijven. / Alle vingers in de rulle aarde / kneed ik, schrijf ik het verhaal.’ En een stukje verder: ‘Ik bezweer mezelf met woorden (…), opdat ik zelf niet stilval en versteen (…). Mijn hele leven hangt nu / aan het puntje van mijn pen.’

    Dingen die veranderen
    Boeken, schrijven, daar gaat het Grossman om, want die zetten ons als het goed is in beweging. ‘Dieptegesteenten verschuiven. Iets in onze starre, kunstmatige definities verzacht als we worden aangeraakt door een literair personage waarin volheid van leven, soepelheid en innerlijke tegenstellingen schuilen’ aldus Grossman in zijn 5 mei-lezing 2015 in de St. Jacobskerk in Vlissingen.
    Grossman heeft met deze lezing in Nederland een ruimere bekendheid gekregen. Die had hij natuurlijk al door zijn romans, zoals de ook op deze website besproken en het eerder genoemde Uit de tijd vallen (2012) en Een vrouw op de vlucht voor een bericht (2009).
    Beide genres (romans en essays) vormen qua thematiek bij Grossman vaak een eenheid. In Uit de tijd vallen, een haast toneelmatig opgebouwd, meerstemmig verhaal over de verwerking van het verlies van een kind (als gezegd verloor de auteur in 2006 zijn zoon Uri), gaat het bijvoorbeeld op een gegeven moment over het feit dat alleen dingen in de tijd te begrijpen zijn. ‘Mensen, bijvoorbeeld, of gedachten, verdriet / of vreugde, paarden, honden, woorden, liefde. / Dingen die verouderen, veranderen en zich vernieuwen.’
    De veelstemmigheid in Uit de tijd vallen benoemt Grossman ook in zijn openingsrede voor het Internationale Literatuurfestival in Berlijn (2007): ‘De afgemeten, precieze stem die me bereikt van buitenaf, wekt ook stemmen op in mij – stemmen die misschien onmondig bleven tot die andere stem, of dat bepaalde boek, hen aanwakkerde.’
    Moge dit boek, deze indrukwekkende en in prachtige stijl geschreven essays en toespraken samen met Grossmans romans mensen in beweging zetten om de haast uitzichtloze situatie die hij beschrijft te keren! Inderdaad: dat zijn literatuur een kracht moge zijn ‘die de wereld kan maken en veranderen, een kracht die de stommen kan doen spreken, een kracht die verbeteringen kan aanbrengen.’ 


  • Vertelling over siamese paus

    Vertelling over siamese paus

    Liefhebbers van het werk van veelschrijver A.F.Th. van der Heijden waren het afgelopen jaar in hun nopjes. Groepsportret (een overzicht van personages uit het oeuvre van de schrijver) werd herdrukt en het aangrijpende Tonio verfilmd ( en zeer goed ontvangen). De oude publicatievorm van het feuilleton werd afgestoft en President Tsaar op Obama Beach verscheen in zestig delen in NRC Handelsblad. En alsof dat nog niet genoeg was, verscheen deel 6 van romancyclus De tandeloze tijd, Kwaadschiks, gevolgd door deel 7: Kastanje a/d zee. Laatstgenoemde is vooralsnog alleen in kleine oplage en in bibliofiele editie verschenen. Daarover zei de auteur in een interview plagend: ‘Als dat tot boosheid bij mijn lezers leidt, heb ik niet voor niets geleefd.’

    Alsof dat nog niet genoeg was, wordt dan nu vlak voor de jaarwisseling nog Gedichten Gods of De vergrijpstuiver gepubliceerd, een gedrukte versie van de in 2014 uitgesproken 21e Kellendonklezing, vernoemd naar schrijver en vertaler Frans Kellendonk (1951 – 1990). Geschikt om te lezen of te schenken tijdens de kerstdagen, aangezien Van der Heijden een vurige tirade tegen de Rooms-katholieke kerk afsteekt. Behalve dat zet de auteur zijn poëtica uiteen en haalt hij herinneringen op aan de een kwarteeuw geleden overleden Kellendonk, vooral bekend van de roman Mystiek lichaam (1986).

    Een drieledige missie dus, die in het korte boekje goed en gestructureerd uitpakt. Van der Heijden begint met zijn eerste ontmoeting met Kellendonk, die direct tot een komische en ongemakkelijke anekdote leidt. Trillend als een rietje belt de jonge schrijver aan bij de woning van Kellendonk om zijn eerste manuscript door te nemen. Daarbij laat hij per ongeluk een televisiecontroleur binnen, die Kellendonks toestel controleert en gelijk een fikse boete voor ‘zwartkijken’ uitschrijft.

    Behalve een leuke anekdote komen hier en elders de karakters van zowel Kellendonk als Van der Heijden mooi naar voren. Beide heren zijn zo verlegen en stil, dat dit de laatstgenoemde ertoe beweegt zich onnatuurlijk extravert op te stellen – wat uiteraard tot ongemakkelijke situaties leidt. Ook openbaart Van der Heijden dat de naam van zijn bekende romancyclus De tandeloze tijd geïnspireerd werd door de beginzin van Kellendonks eerste verhalenbundel, Bouwval (1977). Interessant is tot slot hoe de auteur de bijzondere wijze omschrijft waarop Kellendonk met zijn katholieke geloofsachtergrond omging.

    Dat laatste is een interessante smaakmaker voor het door Van der Heijdens beschreven toneelstuk, waarin hij zijn poëtica demonstreert aan de hand van een kritische vertelling over het aftreden van paus Benedictus, de “theologische muggenzifter”, en zijn opvolging door de meer charismatische en empathische Franciscus. Dit is het interessantste stuk van het boekje, waarin een vermoeide Benedictus pogingen doet om te verdwijnen en afgezet te worden, maar zich geconfronteerd ziet met een complot van de curie om hem in het zadel te houden.

    Als er dan toch een opvolger komt in de persoon van Franciscus en de twee pausen elkaar de biecht afnemen, creeërt de auteur een komisch tafereel waarin ook veel interessante gedachtenexperimenten de revue passeren. Zoals bijvoorbeeld een pleidooi voor de oprichting van een Metafysisch Strafhof, ‘ter berechting van een God – desnoods bij verstek te veroordelen’. Sterker nog, Van der Heijdens scherpe en harde analyse van de omgang van de Rooms-katholieke kerk met het omvangrijke schandaal van kindermisbruik, laten bij de lezer met een sterk rechtvaardigheidsgevoel het bloed koken – zó sterk worden het lijden en onrecht beschreven.

    Van der Heijdens poëtica combineert naar eigen zeggen de eigenschappen van klassiek, antiek en modern theater – en giet die in een romanvorm. Hij zet zich af tegen een strijd van Goed versus Kwaad, maar presenteert een gelijkwaardige protagonist en antagonist. Daarbij wordt de hoofdpersoon verscheurd door een dilemma – en dat bepaalt het plot. Deze vertelstructuur kan ontwaard worden in tal van zijn romans en ook in het geschetste pausentoneelstuk.

    Door de focus op de poëtica en Kellendonk is het boekje in de eerste plaats interessant voor doorgewinterde Van der Heijden-fanatici en liefhebbers / kenners van Kellendonk. Voor mensen die nog nooit een boek van de auteur lazen, is de vertelling over de ‘siamese paus’ zeker de moeite waard – hoewel enige affiniteit met met de schrijver wel tot aanbeveling strekt. Het mooiste zou zijn geweest als dit  prikkelende toneelstuk – dat ook de katholieke kerk als ‘toneelstukje’ neerzet – verder was uitgewerkt en opgevoerd. Wellicht dat dit met wat actuele aanpassingen alsnog kan worden gerealiseerd.

     

     

     

  • Literaire boulimia

    Literaire boulimia

    Books are a load of crap. De man die dit schreef was schrijver en bibliothecaris maar soms kwamen de boeken hem kennelijk de keel uit. U kent het gevoel. Heeft u ook dit jaar weer veel te veel gelezen – en daardoor te snel, oppervlakkig en met te weinig vrucht en plezier? De verveling. De weerzin. Tijd voor goede voornemens, de jaarwisseling komt eraan.

    Waarom kwellen wij, lezers van belletrie, onszelf zo? Omdat we niets beters te doen hebben. Omdat we snakken naar wijsheid en kennis. Om mee te kunnen praten. Om te voldoen aan een antiek beschavingsideaal. Of domweg omdat we nu eenmaal die gewoonte hebben ontwikkeld en Holle Bolle Gijs het voorgoed heeft gewonnen van de fijnproever. Achter al deze zinnen mag u een vraagteken zetten; geef dan wel eerlijk antwoord.

    Aan hoeveel boeken heeft een mens eigenlijk genoeg? Onmogelijke vraag. Vergelijk het met eten en drinken. Hele volksstammen zuchten onder de strijd tegen overgewicht. Met aanzienlijk minder calorieën zouden ze beter af zijn. Ze? We! Zou dat niet ook gelden voor geestelijk voedsel?

    Als we nou eens minder snacken en grazen en slechts degelijke voeding tot ons nemen, met ampele tijd voor het verteren van zo’n ‘eenvoudige doch voedzame maaltijd’, wat zou dat met ons doen?

    Want dat willen we toch: dat lezen iets met ons doet, dat we niet onberoerd blijven. Maar lezen & schrijven is zo langzamerhand ingebakerd in een cocon van publiciteit en amusement en dus van mode. ‘Wat, heb je de nieuwe Wieringa niet gelezen?’ Antwoord daarop maar eens dat je zelfs nog nooit van die naam hebt gehoord.

    Ja, als je niet uitkijkt bepaalt de mode het menu. Wat een tijdverspilling! Straks ga ik dood en moet ik bekennen dat ik m’n maag heb bedorven met de pillen van Van der Heijden en niet ben toegekomen aan Multatuli. Of omgekeerd. Wie zei ook alweer: ‘We lezen heel ons leven fout’?

    Elke boekenwurm zou zijn hoogst eigenzinnige spoor door het boekenaanbod van pakweg de afgelopen drieduizend jaar moeten vreten, in plaats van telkens opnieuw naar de gaarkeuken te gaan. Want het gaat per slot van rekening niet om de boeken op zichzelf, het gaat om de wisselwerking tussen het boek en u.

    Luister, lezen is een gesprek. Twee stemmen klinken en een daarvan is de jouwe, ook al besef je dat niet meteen. Je bent in goed of slecht gezelschap en die ander voert ‘de strijd om het oor’, zoals Milan Kundera dat ooit noemde. De chemie tussen een sensibel, intelligent mens en De Smurfin, ik noem maar een dwarsstraat, is vele malen groter dan die tussen de plichtmatige lezer en zijn bestsellerskost of zijn keuze uit de canon. Je reinste alchemie! De goede lezer is als Repelsteeltje en maakt goud uit vlas.

    Wie durft vol te houden dat een goed boek in één lezing begrepen en genoten kan worden? Maar waarom herlezen we onze toppers dan niet telkens opnieuw? In de kloosters spreekt men wel van lectio divina: lezen met maximale aandacht totdat je ergens door gegrepen wordt, en dan: herkauwen. Ruminatio. Een passage, een regel, een woord. Een denkbeeld. Kauwen tot je de laatste druppels tot je hebt genomen. Lezen als voeding. ‘De dichter is een koe’, zei Achterberg, en de ware lezer is dat ook.

    Klinkt dit u als een rare middeleeuwse praktijk in de oren, luister dan naar de hoofdpersoon van Zen en de kunst van het motoronderhoud. Het boek is uit 1974 en maakte destijds veel furore. Over het gezamenlijk lezen met zijn zoon zegt de vader: Ik lees een paar zinnen voor, wacht op de stortvloed van vragen waar hij doorgaans mee komt aanzetten, geef antwoord en lees opnieuw een paar zinnen. Klassiekers laten zich op deze manier goed lezen. Zo zullen ze ook geschreven zijn. Soms lezen en praten we een avond lang en blijken we niet meer dan twee of drie bladzijden te hebben gelezen. Zo lazen ze honderd jaar geleden. (…) Als je dit nog nooit hebt gedaan weet je niet hoe plezierig het is.’

    Nog een stap verder brengt ons bij het memoriseren van een tekst. Geen betere manier om een tekst door en door te leren kennen dan hem voorgoed in je hersenpan op te slaan. In Natuurlijk bestaat God, het bijzonder leuke boek van Herman Hissink, lezen we hoe hij regelmatig zijn schat aan uit het hoofd geleerde gedichten doorneemt en opfrist. Uit eigen ervaring weet ik wat een bevredigende activiteit dat is.

    Nu zijn gedichten doorgaans kort, maar aan het slot van de film Fahrenheit 45, naar het boek van Ray Bradbury over een wereld waarin boeken streng verboden zijn, ontmoeten we de helden die hun leven wijden aan het redden van één enkele roman door hem uit het hoofd te leren: ‘Hello, I’m David Copperfield’. ‘Pleased to meet you, I’m Crime and Punishment.’ Dit is een verzinsel maar geen onmogelijkheid. In islamitische landen worden wedstrijden gehouden in het memoriseren van de Koran. Niemand doet mee die minder dan de ganse schrift kent.

    Nog zo iets geks. We willen literatuur begrijpen in plaats van ons er aan over te geven. Lezen en herlezen maken dat we een boek leren kennen maar niet noodzakelijkerwijs dat we het snappen, en dat hoeft ook helemaal niet. Beter is het een roman te benaderen als een mens, als een schepsel met wie we een innige omgang hebben maar dat we nooit van z’n levensdagen zullen begrijpen. We begrijpen onszelf ook niet.

    Bij gedichten wordt deze leeshouding geaccepteerd, bij proza zelden. En toch: begrip is saai en vaak stereotiep, een reductie tot clichés. Daar gáát je leesplezier.

    Maar ja, we willen er over praten, liefst een beetje deftig, want belezenheid speelt een rol in het sociale verkeer (althans, in bepaalde kringen en op voorwaarde dat je de ‘juiste’ titels weet te noemen). Het speelt een rol in de groepsvorming en in het uitdragen van een zelfbeeld. En hup!, daar rollen de gemeenplaatsen, de sjablonen en het jargon ons al van de lippen.

    Philip Larkin, de dichter van de regel waarmee dit stukje begint, had nog wel meer over boeken te zeggen. In een gelegenheidsgedichtje bezong hij de de universiteitsbibliotheek in Hull, waar hij werkte. Let vooral op de slotregel:

    New eyes each year

    Find old books here,

    And new books, too,

    Old eyes renew;

    So youth and age

    Like ink and page

    In this house join,

    Minting new coin.

    Uw boek mag oud zijn of nieuw en in de mode of obscuur en hoge kunst of triviaal leesvoer, u leest het voor het eerst of voor de zoveelste keer, verplicht of uit vrije keuze – dondert allemaal niet: slechts wanneer de alchemie tot stand komt waarin klinkende munt wordt geslagen, d.w.z. waarde wordt gecreëerd, hebben we recht op een verblijfsvergunning voor de republiek der letteren.

     

     

     

     

  • Moeder en dochter als enige constante in elkaars leven

    Moeder en dochter als enige constante in elkaars leven

    Vivian Gornick (1935) noemt het erotiek, datgene wat bij moeder en dochter een aanzienlijke rol in het leven speelt. Haar leven lang worstelt ze met de hang naar liefde en geborgenheid plus de drang naar vrijheid en onafhankelijkheid. Haar moeder is een romanticus die dertig jaar blijft treuren over de dood van haar grote liefde, Vivians vader. Wat hen bindt is het gevoel niet volledig door het leven te zijn bedeeld, aan de kant te zijn blijven staan.

    Met haar moeder heeft de schrijfster een haat-liefde verhouding. Ze irriteren elkaar, willen allebei gelijk hebben en zijn niet echt op elkaar gesteld. Toch kunnen ze niet zonder elkaar. Op hun gezamenlijke lange wandelingen door New York, als Vivian een jaar of vijftig is en haar moeder in de zeventig, gaat het vaak over ‘vroeger’, toen ze in een huurkazerne in de Bronx woonden. Aan de hand van deze herinneringen verhaalt Gornick in Verstrengeld (Fierce Attachements. A Memoir, 1987) over haar jeugd en de latere jaren toen ze studeerde, ging werken en de liefde ontdekte.

    De moeder is een vrouw met weinig opleiding en een geringe kennis van de wereld, maar wel toegerust met de nodige emotionele intelligentie. Ze kan niet bogen op een degelijke maatschappelijke functie. Ooit zocht en vond ze een baan, gaf die na acht maanden op omdat haar echtgenoot bleef protesteren, want ‘getrouwde vrouwen werken niet,’ vond hij. ‘Ik kon kiezen tussen het leven thuis in een hel veranderen of gelukkig worden. Ik wilde gelukkig worden,’ vertelt ze haar dochter op een van de wandelingen. Wat overbleef, schrijft Gornick, was het minachten van anderen om zichzelf te verheffen. Ook jaren nadat haar man is overleden blijft haar moeder de liefde missen en doet ze niets om haar leven inhoud te geven. Dat gooit Vivian haar voor de voeten: ‘Het was jouw keus… […] Je hebt dertig jaar doorgebracht met je vast te klampen aan een voorbije liefde. Je had een leven kunnen hebben.’

    Zelf zit Gornick – journalist, recensent, memoirist, essayist en representant van de eerste feministische golf – opgesloten in zichzelf. Al discussieert ze nog zoveel met vrienden, studiegenoten en minnaars, meestal voelt ze zich alleen, tekortschieten, buiten het dagelijks leven staan. Met haar jonge echtgenoot is er geen enkele dialoog, geïsoleerd van de ander door gevoelens die ze nauwelijks kennen en waar ze geen raad mee weten. Alleen seks brengt verlichting, reden waarom ze het nog zes jaar volhouden.

    Op de momenten dat Gornick zich werkelijk vrij voelt, manifesteert dat vrijheidsgevoel zich fysiek. Ze ervaart het in haar lichaam ‘als een rechthoekige ruimte van haar keel tot haar kruis’. Dan komen ook de woorden en stromen haar gedachten het papier op, totdat de ruimte zich sluit en de beperking weer optreedt. Als de rechthoekige ruimte open is ontstaat ‘eenheid van denken en taal’. Hierin vindt Gornick haar schrijverschap.

    Grandioos is de pagina’s lange beschrijving van de week van vaders dood en begrafenis waarin Gornick haar moeders theatrale verdriet beschrijft. ‘Rond het middaguur stroomde het huis plotseling over van mensen […] Deze mensen brachten ons tot aan de afgrond. Bij elk nieuw gezicht dat in haar directe blikveld verscheen, vond mijn moeder het nodig om in een nieuwe storm van tranen en weeklachten uit te barsten. Mijn angst groeide. Weldra zou ze zich verliezen in een hysterie waaruit geen terugkeer mogelijk was. […] Er waren tijdens de begrafenis nog meer momenten die het verdienden geboekstaafd te worden […] In mijn herinnering verbleken ze bij de briljante meedogenloosheid van mama’s waanzin.’ Met dezelfde scherpzinnige, efficiënte formuleringen, waar de humor in besloten ligt, vertelt Gornick over de buren en andere bekenden in de huurkazerne in de Bronx en over haar eigen gevoelens en minnaars.

    De relatie met de getrouwde Joe beantwoordt in eerste instantie aan haar verlangen naar geborgenheid én onafhankelijkheid. Ze kan met hem over alles praten, vooral over zichzelf, haar gevoel van afzondering, alleen zijn, onbeduidendheid. En de erotiek weegt zwaar. ‘Om te beginnen was daar de enorme reikwijdte van de seksuele liefde zelf. Begeerte garandeerde tederheid. Tederheid voorkwam gevaar. Eenmaal buiten gevaar was ik vrij om mezelf terug te trekken in het fascinerende geheime leven van mijn eigen overgave. In bed hoefde ik mezelf niet te zijn.’ Maar na twee jaar ervaart ze wederom zowel letterlijk als figuurlijk de begrenzing van de ruimte als Joe behalve zijn vrouw ook haar bedriegt.

    Het verlangen naar de nabijheid van een man blijft, een intimiteit die ze tegelijkertijd afwijst omdat ze haar onafhankelijkheid wil behouden, of liever omdat ze onafhankelijk ìs. In een interview in The Paris Review zei ze ooit: ‘Ik heb niet het leven gehad dat ik wilde. Ik had gehoopt meer midden in de wereld, in het leven te staan, voor betere feestjes te worden gevraagd.’

    Ondanks de wederzijdse irritaties en nietsontziend commentaar hebben moeder en dochter een vertrouwelijke band met elkaar. Ze hebben geen geheimen, kennen elkaar door en door. In beider leven is hun relatie de enige constante. Alleen heeft Vivian een bredere kijk op de wereld en op menselijk gedrag ontwikkeld, en is de moeder in haar eigen beperkte wereldbeeld blijven steken. Althans, in de visie van de dochter.

    Dit boek is geen volledige autobiografie, het behelst slechts dat deel van Gornicks leven waarin de nadruk op haar moeder ligt. Als ‘memoir-schrijver’ behandelt zij in vele andere verhalen en essays haar carrière, vriendschappen en relaties, met de stad New York alomtegenwoordig op de achtergrond. Dat zij daarover niet uitgeschreven raakt, bewijst de publicatie van haar laatste boek The Odd Woman and the City uit 2015. Op haar 81e laat Gornick nog steeds zien dat worstelen met mens-zijn een eeuwige bron van verhalen is.

     

  • Kroniek van een bizar gezin

    Kroniek van een bizar gezin

    Het gaat in De schuilplaats over een Frans-Joodse familie van 5 personen (twee ouders, twee kinderen, één kleinkind) die zich geregeld in een Fiat 500 wurmen, en er lange reizen mee maken zonder ooit het voertuig verder dan enkele tientallen meters te verlaten voor de broodnodige aankopen. Ze slapen er ook in, de jongste in de achterbak. Bij kerkbezoek parkeert de familie het autootje aan het begin van de mis voor de kerk en rijdt na afloop zonder uitgestapt te zijn weer naar huis. Waarbij het wagentje geparkeerd wordt in de cour bij het huis en vlak voor de ingang zodat iedereen slechts enkele stappen in de open lucht hoeft te doen. ‘s Nachts slapen de kinderen en het kleinkind op de grond aan het voeteneind van het bed van het echtpaar, in slaapzakken. De familie-leden zijn met elkaar vergroeid tot een onafscheidelijke eenheid. Met zijn allen bewonen ze een voorname woning aan de  Rue de Grenelle in Parijs.

    Zo’n  familie lijkt een verzonnen schrijversparadijs vol eigenaardige wezens die een onuitputtelijke bron van verhalen vormen. En dat klopt. Met dit verschil dat de familie Boltanski niet is verzonnen maar echt bestaat en in de Franse Cultuur en wetenschap een niet onaanzienlijke plek inneemt. En het kleinkind, de Franse journalist Christophe Boltanski doet in De schuilplaats een boeiende poging de geschiedenis te beschrijven van zijn oma en opa, zijn vader (de enige die ontsnapte uit de familie-omarming) en zijn twee ooms.

    Zelf koos hij er op dertienjarige leeftijd voor om ook in het huis aan de Rue de Grenelle te gaan wonen. En dat levert nu een prachtige beschrijving op van een merkwaardige familie. Grootvader Etienne is professor in de geneeskunde en een arts die veel voor zijn patiënten over heeft totdat ze echt een ernstige ziekte krijgen. Want het is onverdraaglijk voor hem ze misschien niet te kunnen helpen. Deze patiënten worden dan snel doorverwezen naar collega’s die hij beter in staat acht ze te kunnen genezen. Met zijn patiënten praat hij lang en veel over hun problemen, zonder over zichzelf iets te vertellen. Thuis vergenoegt hij zich met luisteren naar wat zijn familieleden te zeggen hebben, tussen het geluid van de eeuwig aan staande TV door.

    Gevecht met het falende lijf

    Zijn vrouw Myriam, de oma van Christophe is duidelijk de hoofdpersoon van het verhaal. Als studente medicijnen raakte ze verliefd op haar professor en ze trouwden. Enkele jaren later kreeg ze kinderverlamming en die ziekte die haar benen tot onbruikbare lichaamsdelen maakte, bepaalde uiteindelijk het bestaan van het hele gezin. Want Myriam weigerde te erkennen dat ze invalide was en bleef volhouden dat haar niets mankeerde. Met haar kleine magere lichaam klauwend de trap op, haar benen bungelend achter zich aan.  Staand bij de tafel, terwijl ze zich overeind houdt leunend op haar ellebogen. Zittend op een stoel, met een doek over haar lamme benen, zodat het leek alsof die nog wel in orde waren. Tronend in het grote bed in de enige slaapkamer van het huis, van waaruit zij het gezin bestuurde, gasten ontving.en onder het pseudoniem Annie Lauran een reeks romans schreef, met snelle vingers over het toetsenbord van de typemachine. Van de twee zoons die ook als volwassene thuis bleven is de oudste Jean-Elie Boltanski, een bekende Franse taalkundige. De ander is Christian Boltanski, een al even bekende Franse beeldend kunstenaar en filmer. De zoon die de familie verliet toen hij volwassen werd is Luc Boltanski. een wellicht nog bekendere Franse socioloog. Een late toevoeging aan de familie was de aangenomen dochter Anne Boltanski, die als fotografe publiceert onder de naam Anne Franski. Ze werd geboren met één nier die het na enige tijd opgaf en ze fotografeert vooral tijdens haar eigen dialyse andere patiënten.

    Rondgang

    Christophe vertelt het verhaal van deze familie via hoofdstukken die elk gewijd zijn aan een deel van het huis. Omdat hij aan elk stukje van het pand herinneringen heeft. De keuken, de badkamer, de spreekkamer van Etienne, de woonkamer, de zolder, de slaapkamer, ze leveren allemaal beelden en anekdotes op. Nadeel van deze aanpak is wel dat de chronologie van de familiegeschiedenis verbrokkeld raakt doordat elk stukje van de ruimte zijn eigen verhaal heeft. Het familierelaas begint daardoor eigenlijk telkens opnieuw. Een heel bijzondere plek is de trap, die twee tot viermaal per dag beklommen wordt door Myriam, gesteund door haar kinderen.

    ‘Zo begon ze langzaam aan de klim, met de bangelijke statigheid van invaliden. (…) Ze boog haar hoofd om de afstanden te schatten, stak haar tong uit en spande haar spieren – dat wil zeggen de spieren die niet waren aangetast door de polio, spieren waarvan gezonde mensen zich niet bewust zijn, in de verbuigingen en verbindingen van de ledematen. Heel haar geamputeerde wezen was gericht op een onzichtbaar punt in de verte, vóór haar.’

    Een andere bijzonder plek in het huis is de ‘tussenruimte’, de plek waar opa Etienne veel tijd doorbrengt.

    ‘Om zich te kunnen afzonderen had hij een geheime plek, een donkere ruimte waar geen daglicht kwam en alleen een klein schemerlampje voor een beetje licht zorgde (…). Een berghok, een rommelkamer, ingeklemd tussen de badkamer en de slaapkamer.’

    Oorlog

    Opa Etienne is een katholieke jood, maar tijdens de oorlog is het tweede belangrijker dan het eerste. En onder het Pétain-regime verliezen joden hun banen en moeten zich tooien met de jodenster. Etienne gelooft en verwacht dat het allemaal wel goed zal komen, maar zijn vrouw Myriam weet beter. Zij grijpt in en maakt van de tussenruimte een schuilplaats voor haar man. Hoe dat ging en wat de oorlog voor het gezin met zich meebracht behoort tot de meest aangrijpende stukken uit het Boltanski familieverhaal. De stijl van Boltanski levert één verrassing op: de lezer krijgt heel lang de indruk dat de Boltanski’s weliswaar bij elkaar waren, maar weinig teksten uitwisselden. Pas op pagina 231 meldt de schrijver:

    ‘De televisie stond permanent aan, maar dat belette ons nooit te praten. Onze gesprekken vermengden zich voortdurend met de stroom beelden op het scherm en werden zo een mengelmoes zonder kop of staart.’

    Waarna enkele voorbeelden volgen van langs elkaar heen praten. Het zijn de enige conversaties in het bijna 300 pagina’s tellende boek. De vermoedelijke reden? Boltanski is een journalist. En journalisten kennen wel de monoloog maar niet de dialoog. Ondanks dit kleine gebrek is De schuilplaats een aanrader.
    De vertaling uit het Frans door Prescilla van Zoest levert prachtig proza op, dat doet begrijpen waarom het origineel bekroond werd met verschillende literaire prijzen.

     

  • Droomvlucht zonder rem

    Droomvlucht zonder rem

    Het wemelt in de wereldliteratuur van de dromers. Een van de bekendste is Jozef uit Genesis, die door zijn broers ‘meesterdromer’ werd genoemd. Over zijn levendige dromen raakte hij overdag niet uitgesproken. Jozef bleek de toekomst te kunnen voorspellen door dromen van zichzelf en anderen te verklaren. Deze gave bracht hem in de gunst bij de Farao van Egypte, aldus het eerste Bijbelboek. Tegenover het idee dat dromen influisteringen zijn van de voorzienigheid, stelden Freud en Jung begin 20e eeuw de theorie op van het onderbewuste dat zich roert wanneer het superego slaapt. De droom komt volgens hen niet van buitenaf maar van binnenuit. Mijn vaders dromen hangt een derde opvatting aan, waarin de droom zijn oorsprong vindt in de werkelijkheid. Het is dan een proces waarin de hersenen opgedane ervaringen verwerken. De droomslaap maar ook de dagdroom kunnen op die manier fungeren als een mechanisme dat bescherming biedt tegen een al te gruwelijke realiteit.

    Edvald Flisar (1945) is de meest vertaalde schrijver van Slovenië. Hij ontving diverse literaire prijzen voor zijn werk, dat bestaat uit zowel proza als toneel. Zijn eigen taalgebied beperkt zich tot de ruim twee miljoen mensen die Sloveens spreken. Roel Schuyt verzorgde de Nederlandse vertaling van de roman Mijn vaders dromen (oorspronkelijk uitgegeven in 2001). In dit grimmige, sprookjesachtige boek lopen droom en werkelijkheid bijna onscheidbaar door elkaar heen.

    Een ontsporende verbeelding
    Het perspectief ligt bij de 14-jarige Adam, enig kind uit een liefdeloos huwelijk. Hij bewondert zijn vader, die plattelandsdokter is, en heeft een hekel aan zijn moeder, een boekhoudster zonder fantasie. ‘Vader was het middelpunt waaromheen al mijn vreugde en verwachtingen draaiden. Hij was voor mij even onfeilbaar als een god.’ Adam bespiedt zijn vader wanneer die patiënten behandelt en doolt rond in de kelder van het huis tussen de menselijke preparaten. Met zijn moeder praat hij nauwelijks. Sterker nog, wanneer hij op school een opstel moet schrijven over zijn meest recente droom, beschrijft Adam in geuren en kleuren hoe hij samen met zijn vader een experiment uitvoerde om zijn moeder te laten omkomen. Deze droom wordt gevolgd door andere hallucinante ervaringen, de een nog grotesker dan de ander. Al snel valt het Adam moeilijk om de droomstaat van de wakkere toestand te onderscheiden. ‘Ik hoopte dat ik in slaap zou vallen en weer over de werkelijke wereld zou dromen, althans, over de wereld die voor anderen de werkelijke wereld was.’

    Ook voor de lezer wordt het steeds lastiger om het verschil te zien. Passages die normaal beginnen, krijgen soms ineens een bizar verloop. Zelfs de gebruikelijke trucs die Adam uithaalt om te controleren of hij slaapt, bieden geen garantie: meermaals knijpt hij zichzelf in de wang en eenmaal slaat hij zelfs het hoofd hard tegen een kozijn, maar wat er dan volgt kan niet waar zijn. Langzamerhand beginnen de interpretaties van ik-persoon en lezer uiteen te wijken. De voorvallen waarvan Adam overtuigd is dat hij ze droomt, lijken namelijk verdacht veel op een heel nare realiteit. Droomt hij wel echt, of probeert iemand hem te doen geloven dat hij droomt?

    Gek van fictie?
    De personages uit Mijn vaders dromen hebben zo hun eigen gedachten over de lucide slaaptoestand van Adam. Moeder concludeert al snel dat hij geestesziek is. Ze wijt dit aan de opvoeding van vaderlief en aan een op hol geslagen seksuele ontwikkeling. Vader legt de schuld bij de boeken die Adam op jonge leeftijd heeft gelezen, waaronder meesterwerken uit de romangeschiedenis en allerhande medische vakliteratuur. De hoofdpersoon sluit zich aan bij deze laatste verklaring: ‘mijn problemen waren immers begonnen met alle boeken die ik las en waarvan ik zo weinig begreep’. Dit zou hebben geleid tot een ‘zintuiglijke hypertrofie’. De verwijzing naar Don Quichot, die door het overmatig lezen van ridderverhalen het zicht op de werkelijkheid verloor, is duidelijk. Eén personage schort zijn oordeel op. Dat is Dominik, de meest menselijke en warmbloedige figuur uit Mijn vaders dromen. Dominik is de grootvader van het voorwerp van liefde van Adam, die (hoe kan het ook anders) Eva heet. Bij hem kan Adam gewoon een kind zijn dat zijn verhaal kwijt moet. En wie goed luistert hoort vanzelf de waarheid.

    De meeste dromen zijn bedrog
    Dat de protagonist niet de enige is die een naam draagt met een Bijbelse oorsprong, valt natuurlijk op. Dit blijkt dan ook essentieel te zijn voor het duiden van de roman. Vader heet bijvoorbeeld Jožef, waarmee waarschijnlijk niet wordt verwezen naar de meesterdromer uit Genesis maar eerder naar de timmerman uit Nazareth die met de moeder Gods zou trouwen. Hoewel in deze vorm van naamgeving deels een sfeerelement kan worden herkend, is de symbolische betekenis ervan toch  onmiskenbaar. De plattelandsarts, die door zijn zoon voor onfeilbaar wordt gehouden, representeert God de vader. Adam en Eva staan voor de mensheid. Voor de oplettende lezer valt ook het personage ‘Abortus’ te plaatsen. Gaandeweg doemt uit Mijn vaders dromen zo een buitengewoon cynisch beeld op van de christelijke godheid.

    Flisars roman bevat niet alleen Bijbelse elementen maar verwijst tevens naar de wereld van volkssprookjes en de klassieke mythologie. Het is in dat opzicht een veelkleurig boek. De zinnen barsten bijna uit hun voegen van de natuurmetaforen. Vooral vergelijkingen met dieren duiken voortdurend op. Huizen als roofdieren, verlangens die in aasgieren veranderen, de zee die als een haai z’n muil openspert; het zijn steevast beelden van een vijandelijke buitenwereld. Dit versterkt het sprookjesachtige karakter van het geheel en het resulteert soms in fraai proza: ‘De takken van de bomen hingen zwijgend en zwaar van de regen omlaag en het bos strekte zich om me heen als een gladgekamd en rillend beest, in de diepte van zijn ogen lagen onheilspellende schaduwen op de loer.’

    Het einde van de nachtmerrie
    Adam belandt tenslotte in een psychiatrische instelling, maar pas nadat vader Jožef zijn zoon eerst nog aan diverse onconventionele behandelingen heeft onderworpen. In de kliniek wordt zijn geval door de geleerden becommentarieerd. Dan volgt een van de opmerkelijkste passages van het boek. Een nuchtere psychiater trekt namelijk resoluut een streep door alle Freudiaanse interpretatiemogelijkheden van het verhaal. Het probleem zit niet in het hoofd van de 14-jarige jongen, zijn permanente roes is pure zelfbescherming. Je bent geneigd hierin de schrijver zelf te zien, die zich zo opstelt achter zijn gekwelde hoofdpersoon. Direct na deze analyse valt Adam in een droomloze en verkwikkende slaap.

    Edvald Flisar levert met Mijn vaders dromen een intrigerende, huiveringwekkende vertelling af. Als lezer raak je samen met de ik-persoon al snel het noorden kwijt en wordt je ondergedompeld in de raadselen van het dromende brein. Het is opletten geblazen om de strohalmpjes die de realiteit afperken niet te missen. Net als bij de meest levendige dromen blijven vooral de sfeer en losse beelden hangen. Het zal echter niemand makkelijk vallen om deze vervreemdende roman op klaarlichte dag na te vertellen.

     

     

     

  • Observaties van een voorzichtige optimist

    Observaties van een voorzichtige optimist

    Van de gedichten uit deze bundel word je in eerste instantie niet vrolijk: de regen lijkt er altijd in te miezeren, de kleur van de omgeving is overwegend grijs, de buitenwijken zijn van grauw beton en vooral de menselijke onvolkomenheid is alom. De voornaamste drijfveer tot dichten schijnt voor Steven van der Jagt het verwoorden van de alledaagsheid te zijn en de ‘ondraaglijke sneuheid van het bestaan’, zoals de titel luidt van een interview van het Humanistisch Verbond met genoemde dichter. Toch gloort er bij nadere beschouwing licht aan de horizon en is het niet allemaal ellende wat Van der Jagt te bieden heeft.

    Deze bundel met zijn absurdistische titel is het debuut van Van der Jagt die in het dagelijks leven als begeleider van verstandelijk gehandicapten bekend moet zijn met het opnieuw definiëren van de realiteit, zoals hij dat ook in zijn gedichten doet. Zijn indrukken en observaties van de wereld om hem heen zijn gedurende twaalf jaar als foto’s in een album ondergebracht en laten een momentopname zien zonder dat daar een waardeoordeel aan gehecht hoeft te worden:

    ‘Kale takken houden
    -zonder schijn van wanhoop-
    plastic tassen in hun greep

    Nostalgische gedichten
    De gedichten zijn verdeeld in drie afdelingen: het eerste deel Decorstukken heeft als thema de mens en zijn omgeving, waarbij de dichter baadt ‘in herinneringen / van bossen, velden, modder en vuur’. Maar in het dorp van vroeger werden kroeg en kerk vervangen door flatgebouwen met ‘galerijen vol met grijze kinderen’ en ook de natuur heeft het moeten afleggen tegen de oprukkende hordes van uniforme nieuwbouw. De nostalgie die uit de gedichten spreekt, heeft niet alleen betrekking op wat geweest is, maar vooral ook op wat had kunnen zijn. Aan het eind van het gedicht ‘Vinex Resort’ constateert Van der Jagt echter:

    ‘Ver- en ontvreemding verwekken elkaar
    in deze nieuwe Hof van Eden
    We moeten het er maar mee doen’

    Het is vooral dat laatste schouderophalen van een opgewekte pessimist die de teneur van de hele bundel kenmerkt: wat niet te veranderen is, kun je beter verdragen dan vervloeken. In heel wat gedichten zwakt Van der Jagt de troosteloosheid af door er een flinke scheut humor aan toe te voegen om zichzelf en de lezer te bemoedigen en een hart onder de riem te steken:

    ‘Af en toe
    valt er een steen op je borst
    terwijl je wakker het plafond afstaart
    Ik verwijder hem want
    een vrouw laat ik niet tillen’

    Nietze geciteerd
    Zo kan de dichter ook in de meest grauwe situaties een sprankje zonlicht ontwaren, waardoor de alledaagse, saaie werkelijkheid een beetje kleur krijgt. Zijn eigen versregel ‘Maak er iets van’ waarmee het openingsgedicht van de bundel eindigt, schijnt daarmee de levensfilosofie samen te vatten van deze voorzichtige optimist.

    Eén tilapia van de eindstreep verwijderd is het tweede deel, dat een citaat van Nietzsche als motto meekrijgt waarin ‘vrolijk wantrouwen’ en spotlust aangeduid worden als tekenen van gezondheid: dat wijst al op de invalshoek van waaruit deze gedichten geschreven zijn. Ze lijken gericht te zijn aan een vroegere geliefde als monologen van een teleurgestelde minnaar, waarin hij zijn gewezen partner ironisch een trap na geeft en in gedachten wraak neemt:
    ‘Ik mis je bloed,
    je leugens, kleine knievalletjes
    Ik mis ze, mis je stank en drankloos nepgelach’

    om een ander gedicht te besluiten met:

    ‘Maar dat terzijde,
    want jij vermaakt je wel’

    In het gedicht Hersenzweet dat de indruk wekt een beschrijving van een nachtmerrie te zijn, komt dan eindelijk de intrigerende tilapia uit de titel aan bod, maar zonder nadere toelichting omtrent de betekenis:

    ‘Tussen nu en jou kleeft het prikkeldraad
    Eén tilapia van de eindstreep verwijderd,
    een glibbervis te veel’

    Het is een van de de ondoorzichtigste versregels uit de bundel en het is daarom een raadsel waarom juist deze regel gekozen is als titel van het gehele werk, want tenzij de titel ook een staaltje is van de ironie en de spot van Van der Jagt, is deze tilapia volstrekt willekeurig en had er voor de lezer net zo goed palmboom of schroevendraaier kunnen staan.

    Inspiratiebron
    Het derde deel is getiteld Homo homini merx, een variatie op het bekende ‘Homo homini lupus’ van de Romeinse dichter Plautus: de mens is een wolf voor zijn medemens. De variant van Van der Jagt zou volgens zijn blog De nagemaakte gek (waarvan de naam ontleend is aan een song van Spinvis, die door Van der Jagt genoemd wordt als zijn grootste inspiratiebron) vrij vertaald betekenen: ‘De mens is voor de mens een merk/handelsartikel.’ Hiermee wordt bedoeld dat de mens tegenwoordig beschouwd wordt als handelswaar en dat hij zichzelf dient te verkopen als een product om deel uit te kunnen maken van de moderne samenleving.

    De gedichten spreken van mensen die zichzelf opofferen aan de wens om te behagen en die er alles voor over hebben om in de smaak te vallen bij anderen, maar ook over de andere partij die gebruik maakt van de zwakheden van deze mensen om zichzelf daarmee beter in de markt te prijzen. Het is een verbeten spel van aantrekken en afstoten, waarin oppervlakkig uiterlijk vertoon belangrijker is dan innerlijke verdieping. De waarde van een mens wordt bepaald door wat anderen van hem denken. Dit zijn de bitterste gedichten uit de bundel waarin zelfs humor niet meer bij machte is de hardheid te verzachten:

    ‘Spreid uw benen in deze stad
    Het is zien en gezien worden
    […]
    Voor jou tien anderen’

    Het is niet de aantrekkelijkste afdeling uit deze bundel, maar Van der Jagt weet op doeltreffende manier de draak te steken met de hypes en de modegrillen in de maatschappij en dat levert een aantal vermakelijk boosaardige gedichten op.

    De indeling van de bundel is doordacht: de melancholie, waarmee de gedichten uit het eerste deel doordrenkt zijn, is beeldend verwoord en voert via de ironie in het tweede deel de lezer naar de verharde wereld van het derde gedeelte. Alsof je Dante leest in omgekeerde volgorde: van het paradijs naar de louteringsberg, om vervolgens uiteindelijk in de hel terecht te komen. Een eindstreep waarvan we allemaal één tilapia verwijderd hopen te blijven.

     

     

     

    ,
  • Geen alledaags bestaan

    Geen alledaags bestaan

    De Hollandse beschaving, ‘roggebrood: substantieel, degelijk maar niet gracieus’. Zo typeert J. Slauerhoff (1898-1936) zijn land van herkomst in een van de vele brieven in Een varend eiland.

    Een goedgekozen titel voor een keuze uit zijn correspondentie van rond 1920 toen hij geneeskunde in Amsterdam studeerde en als dichter en lezer zijn weg in de literatuur zocht. Brieven uit het verre oosten, Zuid-Amerika en West-Afrika waar hij als scheepsarts van boord ging en rondkeek. Brieven ten slotte van de lichamelijk uitgeputte Slauerhoff uit 1936, het jaar dat hij na omzwervingen en een korte vestiging als arts in Tanger, ziek lag in zijn geboorteland waarmee de banden nooit verbroken waren geweest.

    Al in zijn studententijd had de reislust hem te pakken gekregen. Zee en land, schip op-schip af. Die tweespalt zou zijn verdere leven bepalen. In Oporto in Portugal schreef hij aan een vriend: ‘De nadering van land […] gaf mij fysiek onbehagen. Ik zal het dan ook op zee zoeken als ik klaar ben [met de studie].’

    Later, tijdens verre reizen, zag hij uit naar gebieden ‘met verrassingen’. Zwerven over de wereldzeeën op zoek naar geluk dat hij nooit vond. Hij wilde het ook niet omarmen, getuigt een gedicht als ‘Columbus’ en de brieven in Een varend eiland. Slauerhoff wantrouwt het geluk dat moet liggen in een alledaags bestaan met sleur en steeds dezelfde mensen om zich heen. Vastgeroest raken was het grootste ongeluk. ‘[Ik] ben zo veranderlijk, schreef hij, ‘dat ik me in geen vaste vorm kan geven en insluiten […]’

    Toch verlangde hij naar bestendigheid. Kort voor zijn dood verzuchtte hij niet voor het eerst dat hij ‘wel eens een reëel leven’ wenste, ‘een vaste basis’. Hij heeft serieus overwogen om zich op de Hollandse wal te vestigen, als assistent van een huid- of oogarts bij voorbeeld. Hij  heeft zelfs geprobeerd zich in een medisch specialisme te bekwamen waarvoor hem – naar eigen zeggen – de vereiste nauwkeurigheid ontbrak. Ook pogingen om in het (verre) buitenland voorgoed te ankeren liepen op niets uit.

    Het is Slauerhoff ten voeten uit: besluiteloos zodra hij een definitieve keuze diende te maken. Toch was het zijn enige kans om te overleven. Hij moest zich om zijn zwakke gezondheid ontzien en zijn turbulente leven opgeven. Zijn geest echter eiste vitaliteit en een zwervend en meeslepend leven.

    Een-huis-voor-altijd heeft hij van meet af aan in zijn schrijven gevonden, in de poëzie vooral. ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, Nooit vond ik ergens anders onderdak’, dichtte hij. In zijn korte leven heeft Slauerhoff veel gepubliceerd,  verhalen, romans en reisbeschrijvingen met exotische titels zoals Eldorado, Young Poe Tsjoeng en De opstand van Guadalajara.

    Als avontuurlijk schrijver en ‘poète maudit’ was hij een zeldzame verschijning in het overwegend kalme en gezapige Holland van de jaren dertig. Wat hem in het literaire landschap van die dagen naast zijn excentriciteit als persoon bijzonder maakt is zijn ‘functionele’ slordigheid zowel in zijn (slecht leesbaar) handschrift als in uitdrukkingsvorm. Geen gladde verzen, geen zorgvuldig gebouwde of afgeronde verhalen. Geen mooischrijverij en zeker in zijn poëzie een evocatie van het eigen ik.

    Een directheid die nog groter is in zijn brieven in Een varend eiland. In Een varend eiland profileert Slauerhoff zich feitelijk als de biograaf van zijn eigen leven. Niet zelden immers vertrouwde hij zijn diepste zielenroerselen toe aan familie, vriendinnen en literatoren in het Nederlandse literaire wereldje waar hij zijn grootste roeping had te vervullen.

    Het brievenboek betrekt de lezer in een domein waarin Slauerhoff gedoemd was te leven en dat hij probeerde te herscheppen. Hij hunkerde naar landen met ‘verrassingen’ die hij ook in de schoot krijgt geworpen. Stof voor verzen, verhalen en reisbeschrijvingen dient zich onophoudelijk aan. Onder de bevolking vindt hij geen surprises, op enkele bekoorlijke vrouwen na. Europese enclaves zoals leefgemeenschappen in Nederlands-Indië vindt hij vreselijk en soms ook patiënten die hem aan boord consulteren. Varen ‘met die imbecielen [is] stomvervelend,’ pende hij in een van zijn brieven tijdens een slechte bui neer.

    Op de literatuur van zijn tijd had Slauerhoff veel tegen, vooral op estheticisme, hoge toon en burgerlijk fatsoen. In Holland schreef men ‘zo slecht, zo mak’. Hoewel hij een echte ‘vent’ was heeft hij in de eerste helft van de jaren dertig niet uitsluitend in het door Du Perron en Ter Braak geleide tijdschrift Forum gepubliceerd dat de ‘persoonlijkheid’ centraal stelde. Slauerhoff was geen man van kritische principes, die nu eenmaal snel verouderen of verstarren.

    Niet zozeer uit verwantschap met tijdschrift programma’s maar uit geldnood bood hij zijn werk ter voorpublicatie aan. Het steekt vooral in de laatste jaargangen van Forum schril af tegen de bijdragen van schrijvers en dichters die zich weinig direct over zichzelf uitlieten en nog te veel aan het verhullende estheticisme van Tachtig vast zaten.

    Indringend zijn behalve de berichtgevingen over literatuur en reizen de brieven uit 1936, het jaar van zijn overlijden. De malaria die Slauerhoff aan een reis had overgehouden, speelt hem danig parten en ook zijn jeugdkwaal astma. Hij droomt nog over een toekomst, over een verhuizing naar de voor zijn gestel klimatologisch gunstige Canarische eilanden of Madeira. Maar hij raakt niet meer weg uit Nederland, uit een rusthuis in Hilversum, het meest verstikkende oord  voor Slauerhoff denkbaar . In de herfst van 1936 sterft hij , nog geen veertig jaar oud. Vergeten zoals veel van zijn tijdgenoten werd hij niet. Hij leeft voort in zijn werk en bleef het – meest nog in zijn brieven – voor altijd jong.

    Een varend eiland is een prachtboek geworden, mede dankzij Hein Aalders die nauwkeurig Slauerhoffs brieven heeft gebloemleesd en van een stevige inleiding en uitvoerige annotaties heeft voorzien.

     

     

     

  • Twaalf lofliederen op lichamelijke schoonheid

    Voor iemand die zichzelf als ‘de ongelukkige minnaar’ omschreef had het  voor de hand gelegen de vrouw van zijn dromen in een rijdende trein aan zich voorbij te zien snellen. De Franse dichter, prozaïst en kunstcriticus Guillaume Apollinaire (1880-1918) had op 2 januari 1915 in Zuid-Frankrijk echter het geluk aan zijn zijde toen hij in de trein de 22-jarige Madeleine Pagès ontmoette. Hij ging terug naar het front., zij keerde na een vakantie huiswaarts naar Algerije. Er werden adressen uitgewisseld. En weldra kwam een correspondentie op gang gedurende welke de dichter haar, zonder elkaar een tweede maal ontmoet te hebben, om haar hand vroeg. Bijna een jaar na hun eerste ontmoeting zocht hij haar in haar woonplaats Orhan, Algerije op. Toen Apollinaire in maart 1916 een hoofdwond opliep door een granaatscherf, bekoelde zijn liefde voor haar. Uiteindelijk zou hij in hetzelfde jaar als waarin hij aan de Spaanse griep zou sterven met een andere vrouw trouwen.

    Relatie in brieven
    Al met al hebben Apollinaire en Madeleine elkaar anderhalf jaar lang intensief bestookt met brieven. Zij werd zijn muze aan het front waarvoor Apollinaire zich vrijwillig had aangemeld. Als kind van een Pools-Russische moeder en een Italiaanse vader had hij zelf geen vaderland om voor te sterven. In de brieven ging het er zo vurig aan toe dat zelfs in Frankrijk, dat zich graag mag laten voorstaan op zijn rijke libertijnse traditie, deze pas in 2005 en in ongecensureerde vorm, het licht mochten zien. In die briefwisseling zaten de twaalf Geheime Gedichten ( Poèmes secrets), die geschreven zijn tussen september en december 1915 en die Paul Claes – een eeuw later – voor het eerst integraal in het Nederlands heeft vertaald.

    Voordat Apollinaire bekendheid verwierf als dichter had hij zich – onder een schuilnaam – aan erotische lectuur gewaagd: de satire Elf duizend roeden uit 1907 en het sprookje De liederlijke avonturen van een jonge Don Juan 1911, waarin het onmogelijke mogelijk wordt. Zijn eigen liefdesleven viel er bij in het niet, want dat was niet arm aan mislukte affaires, gefnuikte verlangens en bijbehorende afwijzingen. Maar in de wereld van de kunst en schone letteren stond hij z’n mannetje. Hij had zich opgeworpen als steunbetuiger van moderne kunststromingen als het fauvisme en kubisme. In zijn korte leven wist hij zich omringd door kunstenaars (o.a. Picasso, Braque, Matisse en De Vlaminck) en vakbroeders die het niet aan eeuwige roem zou gaan ontbreken.

    Taal en verf
    Een tikkeltje afgunstig schreef hij naar aanleiding van Picasso’s schilderij Demoisselles d’Avignon uit 1907 dat hij zich als dichter gebonden wist aan de taal, waarin woorden vastgeketend lagen aan hun betekenissen. Terwijl een schilder als Picasso zich een nieuwe vormentaal kon kiezen. Zowel qua vorm als door zijn beeldspraak lukte het Apollinaire wel degelijk de poëzie te vernieuwen. In zijn debuut Alcools uit 1913 is de interpunctie afgezworen en in het beroemde gedicht Zone ademt de geest van de moderne tijd met al zijn uitvindingen en nieuwigheden door de metaforen en symbolen heen. Er komen al overlopende regels met zich vermengende beelden voor, veelal ontleend aan de moderne wereld van auto’s, vliegtuigen en affiches. Ongebruikelijke vergelijkingen en kosmische metaforen en alles opgediend in diverse stijlen. Maar daarnaast stuit men ook op beduidend traditionelere versvormen en conventionelere symboliek. Apollinaire is dan ook nooit avant-gardist pur sang geweest, hij sneed de banden met het verleden nooit definitief door. Maar de vernieuwingsdrang zette zich in de bundel Calligrammes (1918) verder door. Daarin werden typografische experimenten ingezet om tot synthese van verschillende kunstvormen te komen.

    Dichterlijk vrijmoedigheid
    De Geheime gedichten betreffen twaalf lofliederen op de lichamelijke schoonheid van de geliefde. Het put uit de traditie van de ‘blasonpoëzie’, waarin het vrouwelijk lichaam van kop tot teen wordt bezongen. De rijkdom aan beeldspraak heeft het gemeen met het Bijbelse Hooglied, waarin de schrijver zich onuitputtelijk heeft getoond in beeldspraak om zijn geliefde in woorden te vangen. Apollinaires ongebreidelde verbeelding gaat in deze geheime gedichten all the way. Hij kan met zijn geliefde tot kosmische proporties ophemelen:

    ‘Jij bent de vrouwelijke gedaante van het levende heelal met andere / woorden jij bent alle bekoring alle schoonheid van de wereld’. Hij kan, aardser, regels lang een vagina omschrijven om tot de slotsom te komen: ‘Ja, woud vol hunkering dat voortdurend kloven doet groeien dieper dan het paradijs’.

    Madeleines tanden:

    ‘die vlucht meeuwen o tanden op de geurende Middellandse Zee van je mond’. Ook de wenkbrauwen komen aan bod: ‘Grasperken waarin de liefde hangt als maneschijn’ en ‘riethalmen gespiegeld in het heldere waterdiep van haar blikken’. Intussen zijn de rollen wel duidelijk verdeeld. De ik is heer en meester, de geliefde zijn slavin: ‘En mijn mond is ook het Bevel dat jou tot mijn slavin maakt / En mij jouw mond geeft Madeleine / Ik neem jouw mond Madeleine’

    Deze bundeling geheime gedichten is niet bepaald illustratief voor het vernieuwendste wat Apollinaire in dichtvorm te bieden had. De interpunctie mag zo goed als afwezig ogen, typografisch is het conventioneel en met figuren als Pan, Tovenaar Merlijn en Memnon is de symboliek voornamelijk in de Oude Wereld geworteld, niettegenstaande een enkel modern beeld als: ‘En onze monden worden twee batterijen die elkaar beantwoorden’. Maar wat treft is de dichterlijke vrijmoedigheid om met de meest uiteenlopende beelden, van ‘panter’ tot ‘Pan’, zijn geliefde te bejubelen. In deze gedichten is alle macht aan de verbeelding. De oorlog kiert zo nu en dan prozaïsch door de regels heen: ‘Hoor de zang o zwijmelende Madeleine / Hoor de zang en de keerzang / Van de verscholen nachtegaal  / De kou komt terug de gruwelijke kou / Onder tentzeilen / En ik schrijf je mijn gedicht dat ik onder het schrijven zing / En ik schrijf het terwijl ik lig op de grond / De kou komt terug, de kou zonder vuur / Want wij hebben geen hout’.

    Fraai verzorgd
    Het laatste gedicht is ‘een symfonische liefdeszang’ die ‘ruist in de schelp van Venus’. In deze symfonie rijmen de ‘liefdeskreten van door goden verkrachte mensenvrouwen’ met ‘het gedonder en geschut dat in de obscene vorm van kanonnen de verschrikkelijke liefde tussen de volkeren voltrekt’. Liefde in tijden van oorlog, en geliefde als een veroverde oorlogsbuit. In het wonderlijke beeldenarsenaal van Apollinaire heeft alles zo zijn eigen logica. Als een dirigent heerst de dichter in zijn eigen symfonie die in prachtige poëzie zijn finale krijgt:

    Er is de kreet van de Sabijnse Maagden als ze worden geschaakt
    De bruidszang van de Sulammitische
    Ik ben mooi maar ik ben zwart
    En het kostbare gehuil van Jason
    Toen hij het vlies vond
    En de sterfelijke zang van de zwaan toen zijn dons tussen de blauwige dijen van Leda drong
    Er is de zang van alle liefde ter wereld
    Er is tussen jouw aanbeden dijen
    Madeleine
    Het gerucht van alle liefde wanneer de gewijde zang van de zee overal in de schelp ruist

    De bundel is fraai en verzorgd uitgegeven. Met een kort woord vooraf van vertaler Paul Claes. Meer heb je als lezer ook niet nodig om je over te geven aan de bruisende verbeelding van Apollinaire die iedere zin als een golfslag over de lezer heen laat spoelen.

     

     

     

  • Indrukwekkend historisch document

    Indrukwekkend historisch document

    ‘Waarnemen, noteren, studeren’, dat is wat Victor Klemperer doet, ook in dit boek over de opkomst en ondergang van de linkse Radenrepubliek na de Eerste Wereldoorlog in 1919 in München, in de slipstream van de revolutionaire woelingen in Rusland. Het wordt verhaald door een van de belangrijkste kroniekschrijvers van de Duitse geschiedenis in de twintigste eeuw, Victor Klemperer, vooral beroemd vanwege zijn minutieuze dagboeknotities over de jodenvervolgingen in Hitler-Duitsland.

    Wat een schrijver!
    Het boek is samengesteld uit fragmenten van zijn dagboekaantekeningen uit 1919, stukken die hij geschreven heeft voor de conservatieve Leipziger Neueste Nachrichten en een terugblik daarop uit zijn memoires van 1942. Deze terugblik geeft een extra dimensie aan het directe verslag. Het boek wordt ingeleid door de historicus Christopher Clark en uitgeleid middels een helder historisch essay van Wolfram Wette. Dit laatste is absoluut geen overbodige luxe, aangezien de niet ingewijde lezer anders volkomen overdonderd dreigt te worden door de lawine aan elkaar in razend tempo opvolgende gebeurtenissen en de daarmee verbonden personen. Als je het essay van Wolfram Wette echter goed tot je hebt genomen en bereid bent regelmatig te bladeren in het uitstekende notenapparaat en gebruik te maken van de bijgevoegde tijdlijn, is het lezen van het verslag van Klemperer ontegenzeggelijk een indringende ervaring. Wat een journalistiek en wat een observatie, maar ook, wat een schrijver!!

    Politiek carnaval?
    Na de wapenstilstand van 11 november 1918 reist Victor Klemperer, onderofficier gelegerd in Vilnius, naar Leipzig en verder door naar München om zich officieel te laten demobiliseren. Als hij zich daar samen met zijn vrouw begin februari 1919 officieel vestigt als hoogleraar aan de universiteit, bevindt de stad zich in grote opwinding. De al op 7 november 1918 uitgeroepen ‘Vrijstaat Beieren’ wordt geregeerd door zogenaamde ‘arbeiders- en soldatenraden’, gedomineerd door gematigde en radicale socialisten onder leiding van de pacifistische Kurt Eisner. Klemperer beschouwt het nog als een soort ‘politiek carnaval’ totdat op 21 februari Kurt Eisner wordt vermoord en München steeds meer ten prooi valt aan gevechten tussen rechts-reactionaire en links-revolutionaire knokploegen.
    De ontwikkelingen in Beieren en München lopen parallel aan die in Pruisen en eigenlijk heel Duitsland na de moord op de links-revolutionaire leiders Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht in Berlijn. Gustav Noske, minister in de gematigd linkse regering daar, maakt met harde hand een eind aan de onlusten door gemene zaak te maken met de conservatieven in het leger, gesteund door rechtse knokploegen. Voortaan zijn de revolutionaire communisten en de gematigde socialisten onverzoenlijke vijanden en gaan regelmatig rollebollend over straat tot aan de machtsovername van Hitler in 1933.

    Tragikomisch
    Als hetzelfde dreigt te gebeuren in München, waar de gewone burgers de revolutie inmiddels zat zijn, beschrijft Klemperer dit met veel gevoel voor het tragikomische ervan als hij refereert aan een prent van Karl Arnold in het satirische tijdschrift Simplicissimus waarop een gezin staat afgebeeld dat devoot het Pater Noske bidt en opmerkt: ‘Hoeveel mensen, hoeveel duizenden mensen willen hier zo’n Pater Noske?’ Deze scherpe waarneming van de absurdistische kanten van de tragische taferelen, die zich tijdens het ingrijpen van Noske c.s. afspelen in de stad, blijkt ook uit zijn beschrijving van het enthousiaste onthaal der vooral Pruisische troepen, als hij constateert dat het publiek zich op plaatsen waar dekking en toch uitzicht is, bedient van toneelkijkers om alles goed te kunnen zien en vooral niets te missen. Ronduit komisch is het verhaal als Klemperer bij het binnengaan van de universiteit wordt aangehouden door een fragiel ogend mannetje, gehelmd en met een geweer, wat losjes over zijn schouder. Dit blijkt zijn zachtaardige collega filosofie te zijn, die, net als hij, had moeten tekenen als reservist van een rechtse knokploeg en op de vraag van Klemperer of zijn geweer wel op veilig stond, antwoordde: ‘Nee, hoe doe je dat?’

    Incompetent
    Klemperer beschrijft uitgebreid de incompetentie van de leidende figuren in de Radenrepubliek: dromers, onpraktische intellectuelen en soms gewetenloze drammers en opportunisten. Toen volkscommissaris (minister) Landauer de bureaucratie wilde verkleinen en alle afdelingschefs eruit gooide, kreeg hij wasmanden vol met post binnen op zijn kantoor, post die anders door deze chefs werd afgehandeld. Tsja, het is wat…

    Scherp waarnemer
    Klemperer is niet alleen een scherp waarnemer van historische gebeurtenissen en personen, maar ook van historische verschijnselen en ontwikkelingen. Zo wijst hij op het diep gewortelde Beierse nationalisme dat zich afzet tegen alles wat uit Pruisen komt. Tenslotte is Duitsland in 1919 pas zo’n vijftig jaar een eenheidsstaat. Dit is trouwens ook nu nog interessant: Merkels CDU kan niet zonder meer rekenen op de steun van haar Beierse zusterpartij, de CSU. De psycholoog Klemperer ziet heel goed dat mensen in nood zich niet meer laten leiden door feiten, maar door onderbuikgevoelens en dat er altijd mensen zijn die gewetenloos inspelen op deze gevoelens. Zo keren de Münchenaren zich, na de zinloze moord op eenentwintig brave ambachtsgezellen, niet alleen tegen alles wat met Pruisen te maken heeft (Berlijn, Noske), maar ook tegen de communisten en de Joden, die geen van allen iets met de moordpartij van doen hadden. De Beierse troepen waren hier immers zelf schuldig aan.

    Profetische blik
    Klemperer heeft al in 1919 een profetische blik op het uiteindelijke echec van de nieuwe Duitse Republiek als hij zich zorgen maakt over het opkomende antisemitisme in München en de daarmee gepaard gaande macht van de straat als de doodstraf voor graaf Arco, de moordenaar van Kurt Eisner, door de ministerraad onder druk van een uitzinnige meute gesteund door het leger, wordt omgezet in levenslang: ‘Opnieuw enorm gejuich, nog luider nu. En ze hebben niet in de gaten wat ze daar vieren. Het leger dat de regering voorschrijft hoe ze moet reageren en dat alleen op voorwaarden gehoorzaamt.’
    Klemperer constateert aan het eind van zijn artikel in de Leipziger Neueste Nachrichten van 17 januari 1920: ‘Ik permitteer me na dit alles een eigen definitie van het tragikomische te geven: het is tragisch voor de betrokkenen en komisch voor de belangeloze toeschouwer. Wat jammer dat je niet alleen maar toeschouwer kunt zijn als je Duitser bent.’ Het verdere verloop van de twintigste eeuw maakt de bitterheid van deze opmerking alleen maar groter.

    Tenslotte
    Dit boek van Victor Klemperer is naast een indrukwekkend historisch document ook een waarschuwing voor onze eigen tijd, waarin het populisme welig tiert en allerhande volksmenners, op zoek naar de volksgunst, niets- en niemand ontziende verdachtmakingen en leugens rondbazuinen over personen en groepen. Denk er om: in de voetsporen van incompetente naïevelingen komen gewetenloze schuimers en criminelen!

  • ‘You are no Jack Kennedy’

    ‘You are no Jack Kennedy’

    De Kennedy Files. De man die president wilde worden is een graphic novel over de vader van John F. Kennedy, Joseph Kennedy. Dit was een omstreden figuur, een man die op dubieuze wijze een fortuin vergaarde en die als ambassadeur van de Verenigde Staten in Groot Brittannië in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog het gevaar Hitler volledig verkeerd inschatte. Tekenaar Erik Varekamp en scenarist Mick Peet, die eerder op smeuïge wijze het leven van prins Bernhard verstripten, bieden een staaltje public history, het populariseren van historische kennis voor een breed publiek.

    Als disclaimer staat aan het begin van de strip te lezen dat deze ‘geen wetenschappelijke publicatie [is]. De situaties in het verhaal zijn veelal gedramatiseerd, aangepast, vereenvoudigd en/of berusten op speculatie’. Dat is meteen ook het grootste manco van een project als dit. Net als in historiserende speelfilms emotionaliseren en versimpelen historische strips de werkelijkheid. Ze bieden dwingende beelden waarin een bepaalde visie wordt vastgelegd, zonder de nuance die een historisch wetenschappelijk boek of een historische roman wel kan bieden. Er worden weliswaar enkele voetnoten geboden, maar deze dragen niet per se bij aan beter begrip. Zo is op bladzijde 31 het volgende te lezen in een noot: ´Fascisme is gebaseerd op nationalisme, nazisme is gebaseerd op racisme´. Op die visie is wel wat af te dingen. Hitlers nazisme was naast racistisch natuurlijk ook sterk nationalistisch en Mussolini´s fascisme was weliswaar minder racistisch dan zijn Duitse equivalent, maar dat is nauwelijks een verdienste. Racisme en nationalisme worden sowieso vaak met elkaar vermengd, zoals blijkt uit het hedendaagse debat in Europa over vluchtelingen.

    Hier brengt een noot dus te veel nuance aan, terwijl van de gebruikte beelden het tegenovergestelde gezegd kan worden. Omdat de lezer het ziet gebeuren, accepteert deze het getoonde als de waarheid, terwijl er nog vele andere visies zijn op het belang en de morele keuzes van Joseph Kennedy. Dit euvel is door het medium strip (of film) moeilijk te ondervangen (behalve als men voor een Rashomonvariant zou kiezen, Rashomon is de bekende Japanse film waarin verschillende elkaar tegensprekende visies op een gebeurtenis na elkaar worden getoond).

    Dit alles neemt niet weg dat De Kennedy Files iets toevoegt aan de historiografie. Er is duidelijk veel research verricht en de keuze om te focussen op de vader van John F. Kennedy, een vader die zelf president wilde worden, is relevant, omdat er uit duidelijk wordt dat de ambities van ouders kunnen doorwerken in latere generaties. In een land waar leiderschap niet erfelijk is, is men desondanks gefascineerd door dynastieën en geen van de Amerikaanse families spreekt zo tot de verbeelding als juist de Kennedyclan. Het album biedt een coherente visie op Joseph Kennedy en laat zien dat de man uiteindelijk gewoonweg niet deugde. In die zin is hij vergelijkbaar met prins Bernhard uit de eerdere strips van het duo Varekamp en Peet.

    Hiernaast is het goed dat een serieus onderwerp in een serieuze strip op de markt wordt gebracht in Nederland. Waar in Amerika de graphic novel steeds meer waardering krijgt en de strip voor volwassenen ook in stripminnende landen als Frankrijk en België zeer serieus wordt genomen, is dit in Nederland nog altijd minder het geval. In filmrecensies bijvoorbeeld, is nog steeds weleens te lezen dat het verfilmde verhaal ‘net een strip’ is waarbij dit oordeel als een soort ultieme diskwalificatie wordt gebruikt, de bewuste film zou dan onvolwassen zijn en weinig diepgang kennen of niet uitgewerkte karakters. Dergelijke recensenten hebben de ontwikkelingen in het medium strip van de laatste veertig jaar gemist.

    De Kennedy Files is getekend in de Klare lijn. Deze tekenstijl (bekend van onder meer Kuifje, Suske en Wiske en Blake en Mortimer) staat bekend om zijn heldere lijnen, schijnbare eenvoud en het ontbreken van schaduwen en arceringen. Het nadeel van het werken in deze stijl is dat de gelaatsuitdrukkingen soms niet sprekend zijn en dat door de vereenvoudiging alle gezichten op elkaar lijken. Dit is bijvoorbeeld het geval in de (verder uitstekende) Rampokan-albums van Peter van Dongen. Aan dit euvel lijdt De Kennedy Files niet. Tekenaar Erik Varekamp kiest voor een zwierige variant van de Klare Lijn met variatie in de lijndikte en ook met iets gedetailleerder uitgewerkte gezichten dan bijvoorbeeld in Kuifje. De keuze voor de Klare Lijn om een historische strip voor volwassenen aan te bieden is in die zin geslaagd dat deze stijl veel mensen aanspreekt, doordat er wordt gerefereerd aan de groten uit de striptraditie. Toch leent een meer rafelige, minder esthetisch verantwoorde stijl zich ook goed (of mogelijk beter) om historische thema´s te behandelen. In een strip waarin geen esthetiek wordt geboden (zoals in Maus van Art Spiegelman) komt de rauwheid van het verleden beter uit de verf.

    ‘De man die president wilde worden´ is het eerste deel van De Kennedy Files. In deel twee en drie worden de belevenissen van de twee oudste zoons van Joseph Kennedy gevolgd. Strips die ´worden vervolgd´ eindigen vaak met vooruitblikken naar wat komen gaat. Zo ook dit album. Het verhaal sluit af met de lekker makende aankondigingen: ‘Heeft Chamberlain gelijk om Hitler te vriend te houden? Lukt het Kennedy om de V.S. buiten de strijd  te houden en welke rol is weggelegd voor Joe jr. en Jack?’ Dit is een humoristische knipoog, want er zal geen lezer zijn die niet weet wat er ging gebeuren. Deze strip heeft sowieso een lichte toets, die deze toegankelijk maakt, maar die een beetje voorbij gaat aan de ernst van de gebeurtenissen.

    Het album wordt afgesloten met een historische beschouwing op het belang van Joseph Kennedy door Nigel Hamilton. Deze epiloog biedt het album extra cachet, er wordt tegemoet gekomen aan het ethos-aspect van de retorica van Aristoteles; de geloofwaardigheid van het project wordt sterk ondersteund door deze degelijke uitleiding. Al wordt ook in deze epiloog misschien iets te veel belang aan de historische rol van Joseph Kennedy verleend. Het waren en zijn toch vooral zijn zoons John en Bobby die tot de verbeelding spreken en die historisch gezien relevant zijn.

    Al met al is dit een album dat bijdraagt aan de Nederlandse stripcultuur. Dit soort albums zullen ervoor zorgen dat het medium strip meer gewaardeerd zal worden, dat mensen zich niet meer schamen om graphic novels te lezen. Een heel gelaagde of heel literaire strip is het echter niet. In een strip kan door gebruik te maken van het gedachtewolkje een kijkje worden geboden in het hoofd van een personage, terwijl daarnaast ook zijn of haar gelaatsuitdrukking wordt getoond. Dit is een uniek aspect van het medium strip, een gecombineerde communicatieve mogelijkheid die de roman en de film niet kennen. Varekamp en Peet maken er niet heel veel gebruik van. De personages blijven vlak en echt meeleven met de nare zakenman en diplomaat Joseph Kennedy doe je niet. ´You are no Jack Kennedy´ zei de democratische kandidaat voor het vicepresidentschap ooit in een televisiedebat tegen de verstandelijk niet ‘uitontwikkelde’ Dan Quayle, de latere vicepresident, toen deze laatste zich met de legendarische president vergeleek. Hetzelfde kan gezegd worden van Joseph Kennedy, uiteindelijk was deze lang niet zo fascinerend als zijn zoon (die overigens niet per se een goede president was). Maar hoe dan ook, het album biedt een boeiende visie op de voorgeschiedenis van John F. (Jack) Kennedy´s presidentschap.