Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Tijdschrift voor vertalers met verrassende opbrengst

    Tijdschrift voor vertalers met verrassende opbrengst

    Deze week was het Wereldboekendag (23 april), een dag die tot doel heeft het boek te promoten zodat literatuur zich wereldwijd zal verspreiden. Om wereldliteratuur voor iedereen toegankelijk te maken, zijn vertalers nodig. Zonder vertalers zouden we geen kennis kunnen nemen van een groot deel van de wereldliteratuur. Daartegenover is het voor jonge vertalers niet eenvoudig om ervaring op te doen. En een goed vertaler word je door veel te vertalen; dus hoe wordt een vertaler met talent een ervaren vertaler? Vanuit die gedachte en vraag ontstond het idee van een tijdschrift waarin vertalers kunnen debuteren met de vertaling van een zelf gevonden, liefst onbekende auteur uit de wereldliteratuur. Elke editie van dit tweejaarlijkse tijdschrift zal onvertaald gebleven poëzie (nog niet in deze eerste editie), romanfragmenten en verhalen uit alle uithoeken van de wereld publiceren.

    In deze eerste editie van PLUK (dec. 2016) staan verschillende verhalen en romanfragmenten van (vrij ) onbekende auteurs – lees: onvertaald – en hun vertalers. En een column van de Duitse Isabel Hessen over hoe zij de vertaalster van Kom hier dat ik u kus van Griet Op de Beeck werd.

    Zijn het bijzondere verhalen die door deze jonge vertalers werden opgeduikeld en uit hun oorspronkelijke taal werden gehaald? Ja, dat zijn het. Zie het fantastische verhaal (in al zijn rampspoed) Paddenkop uit de verhalenbundel Turtleface en Byond van de Amerikaanse schrijver Arthur Bradfort (1969), die een vertelkracht kent die je niet had willen missen. Een mooie vondst van vertaalster Irene Paridaans en waarvan je hoopt dat de hele bundel vertaald gaat worden.

    Melani Reumers vertaalde al eerder en verhaal van de Spaanse schrijver Eloy Tizón (1964) uit de bundel Técnicas de iluminación, die in 2014 in Tirade 455 werd gepubliceerd. Tizóns werk was niet eerder in het Nederlands te lezen en met de vertaling van een tweede verhaal uit diezelfde bundel, Fotosynthese, mag gehoopt worden dat ook deze bundel in zijn geheel vertaald zal worden (Uitgevers?). Het verhaal als een tekst in beweging, als een gesprek van de schrijver met zichzelf, vragen stellend en als een bezwering neerpennend. ‘Waarom zou je niet tevreden zijn? Natuurlijk ben je tevreden. Treurigheid, dat is pas moeilijk, met deze zon en deze vulpen. Ze vroeg me aan haar zijde te blijven, voor altijd samen, maar je moest ervandoor, er zat niets anders op.’

    Dan deze nog: werk van de Japanse schrijver Teru Miyamoto (1947). Sander Schoen vertaalde het korte verhaal Verbrand je schepen ( Fune wo yaku). Een verhaal verteld alsof je op een stoel naast de verteller zit en hij je precies vertelt hoe, waar, wanneer en wat er allemaal gebeurde op een van de laatste dagen van een novembermaand, toen er een tropische storm op weg was naar Japan. Hoe een man drie dagen daarvoor op reis ging met zijn minnares, waarmee hij het na die reis wilde uitmaken. Hoe ze in een eenvoudig hotel aan de kust terechtkwamen, gerund door een zeer jong stel. We krijgen het levensverhaal van dat stel te horen, hoe ze van kinds af aan met elkaar optrokken en hoe ze nu uit elkaar gegroeid zijn. Er is een bootje op het strand dat elke ochtend op onverklaarbare wijze verschoven lijkt. En hoe uiteindelijk de man zijn minnares wil behouden. Een betoverend verhaal, en alweer, dat had je niet willen missen.

    Verder een vertaling van Ada Duker van de Italiaanse schrijver Mariapia Veladiano (1960) van het verhaal La Vita Accanto (Leven aan de zijlijn). Een vertaling uit het Deens door Renske Wiltink; een prozastuk uit de debuutroman (1928), Fiskerne (De vissers) van Hans Kirk (1898-1962), dat als een van de meesterwerken uit de Deense literatuur wordt beschouwd. Betty Klaasse vertaalde uit de bundel Ten Sorry Tales (2006) een verhaal van de Engelse schrijver Mick Jackson (1960) dat zo begint: ‘Lol en Edna Pearce waren graag op zichzelf, en dat was maar goed ook, want hun dichtstbijzijnde buren woonden veertien kilometer verderop.’ Dan wil je wel verder lezen.
    En vertaalster Jettie Huisman kwam via de schrijver Michael Cunningham (The Hours) de schrijfster Carol Anshaw (1946) op het spoor, die al een flink oeuvre aan korte verhalen en romans op haar naam heeft staan. Huisman vertaalde een stuk uit de roman Carry the One. En ja, ook hier geldt: ken je een stuk van het verhaal, wil je het hele boek lezen.

    Elke vertaling wordt door de betreffende vertaler van een inleiding voorzien. Paridaans schrijft onder meer over Bradforts stijl dat een aantrekkelijk aspect daarin zijn Brits aandoende gevoel voor humor is. En: ‘Het vinden van de juiste vertaling voor zinsneden als: ‘He was alive, a good sign’ maakte het vertalen van zijn teksten tot een feest.’ Wat een van de aanbevelingen is dit verhaal en deze Pluk te gaan lezen. Waarbij je de sensatie ervaart dat je een ontdekking doet, een primeur leest van niet eerder vertaalde teksten. Wat een genieten is, en dat alles in een mooi uitgegeven handformaat waarvan je er meerder van in je kast zou willen bijzetten.

     

    Redactie: Anne Folkertsma, Lisette Graswinckel, Betty Klaasse, Louise Koopman, Barbara de Lange, Anne Lopes Michielsen, Niek Miedema, Anne Roetman, Fedde van Santen en Lisa Thunnissen. Vormgeving en illustratie waren in goede handen van Andries Boertien.

    Het tijdschrift is te vinden bij de betere boekhandel of kan hier besteld worden. De tweede editie is in de maak en verschijnt zeer binnenkort.

     

     

  • Open kaart over Nederland in Atjeh

    Open kaart over Nederland in Atjeh

    Het valt nauwelijks nog te bevatten in onze gemediatiseerde samenleving, maar beeldt u zich eens in dat de Nederlandse overheid aan de andere kant van de wereld een jarenlange oorlog voert waar u nauwelijks iets over hoort. In Atjeh – het verhaal van de bloedigste strijd uit de Nederlandse koloniale geschiedenis schetst Anton Stolwijk een beeld van de Atjeh-oorlog, een van de vele grotendeels vergeten koloniale conflicten die ver van Europa werden uitgevochten. Hij overspant daarbij de periode van 1873, toen de Hollanders in het meest westelijke deel van Sumatra landden, tot 1942, het jaar waarin de Japanners een einde maakten aan de Nederlandse bezetting.

    Zoals elk behoorlijk historisch werk is dit boek gebaseerd op een gedegen bronnenonderzoek. De auteur dook in archieven, verdiepte zich in oude kranten en boeken en ging op zoek naar informatie in Atjeh zelf. Het risico dat daarbij dreigt, is natuurlijk dat de lezer een droog feitenrelaas krijgt voorgeschoteld. Stolwijk weet die klip echter handig te omzeilen met behulp van een beproefde methode: hij wisselt historische passages af met het relaas van zijn eigen rondreis door het huidige Banda Aceh, waarbij hij veel gewone burgers hun verhaal laat vertellen. Zo wordt het boek onder meer verlevendigd met verhalen over een man die openbare filmvertoningen organiseert, een helderziende, een bekeerde Duitser die gebakken banaan verkoopt in een kraampje dat hij naar voetbalclub Bayern München heeft genoemd, een rijke Chinees die een trouwpartij organiseert voor zijn dochter enzovoort.

    David Van Reybrouck deed het Stolwijk al voor door gewone Congolezen aan het woord te laten in zijn boek over de voormalige Belgische kolonie; de lijst van Europese landen die nog niet in het reine zijn gekomen met hun koloniale verleden is behoorlijk lang. Die techniek levert een nieuw soort historische literatuur op, doordrongen van het besef dat geschiedenis niet alleen te maken heeft met generaals, veldslagen, jaartallen en adellijke huwelijken, maar in de eerste plaats over (gewone) mensen gaat. Een volledig overzicht van de inhoud van het boek zou ons te ver leiden, maar het is duidelijk dat Stolwijk zonder vooroordelen in het koloniale verleden van Nederland duikt, waarbij hij de verantwoordelijkheid van de Atjehers zelf evenmin uit de weg gaat. Door eindelijk volledig open kaart te spelen over de koloniale geschiedenis, kan zich op die manier een louteringsproces voltrekken, zonder nostalgische tempo-doeloeromantiek of cultuurrelativisme.

    Uit Stolwijks relaas blijkt vooral dat het Nederlandse koloniale beleid gekenmerkt werd door een zeker pragmatisme en zelfs richtingloze inconsistentie: het oproer in Atjeh stond de handel in onder meer suiker, rubber, peper en later aardolie in de weg en werd op uiteenlopende wijzen aangepakt. Nu eens werden er veldtochten georganiseerd waarbij hele dorpen werden platgebrand, dan weer trokken de Nederlanders zich terug in de omgeving van verdedigingswerken of probeerden ze de bevolking te paaien met een verzoeningsgebaar, zoals de bouw van een nieuwe grote moskee.

    Later, onder invloed van de Nederlandse arabist en islamoloog Christiaan Snouck Hurgronje, een kleurrijke figuur die zich tot de islam bekeerde en enige tijd door het leven ging als ‘Abdul Ghaffar’, werd het oproer vooral bestreden door middel van spionage en zogenaamd ‘chirurgisch geweld’: de gerichte aanpak van hardnekkige verzetshaarden. Die waren vaak verscholen in het armoedige binnenland van Atjeh, van waar ook in de twintigste eeuw de beweging voor de onafhankelijkheid van Atjeh de centrale Indonesische macht zou bestrijden.

    In het algemeen berustte het Indische gezag op indirect bestuur, wat wil zeggen dat de inheemse vorsten op hun troon bleven zitten, al deden ze natuurlijk niet zomaar hun zin. In Java lukte dat relatief goed, hoewel kritische stemmen als Multatuli niet nalieten om de uitbuiting van de inlandse bevolking aan de kaak te stellen. Die pragmatische aanpak staat in schril contrast met de centralistische houding van bijvoorbeeld Frankrijk: zo werd de Algerijnse kolonie door Parijs zonder meer beschouwd als een verzameling overzeese Franse departementen. Wegens het hardnekkige verzet van de inlandse bevolking kwam Atjeh echter vanaf 1874 onder direct Nederlands bestuur te staan. Het mocht niet baten: de guerrillaoorlog, die voor een belangrijk deel te maken had met de strenge vorm van de islam die nog steeds wordt beleden in Atjeh, zou nog jaren aanslepen.

    Een van de gruwelijkste passages uit dit boek gaat over het bloedbad van Tampeng, een plaatsje in het binnenland van Atjeh waar vrijwel de hele bevolking werd uitgemoord. De uitleg die daarvoor werd gegeven, was dat Atjehers alles inzetten voor de strijd, zelfs vrouwen en kinderen. Tot op zekere hoogte klopte dat zelfs: voor wie omkwam in de strijd tegen de ongelovige Hollanders, wachtte immers het paradijs. Toch leek het tij te keren naarmate in Nederland het besef groeide dat er een wrede, uitzichtloze oorlog woedde in Atjeh. De publieke opinie werd beroerd in oktober 1907, toen een lang anoniem stuk van een oud-officier werd gepubliceerd. Daarin klaagde hij de wreedheden van het Nederlandse leger in Atjeh aan. Als gevolg van de morele verontwaardiging gaf koningin Wilhelmina het startsein voor een ‘ethische politiek’, maar in de praktijk veranderde er vrij weinig. Tegen 1914 was het verzet min of meer gebroken. Alleen al tussen 1899 en 1909 vielen er ongeveer 20.000 dode Atjehers te betreuren, tegenover een vijfhonderdtal Nederlanders.

    Na de Japanse invasie tijdens de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende Indonesische onafhankelijkheidsoorlog was de ellende nog niet afgelopen in Atjeh: van 1976 tot 2005 woedde er weer een conflict met het centrale Indonesische gezag dat nog eens 15.000 slachtoffers eiste en pas eindigde toen de opstandige provincie verregaande autonomie kreeg. Zo kon onder meer de sharia worden ingevoerd. Stolwijk weidt in het slot van zijn boek niet uit over het hedendaagse Atjeh, maar geeft alleszins de indruk dat hij nog tonnen materiaal heeft liggen waar hij in de toekomst nog uit kan putten.

     

  • Knappe roman in sobere stijl geschreven

    Knappe roman in sobere stijl geschreven

    De debuutroman van Marijn Sikken, die in 2011 niet alleen de publieksprijs van de schrijfwedstrijd ‘Write now!’ won maar ook de juryprijs, speelt in het denkbeeldige dorp Leem. Een plaatsje van vijfduizend inwoners waar iedereen elkaar kent en naar hartenlust wordt geroddeld. Om het honderdjarig bestaan van Leem te vieren, zal er een groot feest gehouden worden.

    Twee hoofdpersonen, Alma – ex-zweminstructrice, gehuwd met Arthur, moeder van Sandra en Michelle – en Eline – achttienjarige jonge vrouw die na haar middelbare schooltijd in het dorp blijft hangen – geven beurtelings en in opeenvolgende hoofdstukken de belevenissen in Leem, en van hun persoonlijke leven weer. Het verhaal zelf draait om de twintigjarige Michelle, zwakbegaafde dochter van Alma en twee jaar geleden door een onbekende dader verkracht nadat ze met vriendinnen uit was geweest. Sindsdien praat ze niet meer en is indolent geworden. De dader is nooit gevonden maar ene Bauke wordt verdacht. Om Alma te ontlasten, wordt Michelle overdag in de boekenwinkel – waar Eline werkt – ondergebracht.

    Alma heeft er moeite mee dat Michelle niet meer praat. Ze noemt haar liefkozend, ‘schildpadje’, traag en dik als ze is, en is jaloers op andere moeders en op Eline. Deze laatste lijkt beter met Michelle om te gaan dan zijzelf. Haar man vindt dat Michelle in een tehuis beter op haar plaats is, maar Alma kan daar niet aan denken zonder bang te zijn dat anderen haar een slechte moeder zullen vinden. Ze vindt het moeilijk voor zichzelf te  kiezen. De enige vrijheid die ze zich veroorlooft, is in de vroege ochtend naakt te zwemmen in het zwembad waar ze gewerkt heeft en waarvan de sleutel nog in haar bezit is. Als ze betrapt wordt, moet ze de sleutel inleveren en zal ze ook deze uurtjes moeten missen.

    Eline wil niet over de toekomst nadenken: ‘Ik heb heel lang getwijfeld over wat ik wilde doen, begon Eline. Maar ik kwam er niet uit. Het voelde niet goed om zo maar ergens aan te beginnen.’  Ze is wat Sikken een ‘loopvogel’ noemt: ze zal nooit van de grond komen om uit te vliegen. ‘(…) er zijn ook vogels die aan de grond blijven, vogels die eens om zich heen hebben gekeken en concludeerden dat ze niet nieuwsgierig waren naar de rest, maar gewoon besloten het opstijgen te laten en hun vleugels niet uit te slaan. Dat zijn loopvogels.’
    Deze vergelijking is bepalend voor de gebeurtenissen in het verhaal: de personages zijn te verdelen in loopvogels en vogels die wegtrekken. De symbolische betekenis van deze vergelijking wordt duidelijk wanneer Michelle de straat op rent om een gewonde vogel te redden. De vogel wordt door Eline naar de vogelopvang gebracht. Als ze later de man van de opvang tegenkomt, wil ze niet weten of de vogel het gered heeft.

    In de eerste hoofdstukken worden verschillende personages geïntroduceerd die in het  verhaal een rol spelen, waaronder twee oude roddelaarsters, een vermeende dorpsgek, de baas van de boekwinkel, de huisdokter. Eline heeft een verhouding met Fred – vader van haar vroegere klasgenoot Ruben – en voormalig man van Marjolijn, die weer een vriendin van Alma is. Een voorbeeld van de manier waarop iedereen elkaar kent en in dezelfde kringetjes ronddraait. Alleen de moeder van Eline en Alma’s dochter Sandra vallen hier buiten, de een gefocust op haar werk, de ander woont met man en kind in Duitsland.

    De sfeer in het dorp is benauwend: alsof er een grauwe deken over ligt. Als Bauke terugkeert naar het dorp, wordt de sfeer nog beklemmender. De verdenking dat hij de dader is, blijft onderhuids sudderen. Alma onderneemt een halfhartige poging om Bauke tot een bekentenis te dwingen, maar zonder resultaat. Eline gaat een relatie aan met Bauke zonder te weten dat hij wordt verdacht; als ze daar achter komt, wordt ze voor het een keuze te maken.

    Tijdens het eeuwfeest wordt Michelle vermist. De zoektocht naar haar wordt in korte, staccato-achtige zinnen weergegeven waardoor de paniek voelbaar is. Michelle wordt teruggevonden in gezelschap van de vermeende dorpsgek; het is niet duidelijk of hij haar heeft weerhouden van zelfmoord op het spoor of niet.
    Het voorval is aanleiding om Michelle dan toch in een tehuis te plaatsen. Het dwingt Alma en Eline hun situatie onder ogen te zien. Alma kiest ervoor om haar aandacht niet alleen op Michelle te richten, maar ook op haar man en haar andere dochter en kleinkinderen. Ze beseft dat wonen in een tehuis voor Michelle goed is. Het feit dat Michelle wegliep heeft haar geleerd dat haar dochter een eigen leven moet hebben.

    Ook Eline kiest voor zichzelf. Ze heeft zowel Fred als Bauke aan de kant gezet en gaat in een kroeg werken. Er wordt haar gevraagd: “Is dit wat je wilt, werken in die kroeg?’ ‘Ja.’ Eline klinkt beslist. Sommige vogels komen niet van de grond.”

    Tot een onthulling van wie de dader is van Michelle’s verkrachting, komt het niet. Het leven in Leem gaat door. Eline besluit in Leem te blijven en gaat werken in de kroeg. Alma heeft zich neergelegd bij het besluit van haar man omtrent Michelle en het boek eindigt met de zin: ‘Naast haar wiegt haar jongste dochter tevreden heen en weer.’

    Sikken hanteert een uiterst sobere schrijfstijl: korte, staccato zinnen in de tegenwoordige tijd. Ze weet met weinig middelen een gemeenschap neer te zetten waar de levensvreugde ver te zoeken is. Leem lijkt vol ontevreden en norse mensen met wie het moeilijk is je te identificeren. Toch heeft ze er humor in weten onder te brengen: ‘De burgemeester kucht in de microfoon. Hij gaat rechtop staan en kijkt over het publiek heen met zo’n vage glimlach waar waarschijnlijk een cursus aan vooraf ging. Eline ziet het helemaal voor zich, zo’n docent die dan zegt: ‘Ik tel tot drie en dan proberen jullie allemaal zo te kijken dat anderen precies zien wanneer de valium inslaat. ”

    Het verhaal is afstandelijk beschreven, waardoor het moeilijk is sympathie op te brengen voor een van de personages. Zoals Alma zegt van de kroeg waar ze samen met Eline zit: ‘Deze kroeg. Hij heeft iets deprimerends. Alles klopt en toch is het leeg.’ Toch is Probeer om te keren een knappe psychologische roman waarin Sikken de lezer weinig informatie geeft en deze zelf zijn conclusies moet trekken. De symboliek van de loopvogels is verweven door het hele verhaal, maar uiteindelijk gaat het niet alleen om de keuze van blijven of weggaan. Het is ook een verhaal over de relatie moeder – dochter, over loslaten en vasthouden, en over de moed die nodig is om achter je eigen beslissingen te gaan staan.

     

     

     

  • Een bundel die afstand schept

    Een bundel die afstand schept

    In een zeldzaam interview in De Groene Amsterdammer noemt dichter Jacques Hamelink (1939) zichzelf ‘[o]precht onthecht’. Hoewel de waardering voor zijn werk er zeker is – hij won belangrijke (oeuvre)prijzen en krijgt goede recensies – lijkt hij een soort randfiguur te zijn die op niet op brede, maar ‘smalle’ aandacht kan rekenen. Het verschijnen van zijn laatste bundel Oden voor komende nacht (2016), geschiedde vrijwel geruisloos. Heel vreemd is dat niet, want het is een afstandelijke bundel die Hamelink geschreven heeft die zich moeilijk laat benaderen.

    Oden voor komende nacht is een merkwaardige bundel. Het vangt aan met nostalgische jeugdherinneringen over de rook van de Cokesfabriek (inderdaad met hoofdletter), ‘de droomtijd mei’, ene Zotte Lies Poppe, en ‘Op het zeil van de open zolder heb ik / Moskou, Ninevé, Jeruzalem ineen nagebouwd / met pilaren en bogen uit mijn blokkendoos’. In de verte doen ze wat aan zijn Ierse generatiegenoot Seamus Heaney (1939-2013) denken, maar dan in een taalgebruik dat afstand schept. Zotte Lies Poppe bijvoorbeeld is een typische dorpsgek, zo een voor wie je als kind ontzettend bang kunt zijn, en dat is intrigerende stof voor een gedicht. Vervolgens ontstaat er een grote kloof met die kindertijd door een beschrijving als ‘[ze loopt] op werkmansschoenen, / in turfbruine overjarige vlooiejas, haar / viltkalot draagt ze tot helm over haar // hoofd getrokken. Schouderstrengen ashaar.’

    De hele bundel lang blijft de taal afstand scheppen. Het gaat van paralando-achtige regels naar veelvoudige neologismen als ‘zeezinksgrijsheid’ ‘nazonsondergangspotlight’ tot pijnlijk beschamende regels als ‘Van mijn stijve, die zich voorbeslijmend / stootklaar staat, schaamt ze zich niet / me te zeggen, verrukt, dat ze hem ruikt.’ Die laatste passage staan dan weer in een gedicht dat ‘In de crapaud’ heet, want Hamelink lijkt er plezier in te scheppen om zijn lezers van alles na te laten zoeken, zodat ook hij/zij weet dat hier gepaard wordt in een lage, negentiende-eeuwse leuningstoel. Of zoals Bouke Vlierhuis ooit een recensie van een Hamelink-bundel als titel meegaf: ‘Alle naslagwerken uit de kast’.

    En zo gaat dat ruim 120 pagina’s door – de dubbele omvang van de gemiddelde gedichtenbundel – vol verwijzingen naar bijvoorbeeld Brodsky, Adorno en Ovidius’ Metamorfosen, ongebruikelijke woorden als ‘malachiet’ en ‘spermatozoa’, gekunsteld taalgebruik en af en toe een banale, seksistische opmerking zoals de borsten van ene Belle Griep een ‘beroddelde twee / ling’ [sic] noemen. Wie die stijl weet te bedwingen, ontdekt dat daaronder niet heel veel schuil gaat. Wat leren we uiteindelijk van Belle Griep? Ze is een ‘bijna professionele dansmeid’, bekeken en bepoteld in de kroeg vanwege haar ‘twee stevige eendere tieten’. Deze locker room talk in dichtvorm graaft niet veel dieper dan dat, of het moet het slot zijn: ‘Stel je maar voor // de tiet van die bloedvarkenstanden gehavend.’ Samengevat: iedereen zit aan Belle Grieps borsten, waardoor ze zo gehavend zijn, en vervolgens klaagt iedereen dat haar borsten zo gehavend zijn.

    Op zijn beste momenten weet Hamelink heel precies een gevoel te beschrijven – de schijnbaar eindeloze lente in de jeugd bijvoorbeeld wordt prachtig ‘de droomtijd mei’ genoemd. Dat zorgt voor lichtpuntjes in Oden voor komende nacht, dat er sterk onder lijdt dat er zo’n afstand wordt opgetrokken tot iets dat eenmaal genaderd weinig indrukwekkend blijkt te zijn.

     

     

     

  • Achter het masker van mevrouw OVO

    Achter het masker van mevrouw OVO

    Dat mevrouw OVO een onzichtbaar rugzakje meetorst, gevuld tijdens een langdurige carrière langs inrichtingen en psychiaters, dat is de lezer van Mevrouw OVO snel duidelijk. Al vroeg in deze roman, waarmee dichteres Elma van Haren (1954) als prozaïst debuteert, wordt duidelijk dat het personage lijdt aan een extreme vorm van weggooiangst. Ze vertikt het niet alleen om overbodig geworden huisraad weg te gooien, ze sleept honderden, zo niet duizenden voorwerpen – meubels, serviezen, tijdschriften – naar haar kleine flat waar alles wordt opgetast in breekbare stapels die de rekbaarheid van haar plafonds uitproberen. ‘Hoarding’, dat is de Engelse term voor die extreme verzamelwoede. Er is zelfs een Amerikaanse tv-serie die verslag doet van speciale opruimcommando’s die gewapend met bezems en afvalcontainers en achtervolgd door een camerateam dichtgeslibde woningen gaan ontzetten. Een bedrukkend beeld, zo’n zielig hoopje mens dat zich vastklampt aan duizenden overbodige spulletjes, die sociale contacten heeft ingeruild voor materie.

    Uniform
    Mevrouw OVO is op het eerste gezicht niet zielig. Ze weet haar fobie te maskeren door een zelf gecreëerd beroep uit te oefenen in de treurige, door hoge flats en hangjongeren gedomineerde woonwijk. Ze is OVO: Officiële Vuilnis Observant. Een zelfgemaakt logo op de achterkant van haar jas geeft dat kledingstuk de status van een uniform en de wijk weet niet beter of de vrouw die op straat tussen het vuilnis snuffelt, heeft een officiële functie. Als we het perspectief van mevrouw OVO volgen – de lezer moet wel, want de schrijfster laat haar personage zelf het verhaal vertellen – is ze niet de enige zonderling in de wijk. Het wemelt er van de eigenaardige types. Een geschminkte man die als een soort Superman eenzame vrouwen te hulp schiet die in de bosjes worden lastig gevallen door hangjongeren die de inhoud van damestasjes opeisen. Zelfhulpgroepen die concurreren met elkaar. Een hulpverlener die in een keukenkastje duizenden euro’s aan drugsgeld bewaart.
    Terwijl mevrouw OVO wordt meegesleurd in een onwerkelijke verhaallijn die begint met een veel te grote zitbank die ze dolgraag in haar flat wil hebben, vinden er merkwaardige gebeurtenissen plaats. Politieauto’s scheuren door plantsoenen, ergens houdt een verwarde man zijn vrouw en kind in gijzeling, in het centrum van de stad zijn relletjes en de plantsoenen zijn het decor van ordinaire straatgevechten.

    Masker
    De ene gebeurtenis is vermakelijk, een andere onwaarschijnlijk, de derde doet je afvragen waar de schrijfster eigenlijk heen wil met haar verhaal. Heel gedoseerd leren we de echte mevrouw OVO kennen en we moeten doorlezen tot het eind om, subtiel verteld, over de ernstige voorvallen te lezen die mevrouw OVO hebben gemaakt tot wat ze is: een gemankeerde vrouw die zich verschuilt achter een masker, omringd door een werkelijkheid die ook niet is wat ze lijkt. En die stapels? Die vallen op zeker moment om, daar zit de lezer immers op te wachten.

     

  • De natuur zijn

    De natuur zijn

    Een roman als een landschapsschilderij uit het einde van de 19e eeuw. De sfeer van een Monet. Een vrouw loopt door de velden, links is een bootje aangemeerd. Mensen gaan picknicken in het gras. Rechts in de verte, bijna terloops geschilderd, een klein huis. De vrouw loopt over een pad, rond haar hoofd fladdert een groep vogels. Boven de heuvel dreigt een regenbui. Ze is alleen, staat stil en roept iets. Als je haar van dichtbij bekijkt, valt haar kordate houding op. Ze weet precies waar ze naartoe gaat.

    Het vogelhuis is de derde roman van Eva Meijer waarin het woord ‘dier’ of de naam van een dier(soort) in de titel voorkomt. Eerder verschenen de romans Het schuwste dier (2011) en Dagpauwoog(2013). In 2016 werd Dierenverhalen gepubliceerd, een onderzoek naar de communicatie van dieren. Bij Het vogelhuis kruipt de schrijfster in de huid van Len Howard, een Britse biologe die leefde in de eerste helft van de vorige eeuw. Howard woonde in een huisje op het platteland waar ze het gedrag van koolmezen, mussen en pimpelmezen bestudeerde. Wellicht is ‘bestuderen’ niet het juiste woord. Eva Meijer schetst Howard – in de roman soms Lennie en meestal Gwen genoemd – als een vriendin van vogels, een moeder die voor hen zorgt. Als Gwen roept reageren de vogels direct en vliegen naar haar toe. Ze vereenzelvigt zich met hen. Hun gedrag is het kader waarmee Gwen naar zichzelf kijkt: ‘Ik sta stil, mijn hoofd schuin als een merel.’

    In gedeelten van de roman dreigen (de gevolgen van) de Eerste en Tweede Wereldoorlog op de achtergrond. Gwen maakt zich zorgen over haar broer, die niet van het slagveld is teruggekeerd. Eva Meyer verweeft, schijnbaar moeiteloos, deze onzekerheid met de vraag of de kraai Charles nog leeft. Als de vogel zich niet laat zien is Gwen bezorgd. Ook als ze verhuist naar Londen om daar als violiste in een orkest te gaan spelen, denkt ze: ‘… en nu ben ik alleen in een stad die me aarzelend welkom heet. Twee kraaien kletsen met elkaar, hoog in een populier. Ik krijg pijn in mijn buik. Charles weet niet waar ik naartoe ben gegaan, of waarom.’
    De schrijfster introduceert op een geraffineerde manier de eigennamen van vogels. Als lezer ben je even de weg kwijt. Pas een paar regels verder merk dat je niet met een mens maar met een dier te maken hebt. Verrassend ben je op het verkeerde been gezet.

    Voor Gwen is de natuur de maat der dingen. Als ze twijfelt tussen de rest van haar leven vioolspelen of zich geheel aan de vogels wijden, denkt ze: ‘… de tegenzin [tegen het viool spelen, hm] blijft, groeit als een boom in verschillende richtingen, takken uit mijn oren en mijn mond.’ Het muziekstuk dat ze speelt is als een landschap: ‘… in het begin is er gras […], dan water – een rivier die brak wordt, uitloopt in een zee, er is eigenlijk altijd water, soms kalm soms kolkend…’

    De roman wordt door dit type metaforen als een schilderij. Je gaat als lezer niet altijd mee met ( het innerlijke leven van) de ik-figuur. Je blijft er rustig naar kijken, als een belangstellende buitenstaander en geniet van de mooie teksten die als mijmeringen passeren. Soms wat dik aangezet. Bijvoorbeeld door de manier waarop de schrijfster de (kortdurende) verhouding tussen Gwen en een man schetst. Hij kan op een prachtige manier koolmezen tekenen. Ze bezoeken het museum. ‘Hij laat me de schilderijen opnieuw zien. Verf, stemming, kleur, kleur, kleur. Bij Turner pakt hij mijn hand.’ Elkaars hand pakken bij een schilderij van Turner in een schilderachtig verhaal. Dit is geen scharrel met een getrouwde man, maar (te) duidelijk een romance.
    Maar dat neemt niet weg dat Het vogelhuis een mooi gecomponeerde roman is.

    Het levensverhaal van de ik-figuur wordt afgewisseld met (dagboek)notities over de koolmees Ster. En zo gaat de levensloop van Gwen en die van de koolmees gelijk op.
    ‘… de slimste koolmees, die ik heb mogen kennen, en degene met wie ik de hechtste band ontwikkelde.’ Een vogel als levenspartner.
    ‘… Ster was geconcentreerd zoals een muzikant in zijn spel,’ en ‘Ster was er met haar hoofd niet bij…’ Deze notities zijn, vermeldt Eva Meijer in de Verantwoording, gebaseerd op de verhalen van Len Howard.

    Het Vogelhuis is niet alleen een roman voor degene die van vogels en natuur houdt.  Zeker niet. Het is ook een kleine (tere) filosofie over de verhouding tussen mens en natuur. ‘Langzaam hebben de seizoenen zich hier in mijn lichaam genesteld,’ mijmert Gwen in haar vogelhuis, ‘beweeg ik mee met alles wat terugkeert: de spinnenwebben in de heg, de ijsbloemen op de ruiten, […] licht tot het einde van de avond.

    Eva Meijer toont ons – en dat doet ze uiteindelijk overtuigend – dat de natuur niet een ‘object’ buiten de mens is. Het is niet waarnaar de mens kijkt, luistert en onder de indruk raakt van de schoonheid of dreiging zoals op een landschapsschilderij. Niet alleen de dieren, de heuvel in de verte maar ook de mensen zijn natuur. Mens en natuur, een eenheid. Onlosmakelijk.

     

  • Een familiegeschiedenis in klassieke tijden

    Een familiegeschiedenis in klassieke tijden

    Zonen van Farao is een familiesaga die uit twee delen bestaat en afwisselend switcht tussen de jaren voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het verhaal draait om de tweeling Ewoud en Jaap, jonkers in een adellijke familie van sigarenhandelaren. Het vertelperspectief is vanuit Jaap, de jongste van de tweeling en het personage dat het meest uit de verf komt. Plaatsen van handeling zijn het kantoor van sigarenfirma De Farao, een pand aan de Amsterdamse Herengracht waar de familie woont, een studentenhuis aan het Singel en een verblijf – in de buurt van Baarn – aangeduid als het Grote huis.
    Tijdens de oorlog wordt dit laatste huis gevorderd door de Duitsers. Eén van de Duitse militairen is vertegenwoordiger bij een tabaks- en sigarettenfabriek in Dresden. Sigaren verbroederen, meent de vader. ‘Wij sigarenrokers herkennen elkaar nu eenmaal. Of we nu tot de overwinnaars of tot de overwonnen behoren.’ Dit maakt hem tot wat Chris van der Heijden in zijn boek Grijs verleden zou noemen: niet fout, maar ook geen verzetsman.
    Enige suspense zit in de figuur van de moeder, die merendeels van haar leven het bed houdt. ‘Wat was er toch gebeurd dat ze zo angstvallig voor ons verborgen hield?’ vraagt Jaap zich af. Maar deze spanning wordt niet uitgebouwd en komt wat snel tot een ontknoping wanneer Jaap van zijn moeder openheid van zaken eist.

    Tijdsgeest en scheiding
    Het begin van deze tweede roman van Ru de Groen doet denken aan de roman Karakter van Bordewijk. In beide gevallen, zowel bij De Groen als Bordewijk, begint het verhaal in een kantoor. In beide gevallen speelt een man die rechten heeft gestudeerd een hoofdrol en ook de namen blijven je bij: Katadreuffe en Dreverhaven bij Bordewijk, Ambrosius bij De Groen. En tenslotte het taalgebruik van De Groen. Een omschrijving als ‘beurde de telefoon op’ lijkt uit de tijd van Bordewijk te komen. En dan de tweeling, zonen van de sigarenfabrikant Van Arckel d’Oubray. De één een bonvivant, de ander een serieuze jongen. Zij mogen in die tijd, de jaren vijftig, een woord als ‘blieven’ niet gebruiken, terwijl hun stand wel woorden als ‘motten’ en ‘effe’ bezigt. Inclusief de wat flauwe humor die de auteur rondstrooit, zoals op het moment dat zoon Jaap besluit op handelsmissie naar Amerika te gaan, zodat ‘er een nieuwe wereld’ voor hem opengaat. Een manier van spreken die overigens niet het hele boek wordt volgehouden.

    Vanaf het moment dat de jongste, Jaap, thuis moet blijven en zijn broer en beste vriend Ewout naar Amerika wordt gezonden als vertegenwoordiger van De Farao sigaar, gaat het schuren tussen de twee. Ze zouden moeten samenwerken, maar omdat hun karakters erg uiteenlopen, wordt dit steeds moeilijker. Ewout staat op een lichtzinnige manier in het leven, terwijl Jaap een harde werker is en aast op succes. In de loop van het boek wordt dit verschil steeds duidelijker. Hun relatie loopt uiteindelijk dramatisch af. Daar is Jaap enigszins debet aan, een handje geholpen door zijn vrouw Gusta.

    Taalgebruik en metaforen
    Je kunt er niet omheen dat de personages uit de beschreven kringen (corpsballen en van adel) een bepaald jargon bezigen dat weliswaar in die kringen gebruikelijk was, maar dat er ook toen mensen waren die daar afstand van namen. Bijvoorbeeld hoe er over vrouwen werd gesproken in termen van: ‘spleten’, ‘gleuven’ en ‘leveren’ (voor baren). Je kunt stellen dat dit in die tijd gebruikelijk was, al valt het niet goed te praten. De metaforen komen rechtstreeks uit deze wereld; inclusief jachttaferelen en fuifjes: ‘Ik draaide me om en bezag de donkere ramen van het Victoria Hotel, die me aanstaarden met de doffe blik van geschoten haas.’ Of: ‘De eerlijkheid in deze familie rustte in mijn ogen op cocktailprikkers.’

    Het tweede deel van het boek bevat meer diepgang en ontwikkeling dan het eerste. Symbolisch komt dit tot uiting in de verschuiving van Jaaps voorliefde voor jazzmuziek naar de Beatles, wat een geslaagd tijdsbeeld is. Dit door toedoen van een collega die de popgroep bewondert. Wat op zich wel opvallend is; dat de muzieksmaak van de werkende klasse die van de adel binnendringt, zoals het woordgebruik van de adel de werkende klasse binnendringt.

    Reminiscenties
    Het verhaal doet enigszins denken aan de geschiedenis die De Groen eerder schreef over het biermerk Grolsch: 400 jaar karakter, een bierbrouwerij die in handen van zijn familie was. Maar ook lichtelijk aan Het verborgen stadspaleis van Elisabeth de Waal: het leest vlot, verhalen over de high society voor en na de Tweede Wereldoorlog die doen alsof de oorlog niet zo erg was, over jachtpartijen en al dan niet gelukkige liefdes. Het biedt een inkijk in een leefstijl waarmee de meeste lezers niet vertrouwd zullen zijn. Hoewel het boek in een vlotte stijl is geschreven is het tijdsbeeld te vluchtig beschreven waardoor het boek moeilijk beklijft.

     

     

  • Kijkje in de psyche van een autist

    Kijkje in de psyche van een autist

    Pauwl van Erik Jan Harmens is geen plot gestuurd boek. Welbeschouwd gebeurt er niet zoveel in het verhaal over een man, Paul, met een autistische aandoening die leeft in een vorm van begeleid wonen, met andere mensen met een vergelijkbare ontwikkelingsstoornis. Het kijkje in de psyche van iemand met autisme is de kracht van dit boek. Harmens heeft zich, zo lijkt het, goed kunnen inleven in een man met PDD-NOS. Romans over autisme zijn er niet zo heel veel. Waarschijnlijk omdat de romankunst leeft van empathie, terwijl die empathie precies is wat autisten zouden missen.

    Het boek roept vragen op. In hoeverre heeft iemand als Paul, wat de meeste mensen uitspreken als Pauwl (vandaar de titel) er baat bij om geëtiketteerd te worden als autist? In hoeverre gaat het zicht op de uniciteit van een mens verloren als aan hem of haar een stigma als autisme wordt gehecht? Mensen hebben behoefte aan duidelijkheid en die duidelijkheid lijkt een dergelijke term te bieden. Het gevaar is echter dat een persoon met zo’n aanduiding verwordt tot een karikatuur. In die valkuil is Harmens niet getrapt, al is het personage niet heel verrassend; Paul wil alles precies becijferen (‘ik heb ongeveer een halve week, 57,14% bij de Jumbo gewerkt.’), heeft vooral behoefte aan eenduidige prikkels en structuur en snapt andere dan zijn eigen humor niet. Pauwl is geen roman die je volledig inneemt voor de geestesrijkdom van een autistische man. Het lijkt niet onaannemelijk dat Harmens’ kijkje in de psyche van een autist dichtbij de werkelijkheid komt en dat maakt het boek boeiend, het verhoogt de empathie van de lezer voor een autist, maar zorgt niet per se voor sympathie.

    ‘Klassiek autisme is autisme zoals het bedoeld is, met veel wegkijken, lange stiltes en soms urenlang in een vraagteken op bed liggen. Asperger is in de vorige eeuw ontdekt door een Oostenrijkse dokter: Hans Asperger. Mensen met asperger zijn vaak gemiddeld of bovengemiddeld intelligent. Waarmee ik niet wil zeggen dat mensen met klassiek autisme of PDD-NOS niet intelligent zijn, maar vaak wel minder intelligent dan mensen met asperger’, zo laat Harmens Paul het autistische spectrum spectrum beschrijven. Het is een mooi verwoorde omschrijving die vooral veel zegt over de visie van Harmens op autisme, misschien meer dan dat deze aansluit bij hoe Paul het zelf zou verwoorden. Hoe dan ook: het boek bevat stilistische mooie passages over wat Paul waarneemt: ‘het lijkt alsof er vitrage voor de zon hangt, het blijft schemeren, alles grijs, grijs, grijs.’

    Het boek gaat ook over de zorginstelling waar Paul is geplaatst, ‘De Driemaster.’ Harmens schetst een niet zo rooskleurig beeld van zo’n instelling, vanuit het perspectief van Paul. In de visie van Paul zijn de begeleiders geen geslaagde personen.

    Harmens, wiens eigen zoon autisme heeft, weet van Paul een memorabel personage te  maken, wiens wijze van denken je na lezing bij blijft. Het boek is waarschijnlijk geen onderdeel van een hausse aan autisme-romans (het bekendste fictievoorbeeld is Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht van Mark Haddon), omdat empathie opwekken voor een personage dat zelf geen empathie kent/zou kennen, een lastige opgave is. Daarom is Harmens’ poging interessant. Het is een boek dat eenieder met een belangstelling voor het thema zou moeten lezen. Geschikt voor leesclubs die romans met maatschappelijke relevantie willen bespreken.

     

  • Zoon springt uit de schaduw van de vader

    Zoon springt uit de schaduw van de vader

    De bundel Campert & Campert is geschreven door twee auteurs. Werk van Jan Campert (1902-1943) vult de eerste en tweede afdeling, werk van zijn zoon Remco (1929) de derde. Ondanks het forse aandeel van de vader is deze meer afwezig dan aanwezig. Hij verheft zijn stem uit een voorbije tijd en treedt voor het voetlicht als een literator, een mysterieuze en ongrijpbare. Alleen in de tweede afdeling met ‘Het lied der achttien doden’ (het meest onsterfelijke Nederlandse verzetsgedicht) wordt Jan Campert in een recent onthullend essay van Elias van der Plicht bekend gemaakt. Als een verzetsman die eigenlijk geen verzetsman was.
    Misschien is bij de samenstelling van de bundel voor het isolement van de man – die nog andere pijlen op zijn literaire boog had – bewust gekozen. In zo’n bestek accentueert de ‘vreemde’ letterkundige in de eerste afdeling Remco’s afstand tot zijn vader.

    Afwezige vader
    In zijn eigen afdeling noteert de zoon over de acacia bij zijn huis: ‘Iets viel op door zijn afwezigheid. De acacia die gisteren nog in grillige schoonheid voor mijn huis zijn takken spreidde was in de loop van de nacht omgezaagd.’ Bij deze passage sluit een uitspraak aan over de vader in een prozastuk verderop: ‘de Tweede Wereldoorlog. Uit die tijd heb ik een foto van hem [mijn vader] waar ik elke dag even naar kijk. […] Zijn blik is weemoedig. Een man en een dichter.’

    In het voorwoord stipt Remco de hechte en tegelijk losse band met zijn vader aan: ‘Toen ik drie was scheidde hij van mijn moeder. (…) De laatste keer (dat ik hem zag) was in de oorlog (…). Hij rook lichtjes naar parfum en tabak toen hij mij kuste. Een paar maanden later kwam hij om in het concentratiekamp Neuengamme.’

    Onderkoeling en ingehouden emotie zijn wel de kenmerkendste eigenschappen van het proza en de twee gedichten van Remco Campert in de duo-uitgave. Ze contrasteren met het werk van zijn vader, zowel met ‘Het lied der achttien doden’ als met één verhaal, poëzie (waaronder één vertaling) en literaire kritieken. Precisie kan Jan Campert niet ontzegd worden maar er zit met uitzondering van de recensies een surplus in zijn schrijverij dat niet van onze tijd is. Vooral de poëzie lijdt aan een teveel. In de jaren dertig beschouwden men goede poëzie nog als (overmatige) gevoelsuitstorting ondanks het ‘ventisme’ van Du Perron en de zijnen. ‘O lieflijkheid van licht en land, / van Holland’s vrijste kust’, schrijft Jan Campert. Zoon Remco moet zo’n zinsnede uit het hart gegrepen zijn. Inhoudelijk dan, niet qua formulering.

    Samenkomen in vergankelijkheid
    Het leven is verbonden met de dood. Spoedig zal het afgelopen zijn. Daarover gaat ‘Het lied der achttien doden’. Het getuigt van gehechtheid aan een voortdurend bedreigd maar geliefd bestaan. Ook in het leven van de eens jonge en nu hoogbejaarde vitale Campert ligt ondergang op de loer. Die dreiging is de meest in het oog springende verbinding tussen de Camperts. Beiden houden hartstochtelijk van het leven en kunnen er geen afscheid van nemen.
    De teksten van de vader worden in de eerste afdeling geëtaleerd zonder ze in een kader te plaatsen en in de tweede juist weer al te uitvoerig. Te expliciet zelfs door foto’s van de achttien doden plus beschrijving van hun persoon.

    Het essay van Van der Plicht over Jan Campert als dichter van het beroemde verzetslied is een verrijking. Een dergelijke beschouwing in de eerste afdeling ontbreekt en zou de ‘gedateerde’ Campert hebben kunnen situeren als dichter, prozaïst en criticus in zijn voor vele lezers-van-nu mistige vooroorlogse jaren.

    Uit de schaduw van de vader
    De contouren van de zoon als dichter en schrijver zijn ragscherp getekend. Bij herhaling gaat hij in op zijn auteurschap en op het daarmee verbonden bestaan vol intieme herinneringen. Meesterlijk formuleert hij in het prozastukje ‘Dagelijksheden’ dat herinneringen sterker zijn ‘dan het vergeten. Ze dringen zich nu dagelijks aan me op. Ik sta voor ze open. Ze zijn voedsel voor mijn schrijven’. En een ander stukje eindigt met de zin: ‘Wat zal ik me van vandaag herinneren?’
    Deze citaten kenschetsen Remco Campert, één van de misschien wel weinige Nederlandse dichters en schrijvers met een dadelijk herkenbaar geluid. Een dichterlijk prozaïst en proza-achtig dichter om niet genoeg van te krijgen.

    ‘Herinneringen kun je bedenken’, schrijft hij. Ze reiken tot in de levensperiode waar geen heugenis van is, zoals van de belevenissen van de eenjarige in de box. Evenzo is de werkelijkheid van de schrijvende volwassene plooibaar. Lees het verhaal ‘Een olifant in de achterkamer’ dat de derde afdeling van Campert & Campert opent. Of de stukjes die gegroepeerd zijn als ‘Triomfen der techniek’ en de verzameling ‘Fabeltjes vertellen’. Teksten die er bij oud en jong ingaan als koek en bedrieglijk eenvoudig zijn.

    Humor en tragiek gaan hand in hand en steeds viert levensvreugde hoogtij. In Campert & Campert springt de zoon uit de schaduw van zijn vader en toch blijft hij erin gevangen. Door hem is hij een volwassen kind geworden dat onbevangen kijken kan. Registreren wat oneindig eenmalig en uniek is.

     

     

  • Rauw verhaal in het zompige zuiden van de States

    Rauw verhaal in het zompige zuiden van de States

    De schrijfster Carson McCullers was maar 50 jaar onder ons (1917-1967) maar dat weerhield haar er niet van een omvangrijk oeuvre achter te laten. Romans, toneelstukken, korte verhalen, gedichten en kinderversjes behoren tot haar nalatenschap. Het hart is een eenzame jager was hier wel haar meest bekende -in vertaling verschenen- roman. Ze hoort tot de schrijvers uit het zuiden van de Verenigde Staten, zoals Shane Auckland en Cormack McCarthy. Maar in die groep is ze een buitenbeentje omdat ze lesbisch was en dat leverde in de zuidelijke staten van Amerika problemen op.
    Nu is dan The Ballad of the Sad Café vertaald door Molly van Gelder.

    Moeras
    Het verhaal lijkt wel op de omgeving waar het zich afspeelt, namelijk een moeras. Hoofdpersoon is de mysterieuze Miss Amelia, die middenin deze sompige omgeving een café runt. Ze heeft haar eigen whiskystokerij en de drank, die dat oplevert is fameus om zijn smaak en sterkte. Vooral dat laatste, want in en om het moeras is iedereen zich bijna de ganse dag aan het bezatten. Dat is ook logisch want er is in de wijde omtrek verder weinig vertier. De mannen uit het dorp wachten op de veranda van het café tot het open gaat en Miss Amelia, een mannelijk soort vrouw, met kort haar, tuinbroek, zware schoenen en kaki overhemden heeft over alles de regie. Ze geneest kwalen op vakkundige wijze omdat ze verstand heeft van kruiden Alles gaat zijn gangetje in het dorp. De mannen zuipen, de vrouwen doen thuis het huishouden en op zondag is er de kerk. De whisky brengt ook verlichting teweeg uit de kommer en kwel van het moeras of een bijna religieuze eerbied:
    ‘Een wever kijkt plotseling omhoog en ziet voor het eerst de vreemde schittering van de koude nachthemel in januari, en een hevige angst over zijn nietigheid beneemt hem de adem. Zulke dingen gebeuren dus als je de whisky van Miss Amelia hebt gedronken.’

    Huwelijk en mislukking
    Marvin Macy woont met zijn pleegmoeder en broer in het dorp en hij wordt tot over zijn oren verliefd op Miss Amelia. Macy wil zijn imago van schuinsmarcheerder opkrikken om bij Miss Amelia in het gevlei te raken. Hij behandelt zijn broer en pleegmoeder plotseling anders, bijna hoffelijk, speelt nauwelijks nog straalbezopen gitaar, gaat naar de kerk en na twee jaar is het dan zo ver.
    ‘Toen de twee jaar voorbij waren ging Marvin Macy op een avond naar Miss Amelia met een bos moerasbloemen, een zak worstjes en een zilveren ring en op die avond verklaarde hij haar zijn liefde.’

    Ze gaan trouwen maar op de bruiloft zijn alle voortekens al ongunstig, Miss Amelia wrijft langs haar trouwjurk omdat ze denkt dat ze haar tuinbroek nog aanheeft en: ‘Toen de huwelijksinzegening eindelijk was uitgesproken, liep Miss Amelia snel de kerk uit, niet aan de hand van haar echtgenoot, maar ten minste twee passen voor hem uit.’

    De eerste huwelijksnacht verloopt rampzalig. Marvin wordt de slaapkamer uitgegooid zonder dat er iets is gebeurd en hij loopt dagen op het erf rond. Een vernedering. ‘Een bruidegom die zijn geliefde bruid niet in zijn bed kan krijgen verkeert in een beklagenswaardige positie , zeker wanneer iedereen het weet.’

    Marvin verdwijnt uiteindelijk nadat hij Amelia nog een hartstochtelijke liefdesbrief heeft geschreven en cadeaus voor haar heeft gekocht, maar er staan ook bedreigingen in de brief. Een slecht voorteken.

    Mysterieuze gebochelde
    Op een dag verschijnt een gebochelde bij het café. Hij lijkt in de war heeft een koffer vol rommel bij zich en claimt ook nog eens familie te zijn van Miss Amelia. De mannen op de veranda geloven hem niet maar uiteindelijk gaat Miss Amelia door de knieën en neemt Lymon Willis -zo heet de gebochelde- in huis.’”Nou kom maar binnen,”zei ze.”Er staat nog wat eten op het fornuis, dat kan je krijgen.”‘Bijzonder, want Amelia nodigt nooit mensen uit in haar vertrekken boven het café.

    Drama
    Het leven in het dorp gaat zijn gang op de oude vertrouwde manier na het verdwijnen van Marvin Macy, die spoedig op het slechte pad raakt. Hij steelt en vecht en wordt uiteindelijk in de gevangenis gegooid in een stad ver van het moerasdorp vandaan. Miss Amelia vindt het prettig dat Marvin uit beeld is verdwenen en ze wil dat zijn naam niet meer in haar aanwezigheid wordt genoemd. De broer van Marvin, Henry Macy woont nog in het dorp en op een dag meldt hij slecht nieuws aan Miss Amelia. ‘Om één uur tenslotte keek Henry Macy naar een hoek van het plafond en zei zacht tegen Miss Amelia: “Ik heb vandaag een brief gekregen.”‘ De brief  is afkomstig van zijn broer, hij komt vrij uit de gevangenis. Miss Amelia reageert onverschillig maar echt leuk vindt ze het niet. ‘Het gezicht van Miss Amelia werd heel donker en ze huiverde, hoewel het een warme nacht was.’
    Het duurt even maar plotseling verschijnt Marvin in het dorpje.

    En na enige tijd is iedereen bang voor hem, hij straalt een overweldigende agressie uit. De gebochelde volgt hem overal op ongeveer drie passen afstand. Daarmee verraadt hij Miss Amelia , die al die jaren voor hem heeft gezorgd. Marvin trekt uiteindelijk in bij de gebochelde en Miss Amelia. Ze probeert hem weg te treiteren en zelfs te vergiftigen maar alles mislukt.

    Er zit niets anders op dan een wedstrijd te organiseren in vechten- alles toegestaan- tussen haar en Marvin. Iedereen weet, dat zij zo sterk is, dat ze dat moet winnen. Aan de andere kant is er de verbittering van Marvin, omdat hij destijds is vernederd door Miss Amelia.

    Hoe dat allemaal afloopt moge de lezer zelf ervaren. Hij zal dan een groot meesterwerk mogen gaan lezen. Carson McCullers was een schrijfster met een zeldzaam talent voor de zelfkant en het moerassige zuiden van de V.S. Daar laat ze in veel van haar boeken haar hoofdpersonen tot leven komen. Ze drinken, vechten en houden zich zelden aan de regels, maar tegelijkertijd zijn het deze personen die het leven representeren. In dit boek gebeurt dat op een knappe manier. Wat jammer dat Carson McCullers, niet nog meer juweeltjes achterliet. Prachtig vertaald door Molly van Gelder.

     

  • De Duivelsverzen als vertrekpunt

    De Duivelsverzen als vertrekpunt

    De puberteit –  ook wel bekend als de jaren des onderscheids – zou wel eens de eenzaamste periode in een mensenleven kunnen zijn. Het ontstaan van emotionele breuklijnen tussen binnen- en buitenwereld: het voorheen nog als veilig ervaren ouderlijk gezag wordt opeens gewantrouwd. En als dat ook nog samenvalt met een uiteenvallende realiteit, dan wordt er houvast gezocht in eigen gevonden betekenissen. Veel jonge mensen waarvoor de realiteit bedreigend is, keren zich naar binnen, of lopen weg van huis, zoekend naar een beginpunt om een leven aan te vatten. Zo ook Augustus Antenne (een zonderlinge naam, voor een bijzonder meisje) in de tweede roman van Maria Barnas (1973). Augustus loopt niet weg van huis maar verwijdert zich van haar familie door De duivelsverzen van Salman Rushdie te nemen als coach op zoek naar houvast.

    Op zich een sterk gegeven; een puber die een boek als De duivelsverzen leest waarvan menigeen toentertijd moest toegeven er niet doorheen te komen. Onwaarschijnlijk is niet dat dit meer te maken heeft met de verdichte geest van de volwassenen dan met het boek zelf. Er zijn boeken die niet helemaal gelezen hoeven te worden en die je toch een eind op weg helpen je existentiële richting te bepalen. Augustus heeft in eerste instantie genoeg aan de eerste bladzijden van het boek – of nee, eigenlijk de verbranding van het boek die ze op tv zag – brengt haar in beweging. Waarna ze het boek twee keer leest, voornamelijk omdat ze aan het eind van de eerste lezing pas zag hoe alles in elkaar greep. Waarmee gezegd wil zijn dat alles achteraf pas duidelijk wordt. Waarmee ook duidelijk is dat – ondanks de summiere verhaallijn en dat de korte hoofdstukken met titels als: Redenen, Stromen, Fragmenten, Kolken, Huizen in willekeurig volgorde gelezen kunnen worden – dit boek tot de laatste bladzijde gelezen dient te worden.

    Grote afwezige

    Augustus is een eenzelvige jongere, zonder vrienden en daar ook niet naar op zoek. Ze bereidt zich voor op een spreekbeurt over De duivelsverzen. Over de opbouw van die spreekbeurt is ze van mening: ‘Ik hoef niet bij het begin te beginnen, (..). Ik kan er, als dat lukt, ook mijn eigen verhaal van maken.’ Daarmee aangevend dat we van alles wat we lezen ons eigen verhaal kunnen maken; dat het verhaal van de schrijver ondergeschikt is aan wat de lezer er in ontdekt.
    Augustus’ vader is voorgoed vertrokken en stuurt haar cassettebandjes met zijn motieven, zijn voorliefdes en voorbeelden uit de kunstwereld. Augustus hoort hem aanvankelijk aan vanuit een behoefte, maar door het eenrichtingsverkeer – zij kan hem niets sturen want heeft geen adres – gaat het haar tegen staan en wil ze loskomen van hem. Haar moeder gelooft dat haar man elk moment kan terugkeren en schuift – in afwachting daarvan – constant met meubels door het huis alsof elke nieuwe opstelling de belofte van terugkomst inhoudt. Haar oudere zus schrikt van haar uitbarstingen; Augustus gaat verder waar haar zus het ergst mogelijke – ik wou dat ie dood was – al heeft uitgesproken, roept Augustus: ‘In gedachten snijd ik hem in honderd dobbelstenen.’

    Ze becommentarieert het leven van haar ouders en haar zus, dat storend voor hen is, maar niet voor de lezer. Dat wijsneuzige geeft goed aan hoe het in ons hoofd werkt, waar de gedachte eerlijker is dan wat we zeggen. Een puber maakt daar nog geen onderscheid in. Augustus’ gedachten hebben een sterke werking naar het einde toe; een binnenwereld waarin dromen mytische vormen aannemen. Zo verbergt ze in een schuurtje in de tuin Salman Rushdie tot de fatwa – uitgesproken door Khomeini – opgeheven is. Ze brengt hem dagelijks haar eten, zonder dat haar moeder dit merkt. Waardoor een beeld ontstaat van een meisje dat zichzelf uithongert en gevangen zit in haar wereld.

    Een vertrekpunt

    De uiteindelijke spreekbeurt van Augustus, die als ondertitel heeft: ‘Hoe Augustus Antenne een huis werd,’ begint zo: ‘Toen Augustus voor de zoveelste keer dacht dat de boerderij aan de overkant van de straat als een groot schip voorbij trok, in plaats van de beweging te herkennen in de wolken die door stevige zeewind massief en wit langs de daken werden gejaagd (…) bedacht ze dat er iets wezenlijks aan haar ontbrak.

    Op zoek naar houvast, naar een innerlijk kompas en dat vond ze in De duivelsverzen. In haar spreekbeurt beschrijft ze haar zoektocht naar een nulpunt in de vorm van een huis vanwaaruit ze aan het leven kan meedoen. Aan het einde verandert ook vrij ongemerkt de leeftijd van Augustus. Was het hele boek een schrijven vanuit een jongvolwassene, aan het eind spreekt duidelijk een twintigjarige – dit staat, let wel, in de spreekbeurt vermeld – die een afspraak maakt bij de huisarts omdat ze nog steeds zoekende is in het fantastische slotstuk:

    De arts wist niet wat hij moest zeggen toen hij een klein appartement zijn spreekkamer zag binnenkomen. Het was een lichte ruimte met hoge ramen. Er lag een houten vloer en aan de muren hingen schilderijen, zeefdrukken en ansichtkaarten die gedachten uitlokten aan andere landen, andere levens.
    Andere landschappen en andere leugens.
    Er viel eigenlijk niets op aan te merken.’

    Wat een prachtige manier is om te laten zien dat achter mooie, lichte, kunstzinnige façades, de zoektocht nooit eindigt. Gaat het dan over geluk, dat Augustus zoekt? Invulling van haar leven? Nee, vermoedelijk dat dit noodzaak is om te leven: steeds opnieuw een vertrekpunt zoekend om verdichting van geest tegen te gaan.

    Altijd Augustus is een bijzonder en imaginair vertelsel dat in mooie, onderzoekende en betekenisvolle taal is geschreven. Bij het slot gloort enige openheid – want schrijft elke schrijver, hoe fictief ook, niet eigenlijk over zichzelf? – die je doet terugbladeren naar het begin. Stukjes vallen op zijn plaats en lijken twee verhalen – De duivelsverzen en Altijd Augustus – op een bepaalde manier in elkaar te grijpen. Waardoor je het nog eens wilt lezen. En daar is niets op aan te merken.

     

     

  • Roman op routine

    Roman op routine

    Pangea, zo wordt de aarde genoemd op het punt in de ontstaansgeschiedenis dat de verschillende continenten nog niet bestonden. We schrijven ongeveer 250 miljoen jaar geleden. De mysterieuze Sacha, om wier zelfmoord de nieuwste roman van Tessa de Loo draait, mijmert dat dit misschien wel het paradijs was, waar Adam en Eva in voorwereldlijke onschuld rondliepen. In feite gaat het er in Liefde in Pangea echter niet zo onschuldig aan toe.

    Tessa de Loo is inmiddels 70 jaar en haar oeuvre omvat zo’n 15 titels, waarvan de bekendste zonder twijfel De tweeling (1993) is. Dit keer echter geen historische maar zogezegd een prehistorische roman, tenminste als het om het meest prominente motief gaat. Hoofdpersoon Fidel bestudeert kameleons. Deze evolutionair oude dieren doen hem denken aan tijden waarin dinosauriërs over de aarde heersten. Het onderzoek naar de oorzaak dat dino’s uitstierven was het levensproject van zijn bewonderde vader, zodat Fidel (zijn naam betekent ‘trouw’ of ‘loyaal’) diens werk als het ware in het klein voortzet. Door de roman heen zijn cursief gedrukte regels te vinden over het gedrag van de kameleon in soortgelijke situaties als die zich op dat moment voordoen tussen de personages.

    De hoofdintrige van Liefde in Pangea is voor romanbegrippen meer alledaags, namelijk de zelfmoord van Fidels jeugdvriendin, Sacha, die tijdens een schoolreis van een balkon sprong. Dit toch al zeer klassieke literaire thema van de verloren geliefde wordt op evenzeer klassieke wijze uitgewerkt. Vanuit het vertelheden blikt de hoofdpersoon terug op de romance uit zijn jonge jaren, zo’n 20 jaar eerder. Hoofdstukken uit die tijd worden afgewisseld met de zoektocht die Fidel in gang zet naar aanleiding van een schoolreünie. Gaandeweg volgen er steeds meer onthullingen over zijn eigen familie en over de familie van Sacha. Dit werpt uiteindelijk een verklarend licht op de tragische gebeurtenis die voor de levens van meerdere mensen bepalend werd.

    Geen revolutionair plot dus en de uitwerking in individuele passages lijkt ook niet bijzonder geïnspireerd. Op de eerder genoemde schoolreünie ontmoet Fidel precies de twee mensen die het dichtst bij Sacha stonden. De ene, destijds haar beste vriendin, blijkt nu onverwacht mooi te zijn en het laat zich raden hoe dit gaat aflopen. De ander is een mannelijke rivaal van vroeger, die Fidel met verwijten overlaadt. Zo komt de reünie louter over als een middel om het plot verder te helpen, niet als een scène die in zichzelf literaire waarde heeft. Of neem het moment dat de hoofdpersoon iets zit te drinken in een café en daar aan de praat raakt met een man die zijn vader gekend heeft:

    “O ja, Rudolf Hulshoff,” zei hij, “veel te jong gestorven. Eeuwig jammer, want het was een fijne collega, alom gewaardeerd, een man zonder achterbaksheid of ellebogenwerk, altijd bereid iemand te helpen, een vraagbaak voor iedereen. […] Jammer genoeg had hij één mankement: hij was veel te bescheiden. Hij had zoveel in huis maar wist zichzelf niet te verkopen – iets wat helaas in deze wereld, zelfs in de wetenschappelijke wereld, onontbeerlijk is.”’

    Deze passage brengt veel informatie over, maar een geloofwaardig gesprek in een café is het niet. Nog een kleine ergernis: Fidel zou een aversie hebben tegen mensen die uitdrukkingen gebruiken uit het Engels. De Loo neemt echter meermaals Engelse formuleringen in zijn gedachtestroom op (‘Het voelde alsof hij aan de andere kant van de aarde terecht was gekomen, waar hij een absolute alien fallen out of space was’).

    Het middelste gedeelte van het boek, dat uit drie delen bestaat, is gesitueerd in Portugal. De werkreis die de hoofdpersoon daarheen onderneemt, haalt het motief van de kameleon (en daarmee van Pangea) meer naar de voorgrond. Fidel probeert op het platteland van Portugal in kaart te brengen hoe het ervoor staat met de populatie van de Chamaeleo chamaeleon. Zijn bevindingen wijzen erop dat de miniatuur dinosauriër van het Europese continent aan het verdwijnen is. Toevalligerwijs blijken ook de broer en de vader van Sacha in Portugal te wonen. Het werkbezoek loopt zo uit op een verdere ontraadseling van het drama waarvan Fidel op zijn zeventiende getuige was. Dit levert meer verrassing op voor de personages dan voor de doorgewinterde romanlezer.

    Routinier Tessa de Loo schreef met Liefde in Pangea dus een solide roman. De compositie is oerdegelijk en de stijl verzorgd, ondanks de soms wat houterige dialogen. Het kameleonthema geeft fleur aan het geheel, te beginnen bij de fraaie omslag. Toch knaagt er iets. Het verhaal lijkt wel erg op de automatische piloot tot stand te zijn  gekomen. De lezer zal er niet snel door van kleur verschieten.