Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Een portret in stukjes

    Een portret in stukjes

    Columns zijn overal: in zo’n beetje alle kranten en tijdschriften in verschillende radioprogramma’s, op aardig wat sites. En dan zijn er nog bijeenkomsten waar columnisten opdraven om, bijvoorbeeld als intermezzo, hun column voor te lezen. Sommige columnisten hebben een eigen vorm (altijd uitgaan van een foto bijvoorbeeld), andere hebben hun eigen onderwerp (nieuwtjes in de wetenschap, jeugdschaak, kantoortaal) en vele hebben hun eigen toon.

    Renske de Greef maakt wekelijks een column voor NRC Handelsblad. Ze schrijft en tekent die. Het is een vorm die bijvoorbeeld ook onze stripmaker des vaderlands, Margreet de Heer, wel hanteert. Het gevolg is dat een strip van De Greef meteen herkenbaar is, door de lettering en de tekeningen: haar mensen hebben altijd grote ogen, wat ze al bij voorbaat iets sympathieks geeft. Er loopt vaak een figuurtje rond dat verwijst naar de ‘ik’ in de columns, waarbij zo’n ik-personage natuurlijk nooit helemaal samenvalt met de auteur, al wordt wel de indruk gewekt dat De Greef vrij dicht bij zichzelf blijft.

    Een aantal columns is nu verzameld in de bundel Waarom ik mensen niet in mootjes hak. De tekeningen hebben meestal een enkele steunkleur. Af en toe worden er meer kleuren gebruikt en regelmatig is er een volledig gekleurde dubbele pagina. Dat ‘leest’ een beetje als het begin van een nieuw hoofdstuk, al is er inhoudelijk geen sprake van hoofdstukken. Toch is een dergelijke segmentering prettig: je krijgt de indruk dat je niet zomaar een ongestructureerde hoeveelheid stukjes voor je hebt.

    Vaak gaat De Greef uit van een waarneming of een vraag. Die overdenkt of onderzoekt ze en vaak komt ze uit op een conclusie of een advies. Ze heeft een zoekende instelling, die veel lezers prettig zullen vinden. Je leeft nu eenmaal gemakkelijker mee met iemand die ook niet meteen weet hoe het zit.

    Daar komt bij dat De Greef zichzelf niet ontziet. Ze brengt ook haar eigen ergernissen, onzekerheden, inconsequenties, onhandigheden en vooroordelen ter sprake. Dat is herkenbaar. Bijvoorbeeld dat het je niet lukt om te bewijzen dat je geen robot bent, omdat je het getoonde woord (de captchacode) niet foutloos kunt overtypen; dat je modieuze zinnetjes die je tegenstaan (‘Hoe leuk is dat?’) toch gaat overnemen; dat het soms lastig is om op een goede manier een feestje te verlaten.

    In haar oordelen kan De Greef af en toe fors zijn. Iets wat ze niet zo leuk vindt, zegt ze te haten of ze vindt het ‘de hel’ of ‘de duivel’. Dat is te pruimen, doordat ze het ook meteen weer ironiseert. Vaak gebeurt dat door ‘belangrijke’ en triviale zaken in dezelfde adem te noemen. Zo staan in een reeks van positieve ontwikkelingen ‘kindersterfte is sinds 1990 bijna gehalveerd’ en ‘hiv/aids is geen dodelijke ziekte meer’ naast ‘Justin Bieber maakt opeens hele mooie muziek’. Het effect is dat De Greef als ze stellig is, altijd ook haar eigen oordeel relativeert, wat je als lezer mild stemt.

    De columns kennen geen vast stramien. Wel beginnen ze vaak met een observatie, waarvan de achtergrond onderzocht wordt. Maar De Greef durft ook radicaal af te wijken: dan geeft ze de lezer een taartpuntdiagram met uitwerking, een blokdiagram, een opsomming (‘De 7 plagen van Netflix’, ‘Zes dieren met hele slechte PR’, ‘6 soorten recensenten’), een bingokaart (Barbecuebingo) of een kwartetspel (‘Het awkward-social-media-momenten-kwartet’). Die afwisseling houdt het boek fris.

    In een column die ook nog plaatjes heeft, kun je niet zoveel informatie kwijt. Dat staat misschien de diepgang in de weg, maar het bevordert de bondigheid. De stukjes hebben een lichte toon en hebben altijd amusementswaarde. En in de beperkte ruimte kan De Greef toch voldoende observaties en inzichten kwijt, die herkenning oproepen of die aanzetten tot mee- of tegendenken.

    Waarom ik mensen niet in mootjes hak geeft vooral een mozaïekbeeld van de wereld van De Greef, een jonge moeder die zich in het heden staande houdt, fietsend door het verkeer (met al die duiven op het fietspad). Ze hoeft niet te googlen wat of wie een ‘big green egg’, Ottolenghi, of Peter Andre is en ze moet zich verhouden tot alles wat er op haar af komt en doet dat tegelijkertijd zorgelijk en blijmoedig. Het is een leuk, maar ook een mooi portret geworden.

     

  • Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

    Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

    Het openingsgedicht van de debuutbundel Binnenplaats staat als een rode vlag apart, nog voordat de eigenlijke bundel begint. Een gedicht dat volgens de informatie op de persoonlijke website van de dichter vertelt over het moment waarop zijn vrouw een zware hartaanval kreeg. Het hart dat op de omslag afgebeeld staat, verwijst daar naar. De onmacht en de ontreddering van de dichter worden weergegeven in de ontoereikendheid van de taal op dat ogenblik: ‘daar 112′ de ik de taal die ik nog had’. Het besef hiervan bepaalt voor een groot gedeelte de sfeer en de inhoud van de rest van de gedichten.

    De titel van de bundel roept het beeld op van een omsloten plek, als van een gevangenis of een klooster. Maar het is zijn eigen besloten, innerlijke wereld van waaruit de dichter spreekt en waarmee hij zijn gedachten ontsluit voor een toegesproken ‘Jij’. Het enige woord in de hele bundel met een hoofdletter, zo kan de lezer zelf uitmaken of hij zich richt tot de lezer, een geliefde, de dood, tot God of misschien wel tot zichzelf. Ook de dichter zelf schijnt hierover in het onzekere te verkeren: in bijna elk gedicht wordt een vraag gesteld die een nieuw licht werpt op de identiteit van die ‘Jij’ en de mystieke verhouding van de dichter tot deze onbekende. Die verschillende schakeringen leveren mooie beelden op:

    ‘[…]
    al geef ik Je een plaats in dit

    gedicht, al geef ik Je een naam,
    Je blijft een vraag waarop ik

    van mijn tenen tot mijn kruin
    een antwoord schuldig blijf.’

    In het tweede deel Meer dan aan elkaar wordt de binnenplaats verlaten en wordt de buitenwereld verkend. De gedichten hebben een ander als onderwerp, van Tom Waits en Karl Marx tot aan Werner Herzog. Heel bijzonder is het gedicht Dode hond over de broer van de dichter, waar in een ontroerende wisseling van perspectief een eiland, een hond en de broer onderling van plaats en betekenis ruilen.

    Baars maakte ook een vertaling van zes gedichten van de priester jezuïet Gerard Manley Hopkins, de Sonnets of desolation, ook wel de ‘Terrible sonnets’ genoemd, die hij de titel gaf: ‘Waar ik niet heen wil gaan.’ Jammer dat de oorspronkelijke sonnetten ontbreken, omdat nu niet na te gaan is in welke bewoordingen Baars de moeilijke taal van Hopkins heeft omgezet. De gedichten zijn niet erg toegankelijk en vormen een vreemd element in deze bundel, tenzij Baars nogmaals de taal als een vervreemdend element heeft willen opvoeren; die niet bij machte is om gevoelens werkelijk uit te drukken.

    De laatste afdeling, Het dal van Spoleto, roept meteen de gedachte aan de heilige Franciscus van Assisi op, die volgens de legende preekte tot een groep vogels die aandachtig naar hem luisterde. Toen hij nog een ridder was en wilde deelnemen aan een gevecht tegen Apulië, kreeg hij in Spoleto een droom waarin hem opgedragen werd naar Assisi terug te keren en de wapens neer te leggen.

    In elk gedicht spreekt Baars een vogel toe: het eerste gedicht begint met de betekenisdragende regel: ‘o kraai, wat doe je in mijn binnenplaats? ‘ De dichter wijst de kraai erop dat zijn verschijnen onheil voorspelt:

    weet je dan niet

    waarvan je vehikel bent,
    zo diep in mijn cultuurgenoom

    verankerd, dat het mijn ratio omzeilt
    en in mijn lichaam haakt

    dat ik hier na het ziekenhuis-
    bezoek te ruste heb gelegd.

    Ik wil jou niet in mijn betekenis-
    geneigde brein, dat moet geloven

    dat ze thuiskomt, dat ze

    net zo onsymbolisch blijft
    als jij voor mij moet zijn.

    Nog twaalf andere vogels worden toegesproken die zich allen toegang verschaffen tot de binnenplaats van de dichter: zwanen en uilen, roodborstjes en mussen en nog andere, maar geen van de gedichten aan hen gewijd is zo bezwerend als deze. Ze lijken lichter van toon en voor het eerst valt er ook humor te bespeuren. Het is een aantrekkelijk en speels geheel van goed gevonden gedachten die consequent zijn volgehouden als preek tot de vogels.
    Het laatste gedicht, dat evenals het eerste buiten de bundel staat, heeft als steeds terugkerende versregel ‘met jou beginnen.’ als een refrein. Met zijn hoopvolle tendens een mooie afsluiting van deze bundel.

    Joost Baars is met zijn debuutbundel zeer terecht genomineerd voor de VSB-poëzieprijs van 2018. De gedichten zijn overdacht en nauwkeurig opgeschreven, maar nergens doen ze gemaakt aan. Baars toont zich kwetsbaar, durft persoonlijk te zijn, diepe emoties te laten zien en kan deze uitdrukken in weloverwogen zinnen met originele beelden. Hier is iemand aan het woord die het vak van dichter verstaat.

     

     

     

  • Een aaneenschakeling van mislukkingen?

    Een aaneenschakeling van mislukkingen?

    Oneerbiedig gezegd lijkt de foto van persbureau Reuters die Marjo Starink voor het omslag van het laatste deel van Els van Diggeles drieluik over het ‘Heilige land’ gebruikte op Jan Klaassen en Katrijn: een man en een vrouw, uitgelicht als de twee personages in een poppenkast. In dit geval een kijvende vrouw met hoofddoek en een stoïcijns ogende Israëlische soldaat met helm. En dat terwijl het derde deel van de trilogie daar helemaal niet over gaat. De ondertitel luidt immers: ‘tweedracht in de Palestijnse maatschappij’; er is dus sprake van verdeeldheid tussen Palestijnen onderling. Heilige ruzies, het tweede deel van de trilogie, ging over verdeeldheid tussen christenen in Israël en het eerste, Een volk dat alleen woont, over joodse identiteit. De delen vullen elkaar aan, maar zijn los van elkaar te lezen.

    Broederstrijd
    Els van Diggele, historica en journaliste, woonde een jaar lang in Ramallah te midden van wat de een onafhankelijk denkende mensen noemt, en de ander Palestijnse dissidenten. In We haten elkaar meer dan de Joden laat zij een groot aantal van hen aan het woord over de broederstrijd die heerst tussen de Palestijnen en plaatst zij hun verhalen in de context van de geschiedenis van het gebied, vanaf de Arabische opstand (1936-1939), de eerste Intifada (1987-1993) tot de burgeroorlog tussen Fatah en Hamas. Met deze burgeroorlog, tien jaar geleden, is volgens Van Diggele de deur naar een onafhankelijke Palestijnse staat dichtgeslagen.
    Eerst schetst zij de achtergronden, bijvoorbeeld over de eerste Intifada of de burgeroorlog tussen Fatah en Hamas, en daarop laat ze de interviews volgen.

    Wat uit deze schetsen, maar ook uit de uitspraken van de dissidenten in de interviews blijkt, is dat de twist tussen de Palestijnen onderling niet wezenlijk afwijkt van onenigheid elders. Een omschrijving als: ‘Waar in elk dal een eigen dialect wordt gesproken, en waar het ene dorp met het andere botste, om de oogst, een stuk grond of om de macht’ doet onwillekeurig ook denken aan Italiaanse steden die in oude tijden streden om de hoogste toren en de machtigste families.
    Wat niet wil zeggen dat elke vergelijking is geoorloofd. Wanneer Van Diggele in een gesprek het feit memoreert dat moefti al-Hoesseinie in 1943 als eregast verschillende vernietigingskampen in Duitsland bezocht, wordt haar te verstaan gegeven dat ze zich moest schamen dit op te rakelen ten tijde van de onderdrukking van Palestijnen door joden. Maar ook hier geldt: de verdeeldheid over wat de moefti voorstond is groot onder de Palestijnen, net als die tussen de aanhangers van Fatah of Hamas en tussen de radicaliserende gevangenen in de Palestijnse gebieden en degenen die een westers georiënteerde, vrije samenleving voorstaan. Tayseer Aroeri, de leider van de eerste Intifada, vindt zelfs dat ‘in weerwil van alles het toen beter was dan leven onder de Palestijnse leiders van het ogenblik.’

    Zelfkritiek
    De tweedracht waarover dit boek gaat, komt het duidelijkst naar voren in de hoofdstukken waarin het gaat over Fatah en Hamas. Meerdere keren wordt gezegd dat Arafat eigenlijk schuld aan alles heeft. Of zoals Rawa al-Sjawa, een grande dame van de Palestijnse politiek – in Nederland minder bekend dan Hanan Ashrawi – het in een interview met Van Diggele zegt: ‘Geweld op straat, foltering van leden van Hamas, vriendjespolitiek, censuur, een monopolie op de invoer van gas, benzine, bouwmaterialen en tabak, arrestaties van journalisten en universitair docenten.’ Allemaal aanklachten tegen Arafat. Ghazi Hamad, die zowel in de Israëlische als de Palestijnse gevangenis zat, zegt dat ‘we gewoon eens in de spiegel moeten kijken en onze eigen fouten toegeven. We geven altijd dezelfde pasklare antwoorden. Alles komt altijd door de bezetting.’

    Geen perspectief?
    Van Diggele laat niet na kritische vragen te stellen. Een enkele keer legt ze de antwoorden – zoals die over vrouwenrechten, waarover ze Asma el-Ghael, activiste van We care for women aan het woord laat – daarop voor aan een andere gesprekspartner. Haar handelswijze is tekenend voor de situatie waarin nauwelijks sprake is van onderling contact tussen bevolkingsgroepen.
    In het slothoofdstuk voor de Epiloog (Slotkoor) wilde ze de geïnterviewde zelfs niet meer in de rede vallen, opdat hun stemmen een harmonieus geheel kunnen vormen, harmonieuzer dan de veelstemmigheid en de tweedracht in de voorgaande hoofdstukken. In dit Slotkoor gaat het om verhalen die allemaal gaan over hoop, over de andere, derde weg van Salam Fayyad, die de bezetting door Israël als een gegeven ziet. Het is dit hoofdstuk dat licht geeft, na de misschien wat teveel aan interviews die een en al somberheid ademen en een primair negatieve blik op de toekomst van de Palestijnen. Het woord wordt onder meer gegund aan de directeur van de Internationale Palestijnse Kunstacademie die het voor elkaar kreeg om van het Van Abbemuseum in Eindhoven Picasso’s Buste de femme te lenen, een mooi voorbeeld van hoe de hoop door kunst levend wordt gehouden.

    Met dit hoofdstuk had het boek wat mij betreft mogen eindigen. Nu komt er nog een Epiloog achteraan waarin Van Diggele de conclusie trekt dat de in de 240 pagina’s ervoor beschreven tweedracht volgens sommige gesprekspartners de voornaamste reden is van het feit dat er nog geen onafhankelijke Palestijnse staat is. Het is een oordeel, dat het gezaghebbende én hoopvolle ontbeert van iemand als de filosoof en schrijver Avishai Margalit, die ook met Palestijnen sprak. Ook hierom bevredigt haar overigens moedige onderneming helaas niet helemaal.

  • Verlangen in vele variaties

    Verlangen in vele variaties

    Binnenkort gaat de verfilming van het alom geprezen Noem me bij je naam van de New Yorkse auteur André Aciman in première. Het boek gaat over de onweerstaanbare aantrekkingskracht tussen twee jongens die leidt tot een passionele zomer waaraan ze de rest van hun leven met nostalgie terugdenken. In zijn nieuwe roman Het raadsel van de liefde bouwt Aciman voort op het thema dat hij gestart is in Noem me bij je naam. De zoektocht naar het verlangen komt de hele tijd boven drijven en wordt op verschillende manieren aan de lezer onthuld. Het Proustiaanse van À la recherche du temps perdu steekt zeker de kop op.
    Het raadsel van de liefde is een verhaal vol melancholie, nostalgie en onbeantwoorde verlangens. De Engelse titel Enigma variations slaat de spijker op de kop: als lezer word je blootgesteld aan verschillende variaties van het mysterie dat verlangen heet. Aciman ontleende de titel aan het gelijknamige werk van de Britse componist Edward Elgar die in veertien variaties een vriend beschreef. Aciman probeert, net als Elgar, het onbeschrijfbare gevoel van de liefde te beschrijven via variaties op het thema. Op een muzikale manier, met soms lange, maar fantastisch gebouwde zinnen schept hij een aandoenlijke melodie over de liefde en het leven.

    Aciman schrijft geen chronologisch geordend verhaal, maar toont flarden uit het leven van New Yorker Paul. Je kan het bijna een verhalenbundel noemen, waarin het hoofdpersonage en het thema de rode draad vormen. Het raadsel van de liefde mag je ook letterlijk nemen, want Paul (en de lezer) wordt er constant mee geconfronteerd.

    André Aciman confronteert de lezer meteen met een mysterie. Het hoofdpersonage keert terug naar het Italiaanse kustplaatsje waar hij zijn jeugd doorbracht. De openingszin luidt: ‘Ik ben teruggekomen vanwege hem.’ Dat roept onmiddellijk de vraag op: naar wie verwijst ‘hem’? Zijn vader? Een vriend? Zijn verloren jeugd?
    Langzaam ontspint zich het relaas van een eerste (onbeantwoorde) liefde. Als twaalfjarige wordt Paul halsoverkop verliefd op Nanni, de timmerman die de meubels van zijn ouders restaureert. Hij probeert zijn grenzeloze verlangen onder controle te houden en zoekt naar respons bij de tien jaar oudere meubelmaker. Uit de manier waarop Nanni beschreven wordt, spreekt Pauls onweerstaanbare drang naar een fysieke vereniging, waar hij ook bij elke ontmoeting naar hunkert. Nanni weet wat er gebeurt: ‘Je moet mensen zo niet aanstaren…Gedraag je, Paolo, en ga naar huis.’ Paul is hiervan kapot, voelt zich vernederd, maar blijft hunkeren. Geleidelijk aan ontdekken we het ware geheim van Nanni en zijn afwijzing.

    Getekend door het verleden vinden we de volwassen Paul zoveel jaar later getrouwd terug in New York. Verhard en gedreven door woede en achterdocht is hij ervan overtuigd dat zijn vrouw vreemdgaat. Alle signalen wijzen die kant op, en toch miskijkt hij zich op de enige echte waarheid, die in hemzelf verscholen ligt.
    Het derde deel van Het raadsel van de liefde is een beschrijving van het puur zinnelijke verlangen naar de ander. Manfred, een Duitse leraar, die samen met hem tennist, is het object. De manier waarop Aciman hier opwinding en verlangen beschrijft, is onnavolgbaar en beklijvend. Pure passie spat van de pagina’s en blijft nazinderen in je hoofd.
    Daarna volgt een relaas van afstoting en aantrekking, waarbij Chloé met wie hij om de vier jaar een passionele seksuele relatie heeft die opflakkert en weer sterft, het onderwerp van zijn verlangen is.
    Het laatste deel beschrijft zijn relatie met jonge schrijfster Heidi. De vele afspraakjes in hun cafeetje op Abingdon Square scheppen hoge verwachtingen. De hunkering laait torenhoog op, maar leidt uiteindelijk tot een vriendelijk, maar knagend afscheid: ‘Misschien is wat wij willen nog niet uitgevonden.’

    Het boek lijkt op het eerste gezicht wanhoop uit te stralen, maar niets is minder waar. De mens droomt, verlangt, hunkert en soms wordt dit beloond, maar even vaak wordt hij bedrogen door zijn dromen. Ondertussen beleeft hij wel pijnlijk plezier aan de hunkering, het verlangen en alle taferelen die zich in zijn hoofd hebben afgespeeld. De fantasieën over de liefde winnen het hier van de realiteit van de liefde. Aciman neemt de lezer dankzij zijn zeer meeslepende stijl van begin tot einde mee in zijn hunkering, verlangen en schaamteloze lust. De mens blijft eeuwig op zoek naar de liefde, nieuwe ontmoetingen leiden soms tot vreemde kronkels en verlangens: Aciman lijkt alle kwaliteiten te bezitten om deze soms pijnlijke en knagende emoties op een rake en juiste manier weer te geven.

  • Biografie Herman de Coninck gedicteerd door De Coninck zelf

    Biografie Herman de Coninck gedicteerd door De Coninck zelf

    Twintig jaar geleden overleed Herman de Coninck geheel onverwacht op 53-jarige leeftijd. Op dat moment was hij vooral in Vlaanderen een veelgelezen dichter, prozaïst en criticus. Zijn door Van Oorschot en Arbeiderspers uitgegeven poëzie bevat geen grote woorden. Onderkoeld uit hij persoonlijke, vaak pijnlijke ervaringen in zijn leven en zijn visie op de maatschappij. Behalve als dichter en schrijver van verhalen maakte hij naam als journalist en tijdschriftleider. Zijn grote trots was het door hem in 1983 opgerichte en geredigeerde Nieuw Wereldtijdschrift, wat  echter nooit geworden is wat de Coninck zich er van voorgesteld had; een cultureel medium dat tot in alle uithoeken van het Nederlands taalgebied zou worden gelezen.

    Het leven van deze keiharde en alcoholische werker vol ambities is getekend door succes en tegenslagen. Zijn vrouwen uit drie huwelijken hadden het er moeilijk mee dat hij ’s nachts schreef en ook overdag nauwelijks aan hen ‘toekwam’. En dan was er zijn geliefde moeder die zijn vrijmoedige schrijverij en alles daaromheen wantrouwde. Op de achtergrond een jonggestorven vader. Een pedofiel die zijn eigen kinderen met geen vinger aanraakte maar die bij tijd en wijle verdween om, zoals zij later pas begrepen, een straf uit te zitten.

    Omgekeerde biografie
    Het boek van de Vlaamse dichter, samengesteld door Thomas Eyskens, geeft op elke bladzijde een stukje prijs van de levensgeschiedenis. Toen met een lijst van nu errond is bedoeld als de biografie van De Coninck maar anders dan je gewend bent van een biografie: de geportretteerde is aanhoudend zelf aan het woord of een ander over hem.
    De biograaf, als hij zo genoemd kan worden op grond van deze opzet, heeft ondanks de overvloed aan citaten een interessant boek afgeleverd. Het laat de lezer meeleven met de opgroeiende De Coninck in en rond de (katholieke) boekwinkel van zijn ouders in Mechelen. Met de student Germaanse filologie in Leuven, zijn ontwakend dichterschap en zijn publicaties nog vóór zijn twintigste in Vlaamse literaire tijdschriften. Met de geleidelijk doorbrekende literator in België en later ook in Nederland.

    Heet van de naald
    In de ‘Proloog’ zet Thomas Eyskens zijn methode uiteen: een verhaal presenteren met door hem aangebrachte hoofdlijnen zoals de literaire en journalistieke ontwikkeling van de hoofdfiguur en de vrouwen die zijn pad kruisten.
    Het leven van Herman de Coninck wordt aldus heet van de naald verteld waardoor het verleden heden wordt. De biograaf en verzamelaar van materiaal laat zich als schrijver slechts zien in zinnen die lappen tekst van de ander verbindt. De biograaf als lijstenmaker, zo ziet Eyskens zichzelf in zijn voorwoord, als een schrijver die wat anderen hebben geschreven van een kader voorziet.

    Vlaams
    Zelfs de titel Toen met een lijst van nu errond is aan (een gedicht van) De Coninck ontleend en betekent: ‘Het verleden met een lijst van nu eromheen’. Soortgelijke woorden als ‘errond’ in Eyskens’ schaarse tekstgedeelten stuiten tegen de borst. Op school doubleren is ‘dubbelen’ en op de voorgrond treden ‘zich in de verf zetten’. Dat De Coninck ‘errond’ schrijft, al of niet als dichter, wil niet zeggen dat óók een voor een Nederlands publiek schrijvende biograaf zich zo uitdrukt. Het werkt storend wanneer Vlaamse taal gebezigd wordt in secundaire werken, bijvoorbeeld in monografieën van Vlaamse schrijvers of dichters. Je vraagt je af waarom een Noord Nederlandse uitgeverij de Vlaamse woorden van de biograaf heeft laten staan. Voor de ‘Couleur locale’ misstaan ze in een scheppend werk beslist niet en zelfs onmisbaar als exponent van de persoonlijkheid van de schrijver of dichter als Hugo Claus en natuurlijk ook van De Coninck zelf.

    Biograaf treedt teveel op voorgrond
    Of de titel geciteerde titel de kern raakt van het boek over de Coninck is overigens twijfelachtig. ‘Een leven voor de literatuur’ zou bijvoorbeeld  beter zijn geweest, alleen al omdat zo’n titel de maker van het boek uit het centrum plaatst zoals hij zelf in zijn proloog zegt na te streven.
    Eveneens twijfelachtig is Eyskens’ uitspraak over het aanbrengen van ‘hoofdlijnen’. Zijn boek maakt toch vooral de indruk van een etalage waarin een totale voorraad is uitgestald. Van de etaleur geen spoor. ‘Ik heb lang getwijfeld,’ verklaart Eyskens in zijn inleiding, ‘om mezelf in het verhaal op te nemen, maar ben daar uiteindelijk van afgestapt.’ Een zin die na kritische lezing moet betekenen dat de samensteller van het boek niet meer twijfelt en zichzelf juist niet onzichtbaar maakt. Op de geciteerde zin volgt dan wat eigenlijk bedoeld moet zijn: ‘Door de keuzes die ik gemaakt heb ben ik voortdurend in de tussenruimte aanwezig.’

    Overdaad
    Wanneer Toen met een lijst van nu errond een andere titel had gehad en het boek in de serie Privé-Domein was uitgebracht (en dus niet in Open-Domein, de biografiereeks van De Arbeiderspers) zou het geen vreemde eend in de bijt zijn geweest. Onder de vlag van Privé-Domein zou het boek er in de huidige versie trouwens niet helemaal mee door kunnen. Er zou in de ellenlange citaten uit de journalistieke stukken van De Coninck in gesnoeid moeten worden. Zulke overdaad haalt in Toen met een lijst van nu errond de vaart uit het verhaal. Gelukkig staan daar vele bladzijden tegenover van goede vertellers. Zodra Eyskens zelf uit de kast komt laat hij geen kritisch geluid horen. Hij laat zijn zegslieden op de loop gaan en zo presenteert hij een heiligenbeeld waarin hij zichzelf als biograaf te kijk zet.

     

    Zie hier een filmpje van Herman de Coninck uit 1979.

     

  • De dreiging van het duister

    De dreiging van het duister

    De graphic novel Wol van Aart Taminiau geeft al bij de eerste keer doorbladeren een fraaie aanblik: een kloek, gebonden boek met fijne pentekeningen. Bij dat doorbladeren valt ook op dat de rechterkant van elke dubbele bladzijde een zwarte achtergrond heeft. Ook de tekeningen zijn in dat gedeelte donker. In de loop van het boek neemt het zwart een steeds groter deel van de pagina in beslag.

    Het verhaal behelst de nadagen van de Van Mergaerts, een aanzienlijke familie in Tilburg, die een positie heeft in de wolhandel. Zoals de pater familias in het boek zegt tijdens een toespraak: ‘Onze familie is het bedrijf en het bedrijf is onze familie.’
    De wol komt van een schapensoort met een zwarte kop, de Scottish Blackface. Dat geeft de Van Mergaerts een voorsprong. En als op dat moment (we bevinden ons in de industriële revolutie) er een machtige machine in gebruik wordt genomen, de zogeheten totaalmachine, is het optimisme enorm.

    We kijken als lezer mee met neef Alphons, die terugkeert in de familie. Zijn vader heeft met de familie gebroken en als Alphons terugkeert, stapt hij vanuit het duister in het licht. Maar zo licht blijkt de oude en tegelijkertijd nieuwe omgeving niet te zijn.
    De totaalmachine wordt met veel tamtam in gebruik genomen, maar de tekeningen van het binnenste van de machine bevinden zich steeds in het donkere gedeelte van de bladzijde. Van daaruit wordt het donkere deel al snel groter.

    Het spel met licht en donker speelt Taminiau geraffineerd. Hoe duister de tekeningen in het donkere gedeelte ook zijn, Taminiau is wel blijven tekenen met zijn pennetje. Hij gebruikt niet een penseel om zwarte vlakken aan te brengen, maar beperkt zich tot dichter wordende arceringen. De zwarte randen om de kaders bepalen voor een groot deel het zwarte van die passages.
    Soms, zoals bij een kerstspel in familiekring, wordt zowel de witte als de zwarte kant getoond. De lichte kant is wat de toeschouwer in de zaal ziet, de donkere kant is dat wat er achter de schermen gebeurt. Zo krijgt de lezer mee dat licht en donker niet streng gescheiden werelden zijn, maar twee kanten van dezelfde gebeurtenis.
    De engel in het kerstspel zegt ‘Ik ben het licht!’ maar de lezer ziet dan toch voornamelijk het donker. Aan het eind van het boek is er nog maar een smalle kolom licht, die bestaat uit meneer Byttebier, die wellicht de zaak wil overnemen. Het lijkt voor de familie de laatste mogelijkheid om aan het duister te ontsnappen.

    De mogelijke ondergang van de familie wordt mooi voorbereid in Wol. Zo is er een kudde schapen die zich in de afgrond stort. Als de oude Sien in het donker de trap afstommelt, komt ook zij ten val. Die val zal haar dood betekenen. In het donkere gedeelte van de bladzijde, zien we op dat moment dat een kudde schapen een smak op de trap maakt, zodanig dat de treden versplinteren. Daarmee krijgt de val van Sien een symbolische lading. Misschien is zij het eerste schaap uit de familie dat ten val komt en zal de rest volgen.

    Door de techniek die Taminiau gebruikt, maakt Wol een klassieke en misschien wel wat ouderwetse indruk, wat prima past bij onderwerp dat centraal staat. Bij nadere beschouwing heeft Taminiau niet alleen een realistische manier van tekenen. Hij vertekent ook. Als Alphons een trap op loopt, wordt die als immens getekend, waarbij Alphons nietig oogt. Je voelt bijna de moeite die het Alphons kost om boven te komen en die moeite zal niet alleen lichamelijk zijn, maar ook mentaal. In het donkere gedeelte ernaast zijn er alleen maar tekeningen van trappen en lege ruimten, alles even duister.

    Aart Taminiau heeft met Wol een fraaie, gelaagde roman getekend en geschreven, die best wat van de lezer vraagt. Op verschillende pagina’s moet je je afvragen hoe je ze moet lezen en ook wat de betekenis is van wat je leest.

    Onmiskenbaar is de neergang van de familie en het besef wat het betekent om lid te zijn van zo’n familie waaraan je nauwelijks kunt ontkomen. De lezer identificeert zich met neef Alphons, die probeert zijn eigen weg te gaan, maar die ook een Van Mergaerts is en dus deel uitmaakt van het familieverhaal. Doordat wij als lezer meeleven met Alphons, worden wij bijna verre nazaten en ontkomen we niet aan het drukkende van het verhaal, met nog dat kleine streepje licht aan het eind. Dat maakt het draaglijk en opgelucht en bewonderend kunnen we het boek dichtslaan.

     

  • Het licht gaat uit

    Het licht gaat uit

    Dit is een adembenemende, mooi geschreven, melancholieke roman over John Mitchell. Hij is directeur van het immigratiecentrum op Ellis Island, New York.
    Wanneer de politici besluiten het immigratiecentrum in 1954 te sluiten, besluit hij tot het laatst te blijven. In de week voor de sluiting leest hij in zijn dagboek en kijkt terug op zijn leven, op zijn langdurig verblijf op het eiland en haalt hij herinneringen op aan enkele immigranten. Zo kan hij Nella Casarini, een immigrante uit Sardinië maar niet vergeten.

    De feiten
    Toen de Franse schrijfster Gaëlle Josse in 2012 een bezoek bracht aan New York, ging zij ook naar Ellis Island. Dat was, met name in de eerste helft van de 20e eeuw, de plek waar immigranten per boot arriveerden, in de hoop op een verblijfsvergunning. In die periode meldden zich 12 miljoen mensen, 2% ervan werd de toegang geweigerd.
    Het immigratiecentrum werd op 29 november 1954 gesloten. Het is nu een museum, gewijd aan de nagedachtenis van al die immigranten.
    Josse werd, mede door de associatie met de huidige vluchtelingencrisis door emoties overmand. Zij besloot over dit onderwerp een roman te schrijven.

    John Mitchell
    De belangrijkste personages in het boek zijn fictief, ook John Mitchell. Maar door hem als hoofdpersoon te nemen, weet Josse van het leven op Ellis Island een treffend beeld te schetsen. Iedere immigrant heeft hoop te mogen blijven en de dilemma’s in de besluitvorming weet ze overtuigend te benoemen. Ook in de beschrijving van de emoties die bij dergelijke besluiten passen en waaraan Mitchell uiting geeft, weet ze de lezer mee te slepen. Het gevoelsleven van Mitchell, de strijd die hij moet voeren tussen het handhaven van de regels en de compassie die hij voelt met de vele immigranten, de keuzes die hij maakt en de worsteling met de gevolgen ervan, maken hem menselijk. Josse weet dit zo mooi te verwoorden dat je als lezer steeds meer sympathie gaat voelen voor Mitchell. Hij is zo begaan met het lot van de immigranten en hij raakt zo verknocht aan het eiland dat hij alle promoties afwijst die hij van de federale autoriteiten krijgt aangeboden: hij wil tot het einde op het eiland blijven. Waarom? Het eiland heeft zijn leven opgeslokt. Hij heeft er zoveel meegemaakt, dat hij zich geen ander leven kan voorstellen. Ook is zijn vrouw, die als verpleegster in het immigratiecentrum werkte – op jonge leeftijd op Ellis Island gestorven aan tyfus en daar begraven. Mitchell bezoekt nog iedere dag haar graf.

    Nella
    Zijn verliefdheid op de eerder genoemde Nella leidt tot gedragingen waar hij zich later enorm schuldig over voelt. Ook voelt hij zich verantwoordelijk voor wat er met haar broer gebeurt. Die is geestelijk gehandicapt en wordt daarom van zijn zus gescheiden. Mitchells hulp komt te laat. Hij zoekt maar vindt geen gelegenheid om zich tegenover Nella te verontschuldigen; zijn misdragingen blijven hem zijn hele leven kwellen. Hij probeert haar later in de VS terug te vinden, maar slaagt daar niet in.
    Mitchell beschrijft nog enkele voorvallen met immigranten waarin hij uit compassie de regels heeft overtreden. Wroeging daarover in het ene geval, een gevoel van rechtvaardigheid in het andere geval maken van Mitchell geen kampbewaarder, maar een authentiek mens.

    Hij vreest de dag dat hij moet vertrekken, ziet er tegenop terug te moeten keren naar Manhattan.
    Alles wat ik dacht te hebben bereikt is in rook opgegaan. Over een paar dagen zal ik hebben afgedaan met dit eiland dat mijn leven heeft opgeslokt. Afgedaan met dit eiland waarvan ik de laatste bewaarder en de laatste gevangene ben. Afgedaan met dit eiland, hoewel ik van de rest van de wereld vrijwel niets weet. Ik neem alleen maar twee valiezen en wat schamele meubelen mee. En koffers vol herinneringen. Mijn leven.’

    Zijn laatste daad op het eiland is dat hij letterlijk het licht uit doet; hij draait het peertje uit de fitting.

    Waardering
    Josse heeft een prachtige roman geschreven, werkelijk een pareltje.
    Hoewel het fictie is, is deze roman op feiten gebaseerd en met die feiten heeft de auteur de omgang van de Amerikaanse samenleving met immigranten uit Europa tot leven weten te wekken. Een onderwerp dat nog niets aan actualiteit heeft ingeboet. Door te kiezen voor het vertelperspectief van de directeur is het een persoonlijk verhaal geworden, heel invoelbaar.

     

  • Intrigerende roman van Yusuf Atilgan

    Intrigerende roman van Yusuf Atilgan

    Een mooie vrouw meldt zich bij de balie van een pension, slaapt er één nacht en komt nooit meer terug, ondanks het feit dat ze dat wel had toegezegd. Zebercet is de uitbater van dat pension, dat in een landelijk gebied in Turkije ligt. Langzaam maar zeker raakt hij (seksueel) geobsedeerd door de vrouw, terwijl hij maar een enkel woord met haar gewisseld lijkt te hebben. Het is haar verschijning en het mysterie van haar verdwijning die de naamloze vrouw bij wijze van spreken tot één van de hoofdpersonen van het boek maakt.

    De Turkse schrijver Yusuf Atilgan is nog niet zo bekend in Nederland. Voor het eerst is Hotel Moederland (Atilgans tweede roman) in het Nederlands vertaald. Atilgan verwijst uitgebreid maar tegelijkertijd impliciet naar belangrijke historische gebeurtenissen in de geschiedenis van Turkije. Dat is op zich geen punt, maar feit is dat zaken pas op hun plaats vallen na lezing van het nawoord. Voor de argeloze lezer is het nawoord dan ook echt nodig. Misschien was het opnemen van een annotatie over de (historische) werkelijkheid hier en daar beter geweest, voor een wat beter begrip van de tekst tijdens het lezen.

    Het lezen en begrijpen van Atilgan is immers al moeilijk genoeg. Hij beschrijft Zebercets obsessie namelijk door middel van een zeer lange monologue intérieur. Regelmatig worden gedachten ogenschijnlijk willekeurig onderbroken door andere associatieve gedachten van hemzelf of een nietszeggende conversatie met een van de steeds schaarser wordende gasten in het pension. De meeste, of misschien wel enige, interactie heeft hij dus met zichzelf.

    Zijn gedachten zijn soms onlogisch en daardoor lastig te volgen, maar dat doet niet af aan hun zeggingskracht. De associaties en gedachtesprongen die een mens maakt volgen nu eenmaal ook niet altijd logisch op elkaar. Herinneringen, gedachten en associaties buitelen doorgaans over elkaar heen. Atilgan verwerkt dat tot tekst waardoor de lezer ook echt wordt meegevoerd in de gedachtestroom en er in zekere zin deel van wordt.

    Zijn obsessie met de mysterieuze vrouw tekent de grote eenzaamheid van Zebercet. Hij is alleen en heeft niemand om mee te praten. Wie eenzaam is, kan zich verliezen in een sprankje hoop op minder eenzaamheid, zo lijkt Atilgan te willen vertellen.

    Wanneer zelfs het professionele contact van de Zebercet begint af te kalven worden zijn gedachten steeds meer gefragmenteerd. Dat geeft Atilgan weer door de interpunctie weg te laten en een schuingedrukt lettertype te gebruiken. Daarmee geeft hij flarden van gesprekken, herinneringen en dromen.

    Al met al is Hotel Moederland een zeer knap geschreven, ontregelende roman over eenzaamheid en obsessies. De originele weergave van gedachten en gevoelens en vooral het dramatische einde laten de lezer niet onberoerd achter.

     

     

  • Natuur als bron van inspiratie

    Natuur als bron van inspiratie

    Geen idee wat een ‘tier’ is – laat staan een loeiende. De aldus getitelde bundel overtuigt zodanig, dat de vraag wat een tier eigenlijk is futiel wordt. Het ritme van de gedichten, de beelden, taal en vorm: het klopt en klotst en kolkt alles tezamen. Maar een blik in het woordenboek voegt natuurlijk toch iets toe: ‘tier’ is een Zuid-Nederlands woord voor een schreeuw of gil. Ook wordt er zoiets als groei mee aangeduid (vgl. de zegswijze welig tieren). Heel toepasselijk, want veel wat in deze gedichtenbundel passeert groeit – en nog welig ook. Een geheel vormen de gedichten niet zozeer, samenhang vertonen ze wel. Bijvoorbeeld omdat in vrijwel elk gedicht wind en water voorkomen. Of boten waarmee gevaren kan worden. En anders is er wel een combi van zand, strand, wolken en zonlicht. Een voorbeeld:

    ‘Diepgaand, onpeilbaar’

    Een dansende zeebeer,
    gele koraalvlinders onder water.

    Hielspoor, teengeruis,
    plasmapolka hoezeer.

    De storm en het onttoverde uur.
    Het kadaver van een rafelvis.

    De zoute wind schroeit mei-
    doorns in grillige vormen.

    De veelvoudigheid vergeten
    in de spiegel van herinneringen.  

    In hemelsnaam wat verklaart
    de aardse kleurendoos?

    De natuur is overduidelijk een bron van inspiratie, maar poëzie van het kleine sentiment schrijft Van Tongele bepaald niet. Daarvoor zijn deze gedichten te abstract, te weids van gebaar, te impressionistisch van taal. En toch past in dit mozaïek dan onverwacht wel weer een familiair-verhalend tafereeltje, dat zich afspeelt tussen zeedijk en branding, met emmertje, vormpjes en schepjes als rekwisieten. Het heet ‘De lichtmythe doorverteld’:

    Op de zeedijk uitgelaten de zonnestaart dragend
    duwt mijn dochter de kinderwagen waarin Oskar kirt
    en ik, gezwind naast haar, de rolstoel van mijn vader.       
    In een strandwinkel kopen wij een emmertje boorde-
    vol kleurige vormpjes en schepjes, dat mijn vader lucht-
    hartig aan mijn kleinzoon schenkt onder het éénziende

    oog van mijn dochter en mij.  De golden knikken mee:
    wij voelen de ene onophoudelijk in de andere vervloeien,
    hand over hand een zandkasteel bij de branding innemen.

    Over samenhang gesproken: verspreid in de bundel staan enkele drieregelige gedichten die op het eerste gezicht louter uit rare woorden bestaan (in dit geval namen van zeebeesten) die eindigen met een grammaticaal correcte en begrijpelijke (?) conclusie. Deze woorden zijn in het dagelijks spraakgebruik weliswaar zeldzaam maar op zichzelf gewoon en zeker niet dichterlijk; in de context van een gedichtenbundel doordringen ze de lezer van hun bloemrijke, talige zeggingskracht. Van Tongele laat je aldus opnieuw kijken, en vooral ook: luisteren.

    Asjemenou
    Kruipende klokpoliep tandhoornkoraal stompe alikruik muiltje purperslak
    fluwelen ritspok zeedruif meloenkwalletje weduweroos sliertige brood-
    spons roze kalkkorstwier knotszakpijp kamster taalrasp.
    Alles blijft vervat in de wereld.

    Door de onverwachte muzikaliteit van de taal op deze manier voor het voetlicht te halen doet deze poëzie wel denken aan het werk van Pierre Kemp of – heel anders, maar toch – aan het gedicht ‘56 rozen’ van Ivo de Wijs.

    Van Tongele’s gedichten vragen niet nadrukkelijk om uitleg of begrip. Je moet er open voor staan – zoals voor abstracte kunst – om ervan te kunnen genieten. Een paar glazen stevige rode wijn op de nuchtere maag kunnen deze gedichten ook best hebben. Evenals hardop voorlezen, of beter nog: scanderen, buiten, aan het strand, bij bewolkte hemel, tegen de harde wind in. Voilà, daarmee zijn we bijna weer terug bij de schreeuw uit het begin, waarvoor de dichter het woord ‘tier’ gebruikt.  Verheugend te bemerken dat deze poëzie met onze taal gemaakt kan worden en dat dat anno 2017 nog gebeurt ook.

     

     

     

  • Tijd, tijd en nog eens tijd

    Tijd, tijd en nog eens tijd

    Langzaam ontvouwt de roman zich en geeft het verhaal prijs. Eerst wordt de omgeving waarin het verhaal zich afspeelt beschreven, en na enige tijd ook benoemd: Zuid-Limburg (de lezer had dat al begrepen). Vervolgens wordt duidelijk dat het ik-personage een vrouw is die Sabine heet. Sabine rijdt in haar auto op goed geluk, om als erfgoedspecialiste de omgeving te verkennen, met een lege tank in noodweer een verkeerde weg in. Ze belandt per ongeluk door een openstaand hek op het privéterrein van Oldenhage, een boerderij waar een vader, oma en twee zusjes, Madeleine en Livia, wonen. De meisjes zijn alleen thuis, omdat vader en de zieke oma naar het ziekenhuis zijn.
    Sabine is, nadat ze het hek is doorgereden, in een lang vervlogen tijd terechtgekomen. Alleen de bokkenrijders en klopgeesten lijken er nog aan te ontbreken. De sfeertekeningen zijn raak: ‘Toen ik even later de keuken betrad, plensde het zonlicht daar naar binnen, doorspikkeld met glinsterende stofdeeltjes’. Dat geldt ook voor de filosofische bespiegelingen over de twee zusjes, die Sabine eigenlijk wil vergeten omdat het haar primair om de hoeve lijkt te gaan: ‘Wat blijft er van je eigen geschiedenis over als je niet meer bestaat in die van een ander? Dan resten er alleen maar rafels, als in een tot op de draad versleten jas waar je ooit blij mee was, maar die nu geen warmte meer geeft en die je daarom zonder enige emotie tussen de aardappelschillen en koffiecups bij het huisvuil kunt proppen.’

    Tijd
    Het lijkt of Sabine in een loop, een lus in de tijd, is beland waarin de gebeurtenissen zich keer op keer herhalen zonder dat ze eraan kan ontsnappen.
    De tijd verloopt aan het begin van het boek in elk hoofdstuk met iets minder dan een uur, terwijl de twee trage zusjes haast stil lijken te staan in de tijd. De kloktijd is een terugkerend fenomeen in deze roman van Renate Dorrestein. De paardenstaart van een van de meisjes zwierde ‘als de slinger van een klok heen en weer’, terwijl Sabine denkt dat het overleven van haar scheiding ‘gewoon een kwestie van tijd, tijd en nog eens tijd’ is en ‘iedere seconde haar dichter bij’ de genezing van de gevolgen daarvan brengt.

    Herinneren
    Mondjesmaat worden details vermeld die – overigens al vanaf het stranden van de auto – de onbehaaglijkheid die hoort bij een gothic novel, een griezelroman, oproepen. Een pompbediende die verstart als Sabine vertelt dat haar gestrande auto bij de twee zusjes staat en mompelt: ‘God sta ze bij.’ Tegen wie? Tegen hun vader, Ennis, die na door een geit op zijn voet te zijn getrapt ‘zijn tanden in een pijngrimas ontblootte’? Die zachtjes lachte ‘op een niet erg aangename manier’?
    Er is sprake van een ongeluk, dat ruim twee jaar voor Sabine’s aankomst op het erf is gebeurd en ‘in Livia’s belang’ toegedekt wordt gehouden. Het gaat om iets dat ze op haar geweten zou hebben en zich niet meer kan herinneren.
    Dat aspect, herinneren, speelt in het boek een grote rol en duikt regelmatig op een knappe manier op, maar ten diepste gaat het boek over identiteit en de vraag of iemand jouw plaats in kan nemen, zoals dat speelt tussen de beide zusjes, de ene schuldig en de andere niet. Over hoe het, als de een de plaats van de ander in kan nemen, zit met vergeving en schuld, en of een ander, een buitenstaander zoals Sabine, een reddende engel kan zijn.

    Gothic novel
    Volgens de flap van Dorresteins twintigste roman is dit boek zowel een gothic novel als een psychologische roman, een combinatie die we ook uit Dorresteins eerdere werk kennen. De elementen zijn ernaar: Reddende engel speelt op een afgelegen locatie in Zuid-Limburg, de context de boerderij is archaïsch, met een boze moeder en een zoon, Ennis, die als een patriarch fungeert, terwijl het met de twee dochters niet helemaal klopt en de ik-figuur als een vreemdeling tussen alles door laveert en geheim na geheim blootlegt, evenzeer een item in het werk van Dorrestein.
    Het psychologische aspect zit onder meer in het thema herinneren en het verdringen of toedekken van herinneringen. De plaatsvervanging van de twee zussen zou je zelfs religieus kunnen duiden.

    Dit maakt dat de roman verschillende lagen heeft die aansluiten op hedendaagse debatten over bijvoorbeeld de werking van het brein (herinneringen en het verdringen daarvan), identiteit, empathie, compassie en de negatieve tegenhangers, zoals opportunisme en egocentrisme.
    Dorrestein weet deze lagen en elementen op een bijzonder knappe (soms haast te nadrukkelijke) manier in haar spannende verhaal te verweven, maar ook als pure gothic novel valt er veel aan Reddende engel te beleven.

  • Litanie van een kampbewaarder

    Litanie van een kampbewaarder

    Moeilijk te zeggen wat erger was: ’s zomers de verstikkende, vochtige hitte, de voortdurende aanvallen van dichte wolken  muggen of ’s winters de onbarmhartige kou die je de adem beneemt. ‘’s Nachts is het min 42. De lucht tinkelt als glas. De droge knal van een schot. Het is net of de lucht breekt, als een wijnglas, kapotvalt, aan diggelen gaat. In de aarde ontstaan scheuren, soms wel een hand breed. Het is zo koud dat de rails gewoon knappen. Een droge tik, een geluid dat met niets te vergelijken is’. Soms is het nog tien graden kouder: ‘De vorst zet zijn tanden in elk ontbloot lichaamsdeel’. Huiveringwekkende condities, beschreven in het half-illegale notitieboekje van Ivan Tsjistjakov, bijgehouden van 9 oktober 1935 tot 17 oktober 1936. Hij werkte aan de tweeduizend kilometer lange Bajkal-Amoerspoorlijn (BAM) door Siberië, een reusachtig project dat door Stalin werd opgezet in 1932 onder druk van de internationale politieke ontwikkelingen. Doordat Japan Mantsjoerije had bezet, was de Chinees-Oosterse spoorlijn voor de Russen verloren gegaan, de belangrijkste verbinding tussen Vladivostok en de rest van de Sovjet Unie.

    Bij gebrek aan enthousiaste vrijwilligers werden de arbeidskrachten geronseld uit andere werkkampen en gevangenissen, bij tienduizenden, later honderdduizenden tegelijk. Dwangarbeid. Georganiseerd door de beruchte Natali Frenkel in zogenaamde ‘falanxen’, werkeenheden die gebaseerd waren op het Stachanovprincipe: je kreeg fatsoenlijker te eten naarmate de productie hoger lag. Een meedogenloos systeem van verdeel en heers dat het uiterste van ieders krachten vergde. Het werk aan de spoorlijn was grotendeels ‘handwerk’, ondraaglijk zwaar, geen andere hulpmiddelen dan wat pikhouwelen, kruiwagens en schoppen. Aan alles was tekort. Tsjistjakov maakt melding van ziekte, arbeidsverzuim, sabotage, maar vooral ook ontsnappingen. ‘De vrijheid’, schrijft hij, ‘vrijheid is zelfs als je honger en kou lijdt kostbaar en onvervangbaar. Al is het maar een dag, even niet in het kamp’. Bijna dagelijks slaan er gevangenen op de vlucht, ‘je hoofd loopt om van de ontsnappingen’. Af en toe staat de schrijver er wat langer bij stil, maar in zijn perceptie horen de ontsnappingen net zo bij het kampleven als het barre klimaat, het slechte voedsel, de beroerde voorzieningen. Hij verblijft in een kamer van vier meter, zegt hij, met een houten bed, een stromatras, een overheidsdeken, een tafel op drie poten en een krakend krukje. Ook een potkacheltje dat je alleen verwarmt als je er bovenop zit. De ruimte tocht van alle kanten. Gelegenheid om te baden is er niet.

    Tsjistjakov heeft een bijzondere positie in het kamp, hij is geen dwangarbeider maar is door het Rode Leger gedetacheerd als kampbewaarder en staat tussen de kampleiding en de gevangenen in. Er is weinig tot niets over hem bekend, een van de talloze anonieme radertjes in de Stalinistische onderdrukkingsmachine. Zijn schriftje is pas onlangs toevallig ergens opgedoken, niemand weet waar of hoe. Hij is afkomstig uit Moskou, is het vermoeden, en werkte daar hoogstwaarschijnlijk als instructeur of ingenieur. Hij is geen lid van de partij en ziet met lede ogen aan hoe slecht de kampen worden geleid en hoeveel verspilling er plaatsvindt: de domheid regeert. ‘Ik wil aan sport doen’, verzucht hij, ‘radio, ik wil werken in mijn specialisme, studeren, in cultureel gezelschap verkeren, ik wil naar theater en film, lezingen en musea, tentoonstellingen, ik wil schilderen’. Niets van dit alles is mogelijk in het kamp. Het merendeel van de kampbewoners is ongeschoold en grofbesnaard. Er wordt gevloekt, geknokt, gezopen en gescholden, het leidt bij Tsjistjakov tot sombere gedachten. Hij wil vluchten, denkt soms aan zelfmoord.

    Maar hoe uitzichtloos ook, we mogen er vanuit gaan dat de situatie van de dwangarbeiders die Tsjistjakov moest bewaken aanzienlijk slechter was. De schrijver realiseert zich dat ongetwijfeld, maar wijdt er niet meer dan een enkele opmerking aan. Hij is volstrekt geobsedeerd door zijn eigen narigheid. Je krijgt daardoor helaas nauwelijks inzicht in de gangbare sociale verhoudingen. Je leert geen enkele lotgenoot kennen, het blijft bij namen, oppervlakkige aanduidingen. Wat voor bewaker was hij zelf? Hij houdt zich op de vlakte. Zijn meldingen van ontsnappingen zijn vrijwel allemaal gesubstantiveerd, alsof het zelfstandige eenheden zijn. ‘Er zijn ontsnappingen uit de falanx’, ‘terwijl er ontsnappingen plaatsvinden’, ‘er ontsnappen er vier’, ‘er zijn er elf ontsnapt’. Het is voor een deel zijn verantwoordelijkheid, maar hij lijkt niet bijzonder in het verschijnsel te zijn geïnteresseerd. Waar vluchten de gevangenen heen? Geen idee. Hoeveel worden er opgespoord? Geen idee. Hij probeert medelijden op te wekken met zijn eigen positie, overigens alleszins begrijpelijk, maar verdiept zich niet in enige andere kampbewoner. Toch schemert er hier en daar iets door.

    Waarom geen empathie met de gevangenen? Tijdens een van de speurtochten raakt hij doorweekt. ‘Kwaad op alles’, noteert hij later, ‘als we ze te pakken krijgen maak ik ze af’. Juist, als bewaker ziet hij niet alleen de ‘bazen’ als de vijand, maar dus vooral ook de gevangenen. Als er op een dag opeens ontsnappingen hebben plaatsgevonden uit een isoleercel schrijft hij: ‘De klootzakken moesten worden afgeschoten, af en toe, ter afschrikking’. Hij maakt melding van afranselingen, opsluitingen, gevechten en erger, maar uiteindelijk lijkt hij zichzelf toch als het grootste slachtoffer te beschouwen. De typische mentaliteit van een kampbewaker?

     

  • De verbeelding van de lezer

    De verbeelding van de lezer

    Pompen of verzuipen. Handen als kolenschoppen drukken iemand onder water. Hij voelt hoe het lichaam even tegensputtert. Verdrinkt hier iemand? Een krantenbericht op groezelig papier uit de tijd dat ‘eist’ nog als ‘eischt’ geschreven werd. ‘Verdronken’ staat er boven het artikel. Het stond in de krant, dus het is echt gebeurd.

    Je hebt nog maar een paar zinnen gelezen in Zeven Dagen van Geurt Franzen en je zit er middenin. Het is zijn tweede roman, in 2014 debuteerde hij met Duiveldans. Naast schrijver van romans is hij journalist, columnist en tekstschrijver.
    Tommy, de puberende hoofdpersoon van het verhaal, woont in een dorp vlakbij een rivier. Bij hem thuis kijken ze op tv naar Duitse zenders.
    Alles in zijn gedrag is ingehouden, zijn agressie ligt net onder het oppervlak. Hij herinnert zich – in het begin van het verhaal – hoe zijn vader, rozenkweker, met een vlijmscherp mes een roos oculeerde. Een jongen stond nieuwsgierig te dichtbij: ‘… het onhoorbare geluid van een vlijmscherp mes door vlees. Een stuk van het oor viel in het korrelige zand…’
    Na vijf minuten lezen: een drenkeling, wellicht een moord, een afgesneden oor en Tommy met het mes van zijn vader voortdurend dreigend in zijn broekzak. Dit belooft wat.

    Zeven dagen speelt zich af aan het einde van de jaren zestig, begin jaren zeventig. De tv-uitzendingen van de eerste twee maanlandingen, Inspecteur Columbo (waarmee Tommy zich graag identificeert) en Bonanza vormen het decor van die tijd. Terwijl de week verstrijkt volgen we Tommy in zijn herinneringen aan zijn vader en steeds stelt hij zich de vraag: Gaat hij dood? Hij heeft nog vragen aan zijn zieke vader, maar is bang dat de tijd tekort schiet.
    Nadat hij de weerman op het Journaal gehoord heeft: ‘Matige soms krachtige wind uit het zuidwesten’ zou Tommy willen ‘dat de wind hem ook meevoert. Niet naar voren in de tijd, maar naar achteren. Naar het oosten, daar waar de tijd begint.’
    En even later, geïnspireerd door de uitzending van de tweede maanlanding, mijmert hij: ‘De astronauten zouden de ruimte in worden geworpen, het begin van een eindeloze reis naar nergens en voor wie nergens naar reist, staat de tijd stil. Dat zou mooi zijn…’
    Franzen lijkt met zijn stijl hetzelfde te beogen: de tijd uitrekken, bijna stil leggen. Er broeit weliswaar iets, ‘een verhaal dat nog verteld moet worden’ maar de karakters ontwikkelen zich niet. Zijn moeder ‘sjokt als een zombie door het huis’ en is ziekelijk, en er is een zus die trouwen gaat. Wellicht komt het door de scène van het afgesneden oor, maar als lezer denk je aan De Aardappeleters. Alles is somber, stil en in zichzelf gekeerd. Humor of ironie ontbreekt.

    Ondanks het veelbelovende begin – Franzen weet hoe hij een broeierige sfeer moet oproepen – slaagt de schrijver er niet in om de lezer blijvend te boeien. Behalve Tommy en zijn vader zijn de overige personen teveel als ‘typetjes’ getekend en een aantal verhaallijnen zijn ver uitgerekt zonder het doel van het geheel te dienen. Maar het is vooral de stijl, met vele metaforen, die de lezer in de weg gaat zitten.
    Tommy hoort vroeg in de ochtend hoe zijn vader de oude brommer start en de wijk wakker schudt en dan ‘… overvalt de schaamte hem als een schurftige deken die een onzichtbare hand over zijn hoofd gooit…’ Als lezer heb je even tijd nodig om dit beeld te duiden, maar Franzen vervolgt direct ‘… en hem het ademen beneemt, een deken die pluizen loslaat als een paardenbloem zijn vlokken in de wind, pluizen die prikken in zijn ogen, kriebelen in zijn neus, kleven aan zijn lippen, een gevoel dat aan het eind van de dag in alle hevigheid terugkeert…’
    De lezer krijgt op die manier te weinig kans om de eigen verbeelding op gang te houden. Ook wordt een sterke metafoor vaak direct gevolgd door een volgende. Als de pastoor de naam van zijn zieke vader tijdens de mis noemt, is Tommy daar niet op voorbereid. ‘Ineens knetterde de naam van zijn vader door de geluidsinstallatie. Keiharde trefbal recht in je maag,…’ Een beeld dat goed werkt, je staat ineens in de gymles uit je jeugd en ziet de bal op je af komen. Dat gaat pijn doen. Maar direct daarna volgt ‘…een onweerslag door de pieperloods.’  Deze toevoeging heft de kracht van de eerste metafoor op.

    Dat neemt niet weg dat de zoektocht van Tommy naar een gebeurtenis uit het verleden van zijn vader een mooi thema is. Tommy is een puber die je liever niet thuis op de bank wilt hebben, een zoon die staand voor de spiegel constateert dat hij steeds meer op zijn vader lijkt. Voordat mijn vader sterft moet ik de waarheid weten, denkt hij. Is mijn herinnering betrouwbaar of bedrog?
    Maar Franzen wil teveel en te uitgebreid vertellen, waarmee hij de verbeelding van de lezer in de weg zit.