Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Roman vol thema’s over een bijzondere vriendschap

    Roman vol thema’s over een bijzondere vriendschap

    De personages in de meest recente roman van Alex Boogers zijn tamelijk ongelukkig. Gelardeerd met allerlei andere thema’s, slaagt Boogers erin een liefdevol portret te schrijven van een bijzondere vriendschap.

    In de polder bouwt een weduwnaar (Jacob) een bijzondere band op met een meisje (Amy). Amy en Jacob zijn beiden verweesd en hebben ondanks hun verschillende leeftijden raakvlakken op allerlei facetten van hun bestaan. Jacob heeft net zijn vrouw verloren en ontvlucht het huis waar hij met haar woonde. Op haar beurt ontvlucht Amy haar moeder en stiefvader, nadat haar iets vreselijks is overkomen. De kern van Onder een hemel van sproeten laat zich samenvatten in een zin van Amy in haar dagboek: ‘Een geschiedenis waarin iedereen zich kan herkennen, hoe pijnlijk die geschiedenis ook is en hoe moeilijk het voor anderen ook is om die te verteren’

    De verhouding tussen de oude Jacob en de jonge Amy is op zichzelf al voldoende voor een roman, maar Boogers verrijkt die verhouding tussen twee individuen op microniveau met elementen die juist op macroniveau zeggingskracht hebben. Discriminatie, voltooid leven, seksueel misbruik, klimaatverandering en zelfs de Nederlandse sociale zekerheid passeren de revue. Zo beschrijft Boogers op het ene moment het sterven van Jacobs hond maar laat hij op een ander moment Amy filosoferen met een leraar over wat een kunstenaar allemaal vermag. Op voorhand zou je misschien zeggen dat het allemaal teveel van het goede is, maar de schrijver slaagt er wonderwel in dit alles mooi op elkaar in te laten grijpen. Overdaad schaadt niet bij hem. Dat op zichzelf is al knap.

    Daar staat tegenover dat de scènes op microniveau wel het beste geslaagd zijn. De bezoeken van Jacob aan zijn vrouw en haar uiteindelijke overlijden zijn ontroerend. Dat zorgt voor de vraag of een roman of novelle alleen over Jacob zonder abstracte bespiegelingen niet een nog mooier boek had opgeleverd. Of is het verhaal nu juist zo goed omdat de romanfiguur Jacob zich verhoudt tot die abstractere bespiegelingen?

    Het laatste is in elk geval aan de orde wanneer de schrijver het thema voltooid leven verbindt met de dood van Claire. Na haar sterven, had de doodbidder gezegd dat zij een ‘rijk, voltooid leven [had] gehad’, waarna Jacob zich afvraagt: ‘Wie bepaalt dat? Wie vindt dat? Niets is ooit voltooid. Je blijft altijd met vragen zitten. Met onopgeloste zaken. Je maakt geen cirkels in het leven, je vormt een paar penseelstreken. De meeste komen nergens op uit. Dat weet ik nu. De dood is een hapering, en als je weer wakker wordt ben je ergens anders. Dat is alles.’ In dergelijke passages waarin hij een maatschappelijke beweging plaatst in de context van een concreet geval toont Boogers zijn meesterschap.

    Parallel hieraan geeft de vraag wat Amy nu precies is overkomen het boek ook iets onheilspellends. Vermoedens van het ergste stapelen zich op, omdat Boogers stukje bij beetje prijsgeeft wat de lezer al wel voelt aankomen. Hij vertelt het uiteindelijk heel expliciet, waardoor het bijzonder aangrijpend is om te lezen. In het licht van #MeToo is dit ook nog eens bijzonder actueel, al zal Boogers dat bij het schrijven niet in zijn achterhoofd hebben gehad.

    Boogers slaagt er met deze roman in om allerlei verschillende thema’s uit te werken zonder zijn centrale karakters te veronachtzamen, met als resultaat een bijzondere en gelaagde roman.

     

     

  • Het einde van een lange nacht

    Het einde van een lange nacht

    Vorige romans van Riika Pulkkinen speelden zich expliciet af in Finland en Estland, gebieden die door de eeuwen geteisterd zijn door (Russische) bezetting en overname, en nog maar relatief kort onafhankelijk zijn. In haar romans spelen machteloze personages een grote rol, individuen die tegenover een voortmalende geschiedenis staan. Met haar nieuwe roman De beste van alle mogelijke werelden, waarin het vallen van de Muur centraal staat, zet Pulkkinen zichzelf echter nadrukkelijk op de kaart als een Europese schrijver.

    In De beste van alle mogelijke werelden staan drie personages centraal: Aurelia, een jonge actrice die aan de vooravond staat van haar eerste grote rol; Joachim, die het stuk regisseert waarin Aurelia zal schitteren, en de moeder van Aurelia. Beurtelings worden hun verhalen verteld via Aurelia en haar moeder. Hoewel de val van de Berlijnse Muur vanaf het begin centraal staat in de roman worden er ook andere gebeurtenissen onthuld die invloed hebben op de drie hoofdpersonen. Alles bij Joachim, Aurelia en haar moeder staat echter in het teken van een zoektocht naar een kwijtgeraakt onderdeel van hun leven.

    Wanneer Aurelia haar eerste grote rol in een toneelstuk krijgt, weet ze niet precies waar het toneelstuk over gaat. Dat moet ze samen met de rest van de cast ontdekken. Wel weet iedereen dat het stuk zal gaan over de gevolgen van het vallen van de Muur. Aurelia moet allerlei karakters spelen die op de een één of andere manier te maken hebben met die val. Maar gaandeweg pikt ze hier en daar aanwijzingen van de regisseur op, waaruit blijkt dat ze vooral zíjn levensverhaal zal spelen, en daarmee ook dat van haarzelf. Zowel Aurelia als Joachim hebben een trauma opgelopen dat hen heeft gevormd, maar dat hen ook heeft doen scheiden van iets. Waar ligt de muur waarachter hun oude levens liggen? En kunnen ze daar weerstand tegen bieden?

    De beste van alle mogelijke werelden is Pulkkinens meest literaire roman. Met de combinatie van de biografische vertelling van Aurelia’s moeder in eerste persoon; het ontdekken van het biografische verhaal Joachim door Aurelia in derde persoon en het toneelstuk dat centraal staat, laat Pulkkinen allerlei dimensies door elkaar schemeren van het verhaal dat de Val van de Muur heet. Tegelijkertijd laat ze verschillende vertaalmethoden voorbijkomen: Joachims toneelstuk waarmee een verhaal aan een groot publiek moet worden verteld; Aurelia’s eigen gedachten en gedaanteverwisselingen als een representatie van het onderbewuste en haar moeder die een one-on-one gesprek wil aangaan met haar dochter.

    Het verhaal van de val van de Muur is de constante in De beste van alle mogelijke werelden. Tegen het einde van de roman is het toneelstuk nog steeds in ontwikkeling. Het is alsof elke generatie in De beste van alle mogelijke werelden hier een eigen weg in probeert vinden. Joachim, Aurelia en haar moeder zijn hun evenwicht kwijtgeraakt. Ze zijn op zoek naar eenheid. Het toneelstuk en hun biografiën zoeken elkaar. Vooral Aurelia als personage is hier een mooi voorbeeld van. Haar eigen gedachten lopen over in gedachten van de personages die ze bedenkt. Ze moet leren om een scheiding aan te brengen tussen zichzelf en die personages om op die manier haar eigen jeugd onder ogen te komen.

    Met De beste van alle mogelijke werelden heeft Pullkinen een spannende, psychologische roman geschreven, die zeker de eerste helft erg beklemmend is. Die spanning weet ze echter niet tot het einde van haar roman vast te houden. Wanneer er onthullingen plaatsvinden, valt de beklemming voor een groot deel weg en verdwijnt het toneelstuk van Joachim langzaam naar de achtergrond. Dat werkt bevrijdend – de lezer kan even ademhalen – maar de nieuwe spanning die wordt opgebouwd – de personages moeten ineens verder met hun leven en weten nog niet hoe – haalt het niet bij psychologische druk van de eerste helft. Er wordt net iets te veel onthuld.

    Pulkkinen houdt ervan om het grote politieke in het kleine persoonlijke te stoppen. Of andersom, want het leven van het individu is in haar romans onlosmakelijk verbonden met historische gebeurtenissen. Het zwart-wit van de geschiedenis verdwijnt in een grijs gebied zodra er wordt ingezoomd op de levens van burgers. De geschiedenis van machteloosheid wordt ook in hen telkens herhaald, ondankt alle goedbedoelde linkse overtuigingen die Pulkkinen laat langskomen.

    De verwevenheid tussen persoonlijke geschiedenis en het historische verhaal ligt er echter wel heel dik bovenop. De roman krijgt naar het einde toe steeds meer onverholen symbolische, historische verwijzingen, zoals de datum 11 september 2001 die wordt gebruikt als het moment van de scheiding van Aurelia’s ouders. Ook het verdwijnen van Joachims zus op een cruciaal moment wanneer de grens tussen Oost- en West-Duitsland even opengaat, is overduidelijk. Op dat soort momenten is De beste van alle mogelijke werelden een gekunstelde roman die een beetje vermoeit.

    Toch mag dit niet al te veel storen. Zeker in de eerste helft lukt het Pulkkinen om met de minimale hoeveelheid informatie de aandacht van de lezer vast de houden. Met Aurelia heeft ze een karakter geschapen die de lezer bijna betovert met de personages die ze voor zichzelf en Joachim schept. Aan het einde lijkt De beste van alle mogelijke werelden op te klaren en wordt er misschien iets te veel prijs gegeven, maar tegen die tijd heeft Pulkkinen al laten zien hoe meerdere belevingen een eigen invulling geven aan geschiedenis en hoe die verhalen elkaar vinden in individuen. Dat is het lezen meer dan waard.

  • Het korte leven van een vroegvoltooide

    Het korte leven van een vroegvoltooide

    Ook als je de achtergronden niet kent, denk je bij het lezen van Hoe heette de hoedenmaker? van Loekie Zvonik toch al: wat een wonderlijk mooi verhaal is dit. Over Hermine, een Belgisch meisje van Tjechische komaf en Didier, een Belgische jongen. Ze zijn kort verliefd op elkaar in hun studententijd aan de universiteit van Gent en vijftien jaar later – na elkaar lang niet gezien te hebben – reizen ze samen in 1970 per auto naar een filologencongres in Wenen en hervinden onderweg hun liefde.

    Zvoniks proza heeft een serene, kalme wiekslag en is secuur maar liefdevol beschrijvend. Het gaat over grauwe sombere plaatsen in Gent en de straat waar hun professor Herman woont:
    In zijn werkkamer met de bibliotheekkasten achter de werktafel en de rieten fauteuil bij de haard ruikt het naar inderhaast geleegde asbakken en oude boeken van de Sint-Jacobsmarkt, het plein aan de andere kant van de stad, in de richting Dampoort, waar op vaste dagen de leurders en de handelaars in tweedehandse goederen hun schragen opslaan tussen de fladderende duiven (…)

    Secuur, maar liefdevol beschrijvend proza
    Als ze naar Wenen rijden en in Salzburg stoppen gaat het over de Judengasse en de verlaten Joodse huizen en een hoedenmaker die daar ooit woonde:
    Salzburg hing al vol met smeedwerk toen we in de Judengasse kwamen. Die was heel smal en grijs. We konden er met moeite ademhalen, omdat er geen zon en geen lucht was, alsof Jehova er met zijn volle gewicht bovenop zat. (…)
    We kwamen op een binnenplaatsje en keken omhoog en op een vensterbank stonden twee hoeden op staanders.(…) Het huis heeft overal gewelven in kruisvorm en door vuile gangraampjes zijn stoffige ateliers zichtbaar waar zeker Joden hebben gewoond of andere volkeren die er op de een of andere manier niet gewenst waren. Want alles is  nu verlaten, zo op stel en sprong verlaten dat hier zeker in de Tweede Wereldoorlog een hetze is geweest, zo verschrikkelijk dat nooit nog iemand de ateliers heeft durven betreden.
    A
    ls ze vertrekken uit Salzburg en na een lange rit op hun bestemming aankomen gaat het natuurlijk over de grote, grote stad die Wenen heet.‘Ik ken geen stad in Europa die is zoals Wenen, de oude, de lieflijke grond van vergane glorie, van oud geworden smart, van nostalgie en traagheid, moeheid, Lässigheit, zachtmoedigheid en overgave van de jonge helden aan de krachten van het noodlot.

    Schrijvers en de dood
    Maar Hoe heette de hoedenmaker? van Loekie Zvonik gaat vooral over schrijvers als Franz Kafka, en Georg Trakl en Rainer Maria Rilke en Cesare Pavese natuurlijk, en over wat zij schreven voordat zij zichzelf het leven benamen of jong aan een ziekte stierven. En over die dood. Het zelfgekozen eindpunt waar Didier steeds aan denkt, de jonge man in het verhaal die lijdt aan somberheid en doodsdrang. Iemand op wie de door hun professor Herman gebruikte term ‘Vroegvoltooide’ van toepassing zou kunnen zijn: mensen die twintig of dertig jaar leven en daaraan genoeg schijnen te hebben.
    Maar zover is het nog niet als ze naar Wenen rijden.
    Wat Hermine en Didier beleven is een idylle, een late idylle die niet meer dan dat kan zijn omdat beiden getrouwd zijn en hun geliefden X en Y willen blijven beminnen. Maar tijdens een wandeling in de bergen spreken ze af:
    Als het met één van ons beiden slecht gaat en hij heeft de andere dringend nodig dan zal hij opbellen of een expressebrief sturen of telegraferen en alleen het codewoord ‘koeienbellen’ gebruiken. Dan weet de ander dat het noodtijd is en dat hij onmiddellijk komen moet om hulp te bieden, om te zeggen dat het de moeite waard is tien dagen te lijden voor tien minuten geluk.

    Eenmaal terug in België houden ze telefonisch en soms lichamelijk contact, maar Hermine haakt af als Didiers doodswens steeds sterker wordt en hij haar vraagt hem te redden.
    En de afloop is dan voorspelbaar. Wat een treurigmakend maar mooi en goed geschreven verhaal, denkt de lezer, die de achtergrond nog niet kent.

    Didier is Dirk de Witte
    Maar dan volgt in deze heruitgave (de eerste druk verscheen in 1975) een uitvoerig essay van Jeroen Brouwers  getiteld De vroegvoltooiden over de achtergrond van Hoe heette de hoedenmaker? Hij prijst de kwaliteit van Zvoniks boek en geeft aan dat het in feite een sleutelroman is. Didier was in werkelijkheid de Vlaamse schrijver Dirk de Witte, wiens zelfmoord in december 1970 hem al een grote plaats gaf in Brouwers boek over suïcidale schrijvers: De laatste deur. (in 2017 verscheen een herziene en uitgebreide herdruk).
    Brouwers heeft hem goed gekend in zijn laatste jaren, ze woonden een kwartier van elkaar en Dirks vrouw Anneke was zijn secretaresse toen hij als redacteur werkte bij uitgeverij Manteau waar de boeken van Dirk de Witte verschenen. Alhoewel hij Dirk de Witte een behulpzame en vriendelijke man noemt heeft hij geen hoge pet op van Dirks schrijverschap. Diens oer-serieuze zelfmoord-fixatie en zijn overgave aan de teksten van zelfmoordenaar Pavese ergeren hem: Al ging het over een aan de deur gekocht lotje voor de buurttombola, Dirk de Witte wist het binnen een paar seconden om te plooien tot een discours over Het Lot, Het Noodlot, Das Schicksal en kwam Pavese tevoorschijn (…)

    Eigenlijk was Dirk een poseur die met zijn eigen voorgenomen, zelfs ophanden zijnde zelfmoord koketteerde vanwege de gedachte dat die hem zogenaamd  ‘eeuwige’ roem zou bezorgen, zoals al die belangrijke schrijvers-zelfmoordenaars over wie hij niet uitgepraat raakte.
    Dirk de Witte is als schrijver volstrekt vergeten. Terecht volgens Brouwers. Toen Zvonik hem – ze kenden elkaar – het manuscript van haar boek stuurde kon hij niet nalaten chagrijnige kantlijn-opmerkingen te maken over Didiers zum Tode betrübte uitlatingen. Maar Hermine/Loekie Zvonik liet zich haar liefde voor Didier/Dirk en zijn liefde voor haar niet afpakken. Aan het slot van zijn essay schrijft Brouwers over een foto die hij nam van het – inmiddels geruimde – graf van Dirk de Witte.
    Nadat die was ontwikkeld zag ik wat ik niet gezien had toen ik voor de zerkplaat stond. In het bestofte zwarte marmer had een vinger geschreven: KOEIENBELLEN.
    Dirk de Witte heeft zelf geen sporen achtergelaten in de Nederlandse literatuur. Maar als Didier wel, dankzij het schrijverschap van Zvonik, die hem beminde. Toen het boek in 1975 uitkwam genoot het grote waardering en de herdruk nu is een goede keus geweest van uitgeverij Cossee. Zvonik (1935-2000) schreef na Hoe heette de hoedenmaker? (een titel die ook Brouwers niet kon duiden) nog twee romans die eveneens geprezen werden. Maar daar liet ze het bij. Ook een schrijverschap kan vroegvoltooid zijn.

  • Extaze 24, gewijd aan de fotografie

    Extaze 24, gewijd aan de fotografie

    Ook de komende twee jaar krijgt literair tijdschrift Extaze subsidie van het Letterenfonds. Maar pas nadat protest aangetekend werd tegen de afwijzing van het subsidieverzoek. Dat betekent dat het Letterenfonds uiteindelijk toch vindt dat Extaze aan zekere kwaliteitseisen voldoet, waarbij talentontwikkeling een belangrijke rol speelt: ‘Kwalitatief hoogwaardige literaire tijdschriften dragen bij aan talentontwikkeling in de letterensector. Ze zijn een vrijplaats waar talent, nieuwkomers en gevestigde auteurs, de kans krijgt zich te ontwikkelen en redacteuren zich kunnen bekwamen in redactionele vaardigheden en zich kunnen presenteren aan publiek en vakgenoten.’

    De lijst langslopend van degenen die een bijdrage leverden aan het meest recente van Extaze dan klopt het wel zo ongeveer. Niemand in de line-up van nummer 24 is heel groen en nog nat achter de oren, maar het tableau de la troupe laat een grote diversiteit zien. Niet iedereen is al op papier gedebuteerd, maar allemaal hebben ze al literaire sporen verdiend. Een aantal van hen behoort tot de vaste kern van het tijdschrift of uitgevershuis In de Knipscheer – samen met stichting Tresspassers W verantwoordelijk voor het verschijnen van het tijdschrift – van anderen verscheen het werk verspreid.

    Thema van het nummer waarmee Extaze de zesde jaargang besluit is fotografie. Het nummer opent met drie essays die voor wat ze willen betogen eigenlijk iets te krap bemeten zijn. Daan Rutten moet het in De chaos en het beeld: over Willem Frederik Hermans als fotograaf ook nog eens zonder beeldmateriaal doen. Daardoor blijft wat hij beweert – dat er een zekere discrepantie zit tussen het wereldbeeld van de schrijver Hermans en zijn opvattingen over objectiviteit versus subjectiviteit als het om de fotografie in het algemeen en zijn eigen werk in het bijzonder – een beetje in de lucht hangen.
    Van de drie essays is dat van beeldend kunstenaar Onno Schilstra het meest origineel. Hij reflecteert vanuit eigen ervaringen op de opvattingen van Walter Benjamin over de mate waarin reproduceerbaarheid invloed heeft op het beklijven van beelden.
    Het derde essay van Ine Boermans gaat over het werk van Nan Goldin en Richard Billingham.

    Overigens is niet altijd even duidelijk wat een stuk in essentie is, de grenzen tussen de genres zijn rekbaar. Dat komt door de foto’s die nu eens herinneringen en historie oproepen en dan weer aanzetten tot fabuleren. In Twee keer een foto smeedt Hans Muiderman bijvoorbeeld twee verhalen aan elkaar – dat van het Ambonezenbosje in de Carel Coenraadpolder en de geschiedenis van de Van Kerkhovens, die bekendheid verwierven dankzij De heren van de thee van Hella Haasse. Zijn korte verhaal had ook het begin van een essay of een blog kunnen zijn. Eigenlijk is het nog niet af, maar wel afgeronder dan De foto en de dood van Wim Noordhoek, die in twee pagina’s veel aansnijdt over de rol die de fotografie na haar uitvinding ging vervullen en de betekenis die de mogelijkheid om momenten vast te leggen in individuele levens speelt.

    Het verhaal De Galvanistraters van Mischa van den Brandhof is een sfeervol geschreven familiealbum. De lezer ziet foto’s voor zich, waarbij het sepia overvloeit in zwart-wit en daarna kleur krijgt. Een heel mooi voorbeeld van ‘show, don’t tell’, hoewel dat principe niet zo zaligmakend is als vaak verondersteld wordt. In ‘Hoort ge dat?’ van Michel Ramaker waarin MacBeth opgevoerd wordt, rollen ongelijk verdeeld zijn en jaloezie opspeelt, broeit het. Maar zo sterk en suggestief als deze verhalen zijn niet alle bijdragen.
    Zo snijdt Jan Wijnen in Do not pass the line weliswaar een heikele kwestie aan – homoseksueel en leerkracht zijn op een christelijke school – en vindt daar ook een vorm voor die recht doet aan de dilemma’s van zijn hoofdpersoon, maar het verhaal heeft ook iets voorspelbaars.

    In een themanummer over fotografie horen beelden. Eric de Vries maakte verstilde portretten en spannend gekadreerde stillevende landschappen die los staan van de verhalen. De twee foto’s die voorafgaan aan Lynne en David van Dieuwke van Turenhout geven dat verhaal – over ouders die kritisch kijken naar hoe een ander stel hun kind opvoedt, zo kritisch dat je voelt dat er iets ergs gebeurd moet zijn – bedoeld of onbedoeld, een extra lading.

    Net als de verhalen zijn ook de gedichten divers van vorm en intensiteit. Waar Fred de Vries terloops lijkt op te schrijven wat hem op het moment zelf bezighoudt of overkomt, kiest Marcel de Roos zijn woorden zo dat zij gewichtig klinken. Meliza de Vries zit daar met haar stellige gedichten tussenin.

    Pim Wiersinga levert met zijn bijdrage Schrijven, de gooi naar het onbereikbare. Een conversatie een bijdrage aan de discussie over hoe literatuur gelezen moet worden in het licht van het leven van een schrijver. Hij voert  Tim Parks – die met De roman als overlevingsstrategie een knuppel in het hoenderhok gooide, de al in 1919 overleden Victor Segalen en zichzelf op als dramatis personae. Zijn aanpak is meer dan interessant, de vraag is echter of de discussie in deze vorm niet over de hoofden van de lezers gevoerd wordt.

    De definitie van het Letterenfonds nog eens in ogenschouw nemen, dient een literair tijdschrift een vrijplaats te zijn. Die omschrijving gaat voor Extaze, afgemeten aan de diversiteit van vorm, inhoud en statuur van de schrijvers op. In hoeverre het publiceren in het tijdschrift bijdraagt aan de ontwikkeling van een auteur kan op basis van een enkel nummer niet vastgesteld worden. Net zomin als duidelijk is in hoeverre redacteuren zich er verder kunnen bekwamen in hun vak. Als zij dat al willen, want de vraag is of de gemiddelde redacteur van een literair tijdschrift de ambitie heeft beter te worden in het repareren van teksten en coachen van auteurs. De meesten willen gewoon een goed tijdschrift maken. Misschien wel het liefst een spraakmakend tijdschrift waarin schrijvers van naam graag aan bijdragen, wat vervolgens vooral het tijdschrift ten goede komt. Zo’n tijdschrift is Extaze niet en zou het ook niet moeten willen worden (dat past ook niet in de functie die het fonds literaire tijdschriften toedicht). Maar nog een beetje uitgesprokener mag het wel.

     

    Extaze verschijnt vier keer per jaar.

  • Rusland, mijn Rusland

    Rusland, mijn Rusland

    ‘Ik bevond me op het juiste moment op de juiste plaats,’ schrijft Pieter Waterdrinker ergens in zijn jongste, sterk autobiografische roman Tsjaikovskistraat 40. Hier is een man aan het woord wiens leven wordt geregeerd door de bizarre grilligheden van het lot: ‘Misschien berustte alles ook wel op zuiver toeval, want dat is wat het leven mij heeft geleerd: deze wereld wordt geregeerd door willekeur.’

    Het verhaal begint wanneer de jonge student Waterdrinker in 1988 wordt benaderd door ene Siderius met de vraag om 7.000 bijbels naar de goddeloze Sovjet-Unie te smokkelen. Hij is op dat moment een beetje op de dool en zegt toe, ook al is hij niet bepaald gelovig. Waarschijnlijk kon Waterdrinker toen niet bevroeden dat hij dertig jaar later nog steeds in Rusland zou wonen en al helemaal niet dat hij de val van de Sovjet-Unie zou meemaken.

    Waterdrinker neemt de lezer mee op een wervelende trip die begint tijdens de nadagen van het communistische arbeidersparadijs. De ellende van een bejaardentehuis is een aanslag op alle zintuigen: ‘Er hing een stank van doorgekookte kool, urine, fecaliën en de ijzerachtige geur van bloed.’ De jonge Hollander kan het niet aanzien en neemt de bejaarde mevrouw Pokrovskaja mee voor een uitje naar het bouwvallige centrum van Leningrad, de stad die later weer Sint-Petersburg zal heten en waar hij met zijn toekomstige vrouw Julia zal wonen in de Tsjaikovskistraat 40 (niet genoemd naar de componist, maar naar de een of andere revolutionair). Niet veel later zal de Berlijnse muur vallen, en ook de Sovjet-Unie loopt op zijn laatste benen: ‘De tektonische platen onder het Sovjetrijk bewogen zich met een hoog zingend gepiep, althans voor hen die dat horen wilden; als het kruiende ijs op de Neva wanneer de schotsen in het voorjaar tegen elkaar op kropen en door het stromende water naar de Finse golf werden afgevoerd.’ Wanneer Waterdrinker een kleine dertig jaar later door de Russische hoofdstad loopt, is niets nog hetzelfde: ‘Waar ooit stinkende hompen Sovjetrundvlees werden verkocht, later geïmporteerd textiel, weer later de eerste mobiele telefoons, zat nu de Moskouse jeugd in een loungecafé met cappuccino’s en latte machiato’s te scrollen op hun iPhones en iPads.’

    John Lennon zei het al: ‘Life is what happens while you are busy making other plans.’ Waterdrinker doet zaken met louche Russische sjacheraars, gaat groepsreizen organiseren met een Nederlander die hij toevallig leerde kennen, leert op een van zijn reizen Julia kennen en kan tijdens een korte terugkeer naar Nederland als journalist voor een krant gaan werken. Maar Rusland blijft lonken en de kans om er correspondent te worden, kan Waterdrinker niet laten liggen. Tussendoor schrijft hij zijn romans.

    De aanleiding voor Tsjaikovskistraat 40 was de honderdste verjaardag van de Russische revolutie. Dat het geen droge geschiedenisles is geworden, hebben we te danken aan het feit dat de auteur vooral persoonlijke verhalen en anekdotes gebruikt en de Russen met veel liefde beschrijft zonder hun minder fraaie kantjes te verzwijgen of te vervallen in vermoeiende clichés over de Russische ziel of volksaard. Erg aangrijpend is bijvoorbeeld de passage waarin Waterdrinker met zijn vrouw hun dode kat Ljolja gaat begraven in de tuin van het Taurisch paleis, dezelfde plek waar de eerste Sovjet na de Februarirevolutie van 1917 zijn intrek nam, waarna ‘de ruim zeven decennia egalitaire grauwheid en grijsheid het land van Moermansk tot Vladivostok als een doodslaken zou overspannen’. De dialogen in dit boek zijn ijzersterk en wat de stijl betreft, laat Waterdrinker regelmatig zien dat hij meespeelt op het hoogste niveau. Je zou haast zin krijgen om het eerstvolgende vliegtuig naar Tbilisi te nemen als je dit leest: ‘Ik verheugde me op het buitenterras van Hotel Iveria, op het einde van de centrale Roestaveli-boulevard, voorbij het operagebouw, waar de geslaagde lokale mannen, modieus, en de meesten in het zwart gekleed, avondenlang tussen snaarmuzikanten zaten te dineren, de Sovjetchampagnekurken zo hard mogelijk lieten knallen, zongen, terwijl obers telkens nieuwe gerechten kwamen aandragen, als toneelknechten rekwisieten, alsook stenen kruiken witte en rode wijn, die ze vulden door deze simpelweg plonzend onder te dompelen in de eikenhouten vaten die pittoresk tegen een muur met druivenwingerd stonden opgesteld. In Moskou was zelfs de meest beroerde worst, een piepkuiken of een sinaasappel een zeldzaamheid geworden.’

    Zoals je altijd zult zien, was er wel wat kritiek over het waarheidsgehalte van dit boek. Sommigen stoorden zich aan de sterke verhalen. Uiteraard valt niet uit te sluiten dat bepaalde passages wat zijn aangedikt of wie weet zelfs grotendeels verzonnen – of belandt u soms vaak met een dierentemmer, een kunsthandelaar en twee Siberische schoonheden in een Moskovisch luxehotel? Maar op het omslag van dit boek staat heel duidelijk dat het een roman is, dus fictionaliseren mag, zeker als de auteur daar zelf gewoon heel open over is: ‘Je versierde met enig patina je eigen leven, ontleende volop aan wat anderen hadden geschreven, met ruimhartige bronvermelding, verzon er desnoods wat bij, roerde alles door elkaar, als de ingrediënten van een stevig gebonden soep, et voilà: het boek had als het ware zichzelf geschreven. Het trucje van de non-fictie, tegenwoordig zo veelgeprezen, even gelikt als doortrapt.’

    U merkt het al, Waterdrinker schrijft uitgesproken on-Hollands. Dit is geen navelstaarderig grachtengordelproza van een Schrijver die schrijft over de zware beproevingen van het schrijversleven. Waterdrinker heeft trouwens klaarblijkelijk geen hoge dunk van de hedendaagse Nederlandse literatuur: ‘Maar schrijven in het land waar ik vandaan kom is een voortdurend stikken. Terwijl de wereld een stankbel is, geuren de letteren daar als een met ochtenddauw bedekte rozenknop. Het gros schrijft met een knikker in de reet, uit vrees te verraden dat ook zij een aars hebben die kan stinken. Klein geserreerd, met nooit een woord te veel. Wát een literatuur!’

    Zou het geen geweldig statement tegen de spruitjeslucht van de Nederlandstalige letteren zijn als Waterdrinker een belangrijke literaire prijs kreeg voor deze ongegeneerd barokke roman met zowaar een echt belangwekkend onderwerp?

     

     

     

  • Toverboek als inspirerende gids

    Toverboek als inspirerende gids

    In de waanzin van de roes van een tranquillizer besluit dichter Martijn Benders tot een zakelijk plan: het openen van een nachtefteling. Een duistere plek van vermaak waar al het groteske en buitenissige de ruimte krijgt. Deze bundel, deze ‘grimoire’ van nieuwe gedichten, dient beschouwd te worden als ‘een nietszeggende voorbode op de verwezenlijking’. Dat is een bijzondere  introductie voor een verzameling verzen die op geen enkele wijze onder één noemer te brengen is, behalve die van de ongebreidelde vervreemding.

    Laten we het een vorm van extravagantie noemen: de dichter die zich uit in woorden, in regels, in strofes die geen enkele vaste grond onder de voeten bieden. Kan dat een ambitie zijn, het opwerpen van taalvormige rookgordijnen om de lezer te verwarren? Het schuiven met betekenissen, zand in de ogen strooien om het verloop van een gedicht te laten stranden in totale onbegrijpelijkheid? Benders is daar een grootheid in, alsof hij op zoek is naar de ultieme grenzen van wat poëzie teweeg kan brengen.

    Scheer je weg, mijn vriend, maak je uit de voeten.
    Dat aftands gezicht van de barvrouw daar – dat zijn geen sproeten,
    en het is geen knoflooklucht, of walm van loskomend behang,
    nee, het is de stank van lieden die ogelen naar wiffels.

    In dit ‘Stilleventje uit dorpskroeg’ lijkt de dichter weg te vluchten uit zijn stamcafé waar de sleur van de omgeving hem teveel wordt. Zoveel uren in deze stilstaande wereld doorgebracht dat het hem gaat tegenstaan. Er zijn daar zelfs mensen die ‘ogelen naar wiffels’. Dat heeft waarschijnlijk iets met geur te maken, maar is vooral een bepalend einde van een strofe waarmee de lezer in onwetendheid wordt achtergelaten. Wordt hier een nieuwe taal gebezigd? Is dit een Brabantse tongval die alleen door de dichter en zijn landslieden wordt verstaan? Duidelijk is dat Benders wil experimenteren met klank en vorm, waarbij hij nieuwe woorden als plotselinge oprispingen het verloop laat bepalen.

    In die context is het van belang de verzen hardop te lezen, te luisteren naar het ritme en de klankweergave. Vooral het veelgebruikte binnenrijm heeft grote invloed op de beleving:

    De uil ploegt
    hoeiend over de velden.

    De maan reunt
    gehavend door het ruit.

    De neerslag rijgt
    een krinkel van vingerlingen.

    In het schars van hoop
    raakt de wereld kwijt.

    Als ‘vormdichter’ heeft Benders weinig boodschap aan de duiding van zijn werk. Hij weet een specifieke sfeer op te roepen door met grote gebaren een onderwerp aan te raken. Vervolgens trekt hij zich terug in surrealistische frases die op zijn hoogst boeiend zijn om te proberen te ontleden. De dichter lijkt net zo rondtastend door de tekst te struinen als de lezer die zijn bundel ter hand neemt. Een exercitie die voor korte tijd interessant is, maar waar de oppervlakkigheid al snel op de loer ligt.

    Dat blijkt vooral in het laatste gedeelte van de bundel, ‘Toelink’ genaamd. Als in een toegift wordt hier een nogal gevarieerde reeks verzen gepresenteerd die voornamelijk als vorm iets te zeggen hebben. De plaatsing van de ‘magische vierkanten’ in Georgische lettertekens (zonder vertaling) zijn puur decoratief en hebben alleen voor typografisch geïnteresseerden enige waarde. Een vingeroefening als het ‘vierkant’ met varianten op strofes uit het beroemde lied ‘That’s Amore’ is van een Tim Hofman-achtige leutigheid. Klank en ritme zijn hier de gangmakers:

    When the vases are Greek / And they’re stacked in a heap / That’s amphorae.

    When the roses look wet / like the landscape’s been shat / That’s a Monet.

    After some lousy fuck/ you might spot on your jock / chlamydospore.

    Het meest in het oog springend is de openhartigheid van Benders over zijn eigen dichterschap. Hij noemt zichzelf een ‘faalvogel’ en vindt dat ‘Mijn lippen verzaken/ die prachtige rompslomp van woorden, de poëzie’. Die onzekerheid kan een pose zijn, het maakt dat de dichter in ieder geval dichterbij komt door zijn eigen talent aan de kaak te stellen. Een goede tegenhanger voor zijn meer afstandelijke en vervreemdende gedichten. ‘Waar blijf je als schrijver,/ als je lijf zichzelf begint te schrappen?’ bevraagt hij zichzelf in het gedicht ‘Dummy’s’. Of bijna aan het eind van de bundel: ‘Op de barricade van mijn gedichten staat de revolutionaire garde/ met sterretjes in de hand fluisterend mijn terugtrekking te eisen.’

    Zover hoeft het niet te komen. Benders weet met ‘Nachtefteling’ een wereld te scheppen die een veelzijdig beeld geeft van zijn kunnen, maar waarin hij zelf nog een plattegrond nodig heeft om zijn weg te vinden. De grootste uitdaging ligt bij de lezer die moeite moet doen zich door de vormconstructies heen te worstelen, om daarna een volop experimenterende en zoekende dichter te ontmoeten. Als het nachtelijke pretpark wordt geopend is Martijn Benders met zijn toverboek een inspirerende gids.

     

     

  • Ingewikkelde verschijnselen en processen voor leken verklaard

    Ingewikkelde verschijnselen en processen voor leken verklaard

    Bij een verspreking maakt iemand een vergissing: hij verklapt een geheim, zegt iets anders dan hij bedoelde, verhaspelt woorden of verwisselt klanken. Het tegenovergestelde, zou je kunnen zeggen, is misverstaan: je hoort iets anders dan wat er in feite wordt gezegd. Het gaat om zogenaamde ‘faalhandelingen’. De term is van Sigmund Freud, afkomstig uit zijn Psychopathologie van het dagelijks leven uit 1901. Zulke handelingen komen volgens de Weense dokter voort uit onderdrukte gevoelens en conflicten, wensen en verlangens, angsten en motieven die in het onderbewuste zijn opgeslagen, dikwijls met een seksuele ondertoon. Had hij gelijk?

    In De rivier van het bewustzijn besteedt neuroloog Oliver Sacks aandacht aan wat hij noemt ‘mishearings’. Hij hoorde een vriendin zeggen: ‘Ik ga naar choir practice.’ Het verbaasde hem want in al de jaren dat ze elkaar kenden had hij nooit enige belangstelling voor koorzang bij haar opgemerkt. Had ze misschien een nieuwe hobby of ging ze soms luisteren naar een familielid die in een koor zong? Toen hij haar weer terugzag, bleek dat ze niet naar de repetitie van een zangkoor was geweest, maar naar een chiropractor. Ze moesten smakelijk lachen om de vergissing. Een paar dagen later grapte de vriendin: ‘Ik ga naar choir practice’, maar Sacks verstond opnieuw iets anders: firecrackers. Hij realiseerde zich dat zulke mishearings vaker plaatsvonden naarmate hij ouder geworden was, omdat zijn (gedeeltelijke) doofheid toenam. Het is een onvoorspelbaar verschijnsel. Op een willekeurige dag kan het twintig keer gebeuren of juist helemaal niet. Hij nam een notitieboekje in gebruik met als opschrift paracusia. Op de ene bladzij noteerde hij wat hij had gehoord, op de andere bladzij wat er echt werd gezegd. Daarnaast noteerde hij het commentaar van anderen op het misverstand en zijn eigen veronderstellingen over de onzin die hij had menen te horen.

    Hij kan uiteindelijk Freuds opvattingen niet onderschrijven. ‘Hoewel ik af en toe iets zodanig verkeerd versta dat het schaamrood me naar de kaken stijgt, is de eenvoudige freudiaanse interpretatie op het overgrote deel niet van toepassing.’ Het gaat bijna steeds om een gelijke klank of akoestische vorm. De syntaxis wordt altijd behouden, maar de betekenis verandert of Sacks hoort slechts onbegrijpelijke geluidsklanken.

    Mishearings is het kortste hoofdstuk uit De rivier van het bewustzijn, de bundel opstellen die na de dood van Sacks in 2015 verschenen is. Maar je vindt er bijna alle elementen die kenmerkend zijn voor de werkwijze van de populaire arts. Hij weet als geen ander buitengewoon ingewikkelde verschijnselen en processen voor leken toegankelijk te maken. Juist door de minutieuze beschrijving van ziektegevallen – of in het bovenstaande geval: faalhandelingen- krijg je zicht op de (wissel-)werking van lichaam en geest, de rode draad in het werk van Sacks. Hij laat de lezer meekijken bij zijn onderzoek dat voor een groot deel bestaat uit zorgvuldig kijken en luisteren. Door een zekere eigenzinnigheid ontdekt hij dikwijls verbanden die anderen niet zien, vermoedelijk omdat hij nooit in het keurslijf van bureaucratische onderzoeksprogramma’s en universitaire onderzoekscholen heeft gewerkt.

    De samenstellers van de bundel hebben een fraaie keuze van stukken bijeengebracht. Sacks kent zijn klassieken, maar bespreekt hun betrekkelijk onbekende kanten: Darwin als botanist, Freud als neuroloog. Juist bij planten en bloemen kun je de betekenis van natuurlijke selectie scherp zien. ‘Bloemen hadden geen Schepper nodig’, schrijft Sacks over Darwins orchideeënonderzoek, ‘ze waren volledig te duiden als voortbrengselen van toeval en selectie, van minieme opeenvolgende veranderingen die zich over een periode van honderden miljoenen jaren hadden voorgedaan.’ Ook Freud was Darwinist en heeft door zijn onderzoek naar het zenuwstelsel van ongewervelde dieren, in casu de rivierkreeft, ontdekt dat met behulp van dezelfde anatomische cellulaire elementen steeds complexere zenuwstelsels konden worden ontwikkeld.

    In hoeverre zitten psychoanalyse en neurobiologie op één lijn? Dat is de kernvraag achter vrijwel alle onderzoeksactiviteiten van Sacks. Om die vraag te kunnen beantwoorden is het nodig om het bewustzijn van mensen te kennen, hun geheugen en de manier waarop ze de wereld waarnemen en daarnaar handelen, maar ook om te weten hoe de ‘geest’ werkt van wormen, kwallen en andere vormen van leven. Ook in die breinen, zegt Sacks, ‘(…) huist in zekere mate een denkvermogen, ondanks de diepe biologische kloof die ze scheidt van elkaar, en van ons.’ Vanuit dit gezichtspunt kan Sacks uiteraard geen vrede hebben met een zuiver psychoanalytische interpretatie van faalhandelingen. Ach, zegt hij, Freud had het natuurlijk niet helemaal mis, maar hij was misschien wat al te stellig. Faalhandelingen komen niet geheel en al voort uit het onderbewuste. ‘Nu ik de afgelopen jaren lukraak en zonder vooropgesteld doel foutief gehoorde opmerkingen verzamel moet ik wel tot de conclusie komen dat Freud de kracht van neurale mechanismen onderschatte.’

    Maar er is meer. Ook de taal zelf is een factor van betekenis, zij heeft het vermogen om betekenissen uit te wissen en verkeerd gehoorde teksten andere inhouden te verschaffen. Hoe kunnen we die ingewikkelde werkelijkheid ooit begrijpen? ‘We moeten ons voorstellen, als we dat kunnen’, zegt Sacks, ‘dat er in onze hersenen, met hun honderd miljard zenuwcellen, elk met duizend of meer synaptische verbindingen, binnen een fractie van een seconde ongeveer een miljoen neurale groepen of verbindingen tot stand kunnen komen of worden geselecteerd, elk bestaande uit duizend of tienduizend zenuwcellen.’ Misschien krijgen we het niet onmiddellijk duidelijk voor ogen, maar Sacks heeft in ieder geval zijn best gedaan.

     

     

  • Voelen met verstand

    Voelen met verstand

    De psychologe en schrijfster Marte Kaan werd door de filosofen Coen Simon en Frank de Meester gevraagd om nieuw licht te werpen op de redelijkheid aan de hand van een fragment uit Liefhebben, een kunst, een kunde van Erich Fromm. Hoe lastig ook, Kaan probeert het vooral praktisch te houden. Het resultaat is een lichtvoetig maar beslist niet zweverig verhaal.

    In turbulente tijden met korte lontjes, reaguurders, online haters en verhit activisme en anti-activisme lijkt de oproep ‘Wees toch eens redelijk’ best wel… redelijk, eigenlijk. ‘Maar biedt de rede wel soelaas als behalve God ook feiten en objectiviteit in diskrediet zijn geraakt, en particuliere gevoelens bovendien verdacht zijn?’ vragen Simon en De Meester.

    Toiletverfrisser
    Marte Kaan vervat haar antwoord in een essay, waarin ze eigen ervaringen inzet om duidelijk te maken dat het bereiken van ‘redelijkheid’ volgens het recept van Erich Fromm een lange en moeilijke weg is. Echte redelijkheid is volgens Fromm heel wat meer dan rationalisme. Zelfaanvaarding en ootmoed zijn onmisbaar om ons op een redelijke manier tot de wereld en vooral de mensen om ons heen te kunnen verhouden. Echte redelijkheid is niet een kwestie van het loslaten van de ratio op alles en iedereen, inclusief onze eigen gevoelens. Het is meer een kwestie van het verbinden van wat woelt in de onderbuik met het denken in ons hoofd. Het compleet doorvoelen van gedachten en het compleet accepteren en doordenken van gevoelens. Best wel boeddhistisch-achtig inderdaad. Gelukkig weet Kaan de valkuil van narcistisch mindfulness-guruïsme te vermijden. Ze bestrijdt het zelfs, onder meer door te verwijzen naar Selling spirituality, waarin Jeremy Carrette uitlegt dat spiritualiteit heden ten dage is verworden tot een commerciële symboliek die geld opbrengt in alle hoeken van de consumptiemaatschappij, van de meditatie-industrie tot en met ‘Zen’ toiletverfrisser. Dat wil ook weer niet zeggen dat ze alle boeddhistische wijsheden overboord zet. Ze vertrekt vanuit haar eigen ervaringen als psycholoog in de verslavingszorg, haar ervaring als therapeut in leertherapie, als partner in een relatiecrisis, als toegewijd  partydrugsgebruiker en als deelneemster aan een 10-daagse Vipassana-zitmeditatie. Niet omdat daarin het ultieme antwoord schuilt, maar omdat ze bij elkaar opgeteld een beeld bieden van de hobbels op de weg naar de bedoelde redelijkheid (wat ook weer niet lijkt samen te vallen met verlichting of loutering). Ook alternatieve debat- en opinievormingstechnieken als ‘deep democracy’ worden aangestipt.

    Onbehagen en onderbuik
    Aan de hand van Erich Fromm en met behulp van Martha Nussbaum (die in Oplevingen van het denken stelt dat emoties onderdelen zijn van het redeneren zelf), komt Kaan tot een interessante herschrijving van redelijkheid: ‘voelen wat redelijk is, zonder te stoppen met denken.’ En – maakt zij met voorbeelden duidelijk – dat is heel iets anders dan instinctief handelen (gestuurd door reclame, de opinie-industrie of sociale media) en dat al rationaliserend rechtvaardigen.

    Onderbuik biedt geen pasklaar recept voor redelijkheid, wél concrete, weldenkende en relativerende woorden in aangebrande tijden. En er zijn interessante dwarsverbanden met Bas Heijne’s eerdere essay in dezelfde reeks, over Onbehagen.


    Nieuw Licht is een reeks filosofische pamfletten van uitgeverij Ambo/Anthos. Coen Simon en Frank Meester leggen relevante vragen uit ‘klassieke’ teksten van onder meer De Beauvoir, Huizinga, Bourdieu, Rousseau en Aristoteles voor aan ‘de scherpste hedendaagse denkers’. Het leverde essays op over onder meer migratie (van Femke Halsema) onbehagen (Bas Heijne) feminisme (Ewald Engelen) en opvoeden (Daan Rovers). Meer teksten zitten in de pijplijn. Iedere publicatie gaat gepaard met een debat in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam en de Der Aa-kerk te Groningen. Een Nieuw Licht Facebook-pagina bevat alle informatie.

     

     

  • Scènes uit een ongelukkig huwelijk

    Scènes uit een ongelukkig huwelijk

    De Ierse schrijfster Maeve Brennan (1917-1993) werd geboren kort na de Paasopstand van 1916. In die opstand speelde haar vader een vooraanstaande rol. Ze groeide op in een streng katholiek Iers nationalistisch gezin en dat liet zijn sporen na. Toen haar vader gezant werd van de Ierse Republiek in de Verenigde Staten van Amerika veranderde haar leven. Ze begon scherpzinnige columns te schrijven voor The New Yorker en was vaak de talk of the town om haar geschriften. Ook haar korte verhalen werden langs alle kanten geprezen. Na een aantal mislukte huwelijken werd ze een ‘Traveller in Residence’, zonder vaste stek, zwervend van hot naar her, als het even kon met haar hond en haar katten, tot ze uiteindelijk alle greep op de werkelijkheid verloor. Ze stierf onbekend en onbemind, aan lager wal geraakt, in een verzorgingshuis. Pas nu krijgen haar verhalen weer aandacht en wordt ze herontdekt.

    In de bundel De twaalfjarige bruiloft en andere verhalen krijgen we verschillende verhalen uit het leven van één familie. Het zijn geen losstaande verhalen, maar enkele ‘tranches de vie’ uit het moeizame huwelijk van Martin en Delia Baggot. Tragische figuren wier leven zich afspeelt binnen de vier muren van hun kleinburgerlijk huisje in een doodlopende straat in Dublin.

    In het titelverhaal krijgen we afwisselend een innerlijke monoloog van Delia en van Martin naar aanleiding van de twaalfde verjaardag van hun huwelijk. Delia, geïrriteerd omdat Martin de huwelijksverjaardag vergeten schijnt te hebben, wil haar man plezieren, maar ook de verjaardag in herinnering brengen, door zijn kamer op te frissen met enkele bloemen. Het feit dat Martin een aparte kamer heeft, zegt ook al veel. Martin vergeet moedwillig de verjaardag en probeert stilzwijgend te ontkomen aan Delia, de kinderen en zijn huwelijk. De kamers worden elk tot in de details beschreven en staan symbool voor de afgesloten wereld waarin elk personage zich bevindt.
    Delia wordt door Brennan afgeschilderd als een diepongelukkige, maar zwakke vrouw die alles in het werk stelt om haar man te behagen, maar die er niet in slaagt om vat te krijgen op zijn leven. Alleen in haar innige liefde voor haar twee kinderen en de vriendschap voor haar hond en de twee katten, toont de hunkerende en kwetsbare Delia haarwarme persoonlijkheid.

    In de verhalen Het kleed met de grote rozen erop en De sofa komt haar verlangen naar een betere wereld, weg van de sleur van het huis in Dublin, naar boven. De verhalen zijn iets opgewekter en worden met veel kleur beschreven. De kinderen zijn nadrukkelijker aanwezig, en dat maakt het levendiger. Maar toch blijft Delia gereserveerd en houdt ze de touwtjes in handen. Ze wil graag mee met dochtertje Lily op het ‘vliegend tapijt’ en wegdromen, maar dan denkt ze weer aan de vlekken die op het tapijt zouden kunnen komen. De behoefte alles onder controle te houden overheerst. Als een cent van Lily onder de plankenvloer rolt en die alleen teruggewonnen kan worden als het huis ontploft, dan luidt het: ‘Nooit. Nooit. Dat huis ontplofte nooit.’ Een uiting van de onmacht van Delia waaruit blijkt dat ze niet in staat is om ook maar iets aan haar uitzichtloze situatie te veranderen.

    In Het vriendelijke schaduwbeeld is Delia helemaal alleen. De kinderen zijn bij familie op vakantie. Delia dwaalt doelloos rond in het stille huis. De beklemmende sfeer en de onnoemelijke eenzaamheid worden des te schrijnender doordat elke kamer opnieuw tot in detail wordt beschreven. Alleen de hond Bennie kan enige troost bieden. In haar innerlijke monoloog denkt ze ook terug aan een uitstapje met Martin, een zeldzaam moment waarop ze echt eens gelukkig was. Diezelfde eenzame en wanhopige Delia wordt ook beschreven in Het oudste kind, het relaas van de geboorte van haar zoon die kort na de bevalling stierf en waarvan ze nooit afscheid heeft kunnen nemen. Waar anderen het voorval vlug als afgedaan beschouwden, was het voor haar ‘geen doodnormaal voorval en het was nog niet afgelopen’.

    In het laatste en tevens langste verhaal van de bundel, Liefdesbronnen, is Min Bagot aan het woord, de tweelingzus van Martin. Zij is precies het tegenovergestelde van Delia. Min is een sterke persoonlijkheid die een uitgesproken mening heeft over Martin en Delia. Zij zijn inmiddels overleden en Min blikt terug op hun leven. Al snel blijkt dat de familie Martin nooit vergeven heeft dat hij op zijn veertigste het gezin verlaten heeft voor Delia. Ook wordt pijnlijk duidelijk dat Delia nooit aanvaard is binnen Martins familie. Min beschrijft de trouwdag en de vele twijfels rond het huwelijk, maar verkneukelt zich in haar gelijk over het mislukte huwelijk. In de beschrijving van haar leven als oude vrijster, eenzaam in een oud naaiatelier, komt vooral een gevoel van triomf naar boven omdat ze alles en iedereen heeft overleefd, omdat ze altijd gelijk heeft gekregen, omdat ze zich beter voelt dan iedereen. In de laatste regels leert de lezer dat ze op haar kamers een plaats heeft voor iedereen van haar familie, alleen blijft er niemand meer over, en dat maakt ook van haar een tragische en zielige persoon.

    Brennan heeft ongetwijfeld de gevoelens gebruikt die ze zelf heeft ervaren en schrijft tragische verhalen waar de wanhoop, spijt en ongeluk van het blad spatten. Hoewel ze in Amerika woonde, spelen al haar verhalen zich af in het Ierland van toen en beschrijven ze de strenge maatschappelijke verhoudingen van het nationalistische en katholieke land. Geen verhalen waar je vrolijk van wordt,  maar wel het relaas van een rebellie tegen de verstikkende maatschappij van toen.

     

     

  • Liter, ook zonder het c-woord geïnspireerd

    Liter, ook zonder het c-woord geïnspireerd

    Toen Liter een paar nummers geleden besloot het woord ‘christelijk’ uit de naam te schrappen en voortaan als Liter. Literair tijdschrift door het leven te gaan, leidde dat tot reacties van verontruste lezers. De grootste vrees was dat het tijdschrift met het veranderen van de naam wezenlijk van karakter zou veranderen en het levensbeschouwelijke definitief tot het verleden zou behoren. De redactie voelde zich geroepen haar besluit toe te lichten en de lezers gerust te stellen. Zij was niet van plan overtuigingen overboord te gooien. Ze sprak de hoop uit dat Liter zonder het woord ‘christelijk’ in de titel potentiële lezers welwillender tegemoet kan treden. Minder veroordelend zal zijn. Dat recht gedaan wordt aan een breder levensbeschouwelijk perspectief dan alleen het protestants-christelijke.
    Eerst zien en dan geloven, zal een deel van die lezers gedacht hebben. Inmiddels hebben die lezers hun conclusies kunnen trekken.

    Dat de redactie van plan is woord te houden, bleek uit het themanummer waarmee het twintigjarig bestaan van het tijdschrift gevierd wordt. Een nummer geheel gewijd aan G’d, met de gedichtencyclus Quarantaine van Malachi Black als bonus. Een cyclus waarin de getijden leidend zijn; gedichten gebeden lijken en zelfinzicht tot stand komt in gesprek met iemand die het meer dan een mens voor het zeggen lijkt te hebben.
    Een gevarieerd nummer – proza, poëzie en beschouwende stukken – waarin geloof, religie en godsdienst nog net zo letterlijk en figuurlijk aanwezig zijn als voorheen.
    Het nummer opent met 95 Stellingen, een bonte verzameling beweringen over God opgetekend uit de monden van voor de hand liggende en verrassende ‘volgers’.
    De signatuur van het tijdschrift komt ook duidelijk tot uitdrukking in het gesprek met Joost Baars over zijn bundel Binnenplaats, de analyse die Frans Berkelmans maakt van het gedicht Johannes 1:14 van Jorge Luis Borges en de papieren tweespraak tussen Malachi Black en Ruben Hofstra. Speels verwijzend naar de vorm en inhoud van de Bijbel is het gedicht Kohelet of Adviesgroep van Pauliene Kruithof, en ook Koos Geerds geeft een hedendaagse draai aan een Bijbels verhaal, in dit geval dat van Noach. Het minst door religie aangeraakt lijken de bijdragen van gastschrijver Tommy Wieringa. Hij mag dan geen uitgesproken door een geloof geleid schrijver zijn, zijn werk getuigt van een levensinstelling die verre van vrijblijvend is.

    In het ‘kerstnummer’ – nummer 88, eind december verschenen – treedt het levensbeschouwelijke minder nadrukkelijk op de voorgrond, al begint het met een kerstverhaal van Len Borgdorff en een interview met Mieke van Zonneveld voor wie woorden in eerste instantie nog steeds een Bijbelse connotatie hebben.
    In zijn analyse van drie gedichten van Martinus Nijhoff – Soldatenkerstmis, Zingende soldaten en De soldaat die Jezus kruisigde – schrijft Mark de Haan toe naar de Bijbelse werkelijkheid waar de dichter aan refereert. De vraag is alleen of het close readen van De Haan zoveel toevoegt aan de gedichten dat het de ruim zes pagina’s rechtvaardigt die het stuk beslaat, terwijl de gedichten zelf niet zijn afgedrukt.

    Actueel is deze Liter als het gaat om de poëzie van Pierre Boskma. Van hem is een fragment opgenomen van een nog te verschijnen langer gedicht. De gedichten van Hester Knibbe hebben niet alleen iets tijdloos, maar laten zich ook vanuit verschillende invalshoeken lezen. Dat geldt ook voor Man, hond.

    Veel aandacht in dit nummer voor de scheidende gastschrijver Tommy Wieringa. Christely van Mourik herleest Joe Speedboot en Els Meeuse leest De heilige Rita. Deze roman neemt ook een belangrijke plaats in, in het dagboek van Tommy Wieringa.
    Het gedicht De haas van Benno Barnard en een stuk over een haas uit De heilige Rita van Wieringa sluiten wonderlijk mooi op elkaar aan. Het fragment laat bovendien zien hoe zintuiglijk het schrijven van Wieringa is. En hoeveel daarvan verloren gaan als er in recensies in algemene zin over een roman gesproken wordt. Zijn gastrol zit er definitief op na het laatste deel van het vakinhoudelijke edoch baldadige gesprek met Marcel Möring, net als Benno Barnard ook een voormalig gastschrijver.

    Vergeleken met het themanummer over God lijken de bijdragen in het 88e nummer van Liter. Literair tijdschrift een minder grote noodzaak te hebben. Willekeuriger gekozen te zijn. Dat is vanzelfsprekend als er geen thema is dat bijdragen bindt, maar op een of andere manier ontbreekt er een evenwicht. Hoe inhoudelijk en lezenswaardig de afzonderlijke bijdragen ook zijn, Liter is niet meer dan de som van de afzonderlijke delen. Waar hem dat precies in zit, laat zich na het lezen van de laatste drie nummers niet zo eenvoudig vaststellen. Misschien speelt het feit dat zowel een redactie als de gastschrijver een stem hebben in het samenstellen van de nummers die samen een jaargang vormen een rol. Misschien is de diversiteit te groot en wreekt een aantal vaste rubrieken zich louter en alleen door de plaats die ze in het tijdschrift innemen. Maar misschien heeft het ook te maken met de verwachting dat een papieren tijdschrift coherenter is dan een digitale verzameling stukken die onder één noemer verschijnt. Het ligt vooralsnog niet aan het het schrappen van dat ene woord uit de ondertitel.

    Het jubileumjaar van Liter. Literair tijdschrift is voorbij. Volgend jaar is Abdelkader Benali gastschrijver.

    De papieren versie van Liter. Literair tijdschrift verschijnt vier keer per jaar.
    Een abonnement kost € 40,00.

    Liter heeft ook een digitale divisie, die de papieren editie aanvult.

  • Te mooi om waar te zijn

    Te mooi om waar te zijn

    Wie of wat is Grime? Het is niet alleen de nieuwsgierigheid die prikkelt om verder te lezen, ook Wytske Versteegs vloeiende stijl doet dat. Maar voordat de nieuwsgierigheid bevredigd wordt, valt er behoorlijk wat te verstouwen. In niet chronologische vooruit- en terugblikken onthult Versteeg langzaam haar verhaal.

    Een vriendengroep van vier studeert aan Shelterwood, een soort kunstacademie die ‘een veilige haven [moet] zijn, afgezonderd van de bedreigingen van onze tijd, een plek die studenten in staat stelt om zich op alle vlakken te ontplooien.’ De vier zijn Suyin – wier vader het instituut voor zijn kwetsbare dochter heeft opgericht, – haar beste vriendin Sophie, hoofdpersoon en ik-verteller Nino, en Michael, een vroegere vriend van Nino toen hij nog thuis woonde en die tot Nino’s frustratie onverwacht verdwijnt en jaren later even plotseling op Shelterwood weer opduikt.

    Wanen met Grime
    Nino is verliefd op Suyin en de twee hebben een relatie, al laat Suyin zich de liefde vooral aanleunen. In de hete zomer waarin het boek speelt, raakt zij langzaam maar zeker verder weg van de werkelijkheid. Ze wordt vergaand beïnvloed door de virtuele figuur Grime die in haar instabiele geest steeds grotere proporties aanneemt. Ook de fotograferende en filmende Michael imponeert Suyin en voor zijn lopende camera is zij bereid over haar wanen met Grime te vertellen. Als ze haar zelfbeheersing verliest, valt de vriendengroep uit elkaar.

    Obsessie
    Zes jaar later komt de neurotische Nino Sophie weer tegen en krijgen ze een relatie en een kind. Nino probeert een boek te schrijven over de bewuste zomer en het voorval waarmee Suyin ontspoorde. Daarmee voedt hij zijn obsessie: hij kan nog steeds het vroegere verdwijnen en terugkomen van Michael niet verkroppen, noch diens toenmalige invloed op Suyin. Intussen vergeet hij van Sophie te houden. ‘Het is niet jouw geschiedenis,’ is Sophie’s enige verweer, en dat is alles wat er over de zaak wordt gecommuniceerd. Het onderwerp is taboe.

    Waar?
    Waar het verhaal zich afspeelt blijft ongewis. Er is het niet bestaande dorp Mercad, het onbekende eiland Eina en de stad S. waar het altijd warm is maar iemand toch een dikke sjaal om heeft, er zijn zandstormen, jacarandabomen en regentijden en er wordt terugverlangd naar seizoenswisselingen. Verwarrend bijvoorbeeld is dat op de plek waar Nino en Sophie wonen de temperatuur nauwelijks fluctueert, terwijl Nino op een andere pagina terugdenkt aan de architect van hun huis, die daar in de sneeuw en de kou moet hebben gelopen. Versteeg verbleef tijdens het schrijven van Grime een tijdlang in Californië, wat haar bij de keuzes voor plaatsen en natuur parten zal hebben gespeeld.

    Parasiet
    Na een veelbelovend begin slaat gaandeweg het lezen de teleurstelling toe. Versteeg lardeert het boek met veel wetenswaardigheden en onderwerpjes die er niet toe doen, zoals oorlogsfotografie en het groeien van een kreeft. Ze leiden af van het verhaal en komen de coherentie van de roman niet ten goede.

    De vier personages blijven vaag en aan de oppervlakte. Wat hen drijft is een raadsel, evenals de oorzaak van Nino’s angst en obsessie. Suyins geesteszieke gedrag heeft nog de meeste diepgang. Het verhaal lijkt om haar ongrijpbare psyche te draaien, maar uiteindelijk is het Nino die voortdurend naar houvast zoekt. Als een parasiet klampt hij zich aan zijn vrienden beurtelings vast. Vroeger thuis aan Michael, later aan Suyin, daarna zoekt hij zekerheid bij Sophie en dan nogmaals bij Michael.

    Te mooi
    Desondanks heeft Versteeg de gebeurtenissen knap door elkaar geweven en ook aan weldoordachte stilistische perfectie ontbreekt het haar niet. Deze doet door de tekst heen snellen, maar helaas gaan in diezelfde taalkundige vaardigheid sfeer en details soms ten onder. De korte gruwelscène van kat en trein doet obligaat aan en had achterwege kunnen blijven.

    Hoe intrigerend het verhaal ook in elkaar zit, hoeveel onderwerpen Versteeg, ongetwijfeld verantwoord, ook aanstipt en hoe prachtig geschreven ook, ergens halverwege ontstaat twijfel aan de authenticiteit van de vertelling. De auteur lijkt haar fantasie niet in de hand te hebben gehad, heeft het allemaal te mooi willen maken. Dat is jammer, want de kracht van goede fictie zit voor een groot deel in de geloofwaardigheid. Wellicht is ook het lang uitblijven van de cruciale scène er debet aan, omdat we dan al weten dat het drama niet zo vreselijk groot was en de gevolgen uiteindelijk weinig schokkend. Grime heeft een ingenieuze maar overgedoseerde plot en mist de impact die het had kunnen hebben.