• Belangrijk is zo goed mogelijk te kunnen schrijven

    Wessel te Gussinklo won onlangs de BookSpot Literatuurprijs en werd overstelpt met interviews, tv-optredens en fotografen. De drukte van de voorbije maanden heeft zijn sporen nagelaten. Daarom vindt dit interview via de telefoon plaats. De schrijver heeft behoefte aan rust, om ongestoord te werken aan het vervolg van zijn tetralogie rond Ewout Meyster, het hoofdpersonage van zijn debuut De verboden tuin (1986), gevolgd door De opdracht (1995) en De hoogstapelaar (2019). Voor zijn eersteling, De verboden tuin, kon hij tien jaar lang geen uitgever vinden. Nadat het verscheen, kreeg het onmiddellijk de Anton Wachterprijs. Na het succes van De opdracht bleef het lange tijd stil rond de schrijver, maar dat had zo zijn redenen. Na zijn hele leven in de buurt van Utrecht te hebben gewoond, verhuisde hij in 2007 naar Kamperland in Zeeland en bouwde, ver van alle drukte, een nieuw leven op.

    Voor het grote publiek bleef deze schrijver lange tijd onder de radar. Het winnen van de BookSpot Literatuurprijs bracht daar verandering in. Een gesprek met een literator pur sang, over het winnen van literaire prijzen, De hoogstapelaar en zijn schrijverschap.

     

    De hoogstapelaar was een onverwachte winnaar. Heeft u dat verrast?

    Dat ik gewonnen heb pleit voor de kwaliteit van de jury. Naar relevantie was het boek van Manon Uphoff door de hele MeToo beweging die iedereen bezighoudt, misschien wel de favoriet. En met het hele mediacircus rondom en de populariteit van Buwalda, gaf ik mezelf weinig kans. Zo ging het tenminste in 2014. Ik deed toen mee voor de AKO-literatuurprijs met Zeer helder licht. Er was toen het boek Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans, precies 100 jaar na de Eerste Wereldoorlog, en dat won.’


    Hoe komt het dat uw boeken nooit het grote publiek hebben bereikt.

    ‘Ja, ik heb een ingewikkelde naam en ben Noord-Nederlands, en ik kom nooit op tv. Heb dat ook een aantal keren geweigerd na de dood van mijn eerste vrouw en dan vragen ze je niet meer. Daarna schreef ik enkel essays wat niet zo populair is. Bovendien woon ik niet in de buurt van Amsterdam, heel bewust. Dat betekent dat er weinig gerefereerd wordt aan mij. Ik behoor tot de zogenaamde ‘stervende’ schrijvers, zij die niet op tv komen. Gelukkig heb ik genoeg kwaliteit om te blijven drijven. Belangrijk voor mij is mijn boeken te kunnen schrijven, ze zo goed mogelijk te schrijven. Succes is natuurlijk leuk en aardig, maar tevreden zijn met jezelf, met wat je doet, is het hoogste. Je bent natuurlijk nooit echt tevreden. Maar wel zo tevreden als het kan, ik heb het gevoel dat ik de laatste jaren er wel uithaal wat er in zit.’


    In De hoogstapelaar is Ewout Meyster weer hoofdpersonage. Er zit vierentwintig jaar  tussen De opdracht en deze laatste roman. Waarom duurde het zo lang ?

    Kijk, in 1998 overleed mijn eerste vrouw. Toen was de poëzie uit mijn leven verdwenen. Ik kon alleen nog essays schrijven. Het emotionele bestaan, de blik op het bestaan in de ruimste zin, heeft in veel opzichten toch ook met liefde te maken. Als de binding met het leven, de liefde, de menselijke samenhang weg is, dan ben je een soort van buitenstaander, die essayistisch toekijkt. Ik had geen romans meer in mij. Toen kwam ik Odilia tegen, en zo kwam alles langzaam weer op gang. Een andere vrouw, met een andere blik en een ander temperament, maakte mij toch weer scheppend.”


    Is Odilia uw muze?  
       

    “Absoluut. In 2013 kwam het  schrijven weer wat op gang. Het was niet eenvoudig, het was ook weer een emotioneel heroriënteren. Ik had  daarvoor al een paar keer geprobeerd het vierde deel te schrijven, het vervolg op De hoogstapelaar. Twee keer probeerde ik het, maar kwam niet verder dan één bladzijde. En toen, in 2013, lukte het weer met Zeer helder licht. Mijn vrouw kan mijn boeken beoordelen. Als schrijver zie je de onderkant van het tapijt, zie je de losse knoopjes, de verkeerd gespannen draden, maar de bovenkant, dat wat gezien moet worden, dat zie je als schrijver niet. Mijn vrouw is de eerste lezer of beter, luisteraar. Elke dag als ik wat geschreven heb, lees ik het haar voor om te weten wat ze ervan vindt, maar ook om het zelf te horen.’     


    Waarom deze bijzondere titel ‘De hoogstapelaar’. Een woord dat velen niet kennen. In het woordenboek staat ‘blaaskaak, snoever’, maar het refereert uiteraard aan ‘Bekentnisse des Hochstaplers Felix Krull’ van Thomas Mann. 

    ‘Het past wel bij Ewout Meyster, het is een snoevertje, een opscheppertje. Hij zit nog in een soort van vacuüm voor de volwassenheid. Daarbij kom je in hiërarchieën, dictatoriale en meedogenloze structuren die alles kapot maken. Hoe groot je kwaliteiten ook zijn, je wordt gemeten en beoordeeld. Je moet op alle mogelijke manieren jezelf stroomlijnen om je plaats te kunnen veroveren. Dat gebeurt evenwel nog niet in de puberteit. Dan kijk je nog naar die volwassenheid. Dan denk je hoogstens zoals jihadisten, lieden van de ETA, of IRA, “de wereld moet heel anders en die volwassenen hebben alles verkeerd gedaan. We moeten alles opnieuw doen.” Zo kijk je als puber tegen het leven aan. Daarna kom je in het echte leven terecht en moet je je aanpassen. Binnen de bestaande structuren je plaats zien te vinden. Maar een puber is een buitenstaander.’


    Ewout Meyster zit op die grens, hij is  zeventien, bijna achttien. Hij worstelt met het volwassen worden, maar tegelijkertijd geeft hij ook advies aan zijn ‘vrienden’ over hoe ze het moeten aanpakken. Het is heel dubbel voor Ewout.

    ‘Kijk, hij is zichzelf aan het scheppen als een echt baasje. Hij geniet niet voor niks van die foto’s van bekende en beroemde mensen. “Als volwassene wil ik worden als Churchill, als die of die dirigent. Een machtig persoon wil ik worden als volwassene, ik begin nu alvast te oefenen.” Dat is eigenlijk wat hij aan het doen is. “Ik ga een kereltje van belang worden.” En die zogenaamde vrienden, zijn natuurlijk geen vrienden. Dat zijn pionnen waarmee hij schaakt in het leven. Hij heeft die nodig. Neem nu die Meindert. Die heeft hij nodig om zichzelf te bewijzen dat hij superieur is aan hem. Zo probeert hij alles een beetje uit, en dat laat hij dan weer op anderen. Het zijn geen vrienden, maar allemaal oefenmodellen om het kereltje te worden dat hij graag zou willen zijn.


    Je hebt het over oefenmodellen. Ewout groeit op zonder vader. Is het niet zo dat hij de hele tijd op zoek is naar een rolmodel, een voorbeeld om zich aan te spiegelen?

    Hij heeft de ellende dat hij geen vader heeft en dus ook geen begrenzingen. In zekere zin moet hij zijn eigen vader zijn, een soort Baron van Münchhausen die zichzelf uit het moeras omhoog moet trekken. Een vader is  een voorbeeld waaraan je je optrekt, maar hij heeft niks. Hoogstens een aantal verre vaders als Churchill, Roosevelt en een beetje Hitler en foto’s van dirigenten en andere belangrijke mannen. Dat zijn abstracte vaders. Dat zijn de modellen waarmee hij speelt. Die kant moet het uit. En dat is natuurlijk idioot. Dan denkt hij, “Hoe houden ze het vol, elke dag hetzelfde.” Terwijl hijzelf ook een kunstenaar is, maar dat weet hij nog niet. Zijn eigen kunstwerk is hijzelf. Dan is hij na alle creatieve vondsten aan het eind van de avond hartstikke moe, uitgeput, moet hij snel naar bed. Zoals elke kunstenaar als hij iets gemaakt heeft. Neem die jazzkelder bijvoorbeeld. Hij heeft daar strapatsen gemaakt en volgens hemzelf heel bijzondere dingen gedaan, maar dan is het ineens op. Hij kan zichzelf, net als een kunstenaar, niet herhalen. Dan glijdt hij weg in een halve schemertoestand, een apathische bewustzijnsverlaging.’


    Ewout dweept ook met Sartre. Hoewel hij enkel flarden van zijn werk heeft gelezen, pakt hij daarmee uit tegenover anderen. 

    ‘Hij kan ze overbluffen met Sartre. Dit is ook een vorm van kunst. Hij haalt Sartre aan en iedereen zit sprakeloos naar hem te kijken. Goh, dat-ie dat allemaal weet. Dat is de enige kennis die hij heeft, want verder weet hij helemaal niks.’


    Daarmee is het boek een mooi voorbeeld van het existentialistische principe ‘L’enfer, c’est les autres’ ofwel, Eerst besta je, daarna word je pas iemand.

    ‘Ik ben Sartre pas grondig gaan lezen rond mijn dertigste. In mijn essaybundel Aangeraakt door Goden (2003) heet het eerste deel “Sartre als verlosser”. Sartre was voor mij een verlossing. Alle zaken die hij beschrijft, zag en voelde ik ook. Maar die herkende ik niet bij anderen. Die waren allemaal argeloos en naiëf zichzelf, vrolijke jongetjes en kindertjes, ik niet! Ik zat voortdurend te tobben, allemaal vreemde dingen te denken, dat ik gek was of  ernstig gestoord. Hij sprak dat tegen. Sartre was een verlossing voor mij: ik ben niet gek, ik ben geen melaatse, ik ben niet iemand die niet van andere mensen houdt, die allemaal rare en warrige gevoelens heeft. Ik ben zoals Sartre beschrijft hoe mensen zijn, wat een opluchting was. Daarna kwamen Nietzsche en Freud, Jung, Adler. De hele psychologie. Sartre was nieuw, modieus en schokkend. Ewout is in zijn tijd gewoon iedereen voor. Hij is een van de weinigen aan de spits van het nieuwe. Ewout is niet alleen beïnvloed door hem, hij herkent zichzelf ook in Sartre.’


    Is ‘De hoogstapelaar’ autobiografisch?

    De hoogstapelaar is het meest autobiografisch. Het blijft natuurlijk een roman. Er staan heel veel zaken in die helemaal niet autobiografisch zijn, maar die de dwang van het verhaal zijn. Het type is wel autobiografisch: zo’n verwende zwelbast was ik ook op die leeftijd. Later leert het leven je wel andere dingen, maar op een bepaalde leeftijd leek ik er toch wel sterk op.’


    Hoe gaat het verder met Ewout Meyster. Komt er nog een vierde deel?

    ‘Ik ben zeer druk in de weer met het vierde boek. Daar was ik eigenlijk al eerder mee bezig. Van dit derde boek heb ik heel lang gedacht, dat schrijf ik niet, dat sla ik gewoon over. Maar uiteindelijk heb ik het dan toch geschreven tot voldoening van mezelf. Maar het was eerst niet mijn plan. Dat vierde deel was ik al begonnen ergens rond 2010, maar zoals gezegd, dat lukte toen niet. Tot tweemaal toe. Maar dezelfde insteek die ik toen had, heb ik nu wel opnieuw hernomen.’


    Heeft u een bepaald schrijfpatroon of -ritueel? 

    ‘Ik schrijf in de ochtend. Vroeger niet. Toen schreef ik aan het eind van de dag. Was ik me een hele dag aan het voorbereiden en schreef aan het eind van de dag, als een soort ontlading mijn bladzijden. Sinds ik in 2013 weer begon met romanschrijven, begin ik meteen als ik opsta. Dan ben ik het meest vitaal. Dan zit ik eerst een uurtje te staren, in de materie te kruipen en daarna schrijf ik één à twee, soms drie bladzijden. Daar doe ik  gemiddeld vier uur over, het varieert een beetje. Op die manier, door in de ochtend te schrijven, is mijn dag gered en heb ik daarna vrije tijd.’


    Staat een boek al op voorhand vast of werkt u met een plan?

    ‘Van het verhaal zelf staan alleen de grote lijnen vast, verder  niets. Het ontwikkelt zich geleidelijk aan. Na een episode van De hoogstapelaar bijvoorbeeld, moest ik mezelf gaan corrigeren omdat ik niet meer wist hoe het verder moest. Al corrigerend schoten mij weer dingen te binnen en had ik me weer verdiept in de materie en wist ik weer hoe ik verder moest. Mijn meeste romans zijn een verhaal dat doorloopt, met een begin en een eind. De hoogstapelaar is natuurlijk een episodeboek, wat Peter Buwalda vergeleek met De avonden van Reve. Stukje na stukje, zonder een echt verhaal. De enige constante is de aanwezigheid van Ewout Meyser.’


    Het hele boek is een monologue interieur in het hoofd van Ewout Meyster. Was dat een bewuste keuze?

    ‘Nee, of ja, misschien toch wel. Ik kan er op deze manier ironie en het bizarre in kwijt, maar dat is zo gegroeid. De verwerking van het materiaal, dat wat ik voor ogen heb, is deze stijl, een beetje hyperbolisch met aanstellerij, met versieringen die zowel ironisch zijn als evocatief. En wat natuurlijk nodig is: aanwezigheid scheppen. Wat Mulisch bijvoorbeeld zei: “Naast de ster kijken, dan zie je de ster het scherpst.” Wat ik doe is het raadselachtige, het onzichtbare een beetje omcirkelen, dan ernaast kijken  om iets zichtbaar te maken.’


    In het begin is Ewout aanstellerig en absoluut geen leuk personage. Naarmate het verhaal vordert, word je hem, krijg je medelijden met hem. Dat is een verdienste van de stijl.

    Dat is  ook de bedoeling. Dat je in zijn werkelijkheid kruipt, zijn kijk op de dingen, op het bestaan. Zo leef je, zo moet je leven. Met alle hindernissen, alle problemen, maar ook alle mogelijkheden. Hoe leef je met jezelf en met de wereld. Je gaat mee met zijn blik op het wezenlijke, ook al is het een zeer subjectieve blik van dat ventje.’

     

    Is Ewout een zielig figuur of gewoon een puber die opgroeit?

    ‘Hij is een normale puber die amoreel, meedogenloos kijkt naar de dingen, uitprobeert, en zonder vooroordelen is. Hij heeft een kille blik op de dingen, maar wel met af en toe een verzachtend moment als hij muziek draait. Het paradijs zal komen, maar eerst moet hij ontzettend zijn best doen.’ 


    Hoe zou u willen dat er op uw schrijverschap wordt teruggekeken?

    ‘Ik ben in zekere zin  een schrijver die niet in de grote lijn past. Ik schrijf iets dat afwijkt en in veel opzichten dieper gaat dan wat normaliter geschreven wordt. Mijn werk is intens, het roept veel op. Ik probeer de diepte naar de oppervlakte te brengen. Vandaar dat mijn stijl ook breed uitwaaiert: bizar, spottend, beschrijvend, nadenkend, vrij diepe lagen onmiddellijk beleefbaar makend. Ik hoop dat er over mijn schrijverschap gezegd zal worden: hij was de meest kwaliteitsrijke Nederlandstalige schrijver van de afgelopen decennia. Het is wel een steen in een vijver gooien, maar wat Van het Reve al zei: de dingen altijd voor je houden is ook niet goed, dus nou ja.’

     

    Auteursfoto verkregen via uitgeverij Koppernik.

     


    De hoogstapelaar werd uitgegeven bij uitgeverij Koppernik, net als zijn andere titels.

  • Fotosynthese 12 – Wedden op het verkeerde paard


    Adam: There is something that holds us together, something that has no word—
    The Serpent: Love. Love. Love.
    Adam: That is too short a word for so long a thing.

    Back to Methuselah Part 1, Act 1

    In 1922 lopen twee acteurs van de repetitiezaal van hun theater naar een fotostudio om een promotiefoto te laten maken voor het toneelstuk Back to Methuselah waarin ze beiden spelen. Ze zijn hoopvol gestemd, dit worden nu al The Roaring Twenties genoemd, hun stad is waar ze willen zijn, ze komen van het Amerikaans platteland en hebben al een filmcarrière achter de rug.

    De fotograaf toont hen de rekwisietenkast en ze maken snel hun keuze. De heilige familie is een iconische verzameling van steeds drie mensen, een vader, een moeder en een kind. Het is een model voor de christelijke familie, maar geestig is dat de ironie er al vroeg ingebakken zit: Jozef is immers niet de vader van het kind. De echte vader mag niet getoond worden, van God maak je geen afbeeldingen. Deze foto is ironisch op vele fronten. In de eerste plaats is deze heilige familie natuurlijk geen familie. Eleanor Woodruff en Stanley Howett hebben voor zover bekend geen relatie gehad. In de tweede plaats is het kindje in haar armen al jaren dood en netjes geprepareerd en waarom dan met zulke warme verwachting bezien? In de derde plaats is het kindje misschien een samengesteld skeletje van mensenschedel en apenarmen? Wat valt er te geloven aan deze foto? 

    In de Library of Congress bevindt zich een enorme verzameling glasnegatieven van George Grantham Baine (1865 – 1944). De man verdiende zijn sporen in de nieuwsfotografie maar verzamelde van alles en had een fotostudio. De meeste van deze negatieven zijn gemaakt in die studio in New York in de jaren ’10 en ’20 van de vorige eeuw. Zo ook deze foto. Eleanor Woodruff 1891 – 1980 denkt, oh ironie, op deze foto aan het begin van een nieuwe carrière te staan. Ze is een van de leading ladies van de vroege film en heeft een aardige carrière achter de rug als ze in 1922 al haar laatste film speelt: A Pastboard Crown. Ze stapt namelijk over naar het theater maar raakt daarmee eigenlijk onmiddellijk uit zicht, ze is op een zijspoor beland. Een zijspoor dat ze overigens wel opmerkelijk lang bewandelt. Er is nauwelijks iets te vinden over haar behalve haar overlijden in 1980 in Princeton. Ze heeft 58 jaar op het op deze foto vastgelegde moment kunnen terugkijken. Heel haar leven, voor zover gedocumenteerd, speelt zich alleen hiervoor af. Haar man Dorsey Richardson was economisch adviseur van Kennedy. Van Kennedy is een van de veel geciteerde opmerkingen de volgende: ‘You see things; and you say, “Why?” But I dream things that never were; and I say, “Why not?”’
    Dit blijkt een citaat uit Back to Methuselah te zijn. Zou er een etentje in de late jaren vijftig zijn geweest waar Eleanor het voor John F. uit het hoofd citeerde?  

    George Bernhard Shaw wedde in zekere zin ook op een verkeerd paard. De nobelprijswinnaar won in 1925 de prijs voor zijn rijk oeuvre en vond Back to Methuselah zijn sterkste tekst, een verzameling van vijf toneelstukken rond het thema vooruitgang en een lang leven. Het is gedeeltelijk science fiction. Het zou denkelijk zijn snelst vergeten werk worden.  En het is voor de New Yorkse uitvoering van dit stuk dat Woodruff haar filmcarrière stopzet en aan het toneel gaat. 

    Het stuk wordt in 1922 geproduceerd door het  New York Theatre Guild en opgevoerd in het Garrick Theatre aan Bleecker Street in wat nu Greenwich Village is. Shaw etaleert in zijn stuk een lamarckiaanse visie op de mensheid die op zijn beurt ook al weer op zijn retour is, Darwin doet steeds meer opgeld en de gedachte dat je de wereld verbetert door overerfbaar goed gedrag was al in 1922 niet houdbaar meer. Het is wel een fundgrube voor historische, filosofische verwijzingen deze reeks stukken. In 1961 promoveert ene H.M. Geduld met een werk van 1400 pagina’s over Back to Methuselah. Zou Eleonor het gelezen hebben?

    Geheel in stijl met zijn positie in dit heilig gezin is er over Stanley Howett 1886 – 1959 vrijwel niets bekend. De jaartallen vond ik omdat hij een ‘man van’ is. Als acteur en regisseur, schopt hij het niet verder dan een voetnoot hier en daar. Trouwt met Eve Balfour, eveneens een actrice wier cinematografie in de vroege jaren ’20 stopt. Ze dachten misschien dat het nooit wat zou worden met film. Zij overlijdt in Birmingham, Engeland, waar hij in de jaren vijftig nog een paar toneelstukken regisseert. Denkt hij ooit nog terug aan dit verstild moment van devote aandacht voor wat voorbij gaat? Of is dit zo’n foto die ook door de afgebeelde personages onmiddellijk vergeten is? Een te kort moment in een te lang leven.

    ‘Life is too short for men to take it seriously.’


    Back to Methuselah, Part 2


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

    Fotograaf: George Grantham Baine

  • C.C.S. Croneprijs 2019 voor Maxim Februari

    De  driejaarlijkse C.C.S. Crone oeuvreprijs gaat dit jaar naar schrijver en columnist Maxim Februari. De jury koos unaniem voor Februari vanwege zijn oeuvre dat op uitzonderlijk hoog niveau in romans, columns en wetenschappelijk werk de waarde van literatuur voor een veranderende wereld aantoont.

    De jury vindt Maxim Februari een schrijver die een unieke plaats inneemt in de Nederlandse letteren. Zijn meest recente roman Klont (2017, Prometheus) ‘is een kritisch en humoristisch meesterwerk dat op sublieme wijze uiteenlopende personages en verhaallijnen verbindt en tevens relevante overwegingen bevat over de dataficering van onze samenleving’, aldus de jury. Onlangs verscheen het boek De onbetrouwbare verteller, een verzameling essays, columns en een kort verhaal.

    Maxim Februari is een pseudoniem van Maximiliaan Drenth en groeide op in Overvecht. Hij studeerde Nederlands recht en kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Utrecht.
    De prijs, waaraan een bedrag van € 10.000 verbonden is, wordt op 11 januari door wethouder Anke Klein uitgereikt.

    De C.C.S. Crone Prijs is vernoemd naar de Utrechtse schrijver Cornelius Carolus Stephan Crone (1914 -1951). Hij schreef in de jaren ‘30 en ‘40 droevige verhalen die meestal in Utrecht plaatsvonden. Sinds 2002 reikt de gemeente Utrecht in samenwerking met het International Literature Festival Utrecht de prijs uit aan schrijvers die wonen, werken of hun wortels hebben in Utrecht.

  • Fotosynthese 11 – Gluurder

    Klik op de foto om de achtergrond te zien.


    In één scène werd de film Le Charme discrets de la bourgeoisie (1972) van Luis Buñuel samengevat. Ik meen aan het einde. Meer dan 40 jaar geleden zag ik die. Een groep mensen loopt over een weg in de richting van de camera. Ze lopen, er gebeurt verder niets. Het gaat om de manier waaróp ze lopen, verdeeld over de breedte van de weg, alleen maar met zichzelf bezig, onderlinge desinteresse, geen enkel persoonlijk contact. Het sociale onvermogen van de bourgeoisie.
    In 2000 werd het honderdste geboortejaar van Buñuel herdacht. Er werd mooi over hem gesproken: ‘Buñuel was een groot Spanjaard, hij was een getuige en profeet van zijn tijd.’ Dat was praten achteraf. Zijn films stonden lang op een zwarte lijst in Spanje, hij werd gezien als een uitlokker van schandalen. Maar hij toonde slechts de waanzin van de beschaving.

    Deze foto doet me denken aan die film. Er staan mensen te wachten, nette mensen zo te zien. De man rechts heeft zijn aktetas neergezet en hijst zijn broek op. Of de vrouw die daarnaast staat bij hem hoort, betwijfel ik. De vrouw midden in het beeld vestigt de aandacht op zich, wellicht onbedoeld. Lange vrouw, lange jurk, hoge hakken. Gaan ze naar een bruiloft? De vrouw rechts heeft een cadeau onder haar arm, er staat een plantje op de grond. Met elkaar vormen die mensen geen groep. Ze staan op een kade, een schip ligt aangemeerd.
    De fotograaf hoort er niet bij. Hij of zij staat achter een raam, de vage strepen in het beeld zijn vermoedelijk van opwaaiende vitrage. Hij bespiedt. Staat er een verdachte bij dat groepje dat geen groepje is, moet iemand in de gaten gehouden worden? De fotograaf houdt zich onzichtbaar.

    Mijn oma woonde twee hoog in Rotterdam en buiten bij het raam van de woonkamer hing een spionnetje, zo’n spiegel waarmee je vanuit de kamer kon zien wie er voor de deur stond. Als er gebeld werd rende ik naar het raam, hield me onzichtbaar voor degene die had aangebeld en bracht al fluisterend verslag uit: ‘Hij draagt een grote hoed, ik kan zijn gezicht niet zien…’ Ik waakte ervoor niet te lang in het spiegeltje te kijken uit angst opgemerkt te worden. Iemand via een spiegel bekijken dat doe je niet.
    Het was in de tijd dat ik mijn eerste detectives las. Bespieden was toen een eenvoudige zaak: een man in een lange jas en een hoed op stond de krant te lezen. Af en toe liet hij de krant zakken.
    Als je betrapt wordt op bespieden ben je een gluurder. Als je bespied wordt door iemand die je na aan het hart ligt, voelt dat als verraad.
    De Hongaarse schrijver Péter Esterházy schreef de roman Harmonia Caelistis (2004), een verhaal over de geschiedenis van zijn familie waarin zijn vader geschetst werd als een man uit één stuk. Even na de publicatie van dit boek werden onverwacht de staatsarchieven geopend. Toen hij in een dossier las over zijn familie herkende hij het handschrift van zijn vader. Die was al vanaf 1956, de Hongaarse opstand, een verklikker. Verraden worden door je vader is als een dreun in je gezicht, zo moet Esterházy dat gevoeld hebben. Hij schreef direct daarna een nieuwe roman: Verbeterde editie.

    Maar de tijd van de detectives op de hoek, de verklikkers met hun dossiers, de afluisteraars zoals in de film Das Leben der Anderen, lijkt achter ons te liggen. We worden elk moment bespied, onze verplaatsingen zijn simpel via onze telefoon te traceren, we passeren dagelijks camera’s met gezichtsherkenning. Je hebt daar geen toestemming voor gegeven, je kan je afvragen of je gezicht nog wel van jou is. In China is George Orwell’s 1984 al lang en breed ingehaald. De drone is niet meer het leuke speeltje om de buurman in de tuin op de hoek te filmen, dat kunt u in de documentaire National Bird gaan zien. Ons, aangeprate, gevoel van onveiligheid heeft ons recht op privacy geheel verdrongen.
    Toch staat vandaag de dag een fotograaf nog ouderwets te gluren achter de vitrage. Zoals de voyeuristische Johan Roodenhuis dat deed in Else Böhler, Duits dienstmeisje (1935) van Vestdijk. Vanachter het raam ziet hij haar: ‘…het meisje van Erkelens, dat daar plotseling aankwam, onwezenlijk groot en statig als een koningin [..]. Ik sprong  op en volgde haar zo ver ik kon met de ogen. Mij kon ze niet zien door de vitrage.’
    Op de omslag van dit boek (7e druk, 1976) een tekening van een spionnetje waarin je het dienstmeisje ziet. Liggend, haar hoofd afgewend, de benen wijd, naakt met uitzondering van haar losgeknoopte schort dat elk moment weg kan waaien. Net als Roodenhuis bespied je haar. Je bent een gluurder.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

    Fotograaf: onbekend

     

  • Bookspot Literatuurprijzenfeest voor Wessel te Gussinklo en Sjeng Scheijen

    Twee gelukkige schrijvers sleepten vanavond de Bookspot Literatuurprijs in de wacht. Sjeng Scheijen met de De avant-gardisten (Prometheus) in de categorie non-fictie, die dit jaar voor het eerst werd uitgereikt, en Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar (Koppernik) in de categorie fictie. Eerder deze week won Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar al de Zeeuwse Boekenprijs 2019. De Bookspot Literatuurprijs is een van de belangrijkste literaire prijzen in het Nederlandstalig gebied. Beide schrijvers winnen elk een geldbedrag van 50.000 euro.
    De prijzen werden door Winnie Sorgdrager, voorzitter van de Stichting Jaarlijkse Literatuurprijs, uitgereikt tijdens een literaire avond in de Centrale Bibliotheek in Den Haag.

    Webwinkel Bookspot kent ook een Bookspot Lezersprijs, die vorige week gewonnen werd door Peter Buwalda met Otmars zonen en gisteren won Manon Uphoff met haar roman Vallen is als vliegen de BookSpot Scholierenprijs 2019.

    De overige genomineerden voor fictie waren Nicolien Mizzee met Moord op de moestuin (Nijgh en van Ditmar) en Marente de Moor met Foon (Querido).
    De overige genomineerden voor non-fictie waren Mirjam van Hengel met Een knipperend ogenblik (Bezige Bij), Lieve Joris met Terug naar Neerpelt (Atlas Contact), Maaike Meijer met Hemelse mevrouw Frederike (Bezige Bij) en Thomas Rueb met Laura H. (Das Mag). Zij ontvangen ieder een geldbedrag van 2.500 euro.

    De jury van de BookSpot Literatuurprijs bestond dit jaar uit: Jan Dertaelen, boekverkoper bij De Groene Waterman in Antwerpen en recensent; Maite Karssenberg, auteur en historica; Sebastiaan Kort, recensent voor NRC; Maartje Kroonen, boekverkoper bij Boekhandel Bijleveld te Utrecht; Daan Stoffelsen, boekverkoper, recensent en hoofdredacteur van literair tijdschrift De Revisor; Jelle Van Riet, literair journaliste voor De Standaard; Jeroen Vullings, literatuurcriticus Vrij Nederland en Nieuwsweekend.

     

    Lees op Bookspot Literatuurprijs de motivatie voor alle prijstoekenningen.

     

  • Wat weet je nu werkelijk van elkaar

    Marijke Schermer (1975) begon tijdens haar studie in de jaren negentig aan de Toneelschool Arnhem met het schrijven van toneelstukken. Ze ontdekte al snel dat ze liever schreef dan dat ze op het toneel stond. Na de toneelschool schreef ze voor verschillende theatergroepen, werkte als regisseur en had een aantal jaren haar eigen gezelschap Toneelgroep Alaska. Voor haar toneelwerk kreeg ze in 2009 de Charlotte Köhlerprijs. In de afgelopen zes jaar publiceerde ze drie boeken die elk in zijn vorm over liefde en autonomie gaan. Dit jaar verscheen Liefde, als dat het is, waarin ze, voorbijgaand aan clichés, de waarheidsbevinding in relaties, het gezinsleven en de betrekkelijkheid van de woorden ‘Ik hou van jou’ onder de loep neemt.


    Composities over de liefde

    We ontmoeten elkaar bij Grand Café Eerste klas, Amsterdam Centraal. Marijke Schermer komt net van een bespreking met de regisseur die haar boek Noodweer gaat verfilmen en waarbij ze gaat meeschrijven aan het scenario. Voor de eerste vraag gesteld is, hoppen we van het ene personage naar het andere, van Mensen in de zon, over naar Liefde, als dat het is, en weer terug naar haar tweede boek, Noodweer. Haar laatste boek is het meest transparant, waarin perspectiefwisselingen in één vloeiende beweging geschreven zijn, zonder overgangen. Een vooraanstaand recensent vond dit storend, alsook dat er over de liefde werd geschreven: ‘Opeens schrijft Schermer relatieproza’. De recensent was door Schermers vorige roman Noodweer zo overrompeld geweest, dat deze laatste roman niet bij haar in de smaak viel. Kritiek die leest als de teleurstelling van een fan die liever iets van hetzelfde had gelezen. En dat is wat Schermer nu net niet doet. Elk boek van haar vraagt een nieuwe benadering, een andere aanpak, zowel van schrijver als lezer.

    In 2013 debuteert Marijke Schermer met Mensen in de zon bij Van Oorschot, een roman, verteld vanuit vijf verschillende perspectieven over het wel en wee van vijf leden van een voormalige vriendengroep in de week nadat ze zijn uitgenodigd voor een reünie – die nooit plaatsvindt. Drie jaar later verschijnt de roman Noodweer, een stevig gecomponeerd verhaal over onmacht en liefde, verteld vanuit één perspectief die de lezer van zijn sokken blaast. In Liefde, als dat het is, de titel zegt het al, is het de liefde zelf die gekraakt wordt.


    Waar de een ophoudt en de ander begint

    Na het lezen van Schermers boeken lijkt een liefdesrelatie opeens minder gewoon dan je denkt. Dat de manier waarop je je presenteert aan elkaar, en in welke mate je alles met die ander deelt, van invloed is op hoe een relatie zich ontwikkelt. In Noodweer verzwijgt Emilia voor haar man Bruch, dat ze door een indringer in haar huis urenlang is gegijzeld en verkracht. Het gebeurt als Bruch en zij elkaar net een paar weken kennen, en dan laat ze drie maanden lang, terwijl ze fysiek herstelt, niets van zich horen. Daarna zoekt ze Bruch weer op, en zegt dat ze tijd nodig had om te onderzoeken of ze met hem verder wilde. Ze verzwijgt wat er gebeurd is en dat blijkt uiteindelijk funest voor hun relatie. Waarom wilde ze het hem eigenlijk niet vertellen?

    ‘Omdat ze niet wilde dat deze gebeurtenis haar verdere leven zou gaan bepalen. De bezorgdheid van de ander zou haar leven gaan beperken, ze zou haar autonomie verliezen. Verkrachting is voor degene die het overkomen is, iets wat je het liefst zou willen vergeten door er over te zwijgen  Als je er niet over praat, is het er niet. Maar dan dringt het zich toch weer aan haar op. Emilia krijgt te maken met angsten en weet dat ze het nu, na jaren aan Bruch moest vertellen. En dan lukt het opeens niet meer. Is er nooit een goed moment.’

    In Liefde, als dat het is verzwijgen Terri en David voor elkaar dat ze nog nooit met een ander naar bed zijn geweest, en gaan als maagd het huwelijk in. Dat blijkt de toon te zetten voor hun omgang met elkaar. Hoe belangrijk is het dat je alle registers van je leven van voor je de ander leerde kennen, opentrekt?

    ‘Een eerste indruk bepaalt veel, maar ook een laatste. Bij David merk je, omdat Terri aan het eind van hun relatie niets goed meer aan hem vindt, hem verafschuwt, dat hij de gelukkige momenten in hun leven wantrouwt. Door die laatste negatieve indruk wordt alles wat er voorheen was ook negatief. De indruk dat Terri nu van hem walgt, doen de gelukkige momenten, die er ook waren, voor hem teniet. Hij begrijpt ook niet waarom hij niet meer voldoet.’


    Op tenen staan die in de weg stonden

    Op driekwart van het boek schrijft Schermer een verhandeling over hoe een relatie in zijn werk gaat, ruim een pagina cursief gedrukt die zo begint:

    ‘Als je elkaar leert kennen is er ontzag voor de ander, een heel mens, met een heel leven, een geschiedenis los van jou, een mysterie dat zich voor je opent, een uitzicht dat zich ontvouwt, je bent behoedzaam en verbergt wat minder fraai is van jezelf, je bent niet al te direct, je danst, je zoekt de omweg, je verleidt de ander om te doen wat je verlangt. Je doet je uiterste best om in die dans niet op zijn tenen te gaan staan, want dat zou de lomperik in jou onthullen, en het eind kunnen betekenen. Maar dan is er ergens een omslagpunt, ik zie het overal om me heen ook, dan dans je niet meer maar ga je recht op je doel af, dan ontspan je je en in die ontspanning verberg je die dingen van eerder niet meer, en als je op tenen gaat staan denk je alleen maar dat die ook vreselijk in de weg stond.’

    Het is als een bezinningsmoment voor de lezer, een moment ook waarop de lezer zich bespied kan voelen, want gedragen we ons niet allemaal zo? En wat betekent eerlijk zijn, is het niet beter de waarheid zo nu en dan te verbloemen?

    ‘Ik heb zelf nog nooit zo’n lange relatie gehad als Terri en David. Zij hebben vijfentwintig jaar met elkaar geleefd, kinderen gekregen, een huis gekocht. Dingen waar ze samen voor gekozen hebben. Dan wil Terri opeens weg. Ze snakt naar een eigen leven maar weet niet meer hoe dat is, wie ze is. Dat is ook moeilijk, als een relatie zo jong begint en zolang duurt. Op een gegeven moment weet je niet meer waar de een ophoudt en de ander begint. Het is gewoon niet mogelijk alles van elkaar te weten. Wat jij zegt, wordt door de ander nooit zo uitgelegd zoals jij het bedoelt. Ieder heeft een ander referentiekader, een andere waarheid.’


    Liefde maar dan anders

    Een niet te verwaarlozen gegeven is het bereiden van eten dat in al haar boeken een rol speelt. In haar debuut is het Vik die, vastgelopen in zijn relatie met Stella, zijn ambities niet verwezenlijkt ziet, steeds teruggrijpt naar het bakken van taarten, het bereiden van ingewikkelde maaltijden, het bedenken van gerechten, als troost voor het leven. ‘Gerechten die ik zelf heb gemaakt voor ze in het boek terecht kwamen.’ In Liefde, als dat het is is het voor David een must goed te koken voor zijn twee dochters. Het toppunt van liefde, zorgzaamheid. De beschrijvingen hoe groenten gesneden worden, van de snijplank in de pan verdwijnen, het mengen van ingrediënten, zijn van een stilistische eenvoud die doet denken aan de prachtige openingsscène van Girl with a Pearl Earring, waarin het meisje van het schilderij, gespeeld door Scarlett Johansson, schijnbaar eindeloos kool snijdt. Met enkel het geluid van een mes dat door de kool gaat, het beeld van de loskomende reepjes en het zorgzaam bijeenbrengen in een schaal.

    Verhalen over liefde en relaties zijn al vaker verteld, maar de benadering van Schermer van deze thema’s zet alles in een nieuw licht en is met geen andere schrijver te vergelijken. Al wordt haar proza wel vergeleken met het werk van Ian McEwan, waarin vaak door een verkeerde stap of beslissing het leven onherroepelijk wordt omgegooid. Hoewel er bij Marijke Schermer geen sprake was van een schrijver die haar als voorbeeld diende.

    ‘Ik had geen idool, ik ging gewoon schrijven. Op mijn twintigste had ik een boek klaar, wat ik nooit naar een uitgever bracht omdat het niet echt goed was. Maar ik heb er later wel stukken van gebruikt voor ander werk, vooral voor mijn eerste toneelstukken, zoals sommige personages uit toneelstukken later ook in romans terecht kwamen. Vik en Stella bijvoorbeeld, die waren er tien jaar eerder al en ook de broers van Emilia in Noodweer bestonden in vergelijkbare zin al in het toneelstuk Brodders in arms uit 2003. Wat ik wel doe, is veel andere schrijvers lezen om me te inspireren en om te zien hoe zij het gedaan hebben. Tijdens het schrijven van Noodweer heb ik alles van David Vann gelezen. En voor Liefde, als dat het is heb ik Virginia Woolf gelezen, om te zien hoe zij, in De jaren bijvoorbeeld, dat overlopende van het ene perspectief naar een ander perspectief gedaan heeft. En ik hoorde Hermans, die in een interview gevraagd werd hoe je dat doet, een boeiende roman schrijven, zoiets zei als: “De lezer stevig bij een oor pakken en meedogenloos door de gebeurtenissen sleuren.” En ik dacht, ja, zo wil ik schrijven, de lezer het boek in sleuren en niet meer loslaten.’


    Waar zijn we naar op zoek

    Door de onderwerpen en de dingen die je je afvraagt tijdens het lezen van haar boeken, kan de gedachte je bekruipen dat Schermer schrijft met een missie. Zo werd Liefde, als dat het is, wel gezien als een anti-scheidingsroman.

    ‘Eigenlijk heb ik geen speciale boodschap, wil ik niets overbrengen. Hoewel, in Noodweer wilde ik toch wel laten zien wat het voor Emilia betekende, buiten dat het verschrikkelijk is wat haar is overkomen, dat het ook het verlies van autonomie betekende wanneer anderen weten dat je verkracht bent. Ze heeft het jarenlang voor zich gehouden, wetende dat ze het toch een keer zou moeten vertellen, maar dan weet ze niet meer hoe. Ik heb ook heel lang gedaan over het einde. Ik kon het Emilia op een gegeven moment gewoon laten vertellen, maar dat was het niet. Toen wist ik dat Bruch al die tijd geweten had wat er gebeurd was. Hij had het al die tijd geweten en niets gezegd.’

    Wat een geweldige vondst was, want als Emilia na jaren van zwijgen het opeens wel zou vertellen, dan was de eigenzinnige spanning die in het boek geslopen was, als een lekke luchtballon leeggelopen. Nu komt het boek tot een ontluisterend, maar ook perfect slot. Omdat Emilia uiteindelijk de regie behoudt over haar leven. Als lezer wil je niets liever dan dat. Waarmee het einde van Noodweer al haast een opstap vormt naar Liefde, als dat het is. Want dat vraag  je je dus steeds af in al haar werk: Waar zijn we naar op zoek; wat is liefde, wat doen we ermee?

    Aan elk boek werkte Schermer tweeënhalf tot drie jaar. Ze schrijft steeds aan dezelfde versie. ‘Ik heb geprobeerd met schema’s te werken maar dat werkt voor mij niet. Ik werk gelijk op de computer en schrijf eigenlijk steeds maar door. Het verhaal heb ik in mijn hoofd en op een gegeven moment ken ik het bijna letterlijk uit mijn hoofd. Onder het schrijven kan er nog van alles veranderen. Ik lees terug en schrijf door, lees terug, herschrijf, schrijf door. Ik laat het ook vaak lezen aan mijn vriendin Matin, ook theatermaker en toneelschrijver. Zij leest het nog vaker dan mijn redacteur, en dan praten we erover alsof de personages wederzijdse kennissen zijn. Dat zijn gesprekken waarbij we ze de revue laten passeren, wat ze doen, hoe het met ze gaat. Dan belt ze later en zegt: “Zeg, zou Clara (uit: Mensen in de zon) niet …”?’

     

     


    Marijke Schermer publiceerde de volgende boeken bij Van Oorschot: Mensen in de zon (2013), Noodweer (2017) en Liefde, als dat het is (2019).

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Woordnacht met grote namen en beginnende schrijvers

    Het afgelopen weekend vond in Rotterdam de vierde editie van literair festival Woordnacht plaats. Het thema van dit jaar was ‘Stilte’. Op de zaterdagavond zijn er zes festivallocaties, verspreid over de binnenstad: Arminius, het Goethe-Institut, Theater Rotterdam en drie zalen in hoofdgebouw TENT. Bij sommige optredens, zoals een interview met Arthur Japin over diens roman Kolja, is een gebarentolk aanwezig. Ook is er een silent poetry slam, met optredens van dove artiesten.

    Bij TENT kunnen vanaf zeven uur de entreekaartjes worden afgehaald. Wie een paar minuten te vroeg is, moet buiten wachten, binnen wordt nog gerepeteerd. Na zevenen worden de bezoekers verwelkomd met koffie en koekjes. Medewerkers delen overzichtelijke, mooi vormgegeven programmaboekjes en plattegronden uit. Een dag eerder, op vrijdag 25 oktober, heeft Nelleke Noordervliet de Anna Blamanlezing verzorgd. Er is een stapel exemplaren van de gedrukte versie over, gratis mee te nemen.

     

    Poëzie op muziek

    In zaal één van TENT trapt dichter Peggy Verzett de avond af. ’s Middags heeft ze de eerste Jana Beranováprijs uitgereikt gekregen in de pas verbouwde boekhandel Donner. Speciaal voor Woordnacht werd een muzikaal programma gemaakt op basis van haar teksten en gedichten. Ze wordt begeleid door Kobi Arditi op de trombone en Mathijn Den Duijf op de piano. Bij haar opkomst vertelt ze dat de zaal veel resonantie heeft. Waarschijnlijk zal het publiek weinig van haar poëzie verstaan, voorspelt ze.

    Inderdaad zijn de woorden niet verstaanbaar, maar de klanken des te beter. Bovendien zet Peggy Verzett haar lichaam in om haar boodschap kracht te geven: ze gooit haar armen omhoog, keert het publiek de rug toe en danst weg bij de microfoon. Af en toe verstaat het publiek een flard van de tekst: een vader loopt met een vaas, een paar seconden later ‘moet hij terug’. Waarom hij terug moet en waar ‘terug’ is, blijft dankzij de akoestiek een mysterie. Juist dat geeft het optreden van Peggy Verzett iets extra’s.

    Avond vol advies

    Daarna begint in zaal drie het ‘debutantenprogramma’. Hierin gaat een gevestigd auteur in gesprek met een aanstormend talent dat nog bezig is met zijn of haar eerste boek. Eerdere aanstormende talenten waren onder anderen Carmien Michels (Europees kampioen poetry slam en inmiddels gedebuteerd als dichter met de bundel We komen van ver) en Bianca Boer (auteur van de recent verschenen roman Draaidagen en zelf ook aanwezig op Woordnacht voor een interview dat later op de avond plaatsvindt).

    Dit jaar mag Vincent Kortmann zich bij hen aansluiten. Hij zal in gesprek gaan met festivaldirecteur Hans Sibarani en Manon Uphoff, die in 1995 debuteerde met de verhalenbundel Begeerte. Voordat het zover is, vertelt Manon Uphoff over de periode waarin zij aan haar debuut werkte. Ze wist toen al dat Begeerte een basis zou worden waarop ze de jaren erna zou kunnen voortbouwen. In elk kort verhaal was namelijk een groter verhaal verborgen. Ze vergelijkt haar schrijfproces met een matroesjka, een pop die je kunt openmaken en waaruit steeds een nieuw figuur tevoorschijn komt.

    Opgroeiende meisjes in de literatuur

    De telefoon van Hans Sibarani piept. ‘Momentje,’ zegt hij tegen het lachende publiek. ‘Ik dacht dat ik hem had uitgedaan.’
    De telefoon blijft de rest van het gesprek piepen, maar Manon Uphoff trekt zich er niets van aan. Ze vertelt over het schrijfproces rondom Vallen is als vliegen, haar recentste roman: ‘Ik denk niet dat iemand anders dit boek kon maken.’ Het gesprek gaat verder over recensies. Na haar debuut las Manon Uphoff  in een recensie dat wel heel veel verhalen uit het boek over opgroeiende meisjes gingen. ‘Het was precies de helft,’ zegt ze. In de jaren 90 kregen opgroeiende jongens meer aandacht in de literatuur en áls het al over meisjes of vrouwen ging, bleef dat vaak braaf. Manon Uphoff schreef destijds bewust over niet alleen begeerte, maar ook de woede die daarbij kan komen kijken: ‘Ik wilde laten zien dat woede ook een kracht is, een energie, een motor.’

    Vincent Kortmann betreedt het podium. Zijn boek – het zal verschijnen bij uitgeverij Atlas Contact en een titel heeft het nog niet –  gaat over een negentienjarige jongen die door alle vrouwen in zijn leven is verlaten. Dan krijgt de jongen plotseling een stiefzus, die steeds extremere streken uithaalt. Manon Uphoff heeft de eerste vijfenzeventig pagina’s van het manuscript mogen lezen, maar het publiek krijgt alleen het begin te horen. Het is dapper dat Vincent Kortmann voordraagt, aangezien hij benadrukt dat het redactieproces nog bezig is. De eerste zin is alvast indrukwekkend: ‘Vanaf het balkon schoot mijn stiefzus Fay haar luchtbuks leeg op conservenblikken in de tuin.’ Een verschijningsdatum is nog niet bekend, maar het voorgedragen fragment smaakt naar meer.

    Schrijfprocessen

    Jammer genoeg wordt er niet ingegaan op het schrijfproces van Vincent Kortmann. Wél prijst Manon Uphoff de toon en de vertelstem in zijn manuscript. Ook is ze onder de indruk van de dialogen, zelden zijn die bij beginnende schrijvers zo naturel. Ze is van mening dat ‘de innerlijke motor van de hoofdpersoon’ belangrijker voor het verhaal is dan een plot.
    ‘Het moet wel echt ergens over gaan,’ werpt Vincent Kortmann tegen. Hij vindt het belangrijk om naar een bepaald punt toe te werken. ‘Het verhaal mag niet uitgaan als een nachtkaars.’

    Manon Uphoff geeft advies, niet alleen aan Vincent Kortmann, maar aan iedereen die een boek wil schrijven: ‘Ga aan de gang met je eigen stem en geloof erin. Het maakt niet uit of je uiteindelijk goede of slechte kritieken krijgt. Je hebt daar geen invloed op, dus geloof vooral in wat je kunt.’ Vincent Kortmann vraagt hoe Manon Uphoff haar personages, die vaak bizarre handelingen verrichten, geloofwaardig kan neerzetten. ‘Je moet het zelf geloven,’ is haar antwoord. Na het optreden verlaat het publiek de zaal, maar zij blijft achter om nog even met Vincent Kortmann over zijn boek-in-wording te praten, zonder toeschouwers.

    Grote thema’s

    Hierna interviewt Alek Dabrowski de schrijvers Bianca Boer en Christiaan Jongeneel. Hij vindt Magda is overal  van Christiaan Jongeneel, ‘een complexe roman’, en voegt eraan toe dat het is bedoeld als compliment. Het is namelijk ‘de eerste grote 9/11-roman’. Ook in dit gesprek is plot een discussiepunt. Voor Bianca Boer, schrijver van Draaidagen, is plot niet belangrijk: ‘Ik wil mensen maken en ze op elkaar laten reageren.’ Haar roman gaat enerzijds over Auschwitz en anderzijds over Judith, die figureert in een film die zich afspeelt tijdens de Tweede Wereldoorlog.

    Bianca Boer draagt een fragment voor waarin de verhaallijnen samenkomen: de filmset voelt als bezet Nederland. Zowel de voordracht als de inhoud wekken de roman tot leven voor het publiek. Over Draaidagen vertelt ze: ‘Sommige geschiedenissen gaan generaties lang door. De hoofdpersoon krijgt geen kind, omdat ze niet wil dat de geschiedenis zich herhaalt.’ Ook Christiaan Jongeneel mag voordragen. Magda is overal blijkt inderdaad complex: de roman telt drie delen en uiteindelijk draait het boek om de vraag of Magda wel bestaat. Hoewel beide auteurs uit Rotterdam komen en voor een groot thema hebben gekozen, hebben ze compleet verschillende boeken geschreven.

    Overvloed aan optredens

    Woordnacht kent een erg vol programma. Om half negen ’s avonds zijn bijvoorbeeld de volgende optredens bezig: ‘Silence of the Slam’ met diverse spoken word-artiesten; een gesprek met Marcel Möring; ‘Dat soort volk’ met Jan Oudenaarden, Erik Brus en Alek Dabrowski; ‘Debutanten’ met Manon Uphoff, Vincent Kortmann en Hans Sibarani; en ‘Reprise: Montere weemoed’ met Thomas Verbogt en Beatrice van der Poel.

    Het is voor een bezoeker onmogelijk meer dan drie programmaonderdelen op de avond te zien zonder halverwege een optreden weg te gaan. Daardoor is er bij sommige optredens slechts een handjevol mensen aanwezig. Het is mooi dat Woordnacht zowel aanstormend talent als grote namen een podium biedt, maar de vraag rijst of het festival niet nóg beter tot zijn recht zou komen met minder locaties of een grotere tijdspanne.

     

    Beeld: Annaleen Louwes

  • Over het werk van Henk Vreekamp (1943-2016)

    Boeken van medewerkers

    Els van Swol  (1952) studeerde Kunst- en Cultuurwetenschappen en recenseert met grote regelmaat literatuur voor Literair Nederland, ook is ze een fervent blogger over muziek en literatuur. Van haar hand verscheen in mei van dit jaar het boek Mythe, mysterie, mystiek, over het leven en werk van de hervormde Israël-theoloog, publicist en predikant Henk Vreekamp. Verschenen bij Uitgeverij KokBoekencentrum in de reeks over theologen die hebben bijgedragen aan een kritische en maatschappelijk betrokken theologie. Vreekamp overleed in zijn woonplaats in 2016 ten gevolge van een ongeluk. De avond voor zijn overlijden preekte hij nog in de Amersfoortse Adventkerk over de verheerlijking op de berg (naar Lucas 9). Deze preek werd in maart 2016 uitgebracht als brochure onder de titel De glans van de hemel, en is ook opgenomen in dit boek.

    Henk Vreekamp noemde zichzelf een door Joodse vragen uitgedaagde Heiden-Christelijke theoloog. Met haar boek biedt Els van Swol een eerste kennismaking met het werk van Henk Vreekamp. Het toont een overzicht van zijn leven en gedachtegoed waarbij drie thema’s als een rode draad door zijn werk lopen: de mythe, waarin het goddelijke en menselijke door elkaar lopen; het mysterie, de genade, waarin hemel en aarde van elkaar onderscheiden worden; en de mystiek, waarin God en mens elkaar ontmoeten. Dr. Vreekamp formuleerde de drieslag in zijn werk als volgt: ‘Ik houd het op het mysterie van Christus dat zijn plaats heeft tussen mythe en mystiek.’

     

    Mythe, mysterie, mystiek,
    Els van Swol
    KokBoekencentrum
    pag. 96
    prijs: € 12,99
    Te bestellen via Athenaeum Boekhandel.

     

  • Nacht van de Poëzie grootschalig festival met traditionele elementen

    De 37e editie van de Nacht van de Poëzie vond plaats op 28 september 2019 in de Grote Zaal van TivoliVredenburg.
    ‘Een Nacht van de Poëzie is voldoende om jaren niet meer te dichten,’ schreef Remco Campert eens. Een bezoek aan de Nacht doet anders vermoeden: dichter Esther Jansma, van wie al een tijd geen bundel is verschenen, merkt na haar aankondiging meteen op dat er snel nieuw werk zal komen. Daarop gaat er een zucht door de zaal.

    De jaarlijkse Nacht kent een lange traditie, maar ook nogal wat rellen en ophef. Mirjam van Hengel beschreef in de Volkskrant (27 sept. 2019) enkele van de veelzeggendste: zo trad Gerard Reve op in een nazikostuum en tekenden chaos en wanbeleid de eerste edities. Ook zouden dichters volgens de overlevering vetes achter de schermen uitvechten tussen de bedrijven door. Waar Campert destijds opmerkte dat je ‘ten slotte het slagveld verliet’, ‘gewonden en gesneuvelden achterlatend,’ verloopt deze 37e editie soepel. Dat is niet verwonderlijk, want van een rommelig evenement in de jaren ’60 is de Nacht uitgegroeid tot een grootschalig festival in poppodium TivoliVredenburg in Utrecht. De Nacht trekt grote namen en biedt bezoekers naast optredens ook signeersessies en een boekenmarkt, waar werk van de auteurs gekocht kan worden. Toch is de sfeer kleinschalig gemoedelijk: zodra de stoelen in de Grote Zaal vol zijn, gaan mensen op de trappen aan weerszijden van de tribune zitten, nemen plaats op de balkons, zelfs bij de uitgangen staan drommen toeschouwers. Iets van het ongeorganiseerde van vroeger lijkt hier toch nog – op een goede manier – te heersen.

    Thema van de Nacht

    TivoliVredenburg is voor de gelegenheid ingericht naar het thema, een dichtregel van Jan Wolkers uit zijn ‘Kalkstenen vlinders’: De stad zegt met één oog de nacht gedag. Vanaf het podium kijkt een enorm oogvormig decorstuk het publiek in. En in de pupil zijn de contouren van een skyline uitgesneden. Zo breed als je die frase kunt interpreteren, zo afwisselend is het programma: onder de negentien dichters zijn (vijf!) veelbelovende debutanten en geprezen oudgedienden. Onder hen zijn, in willekeurige volgorde: Babs Gons, Adriaan van Dis, Hagar Peeters, Tom Lanoye, Ellen Deckwitz, Rosa Schogt, Iduna Paalman, Ivo van Strijtem, Asha Karami, Ingmar Heytze, Nachoem Wijnberg, Esther Jansma, Lévi Weemoedt, Maud Vanhauwaert, Gerda Blees, H.C. ten Berge, Joost Decorte, Frans Kuipers en Kees Spiering. Van jeugd- tot ‘volwassen’ poëzie, serieus en satirisch, van abstracte dichtvormen tot klassieke sonnetten: alles komt voorbij.

    Een aantal dichtoptredens maakt bijzondere indruk. Adriaan van Dis draagt werk voor van onder anderen de Zuid-Afrikaanse dichters Antjie Krog, Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach – de laatste is verhinderd en Van Dis is in zijn plaats. Hij adresseert Apartheid, maatschappelijke ongelijkheid, de arm van de wet die geliefden uit elkaar en tot zelfmoord drijft in Adam Smalls ‘What abou’ de lô/What about the law’. Zijn voordracht zet de intieme ruimte in een ander licht, het oogvormige decorstuk staart naar het publiek, de dichtregels galmen na. Toch reageert Van Dis luchtig als er wordt geklapt: ‘Hè, stop nu toch, dit gaat allemaal van mijn minuten af!’

     

    Hij is niet de enige die een statement maakt zonder zijn engagement al te dik aan te zetten. De gedichten van Asha Karami zijn absurdistisch, sec, af en toe messcherp. Vaak lijkt haar werk aan te sluiten bij politiek-maatschappelijke onderwerpen, hoe abstract de situaties die ze schetst aanvankelijk ook overkomen. Ze laat genoeg stiltes vallen om haar regels nog even te laten rondzingen in de ruimte. Als ze impliceert een zekere rechtse politicus een kaakslag te hebben verkocht, gaat na een paar seconden een bevrijdende lach door de zaal. Ze doet ook het tegenovergestelde met verve: met schijnbaar alledaagse onderwerpen laat ze de luisteraar in vertwijfeling achter. Ook haar ‘vloeibare’ identiteit vormt een belangrijk thema dat ze desondanks terloops aankaart: ‘om mijn moeder te zien/ga ik naar holland casino/ladies night gratis drankje/ vind ik haar bij roulette’

    Angagement aanwezig

    Tom Lanoye toont zich eveneens maatschappelijk geëngageerd, en iedereen mag het weten: hij trekt alle registers open. Hij voert zijn bewerking van het Hooglied op, samen met een jonge actrice die hij voorstelt als zijn nichtje. Haar rol is beperkt maar doorslaggevend: ze is degene die door Lanoye wordt lastiggevallen tijdens het uitgaan, hij dwingt haar hem een kans te geven in niet mis te verstane bewoordingen. Zij wijst hem tot drie keer toe af, waarop hij inbindt, op zijn knieën valt en haar smeekt om hem dan ‘toch minstens haar telefoonnummer te geven!!!, duidelijk geïnspireerd door de #MeToo-tendens. Lanoyes Hooglied is indringend en theatraal, compleet met lichtshow, aanzwellende muziek en geluidseffecten. De reacties zijn wisselend: sommigen zuchten, anderen zijn gehypnotiseerd.
    De Utrechtse dichter Ingmar Heytze windt het publiek ingetogen om zijn vinger: eerlijk, bijna breekbaar draagt hij een gedicht voor over een overleden dierbare. Er wordt ademloos geluisterd.

    Entre’actes

    Ook de entr’actes verrassen in hun veelzijdigheid. Het duo Marnix Dorrestein (elektrische gitaar) en Nora Fischer (zang) voert 17e-eeuwse liefdesliederen en vroege 20e-eeuwse klassieke muziek op. Bijzonder zijn de moderne arrangementen waarin ze de muziekstukken steken: er klinken rock, grunge en hier en daar zelfs fado-invloeden in door. De Bosnische zanger Božo Vrećo brengt in een jurk en op torenhoge hakken traditionele volksliederen ten gehore, begeleid door opzwepende drums. Zijn stem is krachtig en zuiver, maar niet iedereen begrijpt de act, en ondanks herhaalde verzoeken klapt het publiek maar aarzelend mee op het ritme van de muziek.

    Ook Gilbert O’Sullivan treedt op, een op het eerste gezicht verrassende keuze. De Ierse singer-songwriter had in de jaren ’70 succes met nummers als Matrimony en Alone again (naturally), maar verdween uit de schijnwerpers, afkerig als hij was van de showbusiness. Haast verlegen zit hij achter zijn keyboard, tussendoor af en toe anekdotes en grappen vertellend over zijn carrière, het schrijven van liedjes. Na het eerste nummer al blijkt waarom O’Sullivan zo’n goede keus is: bijna alle oudere bezoekers van de Nacht zingen mee (‘You can join in.’), dansen met elkaar, knijpen elkaar in de arm: ‘Goed is hij, hè? Nog steeds!’ Met hun enthousiasme steken ze de jongere bezoekers aan.

     

     

    De Nacht van de Poëzie mag dan al decennialang volwassen zijn, sommige dingen lijken onveranderd, met name het spontane karakter ervan. Er wordt niet op voorhand een programma bekendgemaakt, wat een bezoek ook een beetje in een zoektocht doet veranderen: er is voor elk wat wils, maar je moet wel net op het juiste moment op de juiste plek zijn. Dat is tegelijkertijd de charme ervan: als je je favoriete dichter mist, kan een nieuwe favoriet zich plotseling aandienen. Één Nacht van de Poëzie is voldoende om nog jaren te kunnen lezen.

     

    © foto’s Michael Kooren en Patrick Post

     

  • Nobelprijs voor de Literatuur voor Olga Tokarczuk en Peter Handke

  • Fotosynthese 9 – Het dak op


    Het is geen sneeuw, maar folie om het dak te beschermen tegen lekkages, denk ik. De vrouw staat vaak op het dak in de wijk Manhattan, meestal in de ochtend. Ze oefent een tekst, die ze in haar hand heeft. Het papier verdwijnt bijna in de witte achtergrond. Na een kwartier verandert ze van houding. Ze recht haar rug, aan de beweging van haar armen is te zien dat ze zingt.
    Haar buurman had er genoeg van, vermoed ik.  Al die oefeningen met aaa’s, oe’s en eee’s in een appartement met bordkartonnen muren. Je kan het dak op, zal hij gedacht hebben. Ik verblijf ook ik zo’n gebouw. Een kamer van vijf bij vijf met kitchenette, die van de buren grenst aan het hoofdeinde van mijn bed. Elke ochtend om 6.30 uur hoor ik boter sissen in een koekenpan, in het appartement naast mij begint de dag met ham and eggs.

    Bijzonder die armgebaren bij het spreken en het zingen. Lichaamsbewegingen en gebaren waren er eerder dan de spraak. Een angstige uitdrukking op het gezicht en met gestrekte arm wijzen naar de rand van het bos was voldoende. Pas later kwam daar de taal bij: pas op, daar is een beer.
    ‘Waarom zingt mijn vrouw in een koor?’ vraagt Steven Mithen in The singing Neanderthals (2005) zich af. Is zingen en muziek iets van de moderne mens of oeroud? En wat voor geluid maakten de Neanderthalers? Ze zaten toch niet alleen maar te zwijgen of te grommen en te brommen. In zijn onderzoek ontdekte hij dat klanken niet alleen een functionele bedoeling hadden, geef mij dat stuk vlees eens door, maar ook bedoeld zijn om emoties op te wekken en daarmee groepsgenoten aan je te binden. En met die klanken ontstond zingen en muziek om met de goden te communiceren.
    Heel veel later, rond de 17e eeuw, meende de Rooms Katholieke kerk dat gesprekken met  God een mannenzaak was. Vrouwen – immers een verleidelijk object – mochten niet meer op het theaterpodium staan, laat staan bij het altaar in de kerk.

    De castraatzanger kwam op in die tijd. De man met de borstkas en de longen van een man, maar door de afwezigheid van het hormoon testeron met het strottenhoofd van een vrouw. Gasparo Conti was er zo een. ‘Als hij zingt, houdt iedereen op met ademhalen. Tijdens een optreden in Covent Garden in Londen stopt zelfs het orkest met spelen, zo zeer zijn de musici onder de indruk van zijn kunsten. Een altviolist loopt tenslotte snikkend het podium op om de zanger langdurig te omhelzen. ‘Toen zweeg als laatste het klavecimbel’, lezen we in De virtuoos (1993) van Margriet de Moor, “Het orkest huilde. En het hele publiek huilde ook.”‘

    Zijn er veel zangers onder de romanschrijvers? 

    Ik vermoed dat de hersenen van een klassieke zanger geheel anders functioneren in vergelijking met die van een romanschrijver zoals bijvoorbeeld A.F.Th. van der Heijden. Die overigens qua uiterlijk wel op een operapodium zou passen. Hersenen die muzikaal getraind zijn kunnen beter luisteren, dat is wel aangetoond. Maar of (roman)schrijvers goede luisteraars zijn – ik zag onlangs een interview met Peter Buwalda – betwijfel ik.

    Het komt wél eens voor dat een zanger ruzie met een schrijver krijgt. Zoals in 2013 zanger Peter Koelewijn een rectificatie eiste in de nog onverkochte exemplaren van de roman De helleveeg, een deel van A.F.Th. van der Heijdens romancyclus De Tandeloze Tijd. Zijn familie werd in dat verhaal als een stelletje losers neergezet en zijn moeder beticht van ‘aborteuse praktijken’.

    Koelewijn trok aan het kortste eind. Het zou kunnen dat de rechter hem gewezen heeft op het verschil tussen literatuur en werkelijkheid. Ik zie de rechter voor me, hoe hij over zijn leesbril heen in de richting van Koelewijn kijkt en zegt: ‘Meneer Koelewijn, een vraag, toen u schreef aan de tekst ‘Kom van dat dak af’, stond er toen werkelijk iemand op het dak?’

    Foto: Hans Muiderman


    Dit was een bijdrage over de achtergrondfoto van de site. In deze rubriek die naar Rudy Kousbroeks mooie genre-idee ‘Fotosynthese’ heet, wordt informatie gegeven over de afbeelding die dienst doet (deed) als achtergrond bij deze website.
    Fotosynthese dus: een rubriek waarin beeld en tekst een verbinding aangaan. Heeft u ook een idee? Lever een achtergrond, met context, of lever context bij een achtergrond. Suggesties: redactie@literairnederland.nl

     

  • Stefan Hertmans ontvangt Constantijn Huygens-prijs voor zijn hele oeuvre

    De Belgische schrijver Stefan Hertmans (1953) is sinds de publicatie van Oorlog en terpentijn (2013) een van de bekendste schrijvers van ons taalgebied geworden. Dit boek betekende voor hem een doorbraak bij het grote publiek. Maar ook daarvoor was de in Brussel wonende schrijver al een belangrijk schrijvers binnen het Nederlands taalgebied. Zijn vroege werk wordt
    gekenmerkt door een experimenteel karakter en hoewel zijn latere werk makkelijker leesbaar is, blijft het experimenteren met woord en beeld een belangrijk element in zijn werk. Hij debuteerde in 1981 dan ook met het experimentele prozaboek Ruimte. Daarna beoefende hij vrijwel alle genres die er mogelijk zijn binnen de literatuur. Hij schreef duizend bladzijden aan poëzie, zijn proza omvat romans, verhalen, een reisboek en essays. Voorts schreef hij theaterteksten en publiceerde hij monografieën over filosofie en beeldende kunst. In elk genre heeft hij boeken gepubliceerd die tot de hoogtepunten van de hedendaagse literatuur gerekend kunnen worden. In binnen- én buitenland is Hertmans een gewaardeerde stem in het publieke debat.

    Volgens de jury heeft ‘het publiek deze schrijver omarmd, in de buitenlandse pers gooit hij hoge ogen en ook in Nederland en Vlaanderen is de waardering voor zijn werk groot. De toekenning van de Huygens-prijs onderstreept deze brede erkenning en bekroont een veelzijdig en groots oeuvre’.

    De jury bestaat uit Aad Meinderts (voorzitter), Erica van Boven, Jeroen Dera, Arjen Fortuin, Sarah Vankersschaever, Sanne Parlevliet, Jan de Roder, Jeannette Smit en Carl De Strycker.
    Eerdere laureaten zijn: Nelleke Noordervliet (2018), Hans Tentije (2017), Atte Jongstra (2016) Adriaan van Dis (2015), Mensje van Keulen (2014) en Tom Lanoye (2013).

    De prijsuitreiking vindt plaats tijdens het Schrijversfeest, de afsluiting van Winternachten internationaal literatuur festival Den Haag op zondagmiddag 19 januari 2020. Aan de prijs is een bedrag van € 12.000 verbonden.

     

    Foto: Wikipedia