Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Leven aan de zelfkant van de Amerikaanse maatschappij

    Leven aan de zelfkant van de Amerikaanse maatschappij

    Vijf jaar na De Vlammenwerpers (2013) staat de Amerikaanse Rachel Kushner weer bovenaan de bestsellerlijsten met haar nieuwste boek: Club Mars. Een ietwat vreemd boek, dat naar eigen zeggen, veel moeite heeft gekost om te schrijven. Aan het eerste hoofdstuk werkte Kushner maar liefst twee jaar. Ze vond niet de juiste toon, niet het juiste personage, niet de juiste achtergrond. Uiteindelijk kwam ze uit bij Romy Hall, tweemaal levenslang veroordeeld en bewoner van Stanville Prison. Dat Kushner een boek schreef dat zich afspeelt in het gevangeniswezen hoeft geen verwondering te wekken. De schrijfster is al jarenlang vrijwilligster voor een mensenrechtenorganisatie die zich bezighoudt met vrouwelijke gedetineerden. Ondertussen mag Kushner al heel wat veroordeelde vrouwen tot haar vrienden rekenen. Stanville baseerde ze op Chowcilla Prison, de grootse vrouwengevangenis ter wereld met maar liefst vierduizend gedetineerden. Ook de desolate omgeving met enkel uitgestrekte amandelbomenplantages lijkt weggeplukt uit die realiteit.

    Aanklacht tegen Amerikaanse droom
    Club Mars is niet een boek dat alleen handelt over het leven in een vrouwengevangenis. Kushner vatte het veel ruimer op. Het verbeeldt het leven van de achtergestelde klassen in grote steden als Los Angeles, waar veel mensen niet eens de kans krijgen om een leven op te bouwen. Vandaar dat het boek ook kan gezien worden als een aanklacht tegen de grote Amerikaanse droom. Kushner brengt heel wat personages op de planken waardoor het werk soms vrij chaotisch lijkt. Pas in het tweede deel van de roman komt er een zekere rust en structuur in het werk waardoor het leesbaarder wordt en beter onderbouwd overkomt. Wellicht wilde ze met het chaotische eerste deel de verschrikkelijke levensomstandigheden schetsen waarin een bepaald deel van de Amerikaanse grootstedelijke jeugd moet opgroeien: drugs, misbruik, moord… ze gaat het niet uit de weg.
    De lezer maakt kennis met Romy Hall, een jonge meid, die tegen deze achtergrond opgroeit.
    Hoe Romy in de gevangenis is beland wordt de lezers via door het hele boek geweven flashbacks duidelijk. In haar jeugd komt ze terecht in de verkeerde kennissenkring en doet vrolijk mee met alle kwalijke gevolgen van dien. Als jonge vrouw komt ze terecht in de stripperswereld en lijkt daarmee een vorm van standvastigheid te hebben gevonden. Ondertussen heeft ze een zoontje van vijf en probeert ze een ‘gewoon’ leven op te bouwen. Ze wordt gestalkt door een vaste klant, en als hij te ver gaat, slaat ze hem de kop in en belandt in de gevangenis.

    Personages in de marge
    Kushner beperkt zich echter niet tot het even van Romy Hall. De vele medegedetineerden, vooral haar zeven celgenoten, worden allemaal uitvoerig belicht en besproken. Hun achtergronden en de reden waarom ze veroordeeld zijn, worden duidelijk. Daarnaast focust Kushner op nog twee andere personages: Gordon Hauser, een academicus die uiteindelijk les gaat geven in de vrouwengevangenis, en Doc, een corrupte politieagent die zelf in de cel belandt.
    Gordon laat zich vaak meeslepen door medelijden of verleiding en doet extra’s voor de vrouwen. Hij woont in een blokhut niet ver van de gevangenis, dweept met de natuurpoëet Thoreau, en krijgt een speciale band met Romy. Hij denkt vaak na over schuld en onschuld en wat er werkelijk speelt. Dit personage doet de lezer meedenken over de schuldvraag en het hoe en waarom van sommige beslissingen van zowel de justitiële instanties, de pro-deo advocaten als de gedetineerden zelf.
    Doc is een moeilijker te plaatsen personage. De vraag is zelfs waarom Kushner hem heeft opgevoerd en wat zijn meerwaarde voor het verhaal is. Wellicht wilde ze aantonen dat corruptie aanwezig is, wordt aangepakt en dat in een gevangenis een corrupte agent nauwelijks overlevingskansen heeft, maar Club Mars  zou echter perfect overeind gebleven zijn zonder dit personage en zijn belevenissen.

    Individu versus maatschappij
    Wie zijn nu eigenlijk de mensen die in de gevangenis belanden?  Club Mars bevestigt het clichéantwoord op deze vraag. Alle personages die de revue passeren stammen steevast uit de lagere klassen. Het zijn arme (vaak zwarte) Amerikanen die weinig of geen kansen hebben gekregen in de samenleving en die hun toevlucht nemen tot het enige wat overblijft: overleven tegen wil en dank. Kushner laat de lezer nadenken over de ware schuldige. Is dit de persoon zelf of is de samenleving verantwoordelijk voor hun falen? De wirwar aan personages die ze in het eerste hoofdstuk beschrijft, benadrukt misschien wel dit falen van de maatschappij.
    Een personage als Romy Hall wekt sympathie op en de lezer kan alleen maar medelijden krijgen en aan haar kant staan.  Op dat vlak draagt Kushner weer bij tot haar zaak: betere rechten voor vrouwelijke gevangenen en vooral meer begrip voor de achtergrond van de meesten van hen. Kushner heeft met Club Mars absoluut een topper geschreven, die heel wat stof tot nadenken geeft over de zelfkant van de Amerikaanse maatschappij.

     

  • Blokken op Blokken

    Blokken op Blokken

    De roman is niet dood, de roman heeft er parallelle levens bij gekregen. De romanverfilming en de toneelbewerking kennen we al langer. Van meer recente datum is de verstripping van een – meestal klassieke – roman. Natuurlijk bestonden er al stripversies van Robinson Crusoë of Oliver Twist, maar de literaire roman gegoten in het jasje van de graphic novel – het literaire stripboek bedoeld voor een volwassen publiek  – bestaat korter. Ook hier zien we de grote namen terugkomen: A la recherche du temps perdu van Marcel Proust werd gecomprimeerd tot zes stripalbums. In Nederland werd Van Dis’ Familieziek verstript en is vooral Dick Matena een gevestigde naam door de stripversies van onder andere Kaas en De Avonden. Wil men soms nog weleens zeggen dat de film beter is dan het boek, bij het verstrippen van romans is dit geluid nog niet gehoord. Ook Blokken zal hierin geen verandering brengen.

    Blokken, de dystopische fantasie van Ferdinand Bordewijk uit 1931, is een opvallende keuze van de jonge illustrator Viktor Hachmang. Het is een kleine roman van ruim honderd pagina’s die integraal in deze graphic novel is opgenomen – wat doorgaans, denk aan Proust, een onmogelijke opgave is bij de verstripping van romans. Hachmang is een rijzende internationale ster met publicaties in The New York Times en Die Zeit. In 2016 debuteerde hij met zijn eerste stripverhaal bij Landfill Editions. Met de keuze voor Blokken bewijst hij dat hij zich thuis voelt bij het experiment.

    Blokken vertelt in tien hoofdstukken de geschiedenis van een totalitair regime. Het grootste deel van de bevolking leeft tevreden onder het juk van beperkende wetten en regels, ondanks dat hun elke vorm van individualisme is ontnomen. Alleen, niet iedereen heeft zich onderworpen aan de Staat. Een kleine groep opstandelingen, onder de naam Groep A, beraamt een opstand. Groep A wordt echter ontmanteld, de leiders opgepakt en geëxecuteerd. De staatsterreur waarover Bordewijk begin jaren dertig schreef was, voor wie toen goed was ingevoerd in de internationale politiek, geïnspireerd op communistisch Rusland onder Stalin, hoewel Bordewijk directe verwijzingen naar de Sovjet-Unie vermeed. Los van de anti-utopische strekking van het boek, is Blokken vooral door Bordewijks stijl klassiek geworden. Doorgaans wordt Blokken gebundeld met Knorrende Beesten en Bint, drie korte romans die van de literatuurgeschiedenis het predicaat ‘gewapend beton’ hebben gekregen: korte zinnen, bondig, zonder opsmuk.

    Hachmang weet de sfeer van een totalitair regime treffend te tekenen door de grafische technieken die hij toepast. Wanneer je door het boek bladert, krijg je geen enkele grip op het verhaal terwijl de alsturende macht van de Staat op bijna elke pagina invoelbaar is, een unheimisch gevoel. Het gebruik van zwart en wit vormt de basis van elk hoofdstuk met wisselend de steunkleuren geel, rood of blauw. De tekeningen zijn technische hoogstandjes. Een enkele keer beslaat een plaat twee pagina’s, zeker tegen het einde van het boek. Hachmang excelleert in zijn tekeningen van objecten of robot-achtige personen en kiest verrassende camerastanden. Wanneer hij de geschiedenis van Groep A in beeld brengt, worden bijvoorbeeld uitsluitend de verrichtingen van een hand met een sigaret getoond. Rustige pagina’s die abrupt overgaan in platen van twee pagina’s waarop de opstand in alle heftigheid wordt neergeslagen in rood, zwart en grijstinten. Als er onverwacht paarden in het strijdtoneel opduiken, krijgen de tekeningen de lading van een armageddon. ‘De raad kende geen pardon. In een land waar ieder gelukkig kon zijn was het anders willen een overtreding.’

    Toch is er twijfel. Zeker bij de eerste pagina’s. Waarom maakt de bekende tekst hier een vervreemdende indruk? De eerste pagina’s vragen om herlezing om in het verhaal te komen. Komt dat omdat de prachtige tekeningen te veel afleiden? Als je het origineel erbij pakt, blijkt hoe belangrijk de bladspiegel is bij Bordewijks Blokken en valt ook zijn alineagebruik op. Hachmang kiest er op de eerste pagina voor om zich niet aan die alinea-indeling te houden. Terwijl Bordewijk zijn eerste alinea afsluit met ‘Het vloog laag over de bouwlanden’, opent Hachmang er juist mee in zijn tweede tekstblok.

    Maar dit is niet het enige. Het ongemak wordt grotendeels veroorzaakt door het gekozen (blok)lettertype, waarin hoofdletters ontbreken en alleen punten de zinnen van elkaar scheiden. Hachmang heeft bewust voor deze eigen letter gekozen die hij passend vindt bij de tijdgeest van de jaren dertig van de vorige eeuw. Het zorgt ervoor dat het boek nagenoeg onleesbaar is. De teksten in de blokken worden een brij, zeker wanneer de letters wit zijn tegen een gekleurde achtergrond. Deze ellende begint al met het buikbandje om het omslag. Het duurt een poosje voor je de namen van de auteurs, de titel en zeker ook de ondertitel, hebt ontcijferd. De uitgeverij vond het waarschijnlijk wel raadzaam om voor de flaptekst en de biografietjes van schrijver en tekenaar een gewone letter te kiezen; die zijn wel goed te lezen ondanks de rood-zwart geblokte ondergrond.

    Geniet van deze graphic novel Blokken als plaatjesboek, maar wil je het verhaal echt lezen, houd dan het origineel bij de hand.

     

     

  • Hero Hokwerda over Griekse literatuur en Nikos Kazantzakis

    Hero Hokwerda over Griekse literatuur en Nikos Kazantzakis

    Gesprek met een toegewijd vertaler

    Terwijl bijna iedereen Homeros kent of tenminste van zijn Ilias en Odyssee gehoord heeft, is de moderne Griekse literatuur voor de meeste lezers onontgonnen gebied. De dichter Konstantínos Kaváfis geniet enige bekendheid en vanwege Zorba de Griek doet de naam Nikos Kazantzakis ook nog wel een belletje rinkelen, maar dan houdt het voor velen op.
    Hero Hokwerda probeert daar als vertaler al bijna veertig jaar verandering in te brengen. Sinds 1979 heeft hij meer dan vijftig Griekse schrijvers in Nederland geïntroduceerd. Recent verscheen Kapitein Michalis, zijn derde (her)vertaling van een roman van Nikos Kazantzakis.


    Net als hun collega’s in de meeste West-Europese landen zijn Nederlandse uitgevers nooit uitzonderlijk geïnteresseerd geweest in de moderne Griekse literatuur. Terwijl die literatuur volgens vertaler Hero Hokwerda (1949) het ontdekken meer dan waard is. ‘Zij is mooi en zij heeft iets te zeggen.’

     

     

    Leuren met literatuur

    Hokwerda droeg veel van de titels die hij vertaalde zelf aan bij potentiële uitgevers. ‘Het is niet zo dat uitgevers bij mij op de stoep staan met boeken die ze vertaald willen hebben. Ik moet er zelf achteraan zitten en ermee leuren.’ Niet al zijn keuzes en aanbevelingen bleken bij uitgevers in de smaak te vallen: ‘Dode schrijvers verdwenen van de stapel, verhalenbundels waren niet in trek: er bleef al snel niets meer over.’

    ‘Of een uitgever zelf iets met Griekenland heeft, is vaak doorslaggevend. In de tijd dat Maarten Asscher directeur was bij uitgeverij Meulenhoff kostte het relatief weinig moeite om daar belangstelling te wekken voor een roman of voor verhalen.’ Toen Maarten Asscher vertrok, bleek Meulenhoff zelfs geen belangstelling meer te hebben voor de al voltooide vertaling van de novelle Gioconda van Nikos Kokantzis, waarvoor het contract al getekend was.
    Gioconda werd vervolgens de kern van een bloemlezing – Gioconda. De joden van Thessaloniki in de Griekse literatuur. Een bloemlezing – die in 2004 verscheen bij Ta Grammata, een uitgever die nadrukkelijk ‘het bevorderen van de kennis van en liefde voor de Griekse literatuur in het Nederlands taalgebied’ tot doel heeft. Hokwerda is als redactiesecretaris en vertaler nauw betrokken bij het fonds.


    Grote Griekse thema’s

    Hoewel Hero Hokwerda klassieke talen studeerde, heeft hij zich altijd gericht op het moderne Griekenland. Hij ziet het hedendaagse Griekenland niet als een uitloper van de klassieke oudheid en moderne schrijvers niet alleen maar als erfgenamen van Homeros, maar hij realiseert zich dat velen dat onderscheid tussen historische tijdperken niet maken en dat de Grieken zelf hoe dan ook een speciale band met de oudheid hebben, alleen al door de taal en doordat zij in hetzelfde gebied wonen.
    Hokwerda is kieskeurig als het gaat om de boeken die hij vertaalt: ‘Ik wil boeken vertalen die iets over Griekenland zeggen. Die inzicht geven in hoe Grieken hun land en hun verleden beleven, én hoe ze omgaan met de uitdagingen van de tegenwoordige tijd.’

    Dat betekent dat hij bijna automatisch uitkomt bij romans en verhalen over onderwerpen die een belangrijke rol spelen in de recente Griekse geschiedenis: de beide wereldoorlogen, de ‘Grote Catastrofe’ in 1922, toen de Turken Izmir veroverden en de Griekse bevolking de stad en Turkije moest verlaten, en de Griekse Burgeroorlog (1946-1949).
    Hoewel er in zijn ogen geen Grote Griekse Roman verschenen is over één van deze onderwerpen – ‘misschien zitten ze daarvoor te vast in hun verleden’ – zou Hokwerda graag Η ζωή εν τάφω (‘Leven in het graf’) van Stratis Myrivilis (1890-1969) vertalen. ‘Je kunt die roman zien als de Griekse equivalent van Im Westen nichts Neues van Erich Maria Remarque. Het gaat over de loopgravenoorlog op de Balkan.’
    Ook Το Κιβώτιο (‘De kist’) van Aris Alexandrou (1922-1978) verdient het om vertaald te worden. ‘In deze roman krijgt tijdens de Burgeroorlog een groep partizanen de opdracht een kist met iets belangrijks van a naar b te verslepen. Aan het eind van hun “overlevingstocht” blijkt de kist leeg. Het is een existentialistische roman. De vrijdenker Alexandrou beperkt zich niet tot een eenzijdig beeld van de burgeroorlog.’
    Of die vertalingen er komen, hangt ook weer af van de bereidheid van een uitgever om een financieel risico te nemen, want ‘eigenlijk kan het publiceren van vertaalde Griekse literatuur niet uit’.
    Dat de Griekse overheid het vertalen van Griekse literatuur niet langer financieel ondersteunt, speelt daarbij een rol. ‘Het wachten is nog steeds op de herstart van wat je het “Grieks letterenfonds” zou kunnen noemen.


    Eerste integrale vertalingen Kazantzakis’ drieluik

    Voor het idee om drie romans van Nikos Kazantzakis (1883-1957) opnieuw te vertalen, vond Hero Hokwerda in Koen van Gulik van Wereldbibliotheek – daar verscheen in het verleden al werk van Kazantzakis – een geïnteresseerd uitgever. Van Gulik kende Kazantzakis uit de boekenkast van zijn ouders.
    Het recent verschenen Kapitein Michalis (Vrijheid of dood) (1955, vertaling 2018) vormt samen met Leven en wandel van Zorbás de Griek (1946, vertaling 2015) en Christus wordt weer gekruisigd (1952, vertaling 2016) een drieluik. In tegenstelling tot vroeger werk van Kazantzakis gaan deze romans over ‘echte, levende mensen en niet langer in de eerste plaats over abstracte ideeën’.
    De drie romans werden eerder – door verschillende vertalers voor verschillende uitgeverijen – vertaald in het Nederlands, maar Hero Hokwerda is de eerste die Βίος και Πολιτεία του Αλέξη Ζορμπά, Ο Χριστός Ξανασταυρώνεται en Ο Καπετάν Μιχάλης rechtstreeks op basis van de definitieve, integrale tekst uit het Grieks vertaalde.

    Dat het werk van Kazantzakis aanvankelijk via een omweg de Nederlandse lezer bereikte, lag niet alleen aan het feit dat er – ook toen, in de jaren vijftig en zestig – maar weinig Nederlandse vertalers het Nieuwgrieks machtig waren. ‘Zeventig jaar geleden werd er toegewerkt naar de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur aan Nikos Kazantzakis. Kazantzakis werkte daar graag aan mee. Hij vond het eigenlijk niet meer dan terecht dat hij die Nobelprijs zou krijgen.
    Met name Max Tau, een Duits-Noorse literair agent, spande zich in om het werk van Kazantzakis in allerlei West-Europese talen vertaald te krijgen. Daartoe stelde Kazantzakis vaak nog voorlopige versies van zijn romans beschikbaar. Die nog niet definitieve teksten werden in het Duits vertaald, en daaruit weer in het Engels en Zweeds, en via die vertalingen in het Nederlands.’

    Wie die eerste vertalingen van H. Edinga, André Noorbeek, H.C.M. Edelman vergelijkt met die van Hokwerda zal de nodige verschillen opmerken. Die zijn niet alleen maar terug te voeren op het via-via vertalen en de inzichten en gekozen oplossingen van de diverse vertalers – Hokwerda: ‘met name de Zweedse vertaler heeft het nodige toegevoegd en weggelaten’, maar dus ook met de nog onvoltooide staat waarin de romans die vertalers bereikte.

     

    De tale Kazantzakis’

    Nikos Kazantzakis behoort tot de toonaangevende schrijvers van Griekenland, maar de houding van het Griekse (lezers)publiek is ambivalent. ‘Hij wordt veel vereerd, voor sommigen is hij zelfs een goeroe, maar moderne Grieken kunnen ook moeite hebben met de toeristische en folkloristische sporen die het gevolg zijn van het succes van Zorba de Griek, de film van Michael Cacoyannis met Anthony Quinn als Alexis Zorbas. Al Kazantzakis kan er natuurlijk niets aan doen dat al die taverna’s voor toeristen “Zorbas” heten. En in de roman zit zoveel meer dan in de film.’

    Een vanuit literair oogpunt belangrijker bezwaar dat tegen Nikos Kazantzakis ingebracht wordt, is zijn taal. Kazantzakis gebruikte de Kretenzische variant van de dimotikí, de op de spreektaal geënte versie van het Grieks. ‘In de vertaling is dat makkelijk. Dan hoef je je niet aan zijn Kretenzisch gebonden te voelen. Ik vertaal zijn Kretenzisch in gewoon Nederlands, maar Grieken zitten wel vast aan de taal van Kazantzakis.
    Die taal was in zijn tijd modern, en was ook zeker als modern bedoeld, maar intussen is het voor veel Grieken een heel ouderwets, gedateerd taalgebruik, dat ook niet altijd even goed meer begrepen wordt.’
    Hero Hokwerda heeft geen moment overwogen om te zoeken naar een Nederlandse equivalent van Kazantzakis’ Kretenzisch. Zijn stijl bleef hij vanzelfsprekend wel trouw: ‘Kazantzakis schrijft heel levendig, heel direct, en rauw ook soms. Dat moet natuurlijk wel overgebracht worden.’

     

    Dichter en denker

    Hoewel Nikos Kazantzakis zeker in Nederland vooral bekend is als schrijver van romans, zag hij zichzelf in de eerst plaats als dichter en als denker. ‘De romans heeft hij maar een beetje als bijzaak beschouwd. Door het schrijven van romans bevrijdde hij zich als het ware van zichzelf. Dan was hij op vakantie uit  zijn “hogere bevlogenheid”. Dan hoefde hij niets van zichzelf.’

    ‘Gelukkig maar, want hij heeft een paar heel mooie romans geschreven, denk ik dan’, laat Hero Hokwerda erop volgen. Want het werk dat Kazantzakis zelf als de kern van zijn oeuvre beschouwde – zijn toneelstukken en zijn poëzie, waaronder zijn opus magnum: Οδύσεια (1938), een episch gedicht in 33.333 verzen bedoeld als vervolg op dé Oydysee van Homeros – is aan Hokwerda niet besteed.
    ‘Het ging hem bij de Οδύσεια ook om het werk als poëzie, maar het was vooral een kapstok om zijn ideeën aan op te hangen. Het is me in meerdere opzichten te groot. Het gaat niet alleen om het aantal bladzijden en het aantal regels. Het is mij te hoog bevlogen. Het is te veel. Daar ben ik te nuchter voor, ben ik bang.’

     

    De Kretenzer Kazantzakis

    ‘Nikos Kazantzakis zag zichzelf als Kretenzer én als wereldburger. Hij reisde veel, vestigde zich her en der, maar het Kretenzische heeft hij nooit losgelaten, ook in zijn werk niet. Het historische verhaal van “Zorbas” speelt op de Peloponnesos, maar dat heeft hij getransponeerd naar Kreta. Christus wordt weer gekruisigd speelt in Klein-Azië, maar is toch ook heel Kretenzisch, en in Kapitein Michalis keert hij terug naar het Kreta van zijn jeugd.
    Zelf zei hij dat alles wat hij schreef doortrokken is van de “Kretenzische blik”. Hij gaat daarbij terug naar de Minoërs, naar de stier-springende jongelingen op een muurschildering in Knossos. Zoals die jongens met de stier spelen, wat toch tamelijk gevaarlijk is, zo gaat de Kretenzer met de dood om: die ziet hij met open ogen tegemoet.’
    Het is de houding die Kapitein Michalis kenmerkt, die moet kiezen tussen vrijheid en dood, een houding die ook Alexis Zorbas en sommige personages uit Christus wordt weer gekruisigd niet vreemd is.

    Op de motieven van kapitein Michalis is het een en ander af te dingen. ‘Kapitein Michalis wordt meestal gezien als vrijheidsstrijder, maar het is wel een rare vrijheidsstrijder. Kreta lijkt hem niet zoveel te kunnen schelen, het gaat hem eigenlijk meer om zichzelf. Eigenlijk heeft kapitein Michalis de Kretenzische zaak verraden. Er zijn anderen, waaronder Polyxingis, op wie kapitein Michalis neerkeek, die kraniger aan de zaak van Kreta vasthielden.’

    ‘Kazantzakis was zelf ook een vat vol tegenstrijdigheden. Hij wilde eigenlijk dolgraag een man van actie zijn, maar zijn actie was het schrijven. Hij heeft moeite gehad zich daarmee te verzoenen. Eigenlijk is Leven en wandel van Zorbás de Griek zijn verzoening met die tweeslachtigheid. De personages Alexis Zorbas en “de schrijver” vertegenwoordigen de twee kanten van zijn persoonlijkheid.’

     

    Vrijzinnige denkbeelden

    Dat het graf van Nikos Kazantzakis zich in Iraklion op een bastion bevindt dat stamt uit de Venetiaanse tijd en niet op een kerkhof is het gevolg van een controverse met de Grieks-Orthodoxe kerk, die de denkbeelden van de schrijver hekelde. Inmiddels is hij min of meer gerehabiliteerd, en werd hij ter gelegenheid van zijn zestigste sterfdag op verschillende manieren geëerd, ook van kerkelijke kant.
    Kazantzakis had zijn eigen kijk op religie en wereld. ‘Er zijn mensen die geneigd zijn om hem als atheïst te bestempelen, maar dat is mijn ogen onzin. Hij was op een vrijzinnige wijze orthodox. Kazantzakis verwierp het idee van een persoonlijke God en het idee van opstanding uit de dood en een leven in een hiernamaals.
    Op basis van zijn eigen inzichten probeerde hij een godsdienst te ontwerpen, en hij heeft het ideaal gehad om, toen hij in 1914 naar de berg Athos ging, ook daadwerkelijk een nieuwe godsdienst te stichten. Dat zou ongetwijfeld een moderne godsdienst zijn geweest, zonder persoonlijke God en hiernamaals. Het hele leven speelde zich volgens Kazantzakis op aarde af.’

    ‘De vrijzinnige manier waarop Nikos Kazantzakis omgaat met het godsbegrip en het lijden en de dood – onderwerpen waar iedereen mee kan zitten of in elk geval mee te maken kan krijgen – is nog steeds actueel. Zijn worsteling met deze algemeen menselijke onderwerpen zou ook tegenwoordig veel mensen moeten kunnen aanspreken. Bovendien richtte Kazantzakis zich niet alleen op de verlossing van het individu. Hij had ook uitgesproken ideeën over het “verlossen” van de samenleving. Zoals de mens als individu door alle mislukking, nederlaag en dood heen zich telkens weer moet oprichten op de weg naar het hogere doel, dat is de strijd voor de weg omhoog, zo moet ook de samenleving dat; ook daar is elke mislukking tegelijk een nieuw begin op de eindeloze weg omhoog.’

     

    Voor Hero Hokwerda zit het vertalen van het werk van Kazantzakis er na Kapitein Michalis (Vrijheid of dood) voorlopig op. Zijn volgende vertaling is overigens al zo goed als klaar: Hitlers geheime dagboek van Charis Vlavianós. ‘De roman speelt in 1923, 1924 als de putsch mislukt is, Hitler in de gevangenis zit en zijn proces uitbuit om er weer helemaal bovenop te komen.’
    De roman zal in 2019 verschijnen, hoogstwaarschijnlijk bij Ta Grammata.

     

    Foto Hero Hokwerda: © Eva Overbeeke.

    Recensies van van Nikos Kazantzakis op Literair Nederland:
    Leven en wandel van Zorbás de Griek.
    Christus wordt weer gekruisigd.
    Kapitein Michalis  (Vrijheid of dood).

     

     

  • Melancholische blik op een jeugd in het Turkije van de jaren 70

    Melancholische blik op een jeugd in het Turkije van de jaren 70

    Kroniek van mijn schoolvakanties is een perfect boek voor de zomervakantie. Kerim Göçmen beschrijft immers jeugdherinneringen aan de vakanties die de ik-figuur met zijn broertje en moeder doorbracht op het platteland in het zuiden van Turkije. Daar komen zijn ouders vandaan, zijn opa heeft er een melkfabriek en ook zijn idool, zijn oom (de broer van zijn moeder), laat daar af en toe zijn gezicht zien. Göçmen verwerkt deze (zijn?) jeugdherinneringen tot een mooie schets over kinderlijke herinneringen aan onbezorgde zomervakanties.

    De novelle begint met een ruw ontwaken uit een droom. De jonge hoofdpersoon droomt dat hij wordt wakker gemaakt door de lieve, zachte stem van zijn moeder, dat zij de ontbijttafel dekt en hem helpt met zijn huiswerk. Het is echter zijn vader die hem wakker schudt, en deze houdt er een wat ruwere opvoeding op na. Zijn vader is arts in het leger, en kan door de drukte nooit mee naar Bozkaya. ‘Op dat ogenblik wenste ik dat ik een andere vader had, een vader die mij niet voortdurend om de oren sloeg met: “Toen ik een internaatleerling in het leger was, kregen we vijf minuten om ons te wassen, aan te kleden en ons bij de sergeant te melden.”’

    Eénmaal in Bozkaya aangekomen kan de hoofdpersoon ongegeneerd dromen van het werk van zijn oom, die als buschauffeur mensen rondrijdt in de buurt en er een veel liberaler levensstijl op na houdt dan zijn vader. De ik-figuur wil heel graag diens hulpje worden en dat lukt hem uiteindelijk ook. De oom die in alles het tegenovergestelde is van zijn vader – zo wil hij ook zijn. Ook hij wil rondrijden en op avontuur. De familie tracht de oom wel te binden maar hij blijft de vrijbuiter die hij is. Zelfs een huwelijk lost niets op. Zo zijn er nog wel vijf tevens interessante figuren die Göçmen een plaats weet te geven in dit toch niet veel pagina’s tellende verhaal. Ook de politieke actualiteit van de jaren 70 krijgt een plaats, zij het op de achtergrond.

    Zo kabbelen de zomers voort met vriendschappen, kinderlijke avonturen en verwondering. De idyllische zomers doen de lezer zelf terugdenken aan het spelen in weken, maanden vakantie van school en de schijnbare onbezorgdheid als kind.

    Toch ontwaakt de lezer met de verteller uit een droom. Waren de zomers nu wel zo leuk? Is het niet gewoon irritant dat zijn opa niet eens een wc heeft? Thuis hebben ze dat wel, en bovendien is het klimaat thuis een stuk aangenamer dan in Bozkaya. Ook de oom valt op een gegeven moment van zijn voetstuk en het werk als hulpje op de bus blijkt saai. Want, zo blijkt, ‘de aantrekkingskracht is het sterkst zolang de droom niet wordt verwezenlijkt. (…) Wanneer je die droomwereld binnenstapt, begint de glans eraf te raken.’

    Als een Nederlandse Patrick Modiano beschrijft Göçmen zijn jeugd letterlijk in melancholische flarden doordat hij zich zo expliciet concentreert op de zomers. Maar daar waar Modiano’s geheugen alleen vage en obscure herinneringen lijkt te bevatten, beschrijft Göçmen de zijne juist kraakhelder. Onwetend of de herinneringen nu daadwerkelijk van de schrijver zijn, kan de lezer daar alleen maar van genieten.

     

     

  • Legenden en leven

    Legenden en leven

    Nobelprijswinnaar Pamuk heeft met De vrouw met het rode haar een prachtige roman geschreven die bol staat van de symboliek. Die ontleent hij aan een Oosterse en een Westerse mythe over de verhouding tussen vader en zoon. In het Iraanse epos Het Boek der Koningen doodt Rostam na een lange strijd zijn zoon Sohrab; door hun vechtkleding herkennen ze elkaar niet. In de Oedipus mythe doodt Oedipus zijn vader en huwt zijn moeder, zonder dat te beseffen. Beide legenden vlecht Pamuk mooi door elkaar tot een samenhangend verhaal.

    Het boek bestaat uit drie delen: het eerste deel gaat over de 16-jarige Cem; het tweede deel gaat over zijn volwassen leven – hij is dan 45 jaar -, zijn huwelijk met de mooie Ayse en zijn succesvolle bouwonderneming; het derde deel bevat een terugblik van de vrouw met het rode haar op haar leven, haar echtgenoten en haar enige zoon Enver.
    Het verhaal begint met Cem als jongen, wiens vader in de gevangenis zit wegens politieke subversieve activiteiten. Na zijn vrijlating uit de gevangenis keert hij niet naar huis terug; Cem zal hem gaan missen.

    Om geld te verdienen voor zijn opleiding aan de universiteit werkt Cem in een boekhandel, waar hij de Oedipus legende leert kennen. Maar wanneer hij meer kan verdienen met het helpen van een oudere puttengraver die naar water zoekt, doet hij dat. Er ontstaat een hechte band tussen Cem en Mahmut, de puttengraver – als ware hij zijn vader. Mahmut vertelt Cem vele mooie verhalen en noemt hem ook ‘mijn zoon’. Zo vertelt hij Cem het verhaal uit de Bijbel van Jozef en zijn jaloerse broers, die hem in een put gooien.

    In het dorp waar zij naar water graven – maar dat niet vinden – arriveert op zeker moment het reizend toneelgezelschap ‘Theater van de kwalijke verhalen met een moraal’. Het gezelschap speelt onder meer delen uit de Oedipus.

    Het toneelstuk en een actrice zullen het leven van Cem vergaand beïnvloeden. Die actrice is een mooie vrouw met rood haar, 33 jaar oud; hij kan de verleiding niet weerstaan en wil haar iedere avond zien. Zij is geïntrigeerd door zijn verschijning, hij lijkt op iemand uit haar verleden, en ze neemt hem uiteindelijk mee naar haar woning. ‘ “Je hoeft nergens bang voor te zijn”, zei ze met een glimlach. Je ziet het, ik had je moeder kunnen zijn”.’

    Wanneer Mahmut en Cem geen water kunnen vinden -ze zitten inmiddels op 25 meter diep- en Cem per ongeluk een emmer naar beneden laat vallen op het hoofd van de puttengraver, denkt hij dat hij hem heeft gedood. Hij vlucht naar huis en zegt niemand wat er is gebeurd.

    In het volgende deel runt Cem samen met zijn vrouw een bedrijf dat huizen bouwt in de uitbreidingsgebieden van Istanbul. Op zeker moment komt hij terug op de plek waar hij Mahmut in de put heeft achtergelaten: hij heeft het terrein gekocht om te bebouwen. Er ontstaan allerlei ontwikkelingen met Cem en zijn vrouw, en met de zoon van de vrouw met het rode haar.

    In het laatste deel vertelt de vrouw met het rode haar over haar leven en liefdes, en over haar zoon. Dan vallen alle stukjes op hun plaats. Het is zonde daar meer over te zeggen, maar Pamuk weet de roman op gloedvolle wijze af te ronden!

    In verschillende opzichten werkt Pamuk de vader-zoon relatie ingenieus uit. Het knappe is dat hij de twee mythen over de relatie tussen vader en zoon op bijna achteloze wijze weet te verknopen met het leven van Cem in het moderne Istanbul, traditioneel de stad waar Oost en West elkaar ontmoeten.

    Pamuk schetst treffend de psychologische betekenis van de vader-zoon relatie en heeft met De vrouw met het rode haar weer een mooie roman aan zijn oeuvre toegevoegd.

     

  • Een oer-Vlaams bestaan, maar dan anders

    Een oer-Vlaams bestaan, maar dan anders

    Charles Ducal is geen onbekende in het Nederlandse taalgebied. Zijn gedichten domineren al twintig jaar de literaire scène en dat leverde hem in 2014 de titel ‘Eerste Dichter des Vaderlands’ van België op. Dat hij nu op 66-jarige leeftijd zijn eerste roman schrijft, is op zijn minst merkwaardig te noemen. Zijn romandebuut Kroniek van een verzonnen leven is er een vol platgetreden paden en herkenbare Vlaamse clichés, maar toch slaagt hij erin ontroering bij de lezer los te maken en er uiteindelijk een kleine parel van te maken.

    De feiten
    Kroniek van een verzonnen leven is niets meer en niets minder dan wat de titel brengt. Het werk put uit Ducals eigen leven en doet denken aan de oerdegelijke, uit Vlaamse kleigrond geschapen traditionele roman die we kennen van Streuvels, Teirlinck en Timmermans. Waar precies de autobiografische feiten ophouden en het verzonnen leven begint, houdt hij echter goed verborgen. Feit is dat Frans Dumortier, alias Charles Ducal, opgroeide in de jaren vijftig in een boerengezin, Germaanse filologie studeerde in Leuven en daarna 37 jaar les gaf aan een gerenommeerd college. Tijdens zijn studies was hij actief lid van de marxistische-leninistische beweging en hij werd een veel gelauwerd dichter. Tot hier de feiten.

    Het verhaal
    In Kroniek van een verzonnen leven groeit het hoofdpersonage Remi Dessein op in een streng, katholiek boerengezin in de naoorlogse jaren. Vader is hard en afstandelijk, voortdurend aan het werk, moeder runt het gezin met ijzeren hand. Alles wordt bepaald door gebod en verbod, door God,  zonde en schuldbesef. Op school blinkt hij uit en hij wil ook overal de beste in zijn. En dan zijn daar de eerste tekenen van een ontluikende seksualiteit. Seksualiteit zal ook zijn hele verdere leven bepalen. Als hij als elfjarige ’s nachts uit zijn kamer ontsnapt om een pornoblaadje te halen dat hij langs de kant van de weg heeft achtergelaten, is hij getuige van een brutale verkrachting die eindigt in een gruwelijke moord. Wat hij heeft gezien, zal hem zijn hele leven blijven achtervolgen, zijn schaamte voeden en zijn relatievaardigheden bemoeilijken. Kort daarna gaat hij op internaat. Ook daar is hij primus, blijft hij worstelen met zijn seksualiteit, maar is hij een eenzaat en kan hij enkel ‘vriendschappen’ opbouwen door medeleerlingen te laten afschrijven en te helpen.
    In de beschrijving van het internaatleven komt Hugo Claus en zijn Het Verdriet van België de hoek omkijken.

    Sporen van de werkelijkheid
    En dan gaat Remi naar de universiteit waar hij Germaanse filologie studeert. Hij komt in contact met het marxisme en wordt één van de voorvechters hiervan. Zijn vriend en grote voorbeeld Joris overheerst zijn leven en beïnvloedt hem aan alle kanten. Zijn studies beginnen er onder te lijden, maar dan komt zijn grote prestatiedrang weer bovendrijven en hij ziet in dat zijn studies toch belangrijker zijn. Hij breekt ook met Joris die hem dat nooit meer zal vergeven. Remi wordt leraar en blijft 37 jaar lang Nederlands geven, terwijl zijn dichtbundels overal gelauwerd worden. Zijn zussen hebben kritiek omdat hij op een onverholen manier over zijn moeder en vader en over het huwelijk schrijft.
    Wie bekend is met het werk van Ducal herkent hierin een knipoog naar Ducals eerste dichtbundel, het zeer cynische Het huwelijk.  Ook Remi’s huwelijk is niet het meest geslaagde, hij blijft immers worstelen met zijn seksualiteit en de gebeurtenis uit zijn jeugd. Pornosites, het liefst met brute verkrachtingsscènes, blijven zijn enige vorm van echte opwinding. Na een hardhandige ontmoeting met een prostituée komt hij echter in het reine met zichzelf. Het einde van de roman toont een gedementeerde Remi die door vrouw en kinderen wordt begraven.

    Spotten met gemeenplaatsen
    Ducal haalt dus alle clichés boven die in de Vlaamse literatuur de revue gepasseerd zijn: het oerkatholieke godsvrezende boerengezin uit de jaren vijftig, het door priesters gedomineerde internaatsleven, mei ’68 met de anti-Vietnambetogingen en de marxistische beweging, de linkse student die zich uiteindelijk settelt als rechtse modaalburger. Vlaanderen krijgt hier niet genoeg van, maar toch is het bij Ducal anders. Hij slaagt erin om de lezer te ontroeren. Dit doet hij op exact dezelfde wijze als in zijn gedichten. Een zeer poëtische, maar rake en treffende stijl met korte zinnen, to the point, wars van alle ballast. Hij weeft een fijn web van relaties, van oorzaak en gevolg. De manier waarop seksualiteit, het taboe daarop en het gruwelijke geheim dat Remi zijn hele leven meedraagt, de hele roman voortdurend onderhuids aanwezig is in kleine hints en verbloemde suggesties, tonen dat Ducal heel wat in de vingers heeft.  Het fijne raderwerk van een heel mensenleven van kind tot dood wordt op een subtiele, maar verbluffende manier getekend tegen de grote gekende achtergrond. Precies die herkenning en het verrassende van het leven daarin maakt van deze kleine roman een groot werk.

     

     

  • Een ongrijpbare Kretenzische vrijheidsstrijder

    Een ongrijpbare Kretenzische vrijheidsstrijder

    Kapitein Michalis, het boek dat als ondertitel vrijheid of dood kreeg, is inmiddels de derde grote roman van Nikos Kazantzakis (1883-1957) die in een nieuwe Nederlandse vertaling van Hero Hokwerda verscheen, na Leven en wandel van Zorbás de Griek en Christus wordt weer gekruisigd. Dat is geen overbodige luxe of marketingstunt, want de oospronkelijke Nederlandse versie die enkele jaren na de Griekse publicatie van 1953 uitkwam, was in feite een tussenvertaling, waarschijnlijk uit het Duits. Die werkwijze wordt tegenwoordig gelukkig niet vaak meer gehanteerd, althans niet voor grote literaire werken. Het belang van een goede, rechtstreekse vertaling kan namelijk niet worden overschat.

    Kort samengevat speelt Kapitein Michalis zich af op Kazantzakis’ geboorte-eiland Kreta, aan het einde van de negentiende eeuw. Op het Griekse vasteland was in 1830 al een onafhankelijke staat gevestigd, maar de opstand in Kreta werd neergeslagen. Bijgevolg bleef het eiland onder Turks bestuur: het Ottomaanse rijk vertoonde in die tijd weliswaar al tekenen van verval, maar was nog steeds machtig. Pas in 1913 zou het eiland in de Middellandse Zee aansluiten bij Griekenland. De tussenliggende periode was erg woelig. Hoewel Kretenzische christenen en moslims in symbiose leken te leven en veel volksgebruiken en tradities met elkaar gemeen hadden, sloeg de vlam regelmatig in de pan, met een kettingreactie van wraakacties tot gevolg (‘Van moord op moord sprongen de vonken van dorp naar dorp over en zo vatte heel Kreta vlam’).

    Hoofdfiguur kapitein Michalis (overigens geen zeevaarder of militair, maar een soort lokale christelijke gezagsdrager) is een mysterieuze, gesloten figuur. Op het eerste gezicht lijkt hij een rouwdouw met een onvoorwaardelijke vaderlandsliefde en erg conservatieve denkbeelden; zijn vrouwbeeld is niet bepaald modern te noemen, hij heeft antisemitische trekjes en ook intellectuelen staan niet hoog in zijn achting (‘Dat krijg je d’r van als mensen doorleren: brilletje, pantalonnetje, bocheltje, en als je ’n geweer hoort schieten, doe je ’t in je broek… Jong, opgepast voor letters, Thrasaki: die zijn net tering, als je ’r maar niet mee besmet raakt!’). Michalis is met andere woorden een personage dat de toets van het huidige politieke correcte denken niet weerstaat, maar dat geldt voor een groot deel van de personages uit de literatuurgeschiedenis.

    Toch blijkt de grillige kapitein zich in dit boek te ontwikkelen tot een veel gelaagder en complexer personage dat helemaal niet zo eenduidig is en een heel dubbele houding aanneemt ten aanzien van de Kretenzische vrijheidsstrijd, zelfs al moet hij daarvoor op het einde het ultieme offer brengen. Als puntje bij paaltje komt, is Michalis immers eerder met zijn innerlijke demonen aan het vechten dan met de Turkse bezetters. Op andere momenten heeft hij dan weer verrassend verlichte inzichten. Kortom, Michalis is niet voor één gat te vangen.

    In Kazantzakis’ Kreta loopt het vol kleurrijke figuren en zie je overal schilderachtige taferelen. In zekere zin schreef de auteur met Kapitein Michalis ook – maar niet alleen –een verhalende roman die letterlijk niet meer van deze tijd is, wat geenszins als een tekortkoming moet worden gezien. Hij produceert bij momenten langzaam meanderend proza dat rustig de tijd neemt. Zo mag de beschrijving van de wind gerust een alinea duren:

    Zwaar lag vanavond over Grote Vesting de nacht, vol lenteachtige zwoelte. Tegen middernacht was de gure noordenwind geluwd en was er zo’n warme, vochtige wind opgestoken die de bomen doet botten. Vanuit morenland woei hij over de Libische Zee aan, waarna hij van Tymbaki en Kalí Limiones tot aan Aya-Varvara de hele Mesarávlakte overstak, de befaamde wijngaarden van Archanes achter zich liet, de vestingwallen besteeg, door de kieren van deuren en vensterbanken de huizen binnendrong en zich als een man op de vrouwen en als een vrouw op de mannen wierp en hen uit de slaap hield. Met lichte tred had ondeugende april in één nacht heel Kreta onder de voet gelopen.

    Traag kan heel mooi zijn in jachtige tijden van vluchtige informatie, zoveel is zeker. De soms wat gezwollen, patriottische retoriek is eigen aan zijn tijd en het romantische ideaal van de natiestaat. Wie bijvoorbeeld het volgende fragment leest, kan dat beter niet uit het oog verliezen:

    Hij hield van het eiland alsof het iets levends en warms was, met een mond die riep en ogen die huilden, niet gemaakt van stenen en aarde en boomwortels, maar van duizenden grootvaders en moeders die nooit sterven, maar blijven leven en elke zondag in de kerken bijeenkomen en die het om de zoveel tijd op hun heupen krijgen, vanuit hun graven een reusachtige vlag uitrollen en de bergen ingaan. En jarenlang over deze vlag gebogen hebben de moders met hun ravenzwarte of grijze of sneeuwwitte haar er de drie onsterflijke woorden op geborduurd: VRIJHEID OF DOOD.

    Hokwerda wijst in zijn verhelderende nawoord nog op een aantal – weliswaar wat bijkomstige – overeenkomsten met Homeros’ Ilias, en in de strijd tussen Grieken en Trojanen (of Turken, liever gezegd) kan natuurlijk geen Helena ontbreken (‘Hij had veel over de schoonheid van dze Tsjerkessische horen vertellen, over haar wildheid, over haar gezang dat soms om middernacht met Bairam door het dichte houten traliewerk naar buiten slingerde en de buurt op haar grondvesten deed schudden; Turkse en christelijke levensgenieters verzamelden zich in het donker op de straathoeken om naar haar te luisteren’). Dat is in dit geval Emine, de Turkse schone die zich tot het christendom bekeert en Michalis’ hart steelt, overigens met fatale gevolgen. Omdat hij tijdens de verdediging van een belegerd klooster een tijdje zijn post verlaat om Emine op te zoeken, verzaakt hij aan zijn patriottische plicht. Het zal hem tot een fatale conclusie leiden. Het adjectief ‘monumentaal’ is dan ook niet overdreven voor deze epische, groots opgevatte Griekse klassieker.

     

  • Het Koplandsiaans minuscule is de kracht in deze bundel

    Het Koplandsiaans minuscule is de kracht in deze bundel

    De Vlaamse dichter Sylvie Marie brengt in haar nieuwste bundel Houdingen grote bewegingen van het gemoed terug naar uiterst kleine beschrijvingen. Met de zorgvuldigheid van een horlogemaker weet ze minimale woordconstructies samen te stellen die een wereld van verborgen drama ontsluiten. In het eerste deel ‘Toestanden’ wordt in drie gedichten de basis gelegd voor het verdere verloop. Een niet vrolijkstemmend vers dat begint met: ‘veel vaker dan ik wil, wacht ik op bloed, / slijt er dagen aan (…)’

    Of het tweede gedicht dat aanvangt met: ‘terwijl we weer vrijen schuift een kleine, / bange rat onder de deken (…)’
    Het derde gedicht in het deel ‘Toestanden’ laat de huidige situatie zien: ‘los als vandaag liggen we / almaar vaker. lakens scheuren / langs de drift van onze continenten. (…)’

    In metaforische schetsen laat Sylvie Marie een somber beeld zien van een vrouw in een ongelukkige toestand. Vreemd genoeg wordt die somberte nergens echt tastbaar, omdat de dichter zo omfloerst mogelijk haar taal behandelt. Geen grote woorden, geen drang naar heftige conclusies, maar slechts lichte aanrakingen die de tragiek benoemen en die tegelijkertijd bedekken onder een deken van vloeiende regels. Dat maakt de zwaarte eerst draaglijk, gevangen in schoonheid, maar bij herlezing van de verzen komt zij steeds harder binnen.

    Het tweede deel ‘Houdingen’ is een uiteenzetting van de verschillende stadia waarin de vrouw zich bevindt. Haar wezen uit zich in een reeks gedichten over eenzaamheid, verlatenheid en het verlangen naar liefde. Met een treurig zelfbeeld als dieptepunt, waarmee ze zichzelf de maat neemt:

    ik kan dat niet, de vrouw uithangen,
    wijd en traag ben ik, was ik
    hout, dan had ik brede groeven, lomp
    val ik als omgehakt, ik kraak mijn takken stug.
    het is ook altijd winter hier. (…)

    Het drama wordt alleen maar groter als er over pillen gedicht gaat worden. Hier wordt de loodzware boodschap ook allereerst verpakt in prachtige zinnetjes die heel gedetailleerd beschrijven hoe zo’n proces in zijn werk gaat. De ernst van de zaak lijkt voor zichzelf te spreken, maar neemt aan het eind van het vers een wending als er iets te nadrukkelijk verwezen wordt naar een andere functie van de pillen:

    om kalm te blijven druk ik
    geconcentreerd de pillen uit een strip

    en meer nog dan het doel van die dingen,
    gaat het om het drukken, zorgvuldig,
    de beide duimen voorwaarts
    en de nagels tegen elkaar.

    dan het zilvervlies dat knapt,
    het plastic dat ineenstuikt
    als een bolle buik tenietgedaan met een veeg
    van tafel, brekend water, spanning die lost,
    de pil die in mijn palm valt, achteloos
    als een kinderhoofdje.

    Dood en nieuw leven, beiden door de dichter aangeraakt in een omhulsel van lastige relationele kwesties. Voor een hele bundel is dat iets teveel van het goede, maar Sylvie Marie komt ermee weg omdat haar sprankelende en precieze stijl het lezen tot een bijzonder avontuur maakt. De tragiek mag dan verpakt zijn in té opgelegde metaforen, zinnen als: ‘de nacht is een kofferbak, waarin ik klaarlicht liggen moet’ zijn kleine pareltjes waarin de subtiele alliteratie een groot effect teweegbrengt.

    In het laatste deel ‘Uitkomsten’ wordt in één gedicht de zogenaamde uitkomst van alle misère toegelicht. Hier blijft weinig te raden over: goed geschreven maar veel te expliciet verwijzend naar een goede afloop. Terwijl nog geprobeerd wordt de boodschap te verdoezelen, spreekt de verzuchting van de dichter boekdelen: ‘jij liet niets vallen,/ jij hebt iets neergezet.’
    Het dichterschap van Sylvie Marie is vooral af te lezen aan de kleinheid van haar verzen, waarbij ze soms de verbeelding te letterlijk laat plaatsvinden. Het haast Koplandsiaanse minuscule – tot in detail een grote beweging beschrijven en daar zo min mogelijk woorden aan vuil maken – is haar grote kracht. Dat wordt benadrukt door het beste gedicht uit deze bundel:

    we zouden kunnen gaan zitten
    in een koffiekopje.

    je weet wel,
    een klassiek,
    met schuine wanden,
    zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

    geen mok, dat niet.
    geen grote cilinder
    met platte bodem

    maar zo’n kleintje,
    bol.

    misschien dat we daarin
    moeten investeren:
    van alle kamers kopjes maken.

     

  • Nederland komt uit het buitenland

    Nederland komt uit het buitenland

    Alarmerend nieuws in Nature, begin juni: Tussen 2012 en 2017 verloor de Antarctische ijskap zeven miljoen kilo ijs. Per seconde. Het smeltproces ging daarmee drie keer zo snel als in de twintig jaar ervoor. Dat heeft gevolgen voor de stromingen op oceanen en zeeën en de hoogte van de zeespiegel. Moeten we daar wakker van liggen?
    In het onlangs verschenen boek Rivierenland van Sunny Jansen (auteur) en Martin van Lokven (fotograaf) komt de Delftse emeritus hoogleraar Waterbouwkunde Han Vrijling aan het woord. Hij wijst er op dat voorspelde zeespiegelstijgingen niet kloppen met de niveaus die we in werkelijkheid zien. Ook de gemeten gevolgen van de klimaatverandering voor onze rivieren zijn niet zo groot als deskundigen graag vertellen. Zou Vrijling zijn geschrokken van het themanummer van Nature?

    De keten klimaatverandering, zeespiegelstijging en de gevolgen van beide voor onze Nederlandse waterhuishouding is één van de onderwerpen in Rivierenland, waarbij duidelijk wordt dat heel verschillend gedacht kan worden over maatregelen om droge voeten te houden. Moeten we voorkomen dat we overstromingen krijgen door dijken te verhogen? Door rivierbeddingen te verdiepen of zelfs te verleggen? Door overloopgebieden te creëren? Laten we ons leiden door veiligheidsaspecten of door natuurbelangen? Het is één van de aardige aspecten van dit boek dat het die vragen niet alleen opwerpt maar de lezer ook stimuleert om er over na te denken.

    Fruitteelt
    Rivierenland. Nederland van Aa tot Waal (in de alfabetische opsomming komen na de Waal overigens nóg vijftien rivieren voor met als laatste Zwarte Water) schetst een breed spectrum van aan rivieren gelieerde verhalen: van het ontstaan ervan, veiligheid, natuur, scheepvaart, visvangst en dijkbeheer tot pleziervaart, oevervegetatie, handel enzovoort. Het boek is enigszins chronologisch opgebouwd, maar toch vooral thematisch. Jansen heeft gekozen voor korte afgeronde hoofdstukken in een journalistieke taal. Af en toe zijn ze gebaseerd op interviews met mensen uit de praktijk, zoals dijkgraven en wetenschappers, maar ook wandelaars langs de oevers. Van Lokven verzorgde er prachtige foto’s bij die er een prettig blader- en kijkboek van maken. De opzet werkt daaraan mee. De hoofdstukken staan vaak op zichzelf en er is niets op tegen om ze lukraak te lezen.

    Wie zich nooit verdiept heeft in de vraag wat voor aspecten allemaal aan rivieren verbonden zijn, wordt verrast door de keur aan onderwerpen die Jansen in 350 pagina’s voorschotelt, maar ook door de verrassende inzichten. Dat langs rivieren veel baksteenfabricage plaatsvond zal menigeen bekend zijn, maar dat er een verband is tussen fruitteelt en de rivieren: nooit geweten.

    Bloemlezing
    Anderzijds zullen sommige lezers onderwerpen missen. Waarom wel een interview met de maker van de Blue Road-map (een online routeplanner voor de binnenvaart in Nederland) en niets over het binnenvaartonderwijs? Waarom wel het gesprek met de wandelaars en niet de ervaringen van brug- of sluiswachters vóór die taken geautomatiseerd werden. Jansen realiseert zich dat niet iedereen in het boek tegenkomt wat hij er had willen vinden. In haar inleiding schrijft ze dat Rivierenland geen uitputtend overzicht is, maar eerder een bloemlezing. De verhalen zijn haar keuzes. En: ‘Dit boek streeft geen volledigheid na, het hoopt te inspireren en uit te nodigen om zelf op verkenning te gaan in het prachtige Nederland Rivierenland.’ Dat is inderdaad precies wat het doet.

    Auteur en fotograaf zij daarom vergeven dat historische overzichten soms wel eens kort door de bocht zijn, zoals de niet nader toegelichte bewering: ‘Uiteindelijk vochten de Romeinen meer tegen de rivieren dan tegen de Germanen’. En het merendeel van de illustraties is oogstrelend, maar niet elke lezer zal voor ogen hebben waar Herveld, Maurik, Meteren, Beusichem en Zoelmond liggen. Het zijn dorpen die onderliepen bij de grootste rivierramp die Nederland trof, in 1809. Bij dat soort beschrijvingen zouden detailkaarten verhelderend zijn geweest.

    Wie over die onvolkomenheden heen stapt met begrip voor de keuzes die auteur en fotograaf hebben moeten maken, houdt een boek in handen dat de ogen opent voor de enorme diversiteit van ons waterland, dat ooit ontstond op het sediment dat zo’n twaalf miljoen jaar geleden werd aangevoerd uit de toenmalige Scandinavische Eridanos. Napoleon dacht er volgens een (waarschijnlijk apocriefe) uitspraak ook zo over. Hij noemde Nederland een aanslibsel aan Frankrijk. Hoe dan ook concludeert Jansen: ‘Ons land komt dus eigenlijk uit het buitenland.’

     

     

     

  • Kaf maar gelukkig ook koren

    Kaf maar gelukkig ook koren

    Merijn de Boer (1982) is ondanks zijn jeugd een gelauwerd schrijver met een prijs voor zijn debuut Nestvlieders en long- en shortlist-vermeldingen voor zijn latere romans. Wie zijn nieuwe verhalenbundel De geur van miljoenen leest, verwacht dus kwaliteit. En voelt teleurstelling als hij een onevenwichtige serie verhalen voorgeschoteld krijgt die soms zó uit de droomwereld van een wat aangeschoten corpsbal geplukt lijken. Ze zijn verspreid in de tijd gepubliceerd en een aantal toont een nog wat onbeholpen, onwennige stijl. Alsof de schrijver voor het eerst de pen hanteert en veiligheidshalve kiest voor cliché-uitdrukkingen die hij dagelijks in de krant leest.

    Veel van de verhalen ogen nogal bedacht. Een ik-persoon die een ereplaats krijgt bij de begrafenis van een collega en tot zijn schrik merkt dat hij in ‘s mans op de begrafenis voorgelezen vaarweltekst afgezeken wordt. Een andere ik-persoon die besluit te adverteren dat hij samen met iemand Vestdijks hele oeuvre wil lezen en zo kennis maakt met een paar eigenaardige mensen. Een derde ik-verhaal gaat over een ik die zichzelf tegenkomt en tenslotte besluit die andere ik om te brengen.
    Al lezend krijgt men sterk de indruk dat De Boer vooral opzienbarende verhalen wilde schrijven en weinig doet om de lezer te betrekken bij zijn personages en wat hen overkomt. Toch zijn er twee verhalen die juweeltjes genoemd kunnen worden. Het ontroerende Een vaderfiguur over de jonge Pjotr uit Eindhoven die met de al wat oudere Amsterdamse homo Jakob een kennismakingsafspraak heeft en wordt overspoeld door diens warme hartelijkheid en belangstelling.

    En dan De registermakers dat gaat over het register dat alle registers bevat en tachtigduizendzeshonderd-
    negenentachtig lemma’s telt. Het is een hoop werk om alles up to date te houden. De zenuwen slaan aan het eind van het jaar toe:
    De periode tussen inlevering van de kopij en de aflevering door de drukker is voor een registermaker slopend en uitputtend. Wijzelf zijn in de loop der jaren gehard. We weten zo langzamerhand hoe we ons er doorheen kunnen slaan. Maar er zijn verhalen van collega’s die eraan zijn bezweken. Het ergst wat er namelijk kan gebeuren is dat een lemma sterft terwijl hij op de drukpers ligt. Dat is niet de fout van een lemma. Dat is de fout van een registermaker.
    Kijk, wat er na verschijning van een register gebeurt kan de registermaker gestolen worden. Laat ze vooral allemaal een andere nationaliteit en een andere baan nemen. Niet onze verantwoordelijkheid. En laat ze stuk voor stuk doodgaan, we liggen er geen nacht wakker van. Als ze maar niet doodgaan in dat schemergebied tussen inlevering en verschijning.
    Ach, twee mooie verhalen op twaalf is eigenlijk nog niet eens zo’n slechte score voor een beginnend schrijver. Waarvan akte!

     

  • Alles is verkleind

    Alles is verkleind

    Alles is verkleind. De ruimte tot een wachtkamer, de dag tot een spreekuur. Hoop wordt vermoeden en vermoeden wordt vrees. Een kapot strottenhoofd bedreigt de schoonheid van je lichaam. Vrienden worden slechts namen. Alleen je moeder blijft je moeder.

    Alles wat was van Willem Melchior is geschreven in de vorm van een dagboek. Dat begint met het moment dat de ik-figuur (Melchior) te horen krijgt dat de bestraling van zijn keel (er was kanker geconstateerd) geen effect heeft gehad. Het dagboek dat volgt is een (zelf)reflectie op de dagelijkse gebeurtenissen en gedachten die na die mededeling ontstaan. Willem Melchior (1966) schreef veel boeken met titels waarin het woord ‘lichaam’ voorkomt. De roeping van het vlees, Het lichaam bestaat niet en Lichaam der Smarten. In zijn voorlaatste boek De tijd is op schreef hij ook over zijn keelkanker.

    Na een paar pagina’s zijn er al geen misverstanden meer mogelijk. ‘De keel heeft de bestraling slecht doorstaan. Slechter kon eigenlijk niet.’ En bijna net zo onthutsend was de toon waarmee de arts die boodschap bracht: ‘iets bouds, op het brute af.’ Melchior schrijft het op alsof het zo uit zijn pen vloeit. In een onomwonden en heldere stijl met voortdurende reflecties op zijn eigen gedachten. Juist ’s nachts komen die.
    ‘Het lijkt wel of de waarheid in het onderbewuste doorwerkt, als onder de oppervlakte, en tenslotte van zo’n moment van nachtelijk wakker liggen gebruikmaakt om boven te komen.’ Of je in verzet moet komen. Of zelf het leven moet beëindigen of moet streven naar berusting en aanvaarding.

    Staand voor de spiegel werd hij geil van de schoonheid van zijn lichaam. Het was zijn bondgenoot. Maar nu is hij ermee in conflict, zijn lichaam is zijn kapotte strottenhoofd. De wereld is klein geworden, afgesloten van het ‘gewone’ leven. Toch wil hij waarnemer blijven van het leven waaraan hij nog nauwelijks deelneemt. Vaak doet hij dat met humor en zelfspot. ‘Mama ging op mijn aanraden wat eten in het restaurant (van het ziekenhuis) en kwam weer boven, de schemering verdichtte zich tot duisternis, twee dames reden de voedselwagen binnen en begonnen het avondbrood uit te serveren, er een komisch nummer van makend door zich zogenaamd bij de patiënten te beklagen over wat de ander allemaal voor stommiteiten beging [..] en dan besloten ze hun verhalen steevast met : “Ja, ja, het is met wat.” Zo zat de stemming er lekker in. En toen verscheen Mahieu (de arts, hm). Als ouderwetse potentaat [..] met een zodanige stemverheffing, als een soort stadsomroeper, dat meteen alle overige aanwezigen op de hoogte waren. Ik was als eerste aan de beurt.’

    Over het karakter van de artsen kom je als lezer meer te weten dan over de vrienden van Melchior, dat zijn slechts namen van passanten aan zijn bed. Zijn moeder (mama) is zijn ankerpunt en de enige die hem nog verbindt met het leven dat er was.
    De manier waarop Melchior voor zichzelf het scenario ‘ik wil me niet laten behandelen’ verkent en de consequenties daarvan onder ogen ziet, is indrukwekkend en luchthartig tegelijkertijd. Hij gaat op zoek naar touw om zich op te hangen. Hij moet zich daarvoor bij de ‘sm-winkel vervoegen: ik weet dan dat ik duur, maar sterk en soepel en zacht spul krijg, terwijl de expliciet seksuele connotatie me nu gepast lijkt, en een welkome aanvulling bovendien.’ En voor hij het besefte zat hij over het onderwerp de hangman’s fracture te lezen: ‘“…is de val te lang, dan wordt het hoofd van de romp gerukt.” Dat laatste lijkt me niet zo bezwaarlijk als je dood wilt: dood is dood, of je het nu in één stuk bent of in twee.’

    Al lezend vraag je je af hoe je je tot dit boek moet verhouden. Je raakt nieuwsgierig naar het einde van het verhaal. De afbeelding op de cover zou die van een thriller met een plot kunnen zijn. Tegelijkertijd bekruipt je een gevoel van schaamte over het feit dat je nieuwsgierig bent. De dagboekvorm (waarmee Melchior zegt: let op lezer, dit is strikt persoonlijk en echt gebeurd!) maakt je tot een voyeur. Hoe ga je om met het lezen over de lijdensweg van een ander?

    Soms creëert Melchior afstand tot de lezer als hij wat teveel medische begrippen gebruikt zoals de ‘cuffcanule’en dat ‘de tracheotomie veel irritatie aan de luchtpijp geeft.’ Hij is op zijn best als hij die situaties schetst waarbij het tot hem doordringt hoe volkomen afhankelijk hij van anderen is en hoe groot de afgeslotenheid van het normale dagelijkse leven. ‘Buiten het schijnsel van het bedlampje bestaat er niets.’
    In die zin is Alles wat was ook te lezen als een kleine psychologie van het ziekbed waarbij Melchior zijn eigen gedrag en gedachten haarfijn, én met zelfrelativering, fileert. In het laatste gedeelte van het boek herhaalt hij dat nog eens, op een ontroerende manier, over de verhouding tussen hem en zijn moeder.

    Hoe je Alles wat was uiteindelijk beoordeelt is afhankelijk van het perspectief dat je als lezer kiest. Je kan kiezen voor degene die meeleeft en invoelt. Hou zou ik zo’n situatie reageren of wat gebeurt er met mij als mijn partner of kind dit overkomt? Het perspectief van de deskundige (arts, verplegers) die dagelijks omgaat met de pijn van een ander en die leest over het effect van zijn diagnose en de manier waarop dit bij de patiënt overkomt.

    Maar vermoedelijk schreef Melchior dit boek niet met een groep lezers in zijn gedachten. Melchior is niet alleen een zieke man van even in de vijftig maar ook een ervaren en bezeten schrijver. Links het infuus, rechts zijn pen. Zodra hij uit de narcose komt begint hij te schrijven. Althans, die suggestie wil hij wekken. Hij weet wat het effect van de dagboekvorm op de lezer is. Hij weet dat een loodzwaar verhaal zelfrelativering en humor nodig heeft en hoe je met raffinement naar een ‘plot’ toeschrijft waarmee  uiteindelijk de titel van het boek verklaard is.

     

  • Een tomeloos feest van lichamelijke liefde

    Een tomeloos feest van lichamelijke liefde

    De dichter Geert Briers nodigde voor zijn derde bundel Voor wie de liefde vijf grafische kunstenaars uit om zijn gedichten te illustreren: Jan Bosschaert, Aimée de Jongh, Hanco Kolk, Wauter Mannaert en Wilbert van der Steen. Het stond hen vrij te kiezen voor een schets, een stripverhaal, één tekening of meerdere; de enige afspraak was dat de kunstenaars geen tekst mochten gebruiken en niet met de dichter of met elkaar mochten overleggen. De gedichten en de tekeningen kunnen daarom beschouwd worden als op zichzelf staand.

    Bij de realisatie van de bundel is ervoor gekozen de gedichten achter elkaar af te drukken en pas daarna de werken van de tekenaars, met vermelding van de titel van het gedicht dat hen geïnspireerd heeft en de pagina waarop dit te vinden is. Dit zou rustiger moeten werken voor de lezer en doet recht aan de autonomie van de werken van de kunstenaars. Toch blijkt dit in de praktijk maar gedeeltelijk te werken: het was veel prettiger geweest om de tekening en het gedicht naast elkaar te kunnen zien om als een geheel te kunnen beschouwen. Het herhaaldelijk terugbladeren om te kijken bij welk gedicht de tekening hoort, werkt op den duur storend. Bij de tekeningen staat de titel van het betreffende gedicht vermeld dat de inspiratie vormde en op welke pagina het te vinden is. Hoewel alle gedichten over hetzelfde thema gaan, hebben de tekenaars ieder hun eigen invulling gegeven aan hun werk, waardoor heel verschillende stijlen en uitvoeringen ontstaan zijn.

    De bundel bevat elf gedichten, die zich achter elkaar laten lezen als sfeertekeningen van een uitbundige vrijpartij, een tomeloos feest van de lichamelijke liefde, tot aan het allerlaatste gedicht waarin een lichte deceptie waar te nemen valt: de post-coitus-tristesse, waar talloze dichters al verzen over schreven en die weer eens duidelijk maakt waarom bij de Grieken, Eros en Thanatos onverbrekelijk verbonden waren.

    We aanvaarden de lafheid
    van nog even voor elkaar
    door elkaar in elkaar

    helden van het sleutelgat

    nu het bijna oorlog is

    vergeef ons’

    De gedichten weerspiegelen in stijgende lijn het verloop van het liefdesspel door gestamelde woorden met veel herhalingen, neologismen en vooral veel half afgemaakte zinnen. De titel van de bundel is daar een voorbeeld van: het is aan de lezer om deze zin naar eigen inzicht aan te vullen of als vraag op te vatten. Ook gebruikt Briers veel woordspelingen, maar die vallen niet altijd even goed binnen de opzet van het gedicht. Als hij bijvoorbeeld het lichaam van de geliefde met een piano vergelijkt, waarover hij zijn handen laat gaan, is de uitdrukking ‘ik rachmaninov je’ nog te begrijpen, maar in een gedicht dat helemaal niets met muziek uitstaande heeft is de versregel ‘me daar overgeven aan het rimsky / van je korsakov’ uit de lucht gegrepen en vergezocht.

    Briers’ gedichten doen denken aan een verliefde puber die voor de eerste keer de razernij van zijn hormonen onder woorden probeert te brengen: spontaan, uitbarstend als een vulkaan, extatisch. Het plezier en de bravoure in zowel het liefdesspel als de poëzie spatten van de bladzijdes af. Zo zou je de gedichten ook moeten lezen: je laten meeslepen door een orgiastische vloedgolf van woorden.

    In het openingsgedicht van de bundel is alles samengevat: de woordspelingen, de neologismen, het bravado, maar ook de flauwe, gezochte woordspelingen en de gekunsteldheid:

    ‘mijn vrouw mijn eiland
    tezamen wijland
    waar wij grazen en elkaar herkauwen
    profiterollen in de modder
    met opengesperde monden
    ons laven aan de geilste stortbuien’

    Maar wanneer Briers zijn poëzie ontdoet van alle bombast en gekunstelde beeldspraak, blijven er eenvoudige maar oprechtere gedichten over, die juist daarom veel beter zijn dan die waarin de dichter zo overduidelijk op effectbejag uit is. Zo kan er een gedicht ontstaan als Nog eenmaal, dat ontroert in al zijn waarachtigheid:

    ‘kleed je nog eenmaal uit
    met de traagheid van een verre reis
    met de elegantie van een rijk verleden
    […]
    en dan

    dan zal ik

    nog eenmaal’

    Doordat de dichter ervoor gekozen heeft zijn bundel op één thema te baseren, heeft hij zichzelf een beperking opgelegd waardoor hij steeds over hetzelfde schrijft. Dat verklaart misschien ook het geringe aantal gedichten in de bundel. Uiteindelijk is de lichamelijke liefde terug te brengen tot het meest basale: ‘[..] drie of vier benen / (en nog een paar andere benodigdheden)’ (Cees Buddingh’, Heel oud spel).
    Een meer gevarieerde bundel had zeker de mogelijkheid aan de dichter geboden meer van zijn talent te laten zien. Want dat Briers een goed dichter is, staat buiten kijf.