Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Gemeenschapszin in een klooster

    Gemeenschapszin in een klooster

    Esther Gerritsen geldt als een van de belangrijke hedendaagse Nederlandse schrijvers en uit De Trooster blijkt waarom. Haar boek is stilistisch goed en de thematiek is maatschappelijk zeer relevant. De vertelling gaat over een politicus die in diskrediet is geraakt en zich terugtrekt in een klooster. Het verhaal stelt misdragingen aan de orde die deels onbestraft blijven, en gaat over het religieshoppen in de deze tijd. Over wat vriendschap inhoudt en wat het over iemand zegt als hij of zij vriendschap sluit met een persoon die verdorven blijkt te zijn. Ook de thematiek van botsende werelden, die van geloven en niet geloven, van idealisme en cynisme, wordt uitgewerkt.

    Sympathieën in tijden van secularisering
    Hoofdpersonage is een onaantrekkelijke conciërge in een klooster. Hij is diepgelovig en treft in de politicus een atheïst. Er volgt een poging hem te leren over het katholicisme, maar de politicus maakt zo nu en dan het naïeve geloof van de conciërge belachelijk. Hiermee stelt Gerritsen een thematiek aan de orde die herkenbaar is voor veel mensen. Velen nemen in tijden van secularisering gelovige mensen niet serieus, omdat ze de werkelijkheid blijkbaar duiden met een gedateerde visie op iets hogers, waar geen bewijzen voor zijn. De ongelovige lezer zal zich snel vereenzelvigen met de denkbeelden van de politicus. Maar Gerritsen doet iets interessants; ze laat zien dat de politicus slecht is en wrijft daarmee de lezer in dat hij of zij zich met deze nare man, of althans met zijn denkbeelden, heeft geïdentificeerd. Ze laat in feite zien dat religie misschien naïef is, maar dat veel religieuze mensen uiteindelijk goede mensen zijn en in sommige opzichten beter dan atheïsten met een cynisch wereldbeeld.

    Misbruik buiten de kerk
    Gerritsen kiest er niet voor om het misbruik in de katholieke kerk aan de orde stellen maar om juist te laten zien dat misbruik overal voorkomt,  ook buiten de kerk.  Ze weet empathie op te wekken voor de conciërge. Ze neemt hem serieus en laat zien dat naïeve mensen ons respect verdienen. Boeiend is de rol van vrouw van de politicus, die hem nadat hij haar verlaten heeft, komt opzoeken in het klooster om hem ertoe te bewegen bij haar terug te keren. Zij overschrijdt grenzen en lijkt haar man alles te vergeven. Het is echter vooral de politicus zelf die tot grensoverschrijdend gedrag komt.

    In een klooster heerst een gemeenschapszin die voor mensen van buiten aantrekkelijk kan zijn. Zij willen in tijden van jachtigheid even vluchten naar een veilige coherente wereld die minder van hen vergt. Dat is de achtergrond van de impuls die veel mensen voelen om zich even terug te trekken in een klooster waar een ander levensritme heerst.

    Behoefte aan begrenzing
    De filosoof Ad Verbrugge stelde ooit dat dat begrenzing een menselijke oerbehoefte is. Als er teveel op je afkomt, kan een periode in een klooster helpen om tot rust te komen. Het gaat om een coherente omgeving die katholicisme ademt: in geluiden en geuren maar ook in details van alles wat men ziet: van reli-kitsch tot exotische religieuze dracht die andersheid symboliseert.

    De gemeenschapszin in een klooster is een van de thema’s in het boek. Gerritsen laat zien dat deze gemeenschapszin positieve en negatieve effecten heeft. Een klooster kan in verband worden gebracht met het begrip ‘total institution’ van de socioloog Erving Goffman. Deze liet zien dat het met een groep verblijven in een coherente omgeving impact heeft op de individuen die deel van deze groep uitmaken. Vergelijkbaar met een klooster zijn in die zin bijvoorbeeld een psychiatrische inrichting, een gevangenis, een kostschool of een duikboot.

    De politicus probeert weg van zichzelf te vluchten naar een wereld die de zijne niet is. Hij wil begrensd worden, maar overschrijdt zelfs, of juist in deze in letterlijke en figuurlijke zin begrensde wereld, de grenzen. Als mens kun je uiteindelijk niet aan jezelf ontsnappen.

    Katholieke thematiek
    De stijl van het boek is in eerste instantie onberispelijk. Er staat geen woord teveel in, maar soms wel een woord te weinig. Gerritsen schrijft een lange beeldende zinnen. Hoe ze schrijft sluit aan bij de Nederlandse literaire traditie van (calvinistische) soberheid. Dat is misschien een probleem in de Nederlandse literatuur: schrijvers kiezen vaak voor soberheid in plaats van stilistische exuberantie. In die zin wordt er in de Nederlandse letteren een soort universele stijl gebruikt. Gerritsen is er een van de belangrijkste exponenten van. Het is een vorm die Gerritsen duidelijk beheerst. Door de thematische rijkdom, de actualiteitswaarde en de beschreven wrange wisselwerking tussen naïviteit en verdorvenheid, is deze roman zonder meer een aanrader.

     

  • Poëzie in vele vormen en niets hetzelfde

    Poëzie in vele vormen en niets hetzelfde

    De eerste editie van het tweejaarlijkse tijdschrift Het Liegend Konijn, bevat werk van vierendertig dichters, waaronder Gilles Boeuf, Fleur Bourgonje, Fred Papenhove, Vicky Francken, Anne Büdgen, Luuk Gruwez, Bernke Klein Zandvoort, Mustafa Stitou, Delphine Lecompte, Florence Tonk en Arno Van Vlierberghe. Samen zijn ze goed voor 173 gedichten. Altijd weer een plezier door dit boekwerk (256 p.) met pril materiaal te bladeren. De verscheidenheid doet de aandacht niet verslappen, wat bij een bundel van een dichter nog wel eens kan gebeuren. Niet omdat het werk zou vervelen maar meer omdat er een soort van overdaad kan optreden die eerst verteerd moet worden om weer verder te kunnen lezen. Bij een bloemlezing als HLK, wordt de lezer steeds opnieuw geprikkeld door een andere dichter, andere stijl en thematiek.

    Er is poëzie die direct aanspreekt en er is poëzie die je steeds opnieuw moet lezen om te begrijpen wat er staat, om dan te ontdekken dat er bij iedere lezing weer iets anders staat. Er is poëzie die zich niet laat lezen, die je moet ondergaan, zoals de gedichtencyclus over een man en een huis en een – waarschijnlijk – vrouwelijke ‘ik’, ‘In de nacht’ van Eva Gerlach (1948).
    Zeven gedichten met de volgende titels: ‘droom over U (1), een nacht – Thies – soms – adem –  ga! – dag – droom over U (2)’. Wil je de woorden, de opeenvolging van de woorden die Gerlach heeft gebruikt tot een verhaal maken, dan lukt dit niet. Zelfs als je voor een moment denkt te begrijpen wat er staat, krijg je het niet te pakken, kun je het niet navertellen. Maar mooi is het wel. Zoals in Ga!:

    Ik smeet de kortste zijn van boven tegen
    het dak, het huis brak overlangs
    open tot op zijn ijzers. Iemand hield zich
    schuil in de fundamenten, knieën hoog
    tegen de borst, armen kruiselings. Klein, erg
    klein, het kind dat we niet kregen.

    Direct aansprekende poëzie is de tien-luik in prozagedichten, ‘Duivelskermis’ van Lucas Hirsch (1975). Beeldend taalgebruik in proza-achtige fragmenten, de een langer dan de ander. Over verlies, afscheid en vooral afstand nemen van de dingen om de ‘ik’ heen. Een vader sterft en de relatie van de zoon loopt ten einde. In tien genummerde gedichten wordt een heel leven weergegeven. Waarvan hier nummer 8 van de tien-luik:

    Na het laatste nummer aangehoord te hebben was het aan ma / een laatste klap te geven op het leven van pa. Zuinig was de mond / die openging. Karig de woorden die gekozen werden hem tot zin te maken / We prevelden een gebed en volgden vader naar het graf dat een ritje verder / op hem lag te wachten in het waterkoude weer van dienst / Ik dacht er mijn huwelijk in te herkennen en kromp ineen.

    Op de dag dat dichter Nachoem Wijnberg de P.C. Hooft Prijs kreeg uitgereikt (23 mei), liet hij in een interview (Trouw) weten dat poëzie niet moeilijk is. ‘Moeilijk? Als je maar niet zoekt naar een gesloten wereldbeeld of een redenering met een uitkomst. Er staat wat er staat.’ Laten we lezen zoals Nachoem Wijnberg voorstelt: Lezen wat er staat en laat de rest zijn werk doen.

    Deze poëziebloemlezing leent zich daar goed voor, te lezen wat er staat en te kijken wat er gebeurt. Te beginnen met een cyclus van vijf gedichten door Obe Alkema (1993). Alkema loodst de lezer door de tijd waarin hij zowel Simone Weil , Netflix als Wim Kok opvoert op een wijze als was hij ermee opgegroeid. Indrukwekkend ook hoe hij zichzelf in dat tijdsbeeld registreert, alsook voorbije tijdsbeelden naar zich toetrekt. ‘Dat ik niet in staat ben / aflevering na aflevering Black Mirror te bingen / heeft niets te maken met eventueel verzet tegen de manipulatie van Netflix / maar met mijn empatisch hart, mijn liberale emoties / die me na 45 60 90 minuten dystopie verlammen. Mijn flanken staan open.’ Getuigenis van zelfkennis ook: ‘Laat ik me dan nu ook kwetsbaar opstellen en het niet meteen weer deleten.’ Alkema publiceerde nog geen bundel maar dat zal, naar vermoed, niet lang op zich laten wachten.

    Paul Desmets (1966) schreef onder het begrip ‘Taxonomis’ (ordening en naamgeving in het planten- en dierenrijk) vijf gedichten, bestaande uit drie kwatrijnen afsluitend met een concluderende, enkele regel. Met titels als ‘Zwaluwen’, ‘Wolf, ‘Eik’, ‘Motten’ en ‘Grondeling’.  Desmets roept werelden van heden en verleden op met ‘Wie haalt nu neer, hanteert de bijl? Dit huis kruipt in mijn botten. / De stoel die ooit weer boom zou worden schilfert. / Zijn mond zakt open als hij slaapt. De kamer bewaart / ons zwijgen. Traag groeien de wijzers terug naar elkaar.’

    Zoals Jozef Deleu in zijn inleiding – waarin hij de stand van de poëzie, aan de hand van het essay ‘Waarom we poëzie haten’ van Ben Lerner, opnieuw peilt – laat weten dat poëzie ‘perspectief en diepgang’ aan onze ervaringen en inzichten verleent. Alleen daarom al zou er poëzie gelezen moeten worden. Lezen zonder het te willen begrijpen, is een voorwaarde. Het mooie van dit poëzietijdschrift van formaat is dan ook dat het zich uitstekend leent om op vakantie me te nemen in rugzak of koffer. Zodat niet alleen de geografische blik verbreed wordt maar ook de blik op de poëzie. Dan kan er zomaar uit deze prachtige bloemlezing een favoriete dichter naar voren komen, wiens werk je anders niet onder ogen zou krijgen.

    Het Liegend Konijn.be

     

     

  • Elke plek vertelt een verhaal

    Elke plek vertelt een verhaal

    Verdwaaltijd is de debuutroman van Kathy Mathys, die onder meer Engelstalige literatuur recenseert voor De Standaard. Haar referentiekader is dan ook duidelijk Angelsaksisch, hoewel het boek zich gedeeltelijk afspeelt in de Verenigde Staten. Een van de kerngedachten van deze roman, dat landschappen de innerlijke gesteldheid en de levens van mensen ingrijpend beïnvloeden, leidt de lezer van de straten van Brussel naar het lege landschap van de Mojave-woestijn en de imposante mammoetbomen van het Californische Humboldt Redwoods State Park. Dat maakt Verdwaaltijd een zeer atypisch boek voor een Vlaams auteur: van de beklemmende dorpssfeer en de bedompte bijkeukenlucht die de boventoon voert in veel Vlaamse romans naar de weidse, Amerikaanse landschappen, is een grote stap. Ook een verademing, eerlijk gezegd: zet die ramen maar open.

    In Verdwaaltijd worden een aantal verhaallijnen door elkaar gevlochten die grotendeels ondergeschikt zijn aan de ideeën en vooral aan de sterke, intrigerende personages. Deze laatsten krijgen ruimschoots de tijd om traag te groeien, een beetje zoals de eeuwenoude redwoods. Ze zijn overtuigend neergezet en dienen zeker niet louter ter ondersteuning van de plot. Meer nog, het omgekeerde lijkt het geval te zijn. Verpleegster Emma wordt bijvoorbeeld uitvoerig getypeerd met passages als: ‘Het meest hield ze van de nachten. In de late uren daalde er een rust neer over de gangen, kreeg het ziekenhuis iets van een onderzeeër die zijn eigen koers bepaalde. De geur van haarlak en onbehagen die de bezoekers omringde, verdween en de scheidingslijn tussen binnen- en buitenwereld werd scherper.’

    Niet alleen zij, maar ook haar breekbare vriendin Marcia (‘Het liefst dwaalde ze ’s ochtends of ’s avonds in een mild licht dat de contouren van haar leven liet vervagen’), kunstenaar Ben, de Amerikaanse schrijver David op wie ze verliefd wordt of de mysterieuze Kay, die regelmatig in de wildernis verdwijnt: allemaal lopen ze in zekere zin met hun ziel onder hun arm, kampen met een knagend gemis, zijn letterlijk en figuurlijk aan het dwalen. Hapklare oplossingen zijn er niet, het blijft spartelen, maar door het mededogen waarmee Mathys deze hulpeloze wezens beschrijft, krijgen ze veel krediet van de lezer. Door de overtuigende psychologie van de personages is Verdwaaltijd dan ookeen boek dat langzaam maar zeker openbloeit.

    De geesten van natuurschrijvers als Henry David Thoreau of John Muir, die niet toevallig met naam en toenaam worden genoemd in het boek, houden zich discreet op in deze roman. De aantrekkingskracht van de wildernis en zelfs de sfeer van Jack Kerouacs On the Road zijn voelbaar aanwezig in Verdwaaltijd. Wie daarvan houdt, kan zijn hart ophalen aan dit boek, waarin de landschappen niet enkel als sfeerschepping zijn bedoeld, maar hun eigen karakter hebben. De vrijheidsdrang en het verlangen om te verdwalen, laten zich niet temmen: ‘Het is lastig om te verdwalen in de buitenwijken van Amerikaanse steden. Hun stratenplan is al te redelijk, niet overal zijn voetpaden. De dwaler die zijn natuur verloochent en er blijft wonen, heeft drie opties: gek worden, zich dooddrinken of overspel plegen, zoals de personages in de romans van John Updike. Ik weet niet welk van de drie Kay had gekozen, als ze gebleven zou zijn. Het hele idee is onbevattelijk, ze kon niet anders dan vertrekken.’ Dit is een herkenbaar levensgevoel voor wie daar affiniteit mee heeft.

    Welke impact heeft een landschap op je psyche? Word je een ander mens in een grote stad, een woestijn of bos? ‘Ik geloof dat landschappen hun stempel drukken, dat de manier waarop we praten en bewegen voortvloeit uit dat landschap en dat je een verhaal schade toebrengt wanneer je het wegrukt uit zijn context,’ schrijft David Trevor ergens. Elders klinkt het zo: ‘Wie de woestijn niet kent, denkt dat het een zandvlakte is, bar, droog, monotoon. Ook ik had onderschat hoe divers en kleurrijk de natuur zich er manifesteert. Vlak achter het huis rees een bergrug op uit het zand. Vanuit de keuken zagen we hoe die het licht weerkaatste.’ Het is een herkenbare passage voor wie ooit een voet in het zand van de Mojave heeft gezet, net zoals je de iets prozaïscher beschreven geur van pis en suikerwafels meteen weer ruikt als je weleens in het Brusselse Centraal Station komt. Misschien werkt het ook in de omgekeerde richting, en denk je nog eens terug aan dit verrassende boek als je daar de volgende keer met dichtgeknepen neus door de ondergrondse gangen loopt.

     

     

  • Gevaarlijk spel met de vrijheid

    Gevaarlijk spel met de vrijheid

    Sommige klassiekers krijgen door een verfilming een soort tweede leven. Dat geldt bijvoorbeeld voor de moeder der briefromans, Les liaisons dangereuses (1782) van Pierre Choderlos de Laclos, fameus naar het witte doek gebracht in 1988 met John Malkovich in de hoofdrol. Misschien is het personage Gilbert Osmond in de filmversie van The portrait of a lady (uit 1996) hem zelfs nog wel meer op het lijf geschreven. In deze rol koppelt Malkovich een hooghartig charisma aan een reptielachtige kilheid; precies zo leer je de man kennen voor wie Isabel Archer jammerlijk valt in de klassieke roman van Henry James.

    Na 136 jaar is er nu een sequel uitgekomen van dit iconische vrouwenportret. De Ierse auteur John Banville beschrijft in zijn nieuwste roman hoe het Isabel vergaat nadat haar huwelijk met Osmond op een breekpunt belandde. Een gewaagd project, kwetsbaar voor kritiek. Maar Banville slaagt er wonderwel in om bij de sfeer van James te blijven en het verhaal tegelijk verder te brengen.

    Terug naar 1881
    Mevrouw Osmond kan worden gelezen zonder voorkennis, daar heeft Banville wel voor gezorgd. Het plaatje wordt echter wel rijker met Portret van een dame in het achterhoofd. Henry James vertelt het verhaal van een jonge Amerikaanse vrouw die eind 19eeuw in Europa belandt met haar Engelse tante. Er melden zich in Londen onmiddellijk huwelijkskandidaten voor de knappe, intelligente en zelfbewuste miss Archer. Ze wil zich echter niet binden maar een eigen leven leiden, onafhankelijk en vrij. Als haar een grote erfenis ten deel valt, naar later blijkt op instigatie van haar geliefde neef, lijkt de wereld aan haar voeten te liggen. Ze trekt er dan ook op uit, zonder een vastomlijnd doel voor ogen. Nauwelijks op reis stuit ze in Italië op Gilbert Osmond. Deze wat oudere weduwnaar weet haar gewiekst in te palmen en zo trouwt Isabel Archer tegen alle verwachtingen in, nog voor ze goed en wel van de vrijheid heeft geproefd. Al snel toont Osmond zijn ware, benepen gelaat en realiseert Isabel zich haar vergissing. Deugdzaam getrouwd en juist daarom een gevallen vrouw. Het blijkt zelfs nog erger dan gedacht, want haar echtgenoot houdt een duister geheim verborgen. Wanneer ze hierachter komt, trotseert ze Osmond door af te reizen naar Londen om haar stervende neef Ralf voor de laatste keer op te zoeken. Henry James sluit zijn roman af als Isabel nadien besluit terug te keren naar Rome, trouw blijvend aan de keuzes die ze gemaakt heeft en aan haar nieuwe zelf.

    Modern jasje
    Het vervolg van John Banville, twee eeuwwisselingen later, begint precies op dat moment: Isabel is nog in Londen, maar haar voornemen om de confrontatie met Gilbert Osmond aan te gaan staat vast. Hoe en wanneer, dat moet nog blijken. Net als bij Henry James richt de roman zich vooral op het web van contacten en intriges rondom Isabel Archer. Elk gesprek dat gevoerd wordt is een schaakpartij. Of het nu gaat om een vriendin, een biechttante of om een aartsvijand, ontmoetingen vormen zonder uitzondering een energievretend spel van zetten en tegenzetten. Tussentijds probeert Isabel haar strategie te bepalen, ze maalt en piekert over eerdere gesprekken of toekomstige conversaties. Hoewel ze in haar leven geen uur heeft hoeven werken en een dienstmeid de reiszaken behartigt, wordt vaak beschreven dat ze moe is, hoofdpijn heeft, of sombert. De sprankelende Isabel Archer uit de eerste 300 pagina’s van Henry James’ roman bestaat niet meer. In haar plaats is een gekooide vrouw gekomen, die zich continu bewust is van zichzelf en haar positie.

    Bij zowel James als Banville ligt de aandacht dus bij  het tactisch laveren van de hoofdpersoon door een mijnenveld van sociale interactie. Hierdoor blijft de protagoniste wat meer op afstand dan bijvoorbeeld het geval is in twee andere romans uit de 19eeuw, die eveneens vrouwen portretteren in een slecht huwelijk: Anna Karenina en Madame Bovary. Beide werken bevatten meer innerlijke conflicten, een breder palet aan gevoelens, een grotere mate van menselijkheid. Tolstoj hanteert zelfs op een beslissend punt in zijn roman een vroege vorm van stream of consciousness die de lezer bij de psyche en emoties van Anna Karenina betrekt. Isabel Archer zien we daarentegen alleen maar calculeren en nadenken. Ze wordt louter begrepen in haar zelfgekozen houding ten opzichte van de buitenwereld. Het huwelijk dat ze sluit is een inschattingsfout, een vergissing, je zou het zelfs een flater kunnen noemen. Uiteindelijk brengt deze misstap niet veel meer teweeg dan een gevoel van schaamte en een buts in het zelfbeeld. Emma en Anna vallen met hun hele wezen en onomkeerbaar.

    Voortborduren
    Mevrouw Osmond is niet alleen een vervolg, het is ook een interpretatie van de roman van Henry James. Banville probeert datgene wat eerder gebeurd is te duiden en van motieven te voorzien. Over de redenen dat Isabel Archer trouwde met Gilbert Osmond noteert hij: ‘Wat ze begreep was dat ze toen ze jong was niet verliefd was geworden op Osmond, maar op zichzelf, via hem.’

    De drijfveren van Osmond zijn prozaïscher. Hij zou met Isabel in zee zijn gegaan om haar geld. Dit lijkt een versimpeling van zaken, omdat het voorbijgaat aan het duistere spelelement dat eveneens (en nog sterker) voorkwam in Les liaisons dangereuses; het verleiden om het verleiden, om te zien of het lukt, om de smaak van de overwinning te proeven, onverschillig voor wat het met die ander doet, behalve op het niveau van afstandelijke observatie.

    Net als Portret van een dame kent Mevrouw Osmond een langzame opbouw. Pas in het laatste deel wordt er gehakt en vallen er dan ook spaanders. Eerst is er de confrontatie met Serena Merle, de vrouw die samen met Gilbert Osmond de val opzette voor Isabel. Geraffineerd vertelt Banville niet rechtstreeks over de belangrijkste uitkomst van deze ontmoeting, – die blijkt pas later, en deze truc herhaalt hij wanneer mevrouw Osmond uiteindelijk weer oog in oog staat met haar man. Op deze manier wordt de spanningsboog tot het eind toe in stand gehouden. Gelukkig maar, want vanwege de al genoemde afstandelijkheid en de wat monotone verhaalontwikkeling is Mevrouw Osmond geen roman om in sneltreinvaart uit te lezen. Deels kan dit misschien ook worden geweten aan de enigszins stroeve vertaling, verzorgd door Arie Storm, waarvan de zinsbouw niet uitblinkt in soepelheid. Wel zijn de metaforen van Banville bijna allemaal voltreffers. Deze bijvoorbeeld: ‘(…) terwijl haar gedachten doelloze cirkels aflegden, als een windvlaag die vastliep aan het eind van een doodlopende steeg’.

    Het einde van het spel
    Mevrouw Osmond geeft een naadloos vervolg aan Henry James’ Portret van een dame en in die zin is het boek zondermeer een succes te noemen. Banville, die het bronmateriaal bewondert, levert vakwerk af en weet de sfeer van de klassieker dicht te benaderen. Isabel Archer was al een memorabel personage en dat wordt alleen maar versterkt door deze nieuwe roman. Toch weet het dubbelpaneel relatief weinig substantie te geven aan de protagoniste die voorbij de ratio gaat. Misschien zit daarin echter juist de eigenheid van dit literaire portret: de manoeuvres van een vrouw uit de 19eeuw die haar eigen lot wil bepalen werden zelden zo nauwgezet beschreven.

     

     

  • Over poëzie schrijven en lezen met een selectie uit de Nederlandstalige poëzie

    Over poëzie schrijven en lezen met een selectie uit de Nederlandstalige poëzie

    De Amerikaanse dichter Charles Simic vertelde in een interview in het tijdschrift Artful Dodge over hoe hij een keer met een schoolklas zijn gedicht ‘Knife’ behandelde. Een meisje stelde een vraag over het gedicht dat ze niet helemaal begreep, en een ‘echt ruige kerel’ zei tegen haar: ‘Je weet het als je een goed mes hebt, omdat het fijn in je hand voelt, weet je, een fijne, kleine stiletto.’ Simic merkt daarover op: ‘Hij had gelijk! Hij had compleet gelijk! Ik bedoel, dat is het hele idee van het gedicht, hoe het voorwerp aanvoelt, het mes in je hand.’ Het is een prachtige anekdote die laat zien hoe sterk poëzie in het ‘echte leven’ geworteld kan zijn, en hoe alledaagse ervaringen een gedicht voor je kunnen openbreken.

    In hun boek Woorden temmen stelt dichtersduo Kila&Babsie (respectievelijk Kila van der Starre en Babette Zijlstra) vragen aan de lezer, over gedichten. Het zijn niet de vragen die je normaliter op de middelbare school of universiteit gesteld krijgt om te controleren of je een begrip als ‘enjambement’ wel begrijpt. Zo’n term legt het duo weliswaar uit – naast de meeste andere belangrijke poëziebegrippen –, maar het lijkt vooral te gaan om vragen die doen denken aan de ruige kerel van Charles Simic. Het eerste gedicht in het boek is ‘De idioot op het dak’ van Tjitske Jansen, waarin iemand dronken op het dak van haar ex klimt (die inmiddels is verhuisd). Kila&Babsie stelt daarover onder meer deze vragen: ‘Welke gênante momenten heb jij meegemaakt? Wat was er stiekem komisch aan die momenten?’ Simic zou zeggen: dáár gaat het gedicht over.

    Wat interessant is aan Woorden temmen, is dat Kila&Babsie een draai geven aan de ongeschreven regel dat een goed boek over poëzie schrijven in de eerste plaats een goed boek over poëzie lézen is. Ze laten de lezers namelijk zelf gedichten schrijven, met aanwijzingen als: ‘Hoe vertel jij jouw gênante moment na? […]  Wat deden andere personen tijdens jouw gênante moment?’ Zelf noemen ze het een poëzie-doeboek (een benaming die helaas niet zelf in het boek te vinden is), en dat is een adequate omschrijving. De lezer wordt niet alleen aan het denken gezet, maar per gedicht houden ze ruimte open zodat je zelf in Woorden temmen kunt schrijven.

    Naast twee gedichten van Tjitske Jansen, behandelen Kila&Babsie een fijne selectie uit de Nederlandstalige poëzie. Echt representatief is die niet – weinig Belgen bijvoorbeeld –, maar dat maakt niet echt iets uit; de samenstellers kozen immers voor hun eigen lievelingsgedichten. Ze kiezen voor toegankelijke dichters als Ingmar Heytze, C. Buddingh’ en Jules Deelder, maar ook voor ontoegankelijkere collega’s als Hans Faverey, Hélène Gelèns en Vicky Francken. Heel mooi is hoe de complexe poëzie van Martijn Teerlinck wat dichterbij de lezer gebracht wordt, door die uit te nodigen tot de associaties in dat gedicht bloot te leggen, zowel op inhoudelijk als klankniveau. Het duo stelt ook weer zo’n vraag die mooi is in haar alledaagse, aardse eenvoud: ‘Soms is het de betekenis die we mooi vinden, soms de klank, soms de spelling, soms het ritme. Hoe zit dat bij jouw lievelingswoorden?’

    Toch lijkt er iets aan Woorden temmen te missen. Het is mooi hoe vrij lastige dichters als Teerlinck of Faverey dichter bij de lezer gebracht worden, juist door een beroep te doen op concrete ervaringen. Tegelijkertijd blijft het gevoel dat er vaak net wat meer over het gedicht zelf gezegd had kunnen worden; dat de nadruk iets meer op de tekst had kunnen liggen en iets minder op de lezer. Van Faverey wordt bijvoorbeeld opgemerkt dat hij het in zijn gedicht ‘Het sneeuwt’ tegelijkertijd wel en niet laat sneeuwen, maar er blijft iets knagen: dat het gedicht misschien nog net wat uitgebreider of diepgaander behandeld kon worden. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat Woorden temmen geen lesboek is, maar vooral een doeboek. De titel laat ook wel zien dat een uitputtende, diepgravende analyse niet het doel van het boek is: de wilde woorden worden weliswaar getemd, maar ze worden nooit helemaal tam. Een gedicht is immers vaak ook het mooist als het een geheim blijft houden; iets waar je net niet bij kunt.

     

     

  • De liefde tussen Eleanor Roosevelt en Lorena Hickok

    De liefde tussen Eleanor Roosevelt en Lorena Hickok

    ‘Lorena Alice Hickok, je bent de verrassing van mijn leven. Ik houd van je. Ik houd van je lef. Ik houd van je lach. Ik houd van je manier van schrijven. Ik houd van je prachtige ogen en van je prachtige huid en ik zal van je houden, tot de dag van mijn dood.’ Dat zegt First Lady Eleanor Roosevelt, als Hickok haar intrek neemt in het Witte Huis in een kamer naast de hare. Lorena antwoordt: ‘Anna Eleanor Roosevelt, jij verbazingwekkende, volmaakte, onvolmaakte vrouw, je hebt me overdonderd. Ik houd van je. Ik houd van je vriendelijkheid en je brille en je zachte gemoed. Ik houd van je manier van dansen en van je prachtige handen en ik zal van je houden tot de dag van mijn dood.’

    De sfeer is gezet – en  de lezer heeft, voor zover hij  haar werk (zoals Wij geluksvogels, 2015) nog niet kent, kennis gemaakt met de prachtige stijl van Amy Bloom.

    Levensverhaal

    De vijfde roman van Amy Bloom is gebaseerd op ruim drieduizend brieven die Lorena Hickok (1893-1968) en Eleanor Roosevelt (1884-1962) aan elkaar schreven en die worden bewaard in de Roosevelt Library.
    Tijdens een weekend vertelt Hickok Roosevelt haar levensverhaal. Ze komt uit een arm gezin in Zuid-Dakota, met een gewelddadige vader en een moeder die dit niet aankon en stierf toen Lorena dertien jaar was. Daarna trok ze als scholiere enige tijd in bij de familie van haar vriendin Lottie Miller, waar ze zich zoveel mogelijk dienstbaar probeerde te maken. Na deze periode kreeg ze in Milwaukee een baan als societyverslaggeefster, en werkte zich op als allround redactrice die als eerste vrouw het voorpagina-artikel in The New York Times schreef.

    Arm en rijk

    De uitgever schaart het boek onder het genre ‘historische fictie’. Dat wil zeggen dat de roman is gebaseerd op de liefdesrelatie tussen Hickok en Roosevelt, maar dat veel eromheen het product is van de verbeelding van de auteur. Het gaat erom, dat je als lezer mee kunt leven, je kunt inleven. Zonder dat dit gebeurt op de manier van negentiende-eeuwse historische fictie, zoals historische romans. Hierin wordt het hoofdpersonage immers uitvergroot, en worden minder goede karaktertrekken verdoezeld. Dat is hier niet het geval, want Lorena zegt bijvoorbeeld op een gegeven moment dat ze klinkt ‘als de boerenkinkel die ik ben en als de rookster die ik was en de drinkster die ik, zo verwacht ik, zal blijven’.

    Bloom past ook andere stijlelementen toe. Zo leest bijvoorbeeld het gedeelte over Lorena als kantoorbediende bij een kermis als een sprookje. Ze woont samen met twee misvormde meisjes in een wagen. Bloom beschrijft de misvormingen gedetailleerd, wat het hoofdstuk iets expressionistisch geeft. Wat weer past in de tijd waarin het boek speelt: de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw. Een periode die Bloom, getuige haar andere boeken, bij uitstek interesseert. Een periode ook waarin een grote tegenstelling bestond tussen arm en rijk, de basis van onbegrip tussen Eleanor Roosevelt en Lorena Hickok.

    Bloom is een scherp observator, in de dubbele betekenis van het woord: in psychologische zin en scherp, met een vileine pen. Een van de dochters van de Roosevelts, Anna – die terloops in het boek opduikt – beschrijft ze aldus: ‘Het enige dat er voor Anna toe deed was zich koesteren in de zon van de liefde van haar vader, en volgens mij was ze niet slechter af dan de rest. Als Stalin haar vader was geweest had ze vrolijk de dode joden geteld en de wodka koud gezet.’ Lorena dorst rechtstreeks tegen haar te zeggen dat ze liegt dat ze scheel ziet, want ze was – in tegenstelling tot Eleanor – gek op ruzie.

    Grote Dame en dienstmeisje

    Van Franklin Roosevelt was bekend dat hij buitenechtelijke affaire had met zijn secretaresse Lucy Page Mercer en dat dit ‘geen enkele verslaggever tegen de borst stuitte’. Die kans kreeg Lorena daarentegen niet eens, want ze werd van alle foto’s geknipt en kwam en ging langs een verborgen trap door de achterdeur.
    Ten diepste was ze uiteindelijk ongelukkig en ‘een ongelukkige vriendin was niet het soort vriendin dat Eleanor wilde’. Ze verklaren vriendinnen van elkaar te willen blijven maar niets meer dan dat. Na een romance die vier jaar duurde, was het vuur opgebrand. Een opmerking die in schril contrast staat tot de omschrijving over de romances van president Roosevelt: ‘Ik denk niet dat er één vrouw op aarde is die het niet leuk vindt als een grote, sterke man een beetje kleiner wordt. Hulpeloosheid is voor de meesten van ons een handje zout op het vuur’.

    In haar mooie en rake taalgebruik, zulke observaties, omschrijvingen en dwarsverbanden ligt de kracht van Bloom en haar roman.

     

    Naar aanleiding van het verschijnen van Witte huizen werd Amy Bloom voor Literair Nederland geinterviewd. Lees het interview hier.

     

  • Een bijzondere mengeling van absurditeit, humor en mystiek

    Een bijzondere mengeling van absurditeit, humor en mystiek

    Recensie door Maartje Spoelstra

    De verhalen in Flesjes knallen van de Chinese Yu Hua geven blijk van groot vakmanschap doordat de lezer keer op keer het gevoel krijgt dat er meer is dan het verhaal vertelt, hoe compleet en helder opgebouwd ze ook mogen lijken. Daarbij zijn ze ook nog eens buitengewoon geestig. Na vier romans is Flesjes knallen Hua’s eerste verhalenbundel. Zijn laatste roman, De zevende dag, verscheen in Nederlandse vertaling in 2016. De korte verhalen komen uit de periode toen Hua net begon met schrijven, later begon hij zich met name te richten op het schrijven van romans.

    Kenmerkend in de verhalen van Hua is dat haar personages stuk voor stuk verwikkeld raken in situaties die ze niet begrijpen en vertwijfeld over zich heen laten komen. Zo krijgt in ‘Bloed en Pruimenbloesems’ een zoon van zijn moeder de opdracht om op zoek te gaan naar de moordenaar van zijn vader, een belangrijk krijger. Hij draagt een zwaard bij zich waarmee al sinds jaar en dag heldhaftige gevechten geleverd zijn door mannen in zijn familie. Vertwijfeld gaat de jongen op reis. Hij heeft alleen twee namen van mensen die naar de moordenaar van zijn vader kunnen leiden. Alles wijst erop dat hij bepaalde informatie en ervaring mist. ‘Ruan Haikuo mocht dan wel afstammen van een held, hij had de afgelopen vijftien jaar nooit deel uitgemaakt van de groep rondzwervende zwaardvechters van zijn vader, daarom had hij ook nooit van de grote reputatie van Vrouwe Rouge gehoord.’ Voortdurend blijkt dat mensen hem al kennen en meer informatie hebben dan hij. Ze laten hem echter zijn eigen reis vervolgen zonder verdere aanwijzingen. De lezer kan niet ontsnappen aan de indruk er iets anders gaande is wat volledig aan de aandacht van onze dapper voortploeterende jonge held ontsnapt.

    Die vervreemding komt terug in het merendeel van de verhalen, iets dat mogelijk te relateren valt aan de geschiedenis van China. Hua verklaart zelf in interviews dat de Culturele Revolutie (1966-1976) van grote invloed is geweest op zijn werk. Tijdens deze revolutie werd de bevolking onder het bewind van Mao Zedong gewelddadig onderdrukt. Er was daarnaast ook sprake van hevige censuur, waardoor alleen nog maar voorgeschreven boeken gelezen mochten worden. De gevolgen van deze revolutie worden in Flesjes knallen zichtbaar in het handelen van de personages die weer lijken te moeten wennen aan autonomie na jarenlange onderdrukking.  De vertrouwdheid met hun eigen land lijkt voorbij te zijn en hun handelingen worden voornamelijk gemotiveerd door invloed van buitenaf en zelden door eigen impulsen.

    De verhalen zijn abstract, gestructureerd en vaak geestig. Steden of personen hebben vaak een duidelijk fictieve naam, zoals de stad Mist in het verhaal ‘Het Verleden en de Straffen’. Hua heeft een vaste hand en weet zijn abstracte stijl feilloos te handhaven. Ogenschijnlijk eenvoudige situaties worden daardoor absurd en veelzeggend. Zo wordt er een man van zijn bed gelicht omdat er naar het schijnt een vriend van hem op sterven ligt. Hij kent echter de naam van de vriend niet, en is er zeker van dat hij deze persoon niet kent.  Doordat hij dit niet aangeeft en eenvoudigweg doet wat hem gezegd wordt neemt het verhaal een absurde wending. ‘Ik begreep dat het zinloos was om met deze gozer te blijven redetwisten, zijn spierkracht was namelijk minstens vijfmaal de mijne. Hij zou me als een broek uit het raam werpen. Ik zei daarom tegen hem: “Aangezien iemand die op sterven ligt mij wil zien, ben ik uiteraard bereid om te gaan”.’

    Er blijft ook telkens iets ongrijpbaars in de verhalen van Hua. Dat zorgt ervoor dat zijn verhalen een mystieke sfeer met zich meedragen. De lezer herkent vage sporen van oude volksverhalen, en er wordt voortdurend gespeeld met de suggestie dat ook de natuur een bepaalde rol speelt en misschien wel meer kennis dan de personages in het verhaal heeft. In ‘Voorouder’, een van de meest fascinerende verhalen van deze bundel, voelt een jongen zich aangetrokken tot de behaarde mannen die in het aan zijn dorp grenzende bos wonen en beschreven worden als ‘voorouders’. Hij voelt bijzondere verwantschap met deze mensen terwijl de andere bewoners van het dorp juist vrezen voor dit bos met al zijn behaarde bewoners. Bij alle gebeurtenissen wordt de indruk gewekt dat het bos en zijn inwoners op stilzwijgende getuige zijn en een stuk van het verhaal voor zichzelf houden: ‘Het bos wuifde in de wind als zwijgende golven’.

    De thema’s en ook de stijl van de verhalen doen sterk denken aan de verhalen van Kafka, zeker het al eerder genoemde verhaal ‘Het Verleden en de Straffen’. De hoofdpersoon is op zoek naar verklaringen voor dingen die in het verleden gebeurd zijn, een verdere toelichting wordt er niet gegeven. In zijn zoektocht raakt hij verstrikt in een bureaucratisch systeem waarin eigenlijk niemand een verklaring lijkt te hebben voor de dingen die ze volgens het systeem waaraan ze onderworpen zijn moeten uitvoeren.

    Hoe later in zijn werk, hoe meer Hua zich lijkt te concentreren op menselijke relaties, alsof dit iets is waar hij meer interesse voor krijgt naarmate de revolutie verder op de achtergrond raakt. Deze latere verhalen kenmerken zich nog steeds door zijn abstracte stijl, maar zijn in vergelijking met zijn eerdere verhalen minder mysterieus en fantasierijk.

    Fascinerend is dat het overduidelijk is dat de verhalen zich afspelen binnen de Chinese cultuur.  In alle subtiliteit wordt duidelijk dat er net andere gebruiken zijn dan in het Westen. Daar draagt ook de uitstekende vertaling aan bij. Uit de woordkeuze en de bloemrijke beschrijving blijkt duidelijk dat het gaat om een werk dat oorspronkelijk in een andere taal geschreven is. Bijvoorbeeld: ‘Ruan Haikuo groeide op met de traagheid van een weerbarstige wortel van een oude boom’.
    Kortom, deze bundel biedt de lezer niet alleen geestigheid en absurdisme, maar ook mooie mysterieuze verhalen die nog dagen na blijven sluimeren.

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Mild vernisje over het schrijnende bestaan

    Mild vernisje over het schrijnende bestaan

    Dat in de vijf verhalen uit de bundel De gulheid van de zeemeermin aftakeling en de dood terugkerende thema’s zijn wil niet zeggen dat zwartgalligheid de boventoon voert. Integendeel. Met humor beschrijft Denis Johnson in een mengeling van melancholie en sarcasme het wedervaren van de ik-personen in dagelijkse en minder doorsnee omstandigheden. Veel komt ongetwijfeld uit zijn eigen leven en veel heeft Johnson bekleed met overtuigende fictie.

    In het titelverhaal blikt Bill, een reclameman, terug op kleine situaties zoals werk, bezoek, het in ontvangst nemen van een prijs (waarbij een beknelde zenuw hem belemmert de voorgenomen fraaie toespraak te houden), en een telefoongesprek met een ex. De ex is terminaal ziek en wil voor ze sterft nog graag eens uiten hoe zij onder hem en hun huwelijk geleden heeft, onder zijn ontrouw en leugens. Halverwege het gesprek overvalt Bill de angst dat hij niet meer weet of hij nou zijn eerste of zijn tweede ex aan de telefoon heeft: ‘(…) of ze echt haar naam had gezegd toen ik opnam en wist ik opeens niet meer van welke reeks vergrijpen ik spijt had…’ Treurigheid en komedie gaan hand in hand, net als bij de bloemrijke typeringen elders in het boek, zoals ‘gediplomeerde eunuch’, of ‘met alleen een T-shirt aan waar zijn niet erg aantrekkelijke reet onderuit hing’ en ‘uit de stad Oskaloosa rammelden een heleboel onaangepaste types los’.

    Pseudofictie
    Niet alleen bij de exen, ook in het verhaal ‘Doppelgänger, poltergeist’ gaat het om wie is wie. De hoofdpersoon, een universitair literatuurdocent, vertelt het verhaal van een begaafde leerling, dichter en vriend die zich een half leven laat beheersen door de complottheorie dat de dode Elvis Presley niet de echte Elvis zou zijn. Zelf maakt de docent zich zorgen over een van de gedichten van de vriend, namelijk of hij hem daarin niet te kijk zet, eveneens een identiteitskwestie. In hoeverre dit iets met Johnsons eigen werkelijkheid van doen heeft is de vraag, maar dat hij er in zijn verhalen rijkelijk uit put lijkt zeker, gezien zijn opmerking in ‘Triomf over het graf’, waarin hij verklaart::’Ik ben me ervan bewust dat het gebruikelijk is in dit soort semiautobiografische verhalen – dit soort pseudofictionele memoires – de namen van mensen te veranderen, maar dat heb ik niet gedaan.’ Die laatste toevoeging kunnen we vermoedelijk wel onder de fictie scharen.

    Onduidelijke achtergronden
    Johnsons vorige boek, de roman De lachende monsters, kenmerkt zich door net zulke vaagheid en versluiering van feiten aangaande personages. Hoofdpersoon Ronald Nair is een Deen met zwart haar en grijze ogen, maar in het bezit van een Amerikaans paspoort. Hij zou in dienst van een anti-spionageafdeling van de Navo naar Sierra Leone gekomen zijn om communicatiesystemen van de organisatie te onderzoeken. De maat die hij in Sierra Leone ontmoet, Michael Adriko, is een Afrikaan met een even onduidelijke achtergrond. Zeker is dat de mannen zich eerder samen inlieten met duistere zaakjes en nu kans zien om met oplichting en een blokje uranium rijk te worden. Het boek is een schelmenroman, waarin het criminele luchtje aan Nair en Adriko uit zucht naar geld en avontuur doet denken aan ondeugende jongensstreken. De rauwheid zit hem, behalve in hun eigen gedrag waarin ze elkaar beslist niet ontzien, vooral in de achtergrond vol geweld, bendes en geheime diensten in het toch al niet in vriendelijke stabiliteit uitblinkende Sierra Leone, Oeganda en Congo.

    Niet geschreven brieven?
    In ‘Het starlight op Idaho’ uit de verhalenbundel roept Johnson wederom twijfel op over wat pure fictie en wat realiteit is. Een ik, Marc Cassandra, schrijft vanuit een afkickcentrum brieven aan oude bekenden, familieleden, de satan en zijn dokter en stelt tussendoor de vraag of de brieven echt geschreven zijn. Johnson heeft zelf in afkickcentra gezeten om van drugs- en alcoholverslavingen af te komen, waardoor de lezer al snel geneigd is om alles te beschouwen als afkomstig uit Johnsons eigen leven, behalve dat zijn familie aan de onderkant van de samenleving resideerde. Marc heeft een labiele, apathische vader, een broer die de neus van zijn vriendin tot moes geslagen heeft, een moeder in de gevangenis en een oudste broer ‘die door de staat Texas niet met een schaar wordt vertrouwd.’. Johnson tekent de medeverslaafden in korte, rake bewoordingen, waarmee hij toont hoe dicht mensen in klinieken bij elkaar kunnen staan en hoe groot tegelijkertijd de afstand tussen hen kan zijn. Als Marc van de Refsusal af mag ontstaat helderheid en hoop, een gegeven dat waarschijnlijk wel rechtstreeks stoelt op Johnsons persoonlijke ervaring.

    Menselijk gebrek
    De rauwheid die in ‘De lachende monsters’ nog volop aanwezig is, heeft in ‘De gulheid van de zeemeermin’ een mild vernisje gekregen. Ook al gaat het er in een gevangenis bruut aan toe, en loopt een zieke, verloederende collega-schrijver op ‘gevlochten Japanse slippers, waarvan de gele bandjes voeten omklemden van een mythische gruwelijkheid – knobbelig, dooraderd, met teennagels als roofvogelklauwen’, in de verhalenbundel is het toch boven alles het menselijk gebrek waarin de wreedheid van het bestaan tot uiting komt. Gebleven is het spelen met identiteiten en een fluctuerende werkelijkheid.

    Berusting
    De lust tot avontuur is in De gulheid van de zeemeermin overgegaan in berusting. Dat dood en weemoed over het leven voortdurend aanwezig zijn, zal zijn oorzaak vinden in het feit dat Denis Johnson tijdens het schrijven van de verhalen wist dat hij zou sterven. Hij overleed in mei 2017 op 67 jarige leeftijd. Met zijn korte verhalen, romans, poëzie, toneel en non-fictie en vele gewonnen prijzen gaat hij als een belangrijk auteur de Amerikaanse literatuurgeschiedenis in.

     

     

     

  • Joke van Leeuwen over de zin en onzin van het sluiten van grenzen

    Joke van Leeuwen over de zin en onzin van het sluiten van grenzen

    In haar recent verschenen fabel Hier beschrijft Joke van Leeuwen met verve een fictief, tamelijk arm en dictatoriaal geleid land dat zich afsluit (of afgesloten wordt) van een rijker en vrijer buurland door een harde, onverschillige grens: een muur. Waar kennen we die van? Gevoel voor de actualiteit én historisch besef kan Joke van Leeuwen in elk geval niet worden ontzegd. Van Leeuwen beent deze gebeurtenis uit tot een prachtig verhaal over een steeds meer gesloten grens. Het verfrissende aan het boek is dat het geen humanistisch pleidooi is voor open grenzen en dat het niet gaat over asielmigratie maar juist om reguliere arbeidsmigratie. Van Leeuwen lijkt daarmee juist te suggereren dat grenzen helemaal zo erg niet hoeven te zijn.

    Hoofdpersoon Bardo woont met zijn vader in het grenswachterhuisje bij de grens tussen het arme en het rijke land. Het controleren van de grenzen is de lust en het leven van zijn vader, die er duidelijk genoegen in schept de smokkelwaar uit het rijkere buurland te onderscheppen. Vrouwen die boter smokkelen zet hij resoluut bij de verwarming waardoor ze tegen de lamp lopen en de smokkelwaar bovendien meteen is vernietigd. Ergens ontzettend pietluttig en stom, maar kennelijk zijn er regels die de smokkel van boter niet toelaten. Andere regels laten kennelijk wél toe dat de grens open is, arbeidsmigranten kunnen onbekommerd naar het buurland fietsen om het werk te doen dat de mensen daar niet willen doen. Ook al is het rijkere land vrijer en rijker, toch keren ze terug naar huis.

    Hoewel die migratie over en weer voor wrevel zorgt -de arbeidsmigranten zouden het volk ‘verdunnen’ en de rijkelui zouden parasiteren op de armoede- varen beide landen er wel bij. In het rijke land wordt het vuile werk opgeknapt en in het arme land wordt geld binnengebracht dat men anders niet gehad zou hebben. Toch verrijst op enig moment de muur op de grens. De grens kent geen controle, want niemand kan er überhaupt nog doorheen.

    Niemand weet wie het initiatief heeft genomen: waren het de rijke kapitalisten of was het het Staatshoofd van het arme land? Misschien waren het ‘die van het buurland, waar ze zeiden dat hun arbeidsplaatsen werden ingepikt’ en dat vreemdelingen niet kwamen om te werken ‘maar ook om te trouwen en kinderen te krijgen (…) zodat hun eigenheid verdund zou raken’. Of ontstond het idee aan de arme kant ‘omdat het afgelopen moest zijn met de dominante vreemdelingen die dachten te kunnen bepalen wat er gebeurde en hen goedkoop lieten werken en de opbrengsten en eigen hoge inkomsten naar het buurland versluisden zodat ze er veel beter van werden dan zijzelf.’ Wie het ook waren, de muur komt voort uit de angst voor de invloed van de ander en van een ander land.

    Het intrigerende aan dit verhaal is vooral dat het laat zien dat het beleid met betrekking tot migratie niet per definitie rationeel is. De reflex ten aanzien van de ‘gevaren’ van migratie is steevast dat de grenzen dicht moeten. Hoe moeilijker het echter wordt om binnen te komen, hoe minder graag mensen ook weg gaan. Dat zie je ook aan een dienstmakker van Bardo (het arme land kent een draconische vorm van dienstplicht) die erin slaagt de grens over te steken, op zoek naar een beter leven in het rijke land. Hij zal niet meer terug gaan. Vóór de invoering van de grenzen, zo lijkt de logische conclusie van Van Leeuwen, had hij dat niet gedaan omdat hij dat betere leven deels in het buurland kon halen maar in zijn eigen land kon blijven wonen.

    Van Leeuwen zegt hiermee niet dat volledig open grenzen zaligmakend zijn. Het pietluttige baantje van Bardo’s vader zorgde er juist voor dat er weliswaar controle was maar geen volslagen gesloten grens die alleen nog illegaal kon worden overgestoken. De gereguleerde migratie zorgde dus voor relatieve rust en was bovendien in het belang van beide landen, dankzij het feit dat het mogelijk was heen en weer te reizen – zij het gereguleerd.

    Door bijna alle context weg te halen destilleert Van Leeuwen dit verhaal tot een mooie fabel over migratie, grenzen en angst voor het vreemde, waarbij ze subtiel een pleidooi houdt voor een vorm van gereguleerde migratie.

     

     

     

  • De verdediging van een wingewest

    De verdediging van een wingewest

    Eén van de meest geteisterde gebieden door de eeuwen heen is ongetwijfeld Indonesië. In een zeer uitvoerige en lijvige studie heeft journalist Piet Hagen een gedetailleerd en volledig overzicht gemaakt van vijf eeuwen koloniale oorlogen in de voormalige Nederlandse kolonie. Hagen werd al eerder gelauwerd omwille van zijn fijnzinnige journalistiek met zijn biografie van Pieter Jelles Troelstra Politicus uit hartstocht die werd genomineerd voor de Libris Geschiedenis Prijs en bekroond met de driejaarlijkse Joast Halbertsmaprijs van de provincie Friesland. Met zijn Koloniale oorlogen in Indonesië: vijf eeuwen verzet tegen vreemde overheersing heeft hij zijn magnum opus geschreven. Het werk is een gedetailleerd naslagwerk geworden van alle veldslagen geleverd op Indonesisch grondgebied vanaf 1500 tot 1975.

    Handelsbelangen
    Koloniale oorlogen in Indonesië start met vijftien bladzijden overzichtskaarten zodat de lezer zich een goed beeld kan vormen over welke plaatsen telkens sprake is. Dat is ook nodig want tot in de kleinste details en plekken wordt elke militaire actie, expeditie, zeeslag, blokkade en confrontatie verklaard. Daarna volgt een uitvoerige inleiding waarin de auteur verklaart hoe en waarom hij aan het werk is begonnen en hoe hij het heeft opgevat. In 25 zeer gedetailleerde, maar overzichtelijke hoofdstukken passeert vijfhonderd jaar Indonesische geschiedenis. Hij start met het Aziatische netwerk dat sterk aanwezig was voor 1500 en beschrijft hoe de grondstoffen (zoals specerijen) toen al voor kleine oorlogen en familievetes zorgden tussen de hindoe-boeddhistische vorsten. Ook de verwonderlijke en snelle verovering van de eilanden door de Islam komt aan bod. Dat de gunstige ligging van het gebied en de daaruit voortvloeiende handel de hele geschiedenis heeft bepaald komt al vlug tot uiting. In de zestiende eeuw zien we dan de opgang van Spanje en Portugal die, als economische grootmachten, zich ook in het gebied vestigen. De handelsbelangen werden zodanig groot dat gebieden als Sumatra snel werden ingelijfd. Toch bleef er weerstand en beten vooral de moslims zich af tegen de nieuw aangekomen christenen. Vele (kleine zowel als grote) veld- en zeeslagen waren het gevolg.

    Nederlandse inmenging
    In de zeventiende eeuw komt het dan tot een wereldhandelsoorlog waarmee zich ook Nederlandse en Engelse compagnieën gaan bemoeien. De vraag naar producten uit Zuidoost-Azië steeg dermate dat men zich ook op het strijdtoneel moest begeven. Vooral de strijd om de belangrijke handelshavens deed de gemoederen hoog oplaaien. Een van de voornaamste rollen werd gespeeld door de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Na een eeuw lang strijd te hebben gevoerd, veelal met succes, begint op het einde van de zeventiende eeuw en vooral in de achttiende eeuw ook de neergang van de VOC. De opgang van nieuwe dynastieën in Java en verdere islamisering zorgde voor onrust en conflicten met Batavia en de VOC. Lokale machthebbers en Engelsen, maar ook andere Europese concurrenten, breidden hun macht uit, allemaal ten nadele van de VOC. In de negentiende eeuw werd het gebied een speelbal van de Westerse mogendheden waarbij vooral Fransen en Engelsen elkaar bekampten. Het Hollandse gezag bleef evenwel schoorvoetend overeind, maar moest opboksen tegen de andere opkomende grote mogendheden en zag vooral de Britse invloed groeien. Het Napoleontische intermezzo zorgde voor wat rust en uiteindelijk werd in 1816 Nederlands-Indië gevestigd. Maar ook dat betekende niet dat er volledige rust was. De ene na de andere opstand bleven elkaar opvolgen. Het nieuw opgerichte Koninklijk Nederlands-Indisch Leger moest de orde herstellen en bewaren en zou dat doen tot 1950. Verschillende expedities naar Bali en Lombok veroorzaakten grote verliezen.

    Onafhankelijkheidsstrijd
    Van bij het begin van de twintigste eeuw zien we de strijd voor emancipatie: islam, socialisme en nationalisme steken te kop op en er ontstaat een heus domino-effect. Een resem verzetsbewegingen schieten als paddenstoelen uit de grond en zijn niet meer te stoppen . Tijdens de Tweede Wereldoorlog is er nog de laatste kolonisator, Japan, die instond voor het grootste aantal slachtoffers van alle oorlogen. Daarna volgt de strijd voor de onafhankelijkheid die uiteindelijk in 1949 een feit wordt. Ook de naweeën komen nog aan bod: de situaties in Nieuw-Guinea, Noord-Borneo en Oost-Timor worden beschreven in een apart hoofdstuk.
    De laatste hoofdstukken wijdt Hagen aan een overzicht van het koloniaal systeem an sich (exploitatie, repressie en geweld), kritiek van de tijdgenoten op het kolonialisme en is er nog een volledig chronologisch overzicht van alle opstanden, expedities en oorlogen. De laatste honderd bladzijden van het werk zijn gewijd aan noten, literatuurlijst en register.

    Dit werk is ongetwijfeld de meest uitvoerige en gedetailleerde studie over het (oorlogs)verleden van het meest-belaagde gebied van Zuidoost-Azië. Hagen toont aan dat de rol van de Nederlanders niet onderschat mag worden in de hele geschiedenis. Het werk is vooral een schat aan informatie voor al wie geïnteresseerd is in of info wil over Indonesië. Het is een vrij volledig naslagwerk dat vooral gebruikt kan worden in tal van studies over het gebied. Hoed af voor het monnikenwerk dat Piet Hagen hierin heeft gestoken.

  • Gezin gezien door de ogen van de jongste zoon

    Gezin gezien door de ogen van de jongste zoon

    In het gezin Gant werd flink gegeten, ‘geschransd’ kun je beter zeggen. Vader Gant kocht soms hele varkens bij de slager. De ontbijttafel stond vol met warme broodjes, ham, hersenen met ei, gebakken appels met siroop en honing, entrecotes. ‘s Middags at de familie een reusachtig stuk rundergebraad, knapperige bolletjes, spinazie, tomaat, appel-perziktaart. ’s Avonds varkenslapjes en weer entrecotes, vis en kip. ‘In de voorraadkamer hing gerookt spek, zaten de grote meelbakken vol, bogen de donkere, diepe planken door onder de ingemaakte kersen, perziken, pruimen, kweeën, appels, peren’. Toch waren de Gants niet buitengewoon welgesteld. Je zou ze tot de middenklasse kunnen rekenen, maar ze stonden te boek als excentriek, ‘…er zat bij hen in het gezin een element van waanzin, onaangepastheid en ontregeling waarvan ze zelf geen weet hadden’.

    Lotgevallen van een gezin
    Het oordeel is van Thomas Wolfe, die in zijn befaamde Daal neder, engel uit 1929 de lotgevallen van het gezin beschrijft, gezien vanuit de jongste zoon, het nakomertje Eugene, veelal Gene genoemd. Hij wordt in 1900 geboren als tiende kind van Oliver Gant en Eliza Pentland. Voordien heeft Eliza in elf jaar negen kinderen op de wereld gezet, van wie er zes bleven leven. Eugene kwam zes jaar later, onverwacht. Het gezin woont in Altamont, North Carolina, het ‘Zwitserland van het Zuiden’, waar Eliza het pension Dixieland bestiert en Oliver zijn geld verdient met een houwerij voor grafstenen. Altamont staat overduidelijk voor Asheville, waar Thomas Wolfe geboren en getogen is; het portret van Gene is overduidelijk een zelfportret. Maar in een ‘bericht aan de lezer’ verklaart de schrijver uitdrukkelijk dat zijn boek een ‘product van de verbeelding’ is en dat hij niemand heeft willen portretteren. Maar voor alle zekerheid voegt hij eraan toe dat zijn boek vrij is van ‘haatdragendheid of bittere opzet’.

    Coming of age-roman
    Daal neder, engel is een zogenaamde coming of age-roman, we volgen de lotgevallen van Gene vanaf zijn geboorte tot aan het moment dat hij de wijde wereld betreedt. Hij heeft dan net zijn studie afgesloten aan de regionale staatsuniversiteit, waarin we moeiteloos de University of North Carolina in Chapel Hill herkennen. We maken kennis met zijn vriendjes, schooljaren, eerste seksuele avontuurtjes, bezoek aan de hoeren, eerste sigaret, eerste glas whisky, studententijd (die ongeveer samenvalt met de Eerste Wereldoorlog). Maar niet alleen dat: zijn hele familie passeert de revue, zowel van vaderskant als van moederskant, zijn broers en zusters en bij uitbreiding heel Altamont met alle inwoners en de bijzondere plattegrond van het bergstadje, een gewild kuuroord voor tbc-patiënten.

    Poëtisch en uitbundig
    Thomas Wolfe schrijft literatuur met een grote L. Zijn beschrijvingen zijn poëtisch en uitbundig. Simpele mededelingen zul je in het boek niet vinden. ‘De zon kleurde heel licht rood, uit het heuvelland vloeide een koelte aan, de vermoeide aarde herademde verfrist, in de lucht hing de hoop, de vervoering van de avond. De dikke pluim fonteinwater richtte zich traag pulserend op, viel in zichzelf terug en klaterde in luie ritmen neer in het bekken. Over de grote keien ratelde schraal een kar.’ Geuren, kleuren, stemmingen worden tot in de kleinste details getypeerd en ontleed. Een bombardement van impressies en nuances en uitweidingen, honderden pagina’s lang. Wolfe wist niet van ophouden. Kwade tongen beweren dat hij staande schreef, achter een lessenaar, en zich geen tijd gunde om zijn papieren bijeen te rapen. Hij leverde ordeloze stapels kopij in bij zijn redacteur Maxwell Perkins, vele tienduizenden woorden. Het moet een heidens karwei geweest zijn om daar fatsoenlijke boeken van te maken. Daal neder, engel draagt er de sporen van – je loopt niet over een geplaveid pad met duidelijke wegwijzers, maar struikelt over een kronkelig weggetje met talrijke opstoppingen en zijpaadjes. Af en toe een vergezicht.

    Besmette kinderdromen
    Vader Oliver Gant is een vuilbekkende dronkelap, moeder Eliza een egocentrische grijze muis, de kinderen Gant zijn gefrustreerde, mokkende binnenvetters. Toch graaft Wolfe niet al te diep in deze goudmijn. Eugene is een moederskindje dat op school en aan de universiteit wordt gepest en zich terugtrekt in dagdromerij. Hij is een buitenstaander, niet vanwege omstreden gedrag maar om wie hij is. Hij wordt regelmatig gekweld door zelfbeklag en schijnt aldoor maar niet te weten wat hij met het leven aanmoet. Een puber: ‘Ik vind mezelf geweldig, dacht Eugene. Maarschalk Gant, redder des vaderlands. Senator Gant, gouverneur Gant, president Gant, de genezer en hereniger van een verscheurd land’. Ondanks zulke heldhaftige dromen een kind van zijn tijd, behept met het vileine racisme en antisemitisme van zijn milieu. Overdag zwarte mensen met stenen bekogelen, maar wel ’s avonds stiekem naar het bordeel om voor een paar dollar een zwarte hoer te huren.

    Kanttekeningen bij de vertaling
    Het boek is ondanks zijn geweldige populariteit in de Verenigde Staten – en in Nazi-Duitsland – nooit in het Nederlands vertaald. Wat de uitgever bewogen heeft om na bijna negentig jaar alsnog een vertaling uit te brengen is nogal raadselachtig. Maar de Nederlandse uitgave is prachtig verzorgd, daar is verder niets op aan te merken. De vertaling en toelichting van Sjaak Commandeur zijn hier en daar al de hemel ingeprezen. Begrijpelijk, want je moet van goeden huize komen om de barokke, vaak onbegrijpelijke taal van Wolfe in fatsoenlijk Nederlands over te zetten. Des te meer valt het op als de vertaler een steekje laat vallen. De buurt van Altamont waar de zwarte bevolking woont, wordt aangeduid als ‘Nigger Town’. Commandeur maakt daar ‘Negerije’ van, flauw en ongepast. ‘Poor whites’ zijn geen ‘blanke armen’, maar arme blanken. ‘Write your own damn paper’, zegt Eugene tegen een medestudent, door de vertaler omgezet in ‘je kunt me de bout hachelen met je werkstuk’. Curieus. Oliver Gant heft regelmatig zijn handen ten hemel en roept uit: ‘Jesus God. Commandeur maakt daar ‘Here god’ van. Jammer.

  • Scharrelen in de krabbenmand van de literatuur

    Scharrelen in de krabbenmand van de literatuur

    Bertram Koeleman speelt graag spelletjes met zijn lezers. Wie zijn roman Het winkelhart wil lezen, zal ermee moeten leren leven dat hij voortdurend in het ootje wordt genomen en zelfs ronduit belazerd. De ingeving om een over het schrijverschap reflecterende auteur in het verhaal te gebruiken wiens schrijfsels dan ook nog eens gaan interfereren met de interne werkelijkheid van de roman is bijvoorbeeld niet nieuw. Wie Nocturnal Animals heeft gezien, zal zich bijvoorbeeld weleens afvragen of dit boek een soort polderversie van die film is, tot een personage in Het wikkelhart quasi achteloos de naam van regisseur Tom Ford laat vallen en hij beseft dat hij er weer is in getuind. Het maakt de lectuur van dit boek soms enerverend: Koeleman herinnert je er regelmatig aan dat hij de touwtjes in handen heeft en je vooral niet moet denken dat je vat kunt krijgen op zijn boek.

    De eigenlijke plot van een roman vormt zelden of nooit de kern van een roman en is hooguit een aanknopingspunt. In Het wikkelhart is dat niet anders. De aftrap wordt gegeven wanneer Dominic, een veelbelovende jonge schrijver, in Frankrijk gaat kamperen met zijn vriend Nick. De twee zijn toeschouwers van een bizarre scène met een meisje in een afgelegen schuur. Er komt ruzie van. Daarna gaan ze elk zijns weegs, maar blijken de rollen te zijn omgedraaid: niet Dom, maar Nick wordt een gevierd schrijver. Dom kwijnt weg als boekverkoper met een belabberd privéleven. Nick gaat aan de haal met het incident in de schuur voor zijn roman Het wikkelhart, wat Dom moeilijk kan verkroppen. Maar een auteursrecht op zijn eigen leven heeft hij niet, dus er valt weinig tegen te beginnen.

    Toch is ik-figuur Dominic althans in zijn verbeelding de échte schrijver in dit verhaal, die zich voortdurend afvraagt hoe hij uitdrukking kan geven aan zijn gedachten, maar telkens weer tot de conclusie komt dat er geen bevredigende oplossing is: ‘Welke woorden gebruikte je om aan te geven hoe melancholiek dit stemde zonder melodramatisch te worden?’ Zo kan je dit boek ook lezen als een antiroman waarin met artificiële mooischrijverij wordt afgerekend.

    ‘Schrijf over wat je kent’ is een bekend schrijfadvies, maar als een schrijver schrijft over het schrijverschap, dreigt het gevaar dat je in een beklemmende microkosmos met een claustrofobisch incrowdsfeertje belandt. Gelukkig laat Koeleman soms wat druk van de ketel dankzij zijn humor. Vakkundig parodieert hij de flauwekul die schering en inslag is in het boekenvak en zo vaak zijn weg vindt naar flapteksten: ‘Nick Tuins nieuwe roman gaat over schuld en onschuld, liefde en jaloezie, en de relatie tussen kunst en werkelijkheid. Een zin die erin slaagde zowel allesomvattend als volslagen nietszeggend te zijn.’ Ramsjwinkels liggen vol met voor de eeuwigheid bestemde meesterwerken die na een paar jaar stof vergaren worden verpulpt, dus wat voor zin heeft die hele literatuur eigenlijk? En toch blijft Dom er hardnekkig in geloven: ‘Het kan toch niet dat mij maar één verhaal gegeven was en dat de rest van mijn leven een vergeefs pogen was om dat ene verhaal op papier te krijgen?’

    Wanneer Dom Nick naar Parijs volgt, waar de première van de verfilming van zijn roman wordt voorgesteld, lijkt hij ze helemaal te zien vliegen en volgen er een aantal passages die je aan zijn geestelijke gezondheid laten twijfelen. De grens tussen ‘werkelijkheid’ en ‘fictie’ wordt vrijwel opgeheven: ‘Zijn boek was fictie. Wat hij ook verder maar aan theorieën had gebrouwen, dat was waar het op neerkwam. Zodra het woordje ‘roman’ op het omslag stond, zou de werkelijkheid achter het boek niet meer relevant moeten zijn. Maar dat gebeurde niet, integendeel: het was juist de werkelijkheid die werd benadrukt, groter gemaakt dan het boek zelf, alsof het verzinsel alleen dan waardevol was als het bewijsbaar echt was. Maar Nick had gelijk: ik was de enige die het op die manier bekeek.’

    De neiging is groot om dit soort boeken te hineininterpretieren, maar dat gaan we niet doen: ‘Prima als je iets beschrijft wat meer betekent dan zichzelf, maar die betekenis ga je de lezer vervolgens niet door de strot duwen. Laat de lezer het werk doen.’ U weet dus wat u te doen staat, als u er tenminste vrede mee kunt nemen dat u een zeer bevreemdende leeservaring te wachten staat.