Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Vast in het ijs

    Vast in het ijs

    Dit is het tweede boek van de Ierse schrijver Cormac James. Eerder werd een aantal verhalen gepubliceerd in tijdschriften en in 2000 verscheen zijn eerste roman Track & Field. Zijn tweede boek Dwars door het ijs, uit 2014, is nu in vertaling verschenen. Het gaat over een expeditie in 1850, naar de sporen van een eerder verloren gegane expeditie naar de Noordpool. Die expeditie, die onder leiding van Sir John Franklin in 1845 vanuit Londen was uitgevaren, spreekt tot de verbeelding en tot op de dag van vandaag wordt er nog gezocht naar sporen ervan. Al eerder werden schrijvers, zoals Margaret Atwood en Mordecai Richler er door geïnspireerd; zelfs in Jane Eyre wordt kort melding gemaakt van de expeditie en Charles Dickens heeft er een gedicht over geschreven.

    Wat denkt James daar dan over te zeggen of aan toe te voegen? Hij zoekt het in het schrijven van een verslag over het wel en wee van de expeditie die op zoek gaat naar sporen van Franklin en bemanning. Helaas slaagt James er niet in om de lezer te boeien.
    Vanaf het begin is eigenlijk al duidelijk dat de expeditie niks zal worden en dat de bemanning veel ontberingen zal meemaken. En inderdaad: zij komen vast te zitten in het ijs, hebben geen enkel vooruitzicht om op korte termijn los te komen, hopen op beter weer en lijden onder de permanente dreiging van aanvallen van ijsberen, etc.

    Het verhaal moet het hebben van beschrijvingen van de mannengemeenschap en over het leven op het schip met al zijn bedreigingen. De enige relatie die wordt uitgewerkt is die van de vrienden en hoofdpersonen: stuurman Morgan en scheepsarts DeHaven. De dokter had eigenlijk niet mee gewild, wil ook steeds terug omdat hij weinig geloof heeft in de expeditie en zijn gelijk ziet in de zeer geringe voortgang die wordt geboekt. De stuurman zit op de boot omdat hij zin had in avontuur en weg wilde bij zijn vrouw, maar verliest gaandeweg eveneens zijn geloof in het succes van de expeditie. De karakters van de overige bemanningsleden blijven vlak. Pas op het eind komt de kok Cabot min of meer tot leven – en tot de dood: hij verdraagt de ontberingen niet langer.

    Een zwangere vrouw aan boord
    Om het spannender te maken introduceert de schrijver een verstekeling, Kitty. Tijdens het verblijf in Disko, de laatste plaats waar ze proviand in sloegen voor de verdere reis, had de stuurman een relatie met Kitty. Kitty wil heel graag weg uit Disko, raakt zwanger van de stuurman en besluit stiekem aan boord te gaan. Wanneer de boot al ver op weg is, komt ze tevoorschijn.

    Wat met haar te doen? Het is te laat om terug te keren, dus veel mogelijkheden zijn er niet en uiteindelijk wordt het kind aan boord geboren. Dat alles leidt tot de nodige verwikkelingen in de knoestige mannenwereld, maar erg interessant zijn die niet. De psychologische uitwerking is oppervlakkig en gaat vooral om leven en dood, in casu geboorte en dood. In de relatie tussen Morgan en Kitty speelt liefde geen rol, ze gaan op een zakelijke, volwassen manier om met de ontstane situatie, ze zijn min of meer tot elkaar veroordeeld. Naarmate het kind ouder wordt, groeit de liefde van de stuurman voor zijn zoon. Maar Morgan is introvert en laat weinig tot geen emoties zien; wat er gebeurt speelt zich voornamelijk in zijn hoofd af.

    Wanneer de kapitein overlijdt, krijgt de stuurman het commando over het schip. Hij raakt in tweestrijd: gaan we terug of gaan we door? Het schip ligt dan al 2 jaar vastgeklonken in het dikke ijs. Morgan kiest ervoor met een aantal manschappen, per slede versterking te halen en laat moeder en zoon achter op de boot.

    Waardering
    Het verhaal biedt te weinig om bijna 400 bladzijden lang te blijven boeien. Het deel over de hoofdpersonen is te oppervlakkig. In verhouding daarmee is er te veel tekst gewijd aan het verloop van deze expeditie, aan de ontberingen, aan een leven in het desolate gebied van de Noordpool, in meer dan één opzicht een ijzig klimaat.

     

     

     

  • Kijk, lees en geniet!

    Kijk, lees en geniet!

    In de afgelopen tijd is er op verschillende plaatsen aandacht geweest voor fantasiewezens, al of niet door elkaar beïnvloed. Vorig jaar, november 2016, kwam er een film uit van J.K. Rowlings nieuwste boek: Fantasic Beasts, and where to find them. De Utrechtse vakgroep mediëvistiek zond een jubileumnummer van haar magazine Madoc de wereld in, waarin fantasiewezens uit middeleeuwse legendes te zien waren. En nu is er dit, letterlijk en figuurlijk, fantastische boek Wonderwezens van Ingrid Biesheuvel en John Rabou. Hierin worden 25 wonderlijke wezens beschreven uit de klassieke en middeleeuwse cultuur. Allen hebben zij mythologische eigenschappen, maar met een menselijk element.

    Het boek heeft geen index, en de titels staan niet boven de hoofdstukjes, maar eronder. Daardoor word je meteen uitgenodigd om te gaan bladeren, te kijken en te lezen. Wat een feest is dat! Het boek heeft een prachtige vormgeving. Het eerste dat opvalt, zijn de illustraties van John Rabou. Dat zijn kunstwerkjes, waar de levendigheid van af spat. Je kunt ernaar blijven kijken,en elke keer ontdek je iets nieuws.  Ze zijn humoristisch, gevarieerd, met soms sprookjesachtige, dan weer klassieke of middeleeuwse elementen.
    Rabou gebruikt alleen de kleuren grijs-wit, met goud als enig kleuraccent. Dat is sterk. De losse draden van het kleed van het Griekse weefstertje Arachne bijvoorbeeld, waarop Zeus in dubieuze situaties staat afgebeeld, zijn in goudkleur. Zij vormen meteen het web van de spin, waarin het meisje later zal veranderen. De afbeelding van de Sater is eveneens meesterlijk: dubbelzinning en subtiel tegelijk, door de manier waarop de Sater de fluit in zijn hand houdt. Ook heel mooi is de afbeelding van de oor-mensen: ze lijken zo weggelopen uit één van de vele populaire Gothic Festivals, waar liefhebbers van magische verhalen – zoals de boeken van Tolkien – zich vermommen als hun favoriete personages.

    De tekening van de Graeae zijn minder aantrekkelijk, maar dat komt omdat de Graeae drie afzichtelijke zussen zijn uit de Griekse  en Romeinse mythologie. Zij moesten samen één oog en één tand delen en vochten daarom voortdurend met elkaar. Zij hadden nog een zus, Medusa, die ook al bekend stond om haar afgrijselijke uiterlijk. Deze Graeae doen enigszins denken aan de figuur van de – ook zo lelijke –  Eucalypta, de heks uit Paulus de Boskabouter.

    Wie de tekeningen bekijkt, wordt ook meteen nieuwsgierig naar de teksten. De schrijfster kent niet alleen haar ‘klassieken’ uit Oudheid en Middeleeuwen, zij put even gemakkelijk uit moderne bronnen, en alle eeuwen die daar tussen in liggen. Maar ook uit de beeldhouwkunst, hedendaagse filmkunst, populaire jeugdboeken en muziek. Zelfs de 20e-eeuwse Drs. P komt voorbij, in één hoofdstuk – over die al genoemde Graeae – genoemd met de Russische schrijver Dostojewski. Drs. P heeft een lied geschreven over de kibbelende gezusters tante Constance en tante Mathilde. Hij gaf dit gedicht de titel Zusters Karamazov, verwijzend naar de beroemde gelijknamige roman van Dostojewski.

    Ook is het interessant om van de overige wezens te weten hoe ze in de loop der tijden een plaats kregen in andere verhalen en kunstvormen. Zoals de Sciapode, de éénvoeter, die zijn voet als parasol kan gebruiken. Deze wordt genoemd in de roman Baudolino van de Italiaanse schrijver Umberto Eco. Of de Romeinse god Janus, met twee gezichten. In Harlingen staat een stenen beeld met een januskop, de Stiennen Man genoemd, die daar rond 1570 geplaatst werd als symbolische toezichthouder op het dijkwerk. De schrijfster weet zelfs de loeiende sirenes, die Nederlanders elke eerste maandag van de maand om 12 uur horen, een symbolische betekenis te geven door de link te leggen met de Griekse Sirenen. Dat waren verleidelijke vis- of vogelvrouwen die Odysseus wilden betoveren op zee. Hierdoor luister je de volgende keer heel anders naar het Nederlandse luchtalarm!

    En zo legt Ingrid Biesheuvel verrassende verbanden tussen vroeger en nu, en tussen magie en werkelijkheid. Met recht een fantastisch boek!

     

     

  • Terug naar vroeger

    Terug naar vroeger

    Begin-veertiger Simone Waterman leidt een comfortabel leven: met haar creatieve vriend Raaf en twee dochters Mia en Linde woont ze in Amsterdam, waar ze als bakfietsmoeder het huishouden van haar gezin bestiert. Simone begint echter te twijfelen. Sinds ze is gestopt met acteren, mist ze een doel in haar leven. Haar vriend Raaf raadt haar aan om weer te gaan werken, maar daarmee is het probleem niet opgelost, want ook over haar relatie is ze te ontevreden. Om met zichzelf in het reine te komen, gaat Simone terug naar de plaats waar ze is geboren en opgegroeid. Daar hoopt ze antwoord te kunnen geven op de vraag: wie ben ik eigenlijk?

    Het uitgangspunt van Hier kom ik weg, de debuutroman van Annette Maas, is niet erg origineel. De afgelopen jaren zijn er meer romans verschenen met eenzelfde strekking: een gesettelde man of vrouw van in de veertig stelt zichzelf de vraag: is dit het? Een onverwachte gebeurtenis of ontevredenheid over het heden brengt het burgerlijke leven aan het wankelen, waardoor een zoektocht naar ‘het ware ik’ volgt. Zo weigert Roxy in de gelijknamige roman van Esther Gerritsen de voorbeeldige weduwe te zijn nadat haar overspelige man is omgekomen en zoekt Mascha in Misschien wel niet de erotische spanning op internet. Aan dit voorspelbare gegeven voegt Annette Maas de rol van de geboorteplaats toe. Simone woont al enige tijd in Amsterdam, maar voelt zich steeds meer vervreemd van de onpersoonlijke wereld om haar heen. Ze verlangt terug naar haar jeugd, toen ze in het kleine, overzichtelijke Winschoten deel uitmaakte van een hechte gemeenschap die ze vroeger als benauwend ervaarde, maar nu romantiseert.

    Hier kom ik weg (Oost-Gronings voor ‘Hier kom ik vandaan’) komt traag op gang. Lange tijd is het onduidelijk met welk probleem Simone te maken heeft. Is ze een verwende, verveelde huismoeder die behoefte heeft aan afleiding of een persoonlijke invulling van haar leven of bevindt ze zich in een existentiële crisis die zijn wortels in het verleden heeft? In de loop van de roman wordt duidelijk dat de onzekerheden en het onvermogen om echt gelukkig te zijn, samen hangen met zaken die vroeger zijn voorgevallen. Uit de tweede verhaallijn, die wordt afgewisseld met gebeurtenissen uit het heden, blijkt dat Simone de plotselinge scheiding van haar ouders nooit te boven is gekomen. Ze heeft het vertrek van haar moeder nooit begrepen en ervaart het nog steeds het als een daad van egoïsme. Het dagboek van haar moeder, dat ze op de zolder van haar ouderlijke huis heeft laten liggen, kan opheldering geven. Simone hoopt zo ook meer over zichzelf te weten te komen.

    Annette Maas heeft een soepele schrijfstijl en bezondigt zich niet aan overbodige adjectieven of ingewikkelde zinsconstructies. De weinige keren dat ze zich uit in figuurlijk taalgebruik, doet ze dat op een treffende, effectieve manier: ‘In Oost-Groningen is de wereld niet rond maar plat, een platte zwarte langspeelplaat waar je als een naald overheen fietst zodat er een lied kan klinken. Het lied van de stilte’. De liefde voor het Oost-Groningse polderlandschap, waar Annette Maas ook vandaan komt, is voelbaar in de manier waarop ze erover schrijft. De twee verhaallijnen in het eerste deel zorgen voor een prettige variatie en monden uit in het tweede deel, waarin verleden en heden samenkomen. Pijnlijke gebeurtenissen uit Simones jeugd, zoals de scheiding van haar ouders en grootouders, maar ook het misverstand tussen Simone als tienermeisje en haar vriendje, of de eerste, ongemakkelijke seksuele ervaring, worden op een prikkelende manier beschreven. Toch komt Hier kom ik weg een aantal zaken tekort om daadwerkelijk te overtuigen.

    De roman snijdt een aantal belangrijke thema’s aan, zoals de relatie met je (groot)ouders, eenzaamheid, het spanningsveld tussen eigenbelang, trouw en verantwoordelijkheid, en het verlangen naar individuele ontwikkeling. Ook speelt afkomst een rol, de manier waarop iemand emotioneel en cultureel verbonden is met de plaats waar diegene geboren en opgegroeid is. Annette Maas laat deze thema’s de revue passeren, in een zorgvuldig opgebouwd verhaal, maar de scherpte die je als lezer wakker schudt met een vuistslag op de schedel (in de woorden van Kafka), ontbreekt. Daarvoor is Hier kom ik weg te braaf. Simone twijfelt, maar durft geen keuze te maken met onvoorziene gevolgen, zoals haar moeder, want daarvoor is ze te verstandig. Als ze met haar vroegere vriendje de hotelkamer induikt, blijft het bij zoenen, want ze zijn te moe om verder te gaan. Simone zoekt de grenzen op, maar gaat daar nooit overheen, waardoor schuldgevoel, schaamte, spot en spijt haar bespaard blijven. Haar comfortabele leven is zo gek nog niet.

     

     

  • Het barre landschap van de menselijke geest

    Het barre landschap van de menselijke geest

    Paul Kingsnorth situeert zijn jongste roman Beest op het Engelse platteland, meer bepaald in de moors, de woeste heide. Verwacht echter geen tutterig theekransje met scones, want er staat rauw natuurgeweld op het menu. De hoofdpersoon, van wie we pas na ruim veertig bladzijden te weten komen dat hij Edward Buckmaster heet (‘Ik heet Edward ik heet Edward Buckmaster er zijn cirkels om me heen ik ben een steen die in een vijver valt’), is een mysterieuze kluizenaar die zich heeft teruggetrokken in een vervallen boerderij.

    Het boek is een weerslag van zijn innerlijke monoloog. De man drukt zich mysterieus en fragmentarisch uit, bij momenten is zijn gedachtestroom haast onbegrijpelijk, zoals in dit fragment: ‘alles verandert in iets anders schubben worden staarten veren worden haren benen worden vinnen bladeren worden stenen waarom weglopen voor de verandering die de dood met zich meebrengt.’ De lezer krijgt dan ook geen rechtlijnig verhaal voorgeschoteld en moet zich op sleeptouw laten nemen door Buckmasters associatieve, en bij momenten zelfs dissociatieve, van de hak op de tak springende hersenspinsels.

    Op het eerste gezicht is dat normaal, want gedachten zijn niet lineair en logisch: ze gaan nooit in een rechte lijn van A naar B. Toch is er duidelijk iets niet in de haak. In het begin drukt Buckmaster zich nog redelijk grammaticaal uit en zit er nog een beetje orde in zijn gedachten, maar naar het einde van het boek toe wordt de chaos compleet. Zinnen worden abrupt afgebroken en hoofdletters en interpunctie verdwijnen, als om duidelijk te maken dat hij steeds meer het noorden kwijt is. De indruk dat deze man niet alleen ernstig in de war is, maar werkelijk geestesziek zou kunnen zijn, wordt nog versterkt door zijn obsessieve zoektocht naar een mysterieus wezen dat over de moors dwaalt. Zijn paranoïde gedachten worden altijd maar heviger, misschien maakt hij wel een psychose door (‘De bomen de heggen de kevers de dingen die in de grond leefden ze keerden zich tegen me sisten me toe wilden me verdrijven wilden me weg hebben’).

    Beest is het tweede deel van een trilogie waarin Paul Kingsnorth de landschappen van Engeland wil ‘laten spreken’. Uit een aantal details valt op te maken dat het zich afspeelt in het hedendaagse Engeland, maar dat blijkt overigens amper uit Buckmasters leefwereld of taal, die in The Guardian een voor moderne ogen en oren herschapen interpretatie van Oud-Engels werd genoemd. Het gevecht van de mens met de vijandige, gevaarlijke natuur levert plastische beschrijvingen van natuurgeweld op (‘De regen lijkt horizontaal, hij komt aanstormen vanuit het westen alsof hij ergens op de Atlantische Oceaan is geland’). Maar de hevigste strijd wordt duidelijk in Buckmasters hoofd geleverd: ‘Op die ochtend was de moor een vijand. Hij hield me in de gaten ongeacht of ik buiten op het erf stond of dat ik me schuilhield in mijn kamer met de deur dicht.’ De lezer daalt af in de krochten van Buckmasters aftakelende brein en volgt het pad dat begint met een zeker afkeer van de samenleving – zo wordt duidelijk dat hij vrouw en kind heeft achtergelaten – naar de waanzin. De tocht door de wildernis heeft bij momenten iets van een Apocalypse Now op de Engelse heide.

    De leesbaarheid van dit boek wordt trouwens sterk bevorderd door de soepele vertaling van Nicolette Hoekmeijer, die een natuurlijk ritme en timbre heeft kunnen handhaven, wat tegenwoordig helaas niet altijd vanzelfsprekend het geval is met vertalingen uit het Engels. De hypnotiserende sfeer en cadans komen goed over in de Nederlandse versie: ‘het gelige water doordrenkt me de zurige stand van het veen is als een wolk om mijn gedachten ik ben te zwak om mezelf eruit te trekken zak weg in de drek wordt gemummificeerd en over vijfduizend jaar word ik opgegraven door wetenschappers die naam maken met het mysterie dat ik vertegenwoordig.’ Wie nogal angstig is aangelegd en deze zomer wil gaan wandelen in de moors, kan misschien maar beter wachten met dit boek tot na de vakantie.

     

     

  • Het geluid van een brekend hart

    Het geluid van een brekend hart

    Net als bij geliefden kan de liefde tussen een ouder en kind pijnlijk zijn. Onbeschrijfelijk pijnlijk, alhoewel dat dan wel weer de mooiste verhalen kan opleveren. Zoals bij graaf Ugolino, wiens kinderen zo van hem hielden dat ze hun eigen lichaam als voedsel aan hun vader aanboden toen hij tot de hongerdood was veroordeeld. Een verhaal dat Jean-Baptiste Carpeaux tot een prachtige witmarmeren beeldengroep inspireerde. Zijn uitbeelding van een vertwijfelde Ugolino met vier zonen aan zijn voeten is te bewonderen in het Metropolitan Museum of Art in New York en speelt een belangrijke rol Elizabeth Strout’s roman Ik heet Lucy Barton. Een boek waarin de pijnlijke liefde tussen de hoofdpersoon Lucy Barton en haar ouders centraal staat. Liefde die vergezeld gaat van onbegrip en pijn, maar die er zeker is. Zo ziet Lucy in als ze na vele keren achteloos langs Ugolino gelopen te zijn de beeldengroep een keer goed bekijkt en beseft dat kinderen altijd alles zullen doen om de nood van hun ouders te ledigen. Alles. Zoals ook zijzelf uiteindelijk had gedaan.

    Lucy was altijd een buitenbeentje geweest. Ze was anders dan haar ouders en haar oudere broer en zus en anders dan alle andere mensen in het boerendorp Amgash in Illinois. Haar familie was een van de armste uit het dorp en haar jeugd niet echt een gelukkige. Ze bracht haar dagen vaak in eenzaamheid en koude door, die ze ontvluchtte door na de lessen langer op school te blijven, waar de kachel brandde en het warm was. Ze deed er haar huiswerk, las er boeken en haalde door al dat werken louter tienen. Het bracht haar een studiebeurs en een nieuw leven in Chicago en uiteindelijk New York.

    De keerzijde van haar succes en vertrek uit Amgash was dat er geen verbondenheid meer was tussen Lucy en haar ouders, broer en zus. Haar leven was een ander leven, en ook als ze even terug is in Amgash blijkt steeds weer snel dat er voor haar eigenlijk geen plaats meer is. Haar leven is te onbekend, te verwarrend en misschien ook wel te pijnlijk voor haar ouders. Lucie weet dat ze haar eigen leven op moet bouwen en familiebanden verwateren langzaam. Lucie ziet haar ouders, broer en zus niet meer, totdat ze herstellende is van een eenvoudige operatie en haar moeder haar vijf dagen in New York komt opzoeken. Vijf dagen waarin haar moeder niet van haar zijde wijkt en ze in haar verhalen over dorpsgenoten Lucy weer deelgenoot maakt van het leven in Amgash. Verhalen die moeder en dochter helpen hun broze relatie onder de loep te nemen, waarbij steeds pijn opsteekt en liefde onbespreekbaar blijft. Moeder en dochter spelen zo een vijf dagen lang een kat en muis spel dat door Strout treffend wordt beschreven. Soms met harde woorden: ‘Grote genade, Lucy Barton. Ik ben niet helemaal hierheen gekomen met het vliegtuig om me door jou te laten vertellen dat wij uitschot zijn.’ Om later plaats te maken voor broze woorden van de onzekerheid: “‘Mam! Hou je van me, hou je van me, hou je van me?’”. Als haar moeder weigert te antwoorden sluit Lucy haar ogen. “‘Hou je van mij als ik mijn ogen dicht heb?” “Als je je ogen dicht hebt,” antwoordde ze. Toen stopte we met dit spelletje, maar ik was zo gelukkig…’

    Vooral de gedachten van Lucy zijn door Strout mooi verwoord en vatten de verbondenheid én kwetsbaarheid van haar en haar geboortegrond samen: ‘Ik heb heel wat mensen gekend, ook uit het Middenwesten, die tegen me zeggen dat je maïs niet kunt horen groeien, maar ze hebben het mis. Je kunt mijn hart niet horen breken – ik weet dat dit gedeelte klopt – maar voor mij zijn die geluiden onlosmakelijk met elkaar verbonden, dat van groeiende maïs en dat van mijn hart dat breekt.’

    In dergelijke passages toont Elizabeth Strout zich een ware literaire Carpeaux. Haar taal heeft hier en daar dezelfde zachtheid en doorschijnendheid als de witmarmeren beelden van Carpeaux, maar ze vertelt er een even pijnlijk verhaal mee als de beeldhouwer in zijn Ugolino-groep. En ze doet dat op een vergelijkbaar hoog niveau. Ook al lijkt de roman door de toegankelijkheid een niemendalletje, waar je als je niet oppast snel en achteloos doorheen leest. Maar er komt een moment dat je het, net zoals Lucy bij Ugolini was overkomen, opnieuw een keer leest en tot het besef komt dat je door dit boek wat meer begrijpt van het leven.

     

  • Ongewone intensiteit

    Ongewone intensiteit

    De schrijver zet direct de toon. Melodieuze zinnen wisselt hij af met woorden in een droog staccato. Tegelijkertijd voel je een voortdurende dreiging. Die zorgt ervoor dat je verder wilt lezen, de stijl waarin het geschreven is laat je stilstaan.

    Klare lucht zwart is een hervertelling van Medea, een toneelstuk van Euripides (431 v. Chr.). Ook eerdere romans van de Amerikaanse schrijver David Vann zijn gebaseerd op een Griekse tragedie. Voor Klare lucht zwart werd hij geïnspireerd door de reconstructie van en de reis met een antiek Egyptisch zeilschip. Dit zou vergelijkbaar zijn geweest met de Argo, een schip waarmee de Argonauten, Medea en haar man Jason vanuit Colchis ( nu Georgië) naar Griekenland voeren. In het verhaal dreigt voortdurend het einde zoals we dat kennen van eerdere versies van Medea: ze doodt, uit wraak voor het overspel van Jason, haar zoons.

    Proza als poëzie
    Na haar vertrek weet Medea dat ze haar thuisland definitief verlaten heeft. ‘Te laat beseft ze dat ze nooit meer het licht zal zien opkomen achter deze bergen […], dat ze nu te lang naar het water heeft gekeken en haar thuis is verloren.’ Medea is vanaf het begin van het verhaal ontheemd. Ze zal ‘een vreemde zijn, zelfs voor haarzelf.’

    De stijl van Vann is fragmentarisch en zo beeldend dat je veel teksten nog eens wilt lezen, hardop. En nog eens. Het is wennen maar zijn proza kan als poëzie gelezen worden.
    Als het schip even is aangemeerd ziet Medea een salamander, ze grijpt hem en houdt hem dicht bij haar gezicht om de ‘toegeklemde, te brede bek te bekijken, die slappe keel. Ondiepe ogen zonder geheimen, bodemloos maar leeg.’ ‘Buik en stompe poten roodgerand […], omhoogkruipend uit een onderwereld.’ ‘Vochtige huid niet voor de lucht, niet voor de zon gemaakt. Halfgeborene.’
    Hoe komt die salamander in mijn hand? denk je een moment als lezer. Wat een eng beest. En zo vertelt – ‘toont’ is misschien een beter woord – Vann over afgrijselijke rituelen en slachtpartijen met zo’n beeldende precisie dat je er soms bang van wordt. Veel fragmenten lijken op notities uit een filmscenario. Als er onderweg een vechtpartij uitbreekt tussen de Argonauten en een vreemd volk en Jason vecht met een tegenstander, lees je: ‘Dan slaat Jason de bijl in zijn hals en het blad verdwijnt erin, zit vast, en Jason rukt eraan om het los te krijgen, de man schudt alsof hij danst. Zijn ogen staren omhoog en zijn mond staat open. Zo wijdt hij zijn eigen dood in.

    De schrijver is in staat, zowel bij zijn beschrijvingen van de natuur, het landschap als bij de aanvallen van razernij van Medea, de lezer op een beklemmende manier in de situatie te plaatsen. Zijn stijl doet denken aan de openingsscène van de film Medea (1988) van de cineast Lars von Trier. De film is nog maar net begonnen, je bent op zee, de camera duikt onverwacht onder de zeespiegel. Je gaat, als kijker, kopje onder. Even ben je bang dat je verzuipt. Ook David Vann weet bij de lezer zulke fysieke ervaringen op te roepen.

    Echtheid
    Medea wordt niet geschetst als een hedendaagse vrouw. Je leert haar kennen terwijl ze het lijk van haar broer, dat ze in stukken heeft gesneden, overboord gooit. Wat haar daadkracht betreft, ben je gewaarschuwd. Vann vertelt haar verhaal vanuit een ver verleden maar tegelijkertijd, ondanks alle bizarre slachtpartijen, tekent hij haar karakter met een hoge graad van echtheid. Medea is een vrouw die de waarde van het leven zoekt, die zich verzet tegen haar vader, die een daad wil stellen en daarom Jason helpt Het Gulden Vlies te stelen en daarmee te vluchten uit haar vaderland. Ze denkt veel na. In haar overpeinzingen is er altijd een dreiging, niet alleen over de onzekerheid van het doel van de reis, haar verhouding met Jason maar ook de voortdurende aanwezigheid van het ongekende. Als ze even gaat zwemmen en vanaf het schip in zee stapt, krijgt ze een gevoel ‘dat er altijd iets onder ons woelt, ongeziene beweging, wachtend, iets groots, dat niet gekend of beheerst kan worden.’

    Boek één (twee derde van het verhaal) gaat over de reis. Het laatste gedeelte daarvan is langdradig door (te) veel beschouwingen over de ondergaande zon, de eindeloze zee en turen in de verte. Maar in Boek twee, de aankomst en de ‘ontknoping’, hervindt de schrijver zich. In al het geweld waar koning, mens en dier letterlijk in de pan worden gehakt, raakt hij de hel aan. ‘Steeds weer de boog van de hakkende bijl, natte klappen in stevige billen, de romp omlaag gekeerd naar al wat daaronder kan liggen en zonder ogen gezien kan worden. Eenbenig, zonder armen, zonder hoofd, gepaneerd met as…

    Aan het eind van het verhaal schetst hij de combinatie van razernij en radeloosheid van Medea op een indringende manier. Wraak, dood en liefde vallen samen. Klare lucht zwart is een prachtig verteld verhaal van een ongewone intensiteit.

    In de allerlaatste zin van het boek bedankt de schrijver in het nawoord Robin Robertson ‘voor zijn nieuwe uitmuntende vertaling van Medea. ‘Vertalen is verzielen,’ las ik eens. Ook de vertalers Arjaan en Thijs Nimwegen hebben met Klare lucht zwart die uitspraak waargemaakt.

     

     

  • Over kleine dingen die tot bezinning leiden

    Over kleine dingen die tot bezinning leiden

    Willem Wilmink schreef voor Kees Stip een spitsvondig gedicht dat begint met de regel: ‘Hoe kan een naam zijn dichter sturen!’, waarin hij het aloude ‘nomen est omen’ nieuw leven inblies door een aantal dichters te noemen wier naam een kenmerk van hun poëzie zou aanduiden (‘en geen ooit puntiger dan Stip!’). De dichter T. van Deel (1945) kreeg de versregel toebedeeld: ‘[…] Van Deel op de details gericht’ en daarmee gaf Wilmink inderdaad de kern aan van de poëzie van Van Deel.

    Want er is geen andere dichter die zo op kleine dingen let als hij: een steentje, een vogelveer, een vlinder, om die vervolgens tot onderwerp te maken in een gedicht. De natuur speelt een grote rol in het werk van Van Deel: niet het grote geheel, maar de kleine, ogenschijnlijk betekenisloze dingen krijgen betekenis in zijn gedichten. Het is geen poëzie voor de achteloze voorbijganger, maar juist voor de aandachtige beschouwer, die evenals de dichter zelf bereid is om wat langer stil te blijven staan bij wat hij op zijn weg vindt.

    De bundel Herfsttijloos is prachtig vormgegeven: op de voorkant lijken Japanse schrifttekens te zijn aangebracht, maar zijn in werkelijkheid schetsmatige bloemen; herfsttijlozen die de bundel hun naam geven. De meestal korte gedichten staan als haiku’s of oosterse kwatrijnen hoog op de pagina, wat rust en ruimte biedt en tot overdenking aanzet. Ze zijn gepaard wat thematiek betreft: op twee pagina’s worden twee gedichten tegenover elkaar gezet die over hetzelfde onderwerp gaan: stenen, een diorama, tulpen.

    Zes gedichten uit de bundel zijn al eerder gepubliceerd. Van Deel debuteerde in 1969 met de bundel ‘Strafwerk’ en ‘Herfsttijloos’ is zijn achtste bundel. Hij schreef veel recensies en essays, waaruit zijn liefde voor beeldende kunst spreekt, hij stelde bloemlezingen samen en was lid van het vertaalteam van de Nieuwe Bijbelvertaling, maar met het schrijven van gedichten gaat hij spaarzaam om: zijn voorlaatste bundel Boven de koude steen dateert van 2007.

    De titel ‘Herfsttijloos‘ slaat natuurlijk op de bloem met de Latijnse naam Colchicum autumnale, die een beetje op de krokus lijkt. De plant heeft een omgekeerde cyclus: hij bloeit in de herfst, maar de bladeren en vruchten komen pas in het voorjaar te voorschijn en het zaad wordt gevormd in de winter. In de plantensymboliek staat de herfsttijloos daarom voor ouderdom en wedergeboorte; zo zou Medea herfsttijloos gebruikt hebben in de verjongingsdrank voor de vader van Jason, Aeson, die hem veertig jaar jonger maakte. In laatste instantie kan de titel van de bundel ook nog als een bijvoeglijk naamwoord gezien worden; een mooie symboliek voor een dichter die op oudere leeftijd met een nieuwe bundel komt.

    Het motto van de bundel is de laatste strofe van Plompenblad, een gedicht van Jacob Winkler Prins (1849-1907). Winkler Prins was een dichter en beeldend kunstenaar wiens grootste liefhebberij het kweken van bloemen en planten was. De liefde voor de natuur hebben beide dichters gemeen, evenals het herkennen van de symboliek in de natuur.

    Al in het openingsgedicht Vervlogen blijkt de aandacht van Van Deel voor de kleine dingen: het gedicht gaat niet alleen over een vlinder, maar zelfs de schaduw van die vlinder wordt door de dichter waargenomen en daardoor kan hij de volgende vergelijking maken: ‘zo beeldt het leven zich in duister af / tegen het licht; onwetend wat het / voorstelt vervliegt het tot gedicht.’

    Dat Van Deel goed kan kijken is een sine qua non voor zijn gedichten, maar bovendien weet hij zijn observaties om te zetten in verrassende vergelijkingen die niet zo voor de hand lijken te liggen bij het onderwerp van zijn schouwen. Zo noemt hij de herfsttijlozen godinnen: ‘godinnen rijzen zomaar / naakt en bladloos uit hun bloemschelp op’, terwijl hij eerder al vaststelde: ‘Ze rekken loom zich uit hun bollen uit’. De bloei van deze bloemen wordt vergeleken met een nest vol vogels dat ‘de snavels luid en levenswijd onstuitbaar houdt gesperd.’ Het woord ‘levenswijd’, dat in geen enkel woordenboek kan worden opgezocht, geeft een extra dimensie aan deze toch al zo mooie en onverwachte beschrijving.

    Het gedicht Vuursteen is een voorbeeld van een gedicht met een diepere laag die de lezer kan aanboren onder de oppervlakte:

    ‘Ze zei ik ben gewoon materie
    pak me op en neem me mee
    onderzoek mijn samenstelling
    heb ik de schijn tegen ik ben
    kleurrijker dan je denkt
    je zult je veel moeten afvragen
    misschien zelfs een stuk van mij
    afslaan om pas in het breukvlak
    mijn binnenste te lezen.’

    Op het eerste gezicht lijkt het alsof het de vuursteen is die het woord heeft genomen, maar waarom heeft de dichter dan de vrouwelijke vorm gekozen? Zoals voor bijna al deze gedichten geldt, is de versregel ‘je zult je veel moeten afvragen’ de sleutel tot het begrijpen van de elementaire beelden. In zijn schijnbare eenvoud staat dit gedicht model voor alle andere gedichten in deze bundel.

    Bij een aantal gedichten staat achter in de bundel vermeld dat ze geschreven zijn bij een schilderij of bij een tekening, of dat het gedicht is afgebeeld op een muur. Zolang die schilderijen of die muur niet zijn afgebeeld in de bundel, werpt die informatie geen nieuw licht op het gedicht zelf. Anders is het met de gedichten waarbij Van Deel aangeeft waar ze naar verwijzen, zoals de tweelinggedichten Ruth en Vasthi, waarvan Van Deel de plaatsen in de Bijbel aangeeft. Omdat vooral het gedicht Ruth precies vertelt wat er in de Bijbel staat – Ruth gaat aren lezen op het veld van Boaz, met wie zij later huwt –  is de verwijzing niet direct noodzakelijk, maar om het gedicht Vasthi te begrijpen is het goed om te kunnen lezen dat Vasthi de eerste vrouw was van koning Ahasveros. Zij wilde niet op het feest komen om haar schoonheid te laten zien, zoals de koning wenste. Deze was daarover zeer ontstemd. In bijbelse bewoordingen zegt Van Deel: ‘en hij ontnam de kroon haar’.  Koning Ahasveros trouwde later met Esther, die in de Bijbel haar eigen boek kreeg. Met deze kennis krijgen de derde en vierde strofe haast een humoristisch tintje:

    ‘Of Esther die hij liefkreeg
    gewillig zich liet showen
    meldt de historie niet

    Ook niet het lot van Vasthi
    schoonste der koninginnen
    en meest onnaakte vrouw’

    In het gedicht Het pottenfeest vertelt een scheve pot waarom hij zich afzijdig houdt van de dans waar de andere potten allemaal aan meedoen: ‘Misschien dat ‘s Makers handen om mij trilden.’ Uit een aantekening van Van Deel achter in de bundel wordt duidelijk dat het een citaat is uit de Rubaiyat van Omar Khayyam, maar hij verzuimt te vermelden dat de titel van het laatste gedicht, Het kind dat wij waren, de titel is van een van de bekendste en meest geliefde gedichten van E. du Perron, te vinden in vrijwel elke bloemlezing. Van Deel veronderstelt derhalve een grote mate van belezenheid bij zijn lezers: er wordt ook een meer dan algemene kennis verwacht bij de gedichten Ikaros en bij Hortus, Conclusus en bij de openingsregel ‘Ik mis de spondee van je hakken / naast me lopend over straat’.

    De gedichten geven zich niet altijd op het eerste gezicht prijs, maar wie nog eens leest, ziet dat er veel meer staat dan zo op het eerste oog gedacht was. De bundel vraagt aandacht en bereidheid tot overdenking, het zijn verstilde gedichten, niet over grote onderwerpen, maar die aan de hand van kleine dingen tot bezinning leiden.

     

     

    ,
  • Magere oogst van vier decennia poëzie

    Magere oogst van vier decennia poëzie

    Met flinke tussenpozen heeft R.A. Basart poëzie gepubliceerd. Hij debuteerde met een gedichtenbundel in 1975; twee jaar later verscheen zijn tweede, en twwer wintig jaar later publiceerde hij zijn eerste roman. Vorig jaar kwam er een tweede roman bij, De verzoening, die erg goed ontvangen werd. Het lijkt erop dat Lebowski het tijd vond om ook Basarts poëzie weer onder de aandacht te brengen middels Zingend naar huis, een verzameling ‘selected and new poems’ zoals dat in het Engelse taalgebied heet.

    De bundel bevat ongeveer voor de helft gedichten uit die eerste twee bundels, Oranjebal en De gezonde apotheek. Dit deel heet ‘Eerste gedichten’; het deel met het nieuwe werk ‘Laatste gedichten’. Vooral die tweede helft roept vragen op – vooral de vraag over wat voor een tijdsspanne die laatste gedichten zijn geschreven en of er misschien ‘Middelste gedichten’ bestaan die hier weg zijn gelaten. Beide helften sluiten immers zo goed op elkaar aan dat er nauwelijks sprake is van opvallende ontwikkelingen in Basarts dichterschap: de toon en thematiek blijven vrij constant. Basart brengt lichte spot en dito melancholie samen in klein aandoende gedichten die stiekem wel grote thema’s behandelen. Het resultaat is een typisch soort moderne Nederlandse Romantiek: al te wilde emotionele uitspattingen beteugeld met milde ironie en meewarigheid. Het mooie openingsgedicht ‘Bij het aftuigen’ is direct al exemplarisch:

    Wat brak werd vervangen / maar liet steeds een leegte na: / dus hou ze heel, als je ze heel / houdt zie je later waar de / sneeuw van vroeger is gebleven.

    Op de achterflap wordt beweerd dat Basarts poëzie ‘moeilijk te categoriseren [is], maar als we toch een poging moeten doen, denken we aan Nijhoff en Eliot.’ Voor wie hiermee een bewuste poging onderneemt om Basart een plaatsje te bezorgen in de (modernistische) canon, zal deze vlieger niet opgaan; daar zijn deze gedichten bij lange na niet gelaagd genoeg voor. Soit, de humor van de vroege Eliot (denk ‘Prufrock’) zit er in de verte wel in, maar Basart doet vooral denken aan land- en generatiegenoten Lévi Weemoedt en Jean Pierre Rawie – maar dan zonder het al te op de lach gerichte van de eerste, en de gezwollen toon van de tweede. Die karakteristiek geldt voor de gedichten uit de jaren zeventig, maar zo’n veertig jaar later lijkt er weinig veranderd te zijn:

    Daar ga je, nagewuifd / vanaf de kade, tranen / in de zee: / niets bracht je hier, niets / neem je mee

    Binnen dat wat ouderwetse idioom weet Basart een aantal sterke gedichten te schrijven, waarin de ironie minder, en de impact groter is. Aangrijpend is ‘De kamer’, waarin vrienden zich buigen over een stervende: ‘De vrienden buigen zich. / U ziet uw vrienden over u // gebogen. U sluit uw ogen. / U sluit uw ogen voor de / dood hun ogen.’ Indringend is het morele dilemma in ‘Sde nechemja’ (vernoemd naar een door Nederlanders gestichte kibboets): ‘Een vervelende man. […] Wat een lul van een man. // Maar hij heeft een nummer op zijn arm! // Jawel. Een lul met een nummer.
    Wat nieuw is in dit gedicht en in een aantal andere ‘Laatste gedichten’ is de wat aan Zestig verwante, readymadeachtige praterigheid: ‘Je weet toch wat ze te eten kregen? / Kranten gedrenkt in bloed. / Dat kregen ze smorgens, / smiddags en savonds’.

    Maar per saldo zijn die nieuwigheden wat aan de magere kant, als oogst van vier decennia. Het geheel heeft ook een wat hoog hit and miss-gehalte, zeker in de eerste helft van de bundel, al is ‘Najaarsaanbieding’ uit ‘Laatste gedichten’ ook nogal flauw met dichters-hebben-het-zo-moeilijk-grapjes als ‘(En als mijn / tanden op het asfalt slaan:) // Alweer veertien exemplaren…’ Tja. Zingend naar huis pakt door de verzameling geslaagd en niet zo geslaagd werk, onevenwichtig uit, handvol fraaie gedichten of niet.

     

  • ‘We hebben gedaan wat we konden’

    ‘We hebben gedaan wat we konden’

    Voor zijn nieuwste boek neemt Alexandre Seurat u mee naar Frankrijk. Nee, niet naar dat alleraardigste huisje in de Provence waar u afgelopen zomer zo hebt genoten van het uitzicht op de lavendelvelden, maar naar dat andere Frankrijk: de banlieues en oude industriegebieden, waar werkloosheid, armoede en huiselijk geweld welig tieren en het Front National van de uitzichtloosheid profiteert om electorale successen te boeken. De roman is gebaseerd op werkelijke feiten, zoals het gruwelijke levensverhaal van Marina Sabatier, een meisje dat op haar achtste overleed aan de gevolgen van mishandeling. De affaire riep veel verontwaardiging op over het falen van de jeugdbescherming.

    Het boek opent meteen snoeihard, met een opsporingsbericht voor Diana, zoals het meisje in het boek heet (‘de naam van een prinses, maar dan wel een prinses die levend was verbrand’). De voormalige onderwijzeres van het kind beseft onmiddellijk dat het ‘te laat’ is. Zij herinnert zich van Diana vooral ‘de hartverscheurende manier om te doen alsof er niets aan de hand was, terwijl ze overal pijn had’.

    Vervolgens wordt het verhaal gereconstrueerd dat tot de gruwelijke feiten leidde. Seurat begint met de ongewenste zwangerschap en de relatiebreuk van Diana’s moeder, die een poos overwoog om haar kind af te staan. Zonder schmieren of goedkoop sentiment waagt Seurat zich bijna op neutrale toon aan een aartsmoeilijk onderwerp. Daarvoor gebruikt hij een beproefde literaire techniek: hij laat telkens andere personages aan het woord (familieleden, onderwijzers, artsen enzovoort) om zijn onderwerp te belichten. Overigens is het wel jammer dat de schrijver daar niet van profiteert om wat meer variatie in zijn vaak nogal vlakke stijl te brengen.

    Opvallend is dat het slachtoffer niet aan het woord komt, en de daders in feite ook maar amper. Het woord wordt meestal gevoerd door waarnemers die elk een stukje onthullen van de schrijnende waarheid. Natuurlijk gingen er soms wel verklikkerslichtjes branden, maar Diana’s ouders trokken een rookgordijn op en konden steeds een plausibele verklaring verzinnen voor de verwondingen van hun kind: ‘En de dramatische herhalingen van het schoolhoofd: We zijn hier voor Diana, stuitten op een muur van suikerzoete beleefdheid, gesausd met schaamteloze ontkenning’. Als de grond hun te heet onder de voeten werd, verhuisden ze en begon alles weer van voren af aan.

    Dit boek is dus ook een aanklacht tegen de Franse jeugdzorg en sociale bescherming, die hun werk niet hadden gedaan. Er werden rapporten opgesteld, radertjes kwamen in beweging, soms lieten die weer andere wieltjes draaien, maar uiteindelijk liep de mechaniek van de machine altijd vast en werd Diana nooit weggehaald uit haar gezin om haar in veiligheid te brengen. Voor elke hulpverlener die zijn nek uitstak, was er wel een ander die de feiten minimaliseerde, de verantwoordelijkheid van zich afschoof of een afwachtende houding aannam.

    Seurat is uiteraard niet de eerste auteur die de onderbuik van Frankrijk als onderwerp gebruikt. In 2014 verscheen bijvoorbeeld Weg met Eddy Bellegueule, een autobiografisch boek waarin Édouard Louis zijn jeugd in een door armoede, werkloosheid en alcoholisme geteisterd gezin beschreef. Misschien komt het omdat Louis dat milieu echt heeft gekend, maar zijn boek komt meer doorleefd over dan de roman van Seurat. Die laatste kan zijn verhaal weliswaar vrij overtuigend brengen, maar komt niet zo dicht bij zijn onderwerp als Louis. Uiteindelijk blijft hij immers net zoals de meeste personages in zijn boek een observator die op afstand toekijkt. Het onhandige kind is een boek dat indruk maakt als aanklacht tegen kindermishandeling en een falend systeem, maar niet echt uitblinkt in literair opzicht.

     

  • Logboek van een ziener

    Logboek van een ziener

    Waarom woon ik in Nederland?’, staat te lezen op de achterflap van een studie naar Noord-Europeanen die zich in Zuid-Europa vestigen. De tekst vervolgt: ‘Waarom niet op een boederijtje in Frankrijk, in een Spaanse molen, of op een Portugese quinta? Waarom blijf ik hangen in dit druilerige kikkerland met zijn verstikte wegen en zijn dolgedraaide bureaucratie? In het zuiden van Europa zijn er toch nog paradijzen in overvloed, met een aangenaam zonnige klimaat, waar vriendelijke mensen wonen die nog nooit van het woord “stress” hebben gehoord?’. Het onderzoek in kwestie – Voorbij de grens ligt het paradijs, door Mieke de Waal en Carel Braak – dateert van bijna vijfentwintig jaar geleden, maar heeft nog weinig aan actualiteit ingeboet. Het gebied rond de Middellandse Zee wordt bevolkt door vele honderdduizenden ‘klimaatvluchtelingen’ uit Engeland, Nederland, België, Duitsland en Scandinavië, op zoek naar het goede, gulle leven. Wat in de negentiende en een groot deel van de twintigste eeuw druppelsgewijs gebeurde, Lord Byron, Hans Christian Andersen, Gerald Brenan zijn er bekend door geworden, is inmiddels tot een massaal verschijnsel uitgegroeid. En na al die tijd heeft het paradijs schijnbaar nog weinig van zijn betovering verloren.

    In het zojuist verschenen Andalusisch logboek van de Vlaamse auteur Stefan Brijs vind je alle ingrediënten terug. De auteur heeft zich in de buurt van Malaga gevestigd en heeft over zijn verblijf ter plaatse aantekeningen gemaakt: het jaar 2016 passeert de revue, chronologisch, maand na maand. Aandacht voor de natuur, vogels vooral, het klimaat, de mensen. José, de klusjesman, bij voorbeeld: ‘Hij is kort van gestalte, lang van stof. Zoals veel Spanjaarden hangt hij tijdens het werk uren aan zijn mobiele telefoon. Problemen zijn er niet zozeer om op te lossen, hoofdzakelijk om vast te stellen’. We hebben het al dikwijls kunnen horen en het zal niemand verbazen dat José ‘hartelijk’ is en ‘graag lacht’. ‘Zijn rekeningen zijn bespottelijk laag, en dan nog aarzelt hij om het bedrag te noemen’. Van verworvenheden zoals we die kennen in het noorden, is in Andalusië geen sprake. De werkster van de schrijver heeft nog nooit één dag vakantie genomen. ‘De loodgieter, die hier laatst was, gaat eens per jaar enkele dagen naar zee met zijn gezin, de zee ligt bij hem om de hoek’. Maar niemand klaagt, zegt Brijs, niemand klinkt verzuurd, ‘het leven gaat voort, dag na dag, er wordt geroeid met de riemen die men heeft’.

    Toch gaat het Andalusisch logboek de stereotypen soms ook voorbij. Het helpt dat Brijs een voortreffelijk stylist is die, zoals ook veel andere Vlaamse auteurs, de taal met grote zorgvuldigheid behandelt. Hij beschrijft niet alleen wat hij ziet en hoort, hij probeert ook iets te begrijpen van het Andalusische bestaan in het algemeen en verdiept zich daartoe in de geschiedenis en in de Spaanse politieke verhoudingen op nationaal niveau: de verwikkelingen van de verkiezingen en de lotgevallen van Podemos, Isquierda Unida, PSOE, Ciudadanos en andere partijen worden op de voet gevolgd. Daarbij komt ook de staatsgreep van 23 februari 1981 uitvoerig ter sprake: de schoten die kolonel Tejero afvuurde in het Congres van Afgevaardigden. ‘De beelden daarvan beschouw ik als mijn vroegste herinneringen in full colour aan Spanje’, schrijft Brijs, ‘De opnames van de coup gingen de hele wereld rond. Ik zelf moet ze de volgende dag gezien hebben in het Vlaams journaal van halfacht ’s avonds, waarvan mijn vader een trouwe kijker was’. Anders dan de meeste zoekers naar het paradijs verdiept Brijs zich ook in de taal en probeert hij zich zo goed en zo kwaad als het gaat in het Spaans verstaanbaar te maken; helaas spreken Andalusiërs een moeilijk toegankelijk dialect. De postbode bij voorbeeld. ‘Soms probeer ik een gesprek met hem aan te knopen’, zegt de schrijver, ‘ook al versta ik hem niet. Hij spreekt Spaans uit een andere eeuw’.

    De aandacht van Brijs wordt veelvuldig opgeslokt door allerlei soorten vogels, maar hij heeft tijd over voor de geschiedenis en de kunst, de Joodse, Moorse, Franse overheersingen die in Andalusië hun sporen hebben achtergelaten en het werk van schilders als Francisco de Zurbarán van wie allerlei onbekend werk in de streek te vinden is. Toch is zijn analyse van de actuele economische situatie in zijn gebied het hoogtepunt van zijn logboek: de wederwaardigheden van de Costa Tropical. Halverwege de vorige eeuw groeide er niets in de streek, maar door vooral Duitse landbouwkundige steunprogramma’s werd bij het kustdorp Algarrobo een proefstation opgezet waar de mogelijkheden werden onderzocht voor de exploitatie van exotische gewassen. Het grote succesnummer was de aardbei, gevolgd door de tomaat, paprika, mango, avocado, stervrucht. De streek heeft een metamorfose ondergaan en is in grote delen omgetoverd tot een ‘plastic oceaan’: eindeloze hectaren tuinbouw onder plastic zeil. De kleine boeren zijn verdwenen en vervangen door kapitaalsintensieve grootbedrijven, de grond wordt met de dag meer uitgeput. Zoals Brijs vaststelt: ‘Voor de productie van één kilo avocado’s is gemiddeld driehonderd liter water nodig – tien keer meer dan de productie van één kilo tomaten – één hectare avocadobomen slorpt per jaar zes miljoen liter op’. Met het logboek van Brijs in de hand kijk je twee kanten op: hoe het was en hoe het gaat worden. De schrijver laat je zien dat het paradijs misschien een stuk minder paradijselijk is dan velen nog steeds denken.

  • Een disharmonisch tegengeluid

    Een disharmonisch tegengeluid

    Ali Bader is columnist en (oorlogs-)verslaggever voor Arabischtalige nieuwsmedia en heeft een tiental fictiewerken geschreven met Papa Sartre (2001) en The Tobacco Keeper (2008) als bekendste titels. Hij komt uit Irak en woont in België. Vanuit zijn unieke positie is hij een breed georiënteerde opiniemaker die zich bezighoudt met de grote geopolitieke kwesties die Oost en West allebei bezighouden. In deze tragikomische novelle neemt Bader een heet politiek hangijzer – de globale verspreiding van islamistische ideologieën -en behandelt het aan de hand van een simpel maar doeltreffend uitgangspunt: een Iraakse jongeman wil mensen inspireren met zijn cello.

    Met conservatoriumdiploma’s in zowel cello als ballet, ziet ik-verteller Nabiel zijn muziektalent als een machtig educatiemiddel om de onwetende massa te bewegen tot verzet. Zijn diploma’s behaalde hij in het tijdperk van Saddam Hoessein, toen het islamisme nog niet haar weg had gevonden naar de universiteiten en er meer ruimte was voor westerse invloeden (hoewel er natuurlijk anderszins censuur plaatsvond). De val van Saddam maakte daar een einde aan. Het is voor de jongvolwassen idealist simpel, zoals hij zelf zegt: ‘Als ik je een muziekinstrument geef, maar je kunt er niet op spelen, dan komen er onbegrijpelijke klanken uit. Maar na goed oefenen klinkt het prachtig en samenhangend.’  Ontwikkeling, eruditie en geestelijke groei zijn voor hem de basis van een progressieve cultuur – op westerse leest geschoeid- die uiteindelijk een fijnere en leefbaardere wereld oplevert voor iedereen. Zijn moeder ziet het scherper en repliceert: ‘Mensen zijn geen muziekinstrumenten.’

    De verwesterde opvattingen van een gecultiveerd mens vinden geen aansluiting meer in de leemte van het naoorlogse Irak. Buurtgenoten beletten hem om zijn klassieke muziekstukken te oefenen terwijl islamisten hem zelfs bedreigen en protectiegeld afdwingen. Te midden van deze antiwesterse, anti-intellectuele atmosfeer wordt klassieke muziek eerder als een bedreiging gezien dan als een verrijking. Zelfs zijn ouders zien liever dat hij zijn verzet staakt en in ieder geval niet naar het westen gaat, want daar zijn al talloze andere Iraki’s gestrand in desillusie en teleurstelling

    Werkloos en gefrustreerd trekt Nabiel zich terug in zijn appartement. Het onvermogen om zijn creatieve energie te delen met anderen brengt hem in een geestelijke stilstand. Of doet hem verzanden in neurotisch navelstaren waardoor hij pietluttige observaties intellectualiseert en verzonken raakt in filosofieën en theorieën over ‘het lompenproletariaat’ en ‘de ideale stad’. Of hij zapt langs de vele plastic blondines op pornokanalen, die oogluikend worden toegestaan door de islamisten, omdat er voor de ongelovige actrices andere regels gelden dan voor hun moslimzusters. Het westen lonkt als een mythische plek waar deze ik-verteller intellectuele én fysieke gratificatie denkt te kunnen vinden, anders dan in de verstikkende omgeving van het naoorlogse Irak.

    Ali Bader plaatst twee schurende contradicties in zijn vertelvorm tegenover elkaar. Aan de ene kant existentiële beschrijvingen van alledaagse, ordinaire handelingen als boodschappen doen, een pizza in de oven doen en pornografisch materiaal bekijken. (‘Zijn’.). Aan de andere kant intellectualistische overpeinzingen waarmee het ik-personage probeert zijn eigen leefwereld te kaderen en van betekenis te voorzien. Nabiel is als een eigentijdse Don Quichote, een intellectualistische binnenvetter die grootse hervormingen voor zich ziet, terwijl de banaliteit van zijn eigen leven hem steeds op de feiten drukt en hem wijst op zijn onvermogen om maatschappelijke veranderingen te beïnvloeden.

    Het breekpunt komt als de islamisten Nabiels cello kapotsmijten op de straatstenen. Het wordt tijd voor hem het thuisland te verruilen voor zijn westerse droom.
    Anders dan in veel vluchtelingenverhalen is Nabiels reis naar het westen bijzaak. Geen onmenselijke misère of schrijnende onmenselijkheid, maar een relatief veilige overtocht van een financieel bevoorrechte vluchteling. Ali Bader accentueert de cultuurclash tussen Nabiels hoge sociale positie in Irak tegenover de armoedige volkswijk waar hij zijn nieuwe bestaan opbouwt. En dan blijkt dat het conformisme en de kleinburgerlijkheid waarvoor de Irakees ooit wegvluchtte uit Irak, ook te bestaan in de Brusselse volkswijk waar hij zijn nieuwe bestaan opbouwt. De cyclus van klagende buren en islamistische knokploegen herhaalt zich weer, met nog een andere buitensluitende macht: rechtspopulisme.

    De ik-verteller, Nabiel, is een personage in de traditie van de Bildungsroman, waarin de morele, intellectuele en filosofische verwording van een jonge intellectueel wordt onderzocht. Handelingen van andere personages of verwikkelingen in het plot zijn minder belangrijk; het gaat uiteindelijk om de geestelijke rijping van de hoofdfiguur. Is de westerse cultuur ‘superieur’ omdat het mogelijkheden biedt tot zelfverwezenlijking, zelfontplooiing en individuele vrijheid? Of is die vrijheid een ideaalbeeld voor iemand met zijn achtergrond en gelden de verheven waarden, waar hij voorheen prat op ging, niet meer in een gepolariseerd klimaat van racisme, stigmatisering en uitsluiting?

    Ali Bader geeft geen sluitende antwoorden, maar schetst de identiteitszoektocht van één disharmonisch individu in verschillende maatschappijen. Hij maakt het politieke persoonlijk en het persoonlijke politiek. De wolkenmuzikant (2017) gaat net zo goed over een vermenging van oosterse en westerse ideeën – en de raakvlakken- als over het pijnlijke integratieproces van één jongeman. De kluchtige én tragische Nabiel is een antiheld van deze tijd, waarin het de extremen (islamisme, rechtspopulisme) zijn die dwingen om een kant te kiezen. Zoals de schitterende coverfoto verraadt, waarop het hoofd boven een jongenslichaam bestaat uit een anonimiserende verfvlek, is het een verhaal over iemand wiens eigen gedachtegoed wordt uitgevlakt, vernietigd of verkeerd begrepen. Fijnzinnig en nuancerend legt Bader met deze novelle de pijnpunten bloot waardoor integratie bemoeilijkt wordt door grote maatschappelijke krachten. Het zijn de disharmonische individuen die er uiteindelijk het meeste onder lijden.

     

     

  • Een lekker tussendoortje

    Een lekker tussendoortje

    Jean Echenoz is een Franse auteur die in 1999 voor zijn roman Ik ben weg de Prix Goncourt won. Geen kleine jongen dus. Hij waagde zich eerder, naast romans, verhalenbundels en novellen, aan boeken over bijzondere personen (Maurice Ravel, Emile Zatopek, Nikola Teska). Echenoz wordt gerekend tot de grootste moderne Franse schrijvers.

    De spionne is een soort detective. Soort, want deze roman voldoet niet aan de clichés die bij dit genre horen. Hier geen butler die het gedaan heeft of een massamoordenaar en allerlei gruwelijke details.
    De roman beschrijft hoe Constance, een onschuldige en naïeve jongedame, wordt gekidnapt in opdracht van een oude generaal van de geheime dienst door twee op zijn zachtst gezegd nogal idiote geheim agenten, een soort Jansen en Janssen, de stuntelige detectives uit Kuifje.
    Gedurende de tijd dat ze is gekidnapt moet Constance voorbereid worden voor een geheime missie in Noord-Korea, waar ze een hooggeplaatste Koreaan moet verleiden om hem geheimen te ontfutselen.

    Ruim de helft van het boek gaat over deze voorbereiding. Constance weet absoluut niet waar het allemaal over gaat, maar laat zich de aandacht en de verzorging door Jansen en Janssen geduldig welgevallen: ze geniet er zelfs van en heeft, terwijl ze de kans krijgt, niet de neiging om te ontsnappen.
    Uiteindelijk komt ze in Noord-Korea terecht en in contact met de Koreaan die de geheime dienst op het oog had. Maar door allerhande amateurisme en de archaïsch aandoende methoden van de geheime dienst mislukt de operatie. En dan moet Constance uit Noord-Korea zien weg te komen.

    Je zou bijna gaan denken dat Echenoz moet hebben voorzien dat Noord-Korea zo in het centrum van de belangstelling zou komen te staan. Hij heeft zich heel goed ingelezen over dit geheimzinnige land. Hij beschrijft het land alsof hij er zelf is geweest.

    Hoe moet deze roman gekarakteriseerd worden? Tegenwoordig wordt aan dit soort boeken nogal eens het predikaat ‘literaire thriller’ gegeven. Dat is De spionne zeker niet. Het is een virtuoze en hilarische parodie op een genre dat veel liefhebbers heeft. De vraag is of deze lezers ook van dit boek zullen genieten. Er zitten veel onwaarschijnlijkheden in, waar het schrijfplezier en de humor weliswaar van afspatten, maar die waarschijnlijk niet gewaardeerd zullen worden door de lezers van de traditionele detective. Het is te weinig een puzzel en te veel een demonstratie van: ’Kijk mij eens leuk, humoristisch en virtuoos een boek in elkaar zetten’.

    De verteller in deze roman spreekt regelmatig buiten het verhaal om de lezer aan om allerlei zaken uit te leggen of te verklaren. Dat is leuk, vooral omdat Echenoz daarmee de lol van het schrijven benadrukt en aangeeft dat we alles maar niet al te serieus moeten nemen.
    Echenoz geeft in deze terzijdes ook heel veel en heel vaak informatie over bus-, trein- en metrolijnen, over de departementen in Parijs, over de looptijd tussen twee locaties, wat het tempo en het ritme van de roman niet ten goede komt.

    Zou je deze roman tot ‘de literatuur’ kunnen rekenen? Los van het feit dat niemand nog duidelijk heeft kunnen maken wat dat precies is, is dit boek daarvoor wat teveel uit de losse pols geschreven. Natuurlijk: mix avonturen in een land dat midden in de belangstelling staat met een aantal hilarische avonturen, gooi er een parodieus sausje over, hanteer een inderdaad behoorlijk virtuoze stijl, meng er een scheutje seks, spanning en sensatie (een afgesneden vinger!) doorheen, waarmee je laat zien dat je alle aspecten van het schrijverschap beheerst en je hebt zo’n roman.
    Maar toegegeven: De spionne leest lekker weg en is een heerlijk tussendoortje.