• In memoriam Martin Amis (1949-2023) – Het begin van de literatuur

     

    We schrijven 1984. Mijn lezen ontwaakt en neemt in korte tijd een supersonische vlucht. De eerdere middelbare school-leesverplichting heeft geen post gevat en is te verwaarlozen als tijdverdoen en tegendraads plichtverzuim. Maar bij aanvang van de studie verandert er iets en breken nieuwe tijden aan. Ik begin te lezen en verzamel wild om me heen de klassiekers waarvan ik onbewust weet dat ze van waarde zijn voor de basis van een ontluikende leeshonger. Couperus, Mann, Reve, Salinger, Hermans, Tolstoi, alles lijkt aan bod te kunnen komen en verhuist van de tweedehandsboekwinkel naar mijn langzaam groeiende boekenkast. 

    Een vriend leent mij de pas uitgekomen editie van Money van de jonge Engelse auteur Martin Amis met de niet mis te verstane aanbeveling: ‘Dit móét je lezen’. De ondertitel A Suicide Note stuurt de onwetende lezer al in een bepaalde richting, maar na de eerste tien overrompelende bladzijden is het hek van de dam. Dit is totaal anders dan ik tot nu toe heb gelezen. Dit is dynamisch, het is snel, hard, confronterend, absurdistisch, cynisch, maar vooral uiterst meeslepend. 

    Schrijversnest

    Martin Amis komt uit een schrijversnest waar zijn vader, gelauwerd schrijver Kingsley Amis, een overheersende rol speelde. Geen ideale omstandigheden voor een jonge schrijver die, op zoek naar erkenning, vooral afwijzing op zijn pad vindt. Kingsley oordeelt over Money met de scherpe woorden: ‘Breaking the rules, buggering about with the reader, drawing attention to himself.’ Daar kan je ’t dan mee doen. Toch is Amis op latere leeftijd mild gestemd over zijn vader en ziet hij veel overeenkomsten: ‘We schrijven allebei in de komische, satirische traditie, waarbij je in een verheven stijl schrijft over relatief triviale zaken.’

    Money leest als een wervelwind. Zelfs in de geweldige Nederlandse vertaling van Guido Golüke (Geld, 1986) blijft Amis’ gedreven stijl en bijzondere woordkeus glashelder overeind. En inderdaad, hij laat zijn hoofdpersoon John Self als het zelfdestructieve ik-personage direct praten tegen de lezer (‘Hoe denk je dat ik me voel? O man, soms voel ik me een aangereden kater als ik wakker wordt’…). Het is een gemeenschappelijke reis, waarbij wij soms als voyeur en dan weer als actieve medestander het boek in worden getrokken. John Self is reclameman en vliegt naar New York om een film te maken, gefinancieerd door obscure geldschieters. Self is een opportunist van de eerste orde, geld maken is zijn grootste passie en geld uitgeven aan alcohol en porno zijn favoriete bezigheid. Hij is vrijwel altijd dronken en – zo goed als het gaat – druk bezig om het volgende schip met geld binnen te halen met deze blockbuster speelfilm. In New York wordt hij belaagd door verlopen acteurs en andere duistere types die van alles van hem willen. Hij wacht op de grote doorbraak maar gaat langzaam ten onder in een zelfgecreëerde wereld vol geweld, bedrog, overspel en bedreigingen. 

    Opportunistische hoofdpersonen

    Amis houdt van opportunistische hoofdpersonen in zijn romans. Die kan hij laten doen wat hij wil én wat ze zelf willen. In zijn debuutroman The Rachel Papers (1973) hoopt de aandoenlijke opportunist Charles Highway vóór zijn twintigste verjaardag met het meisje van zijn dromen in bed te belanden. Hij voert zijn verleidingskunsten systematisch uit, compleet met draaiboeken en uitvoerige computercharts. Een frisse eerste roman waarin Amis zijn pen slijpt om tot zijn kenmerkende, sublieme dialogen te komen. 

    Na Money volgen meer romans waarin de hoofdpersonen een buitensporig eigenbelang niet uit de weg gaan. Het is vooral de klungelige en onbehouwen manier waarop dat wordt omgezet in daden. In London Fields (1989) is het kleincrimineel Keith Talent, in The Information (1995) zijn het de getormenteerde schrijvers Gwyn Barry en Richard Tull en in Yellow Dog (2003) de acterende gangsterzoon Xan Meo. Tussen al deze karakteristieke antihelden verschijnt in 1991 de roman Time’s Arrow. Hierin slaat Amis een compleet andere weg in. Hij schrijft het verhaal van nazi-dokter Odilio Unverdorben (Amis is een meester in het bedenken van namen) in vernietigingskamp Auschwitz. Niet in de gebruikelijke chronologische volgorde maar in volledig omgekeerde vorm.

    Het boek begint met de ouderdom en dood van de hoofdpersoon en loopt vervolgens door naar diens geboorte. Alle gebeurtenissen en zelfs de dialogen worden achterstevoren verteld door een fictieve verteller die ook als geweten kan worden gezien. Gevangenschap gaat over in vrijheid, de dood evolueert in nieuw leven, het absolute kwaad leidt tot de onschuld waaruit het is voortgekomen. De verschrikkingen van de concentratiekampen worden nog gruwelijker in deze wonderlijke vorm. Het geheel heeft een huiveringwekkend effect op de lezer.

    Drie pijlers van hedendaagse Britse literatuur

    Naast vijftien romans publiceert Martin Amis ook een reeks essays en non-fictieboeken. Boeiende uitgaven over Amerika, de Holocaust, het Stalin-regime, de 9/11 aanslagen, islam vs. islamisme, enzovoort. Amis heeft altijd een vinger aan de pols gehouden, zowel van de geschiedenis als van de actualiteit. In kranten en andere media is hij regelmatig aanwezig met een uitgesproken mening die vaak tot hevige polemiek leidde.

    Eén van de drie pijlers in de hedendaagse Britse literatuur is omgevallen. De twee overgebleven generatiegenoten Ian McEwan en Julian Barnes zetten hun werk nog even voort. Martin Amis nam afscheid op 73-jarige leeftijd. Hij verruilde het tijdelijke voor het eeuwige als schrijver met ‘een verheven stijl over triviale zaken’ en laat een oeuvre na dat op volstrekt eigenzinnige en onnavolgbare wijze tot stand is gekomen.

     

     

  • Presentatie ‘Jaguarman’ Raoul de Jong in Suriname


    ‘De geschiedenis laat zien hoe belangrijk het was voor de Pairaoendepo dat jaguars bang waren voor hun eigen kracht, maar de geschiedenis laat ook zien dat het een vergissing is om te denken dat die kracht ooit onderdrukt kan worden.De kracht verbergt zichzelf, doet net alsof hij geen kracht is, wordt doorgegeven in het geheim, neemt andere vormen aan, verdwijnt onder de grond, vliegt over oceanen en vindt een weg naar de kinderen van de kinderen van de kinderen en blijft kloppen, net zolang totdat hij wordt gehoord.’

    Een zoektocht naar de jaguar, het mythisch wezen van de bossen van Suriname waarbij de geschiedenis van Suriname een centrale plek heeft, zo kan het boek Jaguarman het best worden omschreven. Het boekwerk las ik vorig jaar, kort nadat ik hem kreeg van de auteur zelf, Raoul de Jong. Hij was in Suriname voor onderzoek naar Anton de Kom voor een  filmscript over diens leven waarmee hij nog steeds mee bezig is. Ik had geen verwachtingen toen ik begon met lezen, ik had namelijk niet eerder gehoord over het boek, dus betrad ik het werk met een open geest. In twee dagen had ik het uitgelezen en bij de laatste bladzijde was ik even stil. De Jong neemt je in zijn boek mee op zijn zoektocht naar de jaguar. Deze initieerde hij na een ontmoeting  met zijn vader. Zijn vader die daarvoor geen plek in zijn leven had voor hem. Door die ontmoeting ontstond bij hem de  behoefte  om meer te weten te komen over zijn Surinaamse kant. 

    Geschiedenis van Suriname

    De Jong neemt ons mee in de achtbaan waarin hij zich kwetsbaar opstelt waardoor je verschillende emoties die hij doormaakt voelbaar zijn. Diverse aspecten uit het verleden worden belicht zoals de slavernij, de verschillende momenten van verzet en ook het Winti-geloof, een belangrijk onderdeel van de Afro-Surinaamse cultuur. Er komen verschillende Surinamers langs die een rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van het land en de cultuur zoals Louis Doedel, Thea Doelwijt en Leo Ferrier. Een prominente rol is weggelegd voor Anton de Kom, die De Jong beschrijft als een held. 

    Net als De Kom maakt De Jong de geschiedenis van Suriname toegankelijk voor niet alleen de Surinamers, maar ook voor anderen buiten Suriname. Lezers van zijn boek leren het land, zijn mensen en de verschillende culturen kennen alsook de vele uitdagingen die het land heeft gekend vanaf de kolonisatie door de Europeanen. Op een aantal plekken in het boek voelt het alsof je letterlijk aanwezig bent bij zijn zoektocht. Je ziet, ruikt, hoort, proeft en voelt wat hij aantreft. Makkelijk heeft hij het niet gehad en op bepaalde momenten bekroop mij het gevoel dat hij het leed van onze voorouders op zich had genomen om hun pijn goed over te kunnen brengen. Los van dat hij voor en tijdens het schrijven, en na het uitkomen van Jaguarman vele moeilijke momenten heeft ervaren door onder meer van zijn Surinaamse familie, die het niet leuk vond dat hij delen van hun verleden openbaarde. Ook de pijnlijke reacties als, ‘waarom moest hij dit boek schrijven?’ vanuit de onwetendheid van lezers in Europa over het verleden en de verschillende culturen van Suriname. 

    Totstandkoming Jaguarman

    Het boek is een waardig vervolg op Wij Slaven van Suriname van De Kom omdat een aantal aspecten over het verleden worden gepresenteerd en daarnaast ook hoe de samengestelde bevolking van het land door alle moeilijkheden zich staande weet te houden. Mijn exemplaar van Jaguarman maakte ook een reis, verschillende personen lazen het en ervoeren het verhaal.
    Dit jaar schreef De Jong ook het Boekenweekessay Boto Banja, het opstel over het thema van de Boekenweek ‘Ik ben alles’, geschreven in opdracht door een Nederlandstalige auteur. De Boekenweek is sinds 1932 een jaarlijks terugkerende week in maart ter promotie van het (Nederlandstalige) boek. Raoul is de eerste schrijver van Surinaamse afkomst die hiervoor in aanmerking kwam. Dat hij de eer kreeg nadat hij Jaguarman heeft geschreven, voelt goed. 

    In een goed bezette Tori Oso in Paramaribo presenteerde Raoul op woensdag 19 april Jaguarman in de tweede helft van de avond. De eerste helft van de avond was voor schrijver en voorzitter van de Schrijversgroep ’77 Robby Parabirsing – beter bekend als Rappa –  die zijn boek Een kleine politieke historie van Suriname presenteerde. De Jong was zenuwachtig over hoe het interview verlopen. Presentator van de avond Marciano Zalman brak de spanning door te vertellen dat hij het boek de avond en de ochtend voor de presentatie nog had uitgelezen. Hij was ook betoverd door de krachten van de jaguar. Er volgde een geanimeerd gesprek waarin Raoul het proces van de totstandkoming van Jaguarman vertelde.

    Geen reisgids

    Jaguarman is geen reisgids, zoals een keer werd aangegeven in de media in Nederland. Het is een toevoeging aan de literatuur van Nederland en Suriname. Het is een boek dat net als Wij slaven van Suriname de identiteit van Suriname omarmt en blootlegt. Het is een geschenk aan de wereld. 

    Tijdens zijn verblijf in 2022 in Suriname, hoorde Raoul over de uitdaging om jongeren van Suriname te motiveren meer boeken te lezen. Boeken zijn onbetaalbaar door de economische situatie in het land. De weinige bibliotheken in het land hebben geen budget om boeken aan te schaffen en kunnen daardoor nauwelijks literaire activiteiten  organiseren. In samenwerking met de Stichting Skrifi ontwikkelde De Jong een leesbevorderingsproject voor middelbare schoolleerlingen. Onderdeel van dit project is zijn bezoek aan Suriname om Jaguarman officieel aan de Surinaamse samenleving te presenteren. Ook bezocht De Jong een aantal scholen en bibliotheken waar hij exemplaren van Jaguarman en Boto Banja heeft aangeboden. 

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Op 2 mei presenteerde De Jong het boek Boto Banja voor publiek in het Nationaal Archief Suriname.

    Openingscitaat uit: Jaguarman /achtste druk (2023) / pagina 238.


    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft artikelen voor OneWorld en blogt voor Tirade.nu.

  • De magische wereld van Julien Gracq

    De Franse schrijver Julien Gracq (pseudoniem van Louis Poirier, 1910 – 2007) was een schrijver in de marge van de literatuur. Met opzet, want hij verafschuwde de uiterlijkheden van het literaire bedrijf: de coterieën, zoals die rond zijn tijdgenoot Sartre, de bals, de prijzen. Hij weigerde de Prix Goncourt, de belangrijkste Franse literaire prijs, voor zijn roman De kust van de Syrten (1951). Gracq wordt vaak bij het surrealisme ingedeeld – de surrealist André Breton was zijn enige literaire vriend. Breder kun je hem zien in de fantastische traditie, van Keltische legenden tot aan Edgar Allan Poe.

    Ongewis avontuur

    Gracqs boeken ademen de geest van het buitenstaanderschap. Vanaf de eerste bladzijden word je in lange, beeldende zinnen in een verveemdend literair landschap geworpen. Bij Gracq geen opbouw ‘volgens het boekje’ met keurige vooruitwijzingen, een helder plot en psychologische duiding, zoals de tegenwoordige lezer gewend is. Gracqs proza is een ongewis avontuur waaraan je je moet overgeven. Je belandt in een abstracte en tijdloze wereld. Gracq is niet geïnteresseerd in het vertellen van een verhaal, maar in het schetsen van sfeer, van gemoedstoestanden. Het verhaal moet je zelf invullen.

    Verval

    Hoewel de beschreven wereld aan de fantasie is ontsproten zijn er wel degelijk referenties aan de kenbare werkelijkheid. De Syrten waren in de klassieke oudheid twee inhammen van de Noord-Afrikaanse kust. Bij de stad Orsenna, waar hoofdpersoon Aldo van De kust van de Syrten vandaan komt, denk je onmiddellijk aan Venetië: een oude stad met statige paleizen waar de Sinjorie de dienst uitmaakt. De eigennamen zijn Italiaans. De stad is op het hoogtepunt van haar roem, rijk en decadent. Verval dreigt. Aldo, die zijn bestaan in Orsenna hol en leeg vindt, geeft bij de machthebbers aan dat hij naar de provincie wil en wordt aangesteld als Waarnemer aan de verre Syrtenkust, die de landsgrens vormt.

    De Admiraliteit waar hij terechtkomt is gevestigd in een oud, vervallen fort. Het gebouw wordt omgeven door een woestijnachtig landschap waar het snikheet is. Kapitein Marino zwaait er de scepter, net als alle andere Gracq-personages een raadselachtige figuur. Aldo weet niet hoe hij zich tot hem moet verhouden. Zijn houding varieert van afkeer tot bewondering. Er is een duidelijk verschil tussen de twee. Marino vertegenwoordigt de status quo: hij is wars van verandering. Aldo, jongeman en nieuwkomer, is daarentegen nieuwsgierig. Hij houdt ontdekkingstochten in het fort dat een doolhof is van vertrekken en kazematten. Vooral de kaartenkamer met oude zeekaarten trekt hem aan.

    Dreiging

    Met de ik-figuur verkeert ook de lezer in voortdurende onzekerheid. Net als Aldo voel je iets broeien: verandering hangt in de lucht, het einde van een tijdperk nadert. Maar wat deze verandering is of waardoor ze wordt veroorzaakt blijft duister. Alleen dat die iets te maken zal hebben met Farghestan. Er zijn minieme signalen dat de driehonderd jaar oude oorlog met dit buurland oplaait. Aldo ontwaart op zee een illegaal schip dat hij later bij een door de natuur overwoekerde ruïnestad terugvindt. De manschappen van de Admiraliteit zijn niet meer welkom op het landgoed Ortello, waar ze bij gebrek aan militaire urgentie werken. Onheilsprofeten duiken op.

    Vanaf een klein verlaten eiland ziet Aldo de vulkaan Tängri, die aan de overkant van de zee het vasteland van Farghestan markeert. Hij is naar dit Vezzano meegenomen door zijn jeugdliefde, de bekoorlijke, avontuurlijke en grillige Vanessa, afkomstig uit een beroemd adellijk geslacht, die net als hij de hoofdstad is ontvlucht. Aldo besluit de kust van Farghestan te gaan verkennen. Wat volgt is een doldriest, subliem beschreven zeeavontuur.

    Beeldend

    Gracq heeft een schitterende, suggestieve stijl. Zijn beschrijvingen zijn uiterst gelaagd en bezitten een enorme diepgang. Personages, steden en landschappen doemen messcherp voor je geestesoog op en zijn tegelijkertijd vol mysterie. Dit staat er bijvoorbeeld als de vulkaan opeens voor de bemanning oprijst: ‘Vóór ons hing, boven de zee, gelijk een verlichte vrachtboot die zijn achterschip voor het zinkt recht omhoog steekt, een als een deksel omhooggetild brok planeet, een verticale voorstad; doorzeefd, in verdiepingen verdeeld, en bespikkeld met zulke brandende braambossen en lichtende kroonkandelaars dat het de uitstraling en de vastheid van sterren benaderde.’

    Debuutroman

    Gracqs debuut Het kasteel Argol (1938) zette meteen de toon. Deze roman ademt de sfeer van oude sagen en legenden. Hoofdpersoon Albert, laatste telg van een adellijke familie en liefhebber van filosofie, koopt een verlaten gothisch kasteel met de bijbehorende bossen, landerijen en gebouwen. Een typisch Gracq-decor. Later voegen zijn dierbaarste vriend, Herminien, die hij bewondert om zijn kennis en kracht, en Heide, een betoverend mooi meisje, zich bij hem, beiden personages van mythologische proporties. Deze driehoeksrelatie zorgt voor spanning en inktzwarte ontwikkelingen.

    Gracq is een echte oeuvreschrijver. Steeds draait het bij hem om thema’s als isolatie, vervreemding, noodlot en avontuur. Een ‘ouderwetse’ schrijver misschien, maar je zou ook kunnen zeggen een tijdloze. Gezien de grote kwaliteit van zijn werk moet dit vertaald en herdrukt blijven worden.

     

     

  • Surinaamse verhalen toegankelijker maken voor Nederlandse lezers

    Velen kunnen door de Surinaamse literatuur kennis maken met Suriname, zijn inwoners, hun culturen en gebruiken. Voor personen van Surinaamse komaf en anderen die een binding hebben met het land, is het herkenning. En verscholen aspecten kunnen ontdekt worden. De Surinaamse identiteit wordt door de lokale literatuur namelijk gedeeld met de buitenwereld.

    In Nederland zijn enkele Surinaamse schrijvers bekend, zoals Michael Slory, Astrid H. Roemer en Cynthia McLeod, maar een groot aantal Surinaamse schrijvers zijn onbekend. Dat heeft onder meer te maken met de kwaliteit van het werk als originaliteit, structuur, ideeën en ook de taalhantering. Maar ook de gestelde taaleisen in Nederland, zoals het algemeen beschaafd Nederlands (ABN) en de Surinaamse zinsconstructies zijn uitdagingen. Dat kan de reden zijn dat Nederlandse uitgevers geen potentie zien in Surinaamse auteurs. Toch verdienen Surinaamse verhalen het om over hun eigen landsgrenzen gebracht te worden om zodoende deel uit te maken van de totale wereldliteratuur. Er zijn een aantal schrijvers die buiten Suriname uitgegeven zouden moeten worden. Zij worden genoemd in het boek Jaguarman van Raoul de Jong en in Dat wij zongen, samengesteld door De Jong, Julien Ignacio en Michiel van Kempen. Aangezien Suriname en Nederland een gedeeld verleden hebben en een gezamenlijke toekomst tegemoet gaan – als we kijken naar historische en culturele banden, gedeelde taal en het grote aantal verdeelde families over beide landen – is het belangrijk dat de Surinaamse literatuur overzee een plek krijgt. En er zijn meer verhalen in de Surinaamse literatuur te ontdekken dan enkel die over het slavernijverleden.

    De ontwikkeling van Surinaamse verhalen

    In Suriname werden tijdens het overgrote deel van de koloniale periode (1667-1975) verhalen en informatie onder de tot slaafgemaakten mondeling overgebracht, want slaven was het verboden te leren lezen en schrijven. Volgens onderzoek van de Surinaams taaldeskundige en surinamist Hein Eersel (1922-2022) werd in 1876 de algemene leerplicht ingesteld en werd het Nederlands als schooltaal ingevoerd. Andere talen werden uitgesloten van het onderwijs, wat inhield dat leerlingen hun moedertaal niet op school mochten spreken en de ouders min of meer gedwongen werden hun kinderen Nederlands te laten spreken. Deze maatregel heeft de tweetaligheid onder de bevolking sterk doen toenemen. Thuis, bij onder meer de nazaten van tot slaafgemaakten en de immigranten, werd het Sranantongo en de andere betreffende moedertalen gesproken. Dit zorgde ervoor dat er op de Nederlandse taal een variëteit ontstond, die verschilt op het vlak van uitspraak, woordenschat en grammatica van het Europese Nederlands. 

    In de afgelopen vijftig jaar werden boeken, geschreven in het Surinaams-Nederlands, steeds meer uitgegeven in Nederland. Zoals Sarnami, hai van Bea Vianen, uitgebracht in 1969 door Querido en Hoe duur was de suiker? van Cynthia McLeod, uitgebracht in 1995 door uitgeverij Conserve. Het opmerkelijke van Vianen is dat zij de eerste Surinaamse schrijfster is geweest wier debuutroman in Nederland is uitgegeven.

    De verhalen van deze schrijvers en anderen, hebben de Surinaamse literatuur gekleurd en behoren tot  de literaire canon van Suriname, mocht die er ooit komen. Volgens neerlandicus Hilde Neus worden er wel pogingen ondernomen om tot een Surinaamse canonlijst te komen, maar is er een probleem met het vaststellen van de criteria. Het leespubliek in Suriname is namelijk anders en Neus denkt dat de selectiecriteria meer in samenhang moet zijn met de structuur van de Surinaamse samenleving, op historisch, cultureel en ontwikkelingsniveau. Neerlandicus Jerry Dewnarain heeft enkele vragen geformuleerd, zoals aan welke eisen moet een boek voldoen om tot de Surinaamse canon gerekend te kunnen worden. Dewnarain deed dit voor zijn afstudeerthesis van de masters Nederlandse taal en cultuur waarvan hij de literatuurpoot heeft afgerond.

    Opvallend is dat Surinaamse literatuur de afgelopen jaren volop in de belangstelling staat in Nederland. Schrijvers met Surinaamse afkomst krijgen enorm veel aandacht. Raoul de Jong heeft dit jaar het Boekenweekessay geschreven. Met de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren in maart 2021 werd Astrid H. Roemer de eerste Surinaamse auteur die voor haar gehele oeuvre werd bekroond met deze prestigieuze literaire prijs. Bijdragen zoals de Ibisprijs van de Taalunie, opgezet in 2022, motiveren Surinaamse schrijvers ook om hun gedachtegoed neer te pennen en krijgen daardoor de aandacht van een groter publiek.  Deze ontwikkelingen zorgen voor positieve aandacht voor het land en voor motivatie waar de Surinaamse schrijvers verder op kunnen voortborduren.

    Authenticiteit behouden

    De Surinaamse literatuur is zeker aan verdieping toe. Verhalen zijn voor verbetering vatbaar qua vertelstructuur en zinsformulering, maar er moet voor gewaakt worden dat de authenticiteit van de Surinaamse verhalen niet verloren gaat. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Het Surinaams-Nederlands heeft namelijk bepaalde woorden en uitdrukkingen die andere betekenissen kennen of gewoon een andere context dan in  Nederland en dat wordt in veel gevallen als ‘fout’ gezien. Bijvoorbeeld het woord ‘tof’ betekent in Nederland fijn of gaaf, maar in Suriname betekent het moeilijk en zwaar. Daarin zullen zowel de schrijvers als redacteuren of uitgevers compromissen moeten bereiken, want niet altijd moet een zin of woord veranderd worden omdat het in eerste instantie als ‘verkeerd’ wordt gezien.  Als schrijver wil je dat de lezer jouw teksten zo juist mogelijk ervaart.

    Volgens Robby Parabirsing, voorzitter van de Schrijversgroep ’77 – de actiefste, grootste en oudste schrijversorganisatie in Suriname – en beter bekend onder zijn schrijversnaam, Rappa, kan de kwaliteit van de Surinaamse verhalen ook verbeterd worden door onder meer (jonge) Surinaamse schrijvers tot schrijven te stimuleren via schrijfwedstrijden met aantrekkelijke prijzen, zoals een geldbedrag en schrijf workshops. Het is verder ook belangrijk dat er in Suriname meer geïnvesteerd wordt in het ontwikkelen van schrijven door middel van cursussen en trainingen. Meer engagement met andere schrijvers binnen en buiten Suriname zal de literaire ontwikkelingen goed doen en zal alleen maar positief zijn voor de schrijver. Door op gerenommeerde en serieuze platforms zoals weblogs te publiceren, komt er tegelijkertijd een gedegen feedback op hun werk.

    Een goede schrijver worden

    Een goede schrijver hoeft niet succesvol te zijn, maar om een goede schrijver te worden, daar gaat veel tijd en moeite in zitten. In Suriname is het zeker een uitdaging een goede schrijver te worden. Maar door de slechte economische situatie in het land zijn velen eerder bezig  om het hoofd boven water te houden. Daarnaast heerst er niet echt een leescultuur en ouders die vroeger nog wel eens een boekje kochten voor hun kinderen, kunnen zich dat nu niet meer veroorloven. Waar scholen vroeger de opbrengst van de snoeppauze besteedden voor het aanvullen van hun mediatheek, kunnen zij dat nu niet meer doen. De grotere bibliotheken hebben geen financiële middelen om boeken aan te kopen. 

    In Suriname bereik je dus geen hoge verkoopcijfers wanneer je een boek uitbrengt. Dit kan een schrijver danig demotiveren. Verder krijgen schrijvers weinig ruimte  om hun visie te delen over onder meer de toestand in het land, de situatie in de wereld of andere belangrijke zaken die zij willen belichten. Dit in tegenstelling tot Nederland waar schrijvers wel de ruimte krijgen een bijdrage te leveren aan de opinievorming in de samenleving. Wegens gebrek aan financiële middelen worden er in Suriname ook weinig literaire activiteiten georganiseerd. Gelukkig lukt het de Schrijversgroep ‘77 nog om maandelijks een thema-avond te organiseren die in een bepaalde literaire behoefte voorziet. In het verleden is er een aantal uitwisselingsprojecten geweest tussen Suriname en Nederland zoals ‘Winternachten Tournee Suriname’ in 2004. Het zou interessant zijn als deze projecten weer worden opgestart of op een andere manier worden voortgezet. Los van het delen van inzichten tijdens zulke literaire events, zijn het ook goede momenten voor schrijvers om met elkaar te praten over elkaars werk.

    Meer produceren

    Volgens Robby Parabirsing (Rappa) is de Surinaamse variatie op het Nederlands via de Taalunie wel geaccepteerd, maar bij het doorsnee Hollands lezerspubliek nog niet zozeer.

    ‘In plaats van lesbrieven en allerlei projecten voor de opleiding Nederlands van het Instituut voor de Opleiding Van Leraren zou de Taalunie meer fondsen beschikbaar kunnen stellen voor bijvoorbeeld schrijfwedstrijden en/of workshops. Ik vond de ontmoeting met de Taalunie onlangs in oktober 2022, maar teleurstellend voor het stimuleren van het Surinaams-Nederlands als literaire taal en de activiteiten daaromheen. Ze focussen meer op die opleiding Nederlands, wel goed, maar ik merk weinig positief effect in de praktijk. Het merendeel van de studenten op de opleiding leert alles uit hun hoofd, om snel af te studeren en om flink wat uren te maken. Voor Nederlands maak je namelijk vier uren per klas op het Voortgezet Wetenschappelijk Onderwijs. Men kweekt geen taalwetenschappers en promotors van de Surinaamse literatuur. De geslaagden van de opleiding Nederlands versmallen juist de belangstelling voor het lezen van de Surinaamse literatuur in het Surinaams-Nederlands. Met poëzie is het nog erger gesteld. Let wel, dit geldt niet voor die enkelen die wel hun best doen dit te stimuleren, maar ze vormen een minderheid.’

    Er zouden meer Surinaamse verhalen in Nederland gepubliceerd moeten worden over de rijke Surinaamse cultuur, hun zienswijze op zaken zoals de gedeelde geschiedenis en het leven in Suriname. In een speciale Suriname editie van literair tijdschrift Tirade Prakseri, dat in november 2022 uitkwam, heeft het Nederlandse publiek als voorproefje kennis kunnen maken met bekende en onbekende Surinaamse schrijvers.

    Naar mijn mening moet er een tijd komen dat men niet meer om de in Surinaamse wonende schrijvers heen kan. Natuurlijk zijn er de boeken over Suriname die in het verleden geschreven werden door buitenlanders die er hebben geleefd en hun ervaringen hebben opgeschreven. Maar het wordt tijd dat Surinaamse schrijvers hun eigen inzichten over en ervaringen met hun land delen met de wereld en daarvoor de ruimte krijgen.

     

    Bronnen:

    • Scriptie Suriname in de Nederlandse Taalunie van Ruth Brandon
    • Expositie Surinaamse Schrijvers, De weg naar een onafhankelijke literatuur van het literatuurmuseum
    • Jerry Dewnarain, neerlandicus
    • Hilde Neus, neerlandicus

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft artikelen voor OneWorld en blogt voor Tirade.nu.

     

     

     

  • Bedankt voor uw ruimhartige bijdrage!

    Dit is geen ironisch bericht, integendeel! We ontvingen reeds € 1.920 euro van de € 4.000 die we dolgraag bij elkaar krijgen om de twee websites Literair Nederland en Jong Literair Nederland.nl een jaar lang in de lucht te houden. Veel dank dus!

    Maar een vreemd bericht is het wel, omdat we u graag willen bereiken, die bij de vorige mail (dit is bericht 2 van de 3) misschien nog even dacht: dat komt wel… Dat denkt u wellicht nog steeds en het is uw goed recht. Want er is voldoende aan de hand in de wereld dat onze aandacht vraagt. En bij oorlog en rampen verbleekt het belang van een website. En toch…

    Toch vragen we u opnieuw ons te helpen als u vindt dat deze website recht van bestaan heeft, omdat u er soms iets op leest dat uw aandacht even vasthoudt. Met de website Jong Literair Nederland willen we de hobbel die bestaat tussen jeugdliteratuur en boeken voor volwassenen helpen slechten, zodat er weer een lezende generatie opgroeit. Op Literair Nederland kiezen we al sinds jaar en dag voor gedegen stukken over boeken die niet overal besproken worden. En voor genres die elders onderbelicht blijven. Zonder geld voor porto en andere praktische zaken lukt dat niet. 

    Helpt u ons deze sites voort te zetten? Ook een klein bedrag is ons de moeite waard, als ook u maar besluit het te doneren. Het enige wat na een donatie overblijft is immers een goed gevoel.

     

                   Money

                   Never ask of money spent
                   Where the spender thinks it went.
                   Nobody was ever meant
                   To remember or invent
                   What he did with every cent.

                   (Robert Frost)

     

    Menno Hartman
    Oprichter Literair Nederland

     

     

  • Dit boek is voortgekomen uit een enorme zorg over mensen

     

    Van Minke Douwesz verscheen onlangs de roman Het laatste voorjaar. Liefhebbers van haar vorige boeken, Strikt (2003) en Weg (2009), samen goed voor zo’n vijftienhonderd pagina’s, waren er al haast van overtuigd dat er geen boek meer van haar hand zou verschijnen. Helemaal nadat een hardnekkig rondgaand bericht via google meldde dat Douwesz  in 2010 aan de gevolgen van een ongeluk was overleden. Dat kwam doordat de toenmalige redactie van Tirade het themanummer ‘In memoriam’ maakte. Daarvoor waren schrijvers, waaronder Minke Douwesz, gevraagd hun eigen in memoriam te schrijven. Maar hier is dan, na veertien jaar, Douwesz’ derde boek Het laatste voorjaar.

     

    In 2014 begon Douwesz, pseudoniem van Greet Kuipers (1962) al aan het boek, maar het schrijven stokte omdat ze zich in die jaren beroepsmatig bezighield met onderzoek naar gehechtheid bij eetstoornissen, waarop zij in 2018 promoveerde. In 2019, toen ze zich niet meer met de vele veranderingen binnen haar werk bij de GGZ kon verbinden, verruilde ze haar baan voor een eigen praktijk en had ze redenen en tijd om dit boek te schrijven. Minke Douwesz is een schrijver die alleen schrijft als ze iets te vertellen heeft. 

    De drieënvijftigjarige docent Duits en zelfverklaard eco-communist Ese Jelles, is rechtlijnig in haar antwoord op de klimaatcrisis en vindt dat, ‘Vlees en reizen op rantsoen moeten, online winkelen verboden wordt en er vaste prijzen voor voedsel gelden. Boeren produceren niet meer dan nodig is, overtollige weidegrond kan het best onder water worden gezet.’ Meningen waar je geen vrienden mee maakt. Het was ook niet de bedoeling van Douwesz een vriendelijk boek te schrijven. Alles moest nu maar eens gezegd worden.


    Een doorzetter als protagonist 

    Douwesz’ alter ego, Ese krijgt te maken met een onderwijsconsultant die het onderwijs wil verbeteren. Dat stuit haar tegen de borst. ‘Waarom moest alles toch altijd beter, kon er niets hetzelfde blijven?’ Ze neemt van de een op de andere dag ontslag. Nog geen week later op een maandagmorgen eind februari, steekt Ese de grens met Duitsland over op weg naar Oekraïne, waar ze het huis van Anton Tsjechov in Jalta wil bezoeken. Vanaf de eerste zinnen is duidelijk dat de lezer te maken krijgt met een doorzetter. 

    ‘Alles was grijs en er viel een venijnig koude motregen. Even vroeg ze zich af waar ze mee bezig was. Hoe miezerig ook, de regen zou haar schoenen en broek in de loop van de dag doorweekt hebben. Misschien werd ze wel ziek. In dat geval was er natuurlijk geen sprake van dat ze de trein nam, terug naar huis.’ Ondanks Ese’s opstelling, haar tirades en stellige meningen, is Het laatste voorjaar een empatisch boek geworden.

    Tijdens het fietsen door Duitsland en Polen komen de herinneringen aanvliegen. Herinneringen aan haar partner Martie, die enkele jaren terug is overleden. Er komen herinneringen aan haar studententijd naar boven, hoe ze Martie leerde kennen, aan eerdere reizen. De tocht in Jalta wordt levendig beschreven, alsof Douwesz uit eigen ervaring put. Het klopt dat ze het huis van Tolstoj of Tsjechov had willen bezoeken. Maar het was er nooit van gekomen. Wel heeft ze Het brilletje van Tsjechov gelezen, waarin Michel Krielaars het huis op Jalta uitvoerig beschrijft.


    De troost van Tsjechovs verhalen

    Als Ese uiteindelijk haar doel bereikt heeft en het huis van Tsjechov binnengaat, stort ze in. Ze wordt met spoed naar het ziekenhuis gebracht. Het heeft er veel van weg dat Het laatste voorjaar een treurige afloop kent. En was daar al niet een verwijzing naar, verder terug in het boek? Daar waar Ese en haar zus Dora een gesprek voeren over Jezus, de tempel en het kruis, het conflict van alle tijden? Ese zegt, ‘Word je kwaad en flikker je al die woekeraars de tempel uit, of moet je aanvaarden dat je in je eentje de wereld niet kan veranderen. Verdwijn je van het toneel.’ 

    ‘Een onderlaag in het verhaal is dat Dora en Ese niet geleerd hebben als vrouw van zich af te bijten. Ze hebben, met een vrij passieve moeder, niet geleerd voor zichzelf op te komen. Dora is gelovig, zij heeft zich daar misschien bij neergelegd. Maar Ese is heel erg boos. Om in deze wereld te overleven moet je niet lijdzaam afwachten zoals Jezus. Ik ben ook erg van mening dat opvoeden tot gezonde weerbaarheid van groot belang is.’  

    In een van de scènes lift Ese vanuit Polen met een vrouwelijke vrachtwagenchauffeur mee. Deze gooit bij de grensovergang tussen Oekraïne en de bezette Krim haar vrouwelijkheid in de strijd om de grensbewakers te behagen. Ese kunnen ze niet plaatsen, ze ziet er androgyn uit. Tot er een bh uit haar tas valt, dan beginnen de bewakers met haar te dollen. Ze grijpen haar in haar kruis om te voelen of ze man of vrouw is, een ander neemt haar verhalenbundel van Tsjechov in beslag. Het verlies van die verhalenbundel lijkt Ese meer aan te grijpen dan de brute aanranding. ‘Een schaap dat geschoren wordt, moet stil zitten, is het spreekwoord. Ese heeft het gevoel dat ze er goed vanaf is gekomen. Maar om een boek van een schrijver, een man die wel oké is, kwijt te raken, dat vindt ze vreselijk. Om de troost van Tsjechovs verhalen te moeten missen.’

    Voor Douwesz is Tsjechovs leven en werk een bron van inspiratie. ‘Hij is een dokter, en is ooit naar het werkkamp Sachalin in Siberië gegaan om de vreselijke omstandigheden van de gevangenen te bestuderen. Hij schreef daarover in De reis naar Sachalin. Tsjechov had, net als ik, kennelijk moeite om werk en liefde met elkaar te combineren. Daar identificeer ik me wel mee. En zijn interesse in de binnenwereld van vrouwen is echt ongekend voor die tijd. Zijn verhaal, ‘De naamdag’, is geschreven vanuit het perspectief van een vrouw die zich verschrikkelijk ergert aan het gedrag van haar man. Toen ik dat las, dacht ik, dit is gewoon Virginia Woolf.’


    Schrijven uit noodzaak

    Net zoals haar eerste boek Strikt werd geschreven vanuit de behoefte een leemte te vullen met het schrijven van een lesbische liefdesroman, werd ook dit boek geschreven uit noodzaak.Het ging me om de stem van een vrouw van middelbare leeftijd die er ogenschijnlijk niet zoveel toe doet, te laten klinken. Vroeger was dat anders. Met uitgebreide families waarin iedereen zijn rol had. Oma’s zijn nog steeds belangrijk, maar ik ben geen oma. Ik wilde een stem geven aan een werkende vrouw die geen relatie heeft met een man, geen kinderen heeft en begaan is met een groter geheel. De meeste aandacht in onze cultuur gaat uit naar vechten en seks. En niet naar zorgzaamheid of solidariteit, wat heel veel mensen wel belangrijk vinden, maar dat is kennelijk niet zo opwindend.’

    Toen het boek klaar was, vroeg Douwesz zich af of het boek wel goed zou vallen, omdat het een behoorlijk serieuze roman is over een bezorgde, lesbische vrouw van middelbare leeftijd. ‘Ik wilde de oprecht bezorgde toon niet ondermijnen door grappen of verzachtende excuses. Overigens moet ik zelf juist wel weer lachen om de consequente sombere blik van Ese, ik zie er de humor ook wel van in.’

    Douwesz heeft zich voor het schrijven van dit boek door Andreas Burnier laten inspireren. Hoe zij ongezouten, maar op humoristische wijze het patriarchaat aan de orde stelde. ‘Ik heb het allemaal ook wel wat aangezet, de woede van Ese, de ontwikkelingen in het onderwijs. Maar als ik dan in een recensie lees, ‘het is een karikatuur van het onderwijs’, denk ik, “ammehoela”. Je gaat toch geen boek schrijven over hoe het er echt in het onderwijs aan toe gaat? Het is een belachelijke eis aan een schrijver om de werkelijkheid getrouw weer te geven. Dat zou vreselijk saai worden.’ 


    Over het verlies van Martie

    ‘Ik zie natuurlijk als psychiater dat er stapelingen zijn van stressfactoren die mensen bijna doen breken, en dan is het al heel wat als je kunt bereiken dat ze er de moed inhouden. De illusie dat alles oplosbaar en maakbaar is, vind ik zelf vrij destructief. Accepteren dat sommige dingen lopen zoals ze lopen, en daar dan toch weer mee verder kunnen, dat is eigenlijk al goed. Ese vindt ook dat leerlingen die niet goed kunnen leren, maar wel goed met hun handen zijn zeer waardevol. Waarom moet iedereen hoge cijfers halen? Daar baalt ze erg van.’ 

    Op tweederde van de roman wordt onthuld wat er met Martie, Ese’s geliefde is gebeurd. Die passages over de dood van Martie stonden eerst meer voor in het boek. ‘Maar dat kwam bij mijn redacteur en een vriendin die meelas, toch wel hard binnen. Daarom is het naar achteren geschoven, waardoor het meer perspectief kreeg. Op het moment dat Ese gaat fietsen, is haar geliefde al enkele jaren dood. Ze heeft haar draai in het leven wel weer gevonden, maar omdat ze voor het eerst alleen door Europa fietst, en ze zich met de herinnering aan Martie verbindt, komt er een stuk onverwerkte rouw naar boven.’

    Het emotioneert Douwesz hoorbaar hierover te praten. ‘Als schrijver heb je ook niet alles in de hand, want hoewel ik zelf het decor heb gemaakt, heeft het me ook getroffen dat dit gevoel van rouw zo sterk naar boven is gekomen. Dat was kennelijk een verhaal dat ik ook nog in me had zitten.’ 


    Koppigheid een vorm van verzet

    Ese is aangerand, met haar fiets in een metersdiepe kuil gevallen, beroofd en in elkaar geslagen, en toch gaat ze door naar het huis van Tsjechov. Haar volharding is verbijsterend. Koppigheid is een verkapte vorm van woede, een vorm van verzet. Als je gelooft in andersoortige energie zoals de boeddhisten. Dat op bepaalde plekken waar mensen geleefd hebben, er nog iets van hun energie aanwezig is. Dan zou je kunnen zeggen dat Ese, omdat ze de moed heeft verloren, zich met die energie van Tsjechov wilde verbinden.’  

    Of het dan echt Ese’s laatste voorjaar is? ‘De titel van het boek is het antwoord op deze vraag. Er zijn lezers die denken dat ze even flauwgevallen is, dat ze weer wakker wordt. Mijn bedoeling was toch wel dat ze de klap op haar ribben niet zou overleven.’ 

    De laatste passage van het boek waarin het niet goed gaat met Ese, las ik verschillende keren. Alsof ik, als lezer, haar wakker zou kunnen lezen. Maar Ese komt, hoewel nog niet dood verklaard, niet meer tot leven. Verdwijnt ze werkelijk van het toneel.

    ‘Een weerloos persoon als Ese, heeft in dit ego gedreven bestaan weinig kans van slagen. Daar ben ik wel pessimistisch over. Dit boek is voortgekomen uit een enorme zorg over mensen; waar zijn we mee bezig. Ik merk dat het door veel mensen met instemming wordt gelezen. Dat doet me wel veel genoegen.’

     

     

    Foto: Annaleen Louwes


     

     

     

     

     

     

    Het laatste voorjaar / Minke Douwes/ 333 blz.
    Uitgeverij Van Oorschot

     

  • We vragen maar… 

    Vierduizend euro. Dat is het bedrag dat we nodig hebben om een jaar lang twee websites draaiende te houden, Literair Nederland en Jong Literair Nederland. De laatste is vrij nieuw: we proberen niet alleen jongeren tot meer lezen te bewegen, maar ook de stap van jeugdboeken naar andere boeken te vergemakkelijken. Lezen is de wereld leren kennen.

    Als iedere bezoeker van onze sites een paar centen zou betalen, dan hadden we die vierduizend zo bij elkaar. Maar het werkt anders.
    De komende drie weken versturen we elke week een brief. Met de eerste ronde hopen we €2.500 op te halen, met de tweede €1.000 en met de derde en laatste €500. We houden u vanzelfsprekend op de hoogte over de stand van de donaties. 

    Sinds 2002 vult Literair Nederland het literaire landschap aan met geredigeerde stukken over zorgvuldig geselecteerde boeken. In beide opzichten onderscheiden we ons van veel andere literaire sites. En sinds eind vorig jaar dus ook met een website over kinder- en jeugdliteratuur.  We worden steeds completer. Maar commercieel zijn we – bewust – nog steeds niet.

    Zoals Bert Schierbeek al schreef: ‘Een pond veren vliegt niet als er geen vogel in zit.’

    Leest u wel eens met plezier of instemming een stuk bij ons? Heeft u schrijvers via ons leren kennen? Kent uw schrijvers die bij ons passend besproken zijn? Kent u mensen die voor ons schrijven? Vindt u het goed dat wij bestaan? Helpt u ons dan aan een vogel?

     

    Menno Hartman
    oprichter Literair Nederland

  • Martinus Nijhoff Vertaalprijs voor Ton Naaijkens

    Essayist, vertaler en vertaalwetenschapper Ton Naaijkens  (1953) ontvangt de Martinus Nijhoff Vertaalprijs voor zijn vertaaloeuvre uit het Duits. In 1977 debuteerde hij als vertaler en zijn oeuvre omvat inmiddels meer dan honderdzeventig vertalingen van tientallen moderne Duitse dichters, waaronder Jürgen Becker, Barbara Köhler en Wolfgang Hilbig alsook prozateksten van Günter Grass, Bertolt Brecht, Robert Musil en Stefan Zweig. Als zijn levenswerk echter geldt de als onvertaalbaar geachte werken van Paul Celan.  Eind jaren negentig verschenen in zijn vertaling de eerste publicaties van Celans gedichten en in 2003 mondde dit uit in Verzamelde gedichten (Meulenhoff). In 2020 volgde een aangescherpte en uitgebreide versie in Verzameld werk (Atheneum /Polak & Van Gennep). Ton Naaijkens was hoogleraar Duitse literatuur alsmede Vertaalwetenschap aan de Universiteit Utrecht. Vanaf 1994 is hij tevens redacteur van het tijdschrift over vertalen Filter.

    Donderdag 11 mei zal tijdens een feestelijk programma de uitreiking plaatsvinden, met bijdragen van dichters Iduna Paalman en Ellen Deckwitz (moderator). Paul Celan-liefhebber Arnon Grunberg houdt een lezing over het belang van het vertalen van gedichten. Met muzikale optredens van Ntjam Rosie en Artvark Saxophone Quartet.

    Het Prins Bernhard Cultuurfonds reikt deze prijs sinds 1955 jaarlijks uit ter nagedachtenis aan dichter en vertaler Martinus Nijhoff.  Naast de eer ontvangt de gelauwerde vertaler een bedrag van 50.000 euro.

    De jury van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2023 bestaat uit Henk Pröpper (voorzitter), Romkje de Bildt (secretaris), Marjoleine de Vos, Stella Linn, Eric Metz, Jan Willem Bos en Henri Bloemen.

    Voorgaande winnaars van de Vertaalprijs waren onder meer Hans Boland, Jeanne Holierhoek, Babet Mossel en Rokus Hofstede. Vorig jaar ging de prijs naar vertalersduo Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden.

     

     

  • Ted van Lieshout nog lang niet uitverteld over kunst

    Onlangs ging Adri Altink voor Jong Literair Nederland in gesprek met  Ted van Lieshout. In dit gesprek vertelt Van Lieshout o.a. wat hem ertoe bracht, en nog steeds drijft om voor kinderen over kunst te schrijven. En hij geeft aan dat hij dit zal blijven doen, ook na het verschijnen van zijn nieuwe boek Rozen voor de zwijnen begin april 2023.
    Rozen voor de zwijnen is een combinatie van kunst en taal. Het gaat over de meer dan honderd spreekwoorden die Pieter Bruegel de oudere heeft verbeeld op zijn De dwaasheid van de wereld.

     

    Zaterdag 22 april is Ted van Lieshout te gast bij Frits Spits in De Taalstaat om over zijn nieuwe boek te vertellen (Radio 1, tussen 11.00 en 13.00 uur).

    Lees hier het interview op Jong Literair Nederland.

     


    Foto Ted van Lieshout: ©BenKleyn2014

  • Shortlist Grote Poëzieprijs 2023 bekend

    Uit honderdtien bundels, door uitgevers en particulieren in eigen beheer werden uitgegeven, stelde de jury van de Grote Poëzieprijs 2023 een shortlist van vijf genomineerden samen.

    Mythen en stoplichten / Alara Adilow, bij uitgeverij  Prometheus
    Beginnen voor gevorderden / Hélène Gelèns, bij uitgeverij  Cossee
    De introductie van het plot / Frank Keizer, bij uitgeverij  Pluim
    Waar is het lam? / Mustafa Stitou, bij uitgeverij De Bezige Bij
    Wilde dood / marwin vos, bij Het Balanseer

    De Grote Poeziëprijs bekroont de beste Nederlandstalige  bundel van het afgelopen jaar. De geselecteerde dichters werden op de avond van 27 maart In het  radioprogramma Opium op NPO 4 werden de gelukkigen geïnformeerd over hun nominatie. Op 17 mei wordt op dezelfde radiozender in het programma Opium bekend gemaakt welke dichtbundel met de prijs van 20.000 euro naar huis mag. Zolang de prijs bestaat, waren er voor het eerst evenveel bundels van vrouwelijke als mannelijke dichters ingezonden. 

    De jury bestaat uit dichter Xavier Roelens, dichter en filmmaker Nafiss Nia en Nederlandse letterkundige  en literatuurcriticus Jeroen Dera. 

     

  • De verhalen van Julio Cortázar

     

    ‘Michel maakte zich schuldig aan literatuur, aan irreële hersenspinsels.’ (Uit: Het kwijlen van de duivel)

    De Argentijnse schrijver Julio Cortázar (1914 – 1984) was een van de meesters van het korte verhaal. Hij schreef ook een aantal romans (waarvan Rayuela, een hinkelspel uit 1963 de bekendste is), dichtbundels en toneel, maar het waren vooral zijn verhalen die hem beroemd maakten. Cortázar behoorde met Márquez, Borges, Fuentes, Paz en Vargas Llosa tot de generatie grote Zuid-Amerikaanse auteurs die in de tweede helft van de vorige eeuw opkwamen. Zijn werk werd goed verkocht. Bovendien stond Cortázar, zoals meer intellectuelen en schrijvers in zijn tijd, bekend om zijn politieke stellingname. Hij sympathiseerde met linkse bewegingen in Cuba en Nicaragua en sprak zich uit tegen dictator Videla. Om die reden werd hem de toegang tot Argentinië ontzegd en werd hij Frans staatsburger. Ondanks zijn literaire faam en populariteit is Cortázar wat in de vergetelheid geraakt. Voor veel van zijn werk moet je je toevlucht zoeken tot antiquariaten, waar voor zijn Verzamelde verhalen hoge prijzen worden gevraagd.

    Surrealisme

    Cortázar werd in één klap beroemd met zijn eerste verhalenbundel, Bestiarium, uit 1951. Vooral het eerste van de acht verhalen, ‘Het bezette huis’, werd een klassieker. Het gaat over hoe onbekenden langzaam bezit nemen van een groot huis waarin een broer en een zus samenwonen. Het enige bewijs van de vreemde aanwezigheid zijn vage geluiden. Steeds barricaderen broer en zus hun overgebleven vertrekken, totdat ze uiteindelijk het huis moeten verlaten. Cortázar vertelde dat dit verhaal een bijna exacte weergave is van een nachtmerrie die hij had en die hij in één adem noteerde. Het verhaal is exemplarisch voor het soort fictie dat Cortázar schreef. Alledaagse situaties krijgen onverwachte wendingen en het fantastische mengt zich met het realistische, waardoor de verhaalwerkelijkheid een surrealistisch karakter krijgt. Voor Cortázar, die Jules Verne een van zijn leermeesters noemde, waren fantasie en werkelijkheid gelijkwaardig. Als lezer vraag je je voortdurend af wat waar is en wat niet.

    Literair spel

    Cortázar speelt een spel met de lezer. Er worden meerdere visies op de gebeurtenissen gegeven, vertellers zijn onbetrouwbaar, hij maakt gebruik van de monologue intérieur, de vertelwijze is niet-lineair. Steeds word je op het verkeerde been gezet. Cortázar hanteert een praatstijl, waarin zinnen soms alle kanten op gaan of hiaten bevatten. De lezer moet de werkelijkheid in elkaar puzzelen, zonder dat die uiteindelijk duidelijk wordt. In ‘De gesloten deur’ hoort een hotelgast van de gerant dat in de kamer naast hem een alleenstaande vrouw zit. Toch hoort hij ’s nachts een baby huilen. Beeldt hij zich dat in, of vertelt de gerant hem niet de waarheid? De hotelgast verzint een verklaring en grijpt in, omdat hij van het gehuil niet kan slapen. De volgende dag vertrekt de vrouw van haar kamer. Cortázars verhalen zetten, zoals alle goede literatuur, de verbeelding aan het werk. Zijn verhalen zijn multi-interpretabel.

    Illusie

    De schrijver schept een illusie van een werkelijkheid door op een zakelijke, gedetailleerde manier, maar ook in geuren en kleuren een wereld op te roepen. De hoofdpersonen zijn vaak ‘verslaggevers’: ze schrijven brieven, een dagboek, wetenschappelijke rapporten of nemen foto’s. Hun observaties zijn echter subjectief en vol fantasie. In ‘Het kwijlen van de duivel’, dat regisseur Antonioni inspireerde voor zijn film Blow-Up (1966), observeert een fotograaf een vrouw en een jongen. Moeder en zoon? Geliefden? Of misschien kindermisbruik? Er blijkt ook nog een man in het spel te zijn. Aan de hand van de enorme vergroting van de foto die hij van hen neemt laat de fotograaf zijn fantasie de vrije loop. In Cortázars verhalen worden vaak verwachtingen beschreven, die vervolgens niet uitkomen. Personages hebben een filosofische inslag.

    Fantastisch

    De verhalen bevatten veel fantastische, absurde elementen. In Bestiarium hebben die vaak betrekking op dieren. Mensen en dieren vormen samen een bestiarium, waarin hun eigenschappen worden beschreven. In ‘Brief aan een meisje in Parijs’ braakt de ‘ik’ konijntjes, die de maniakale orde in de flat waarop hij past letterlijk aanvreten. In ‘Hoofdpijn’ dragen fabeldieren, zogenaamde ‘mancuspias’ – een hybride van knaagdieren en vogels – neurologische aandoeningen over, die de werkelijkheid vertekenen. In het titelverhaal hangt boven de vakantie-idylle van een jong meisje voortdurend de dreiging van een op hetzelfde landgoed aanwezige tijger. Steeds is er in de verhalen sprake van dreiging. De drama’s, die zich voor een groot deel op de achtergrond afspelen, zijn vaak gewelddadig.

    Modern

    Cortázars verhalen prikkelen de geest. Ze geven een scherpe en genadeloze blik op de mens en zijn daden, die tot nadenken stemt. Door de experimentele vorm en onopgesmukte stijl ogen ze nog steeds fris en modern. Bovendien zijn ze in voortreffelijk Nederlands vertaald. Cortázar lezen is een avontuur waarin je als lezer alle ruimte hebt, zoals in alle grote literatuur. Hoog tijd dus voor een heruitgave van de Verzamelde verhalen.

     

    De verhalen van Julio Cortázar, Bestiarium. Meulenhoff , Amsterdam, 1984. Vertaling J.A. van Praag, Barber van de Pol.
    De mooiste verhalen van Julio Cortázar. Meulenhoff, Amsterdam, 1996. Vertaling Aline Glastra van Loon (ook naw.), Barber van de Pol, J.A. van Praag, Mieke Westra.

     

     

  • Shortlist Libris Literatuur Prijs 2023

    Van de tweehondervijfendertig titels die werden ingezonden voor de Libris Literatuur Prijs 2023, belandden na zorgvuldig beraad van de jury de volgende zes Nederlandstalige romans op de shortlist:

    Het lied van ooievaar en dromedaris van Anjet Daanje
    Man zonder rijbewijs van Oek de Jong
    Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost van Donald Niedekker
    Overal zit mens van Yves Petry
    De gebeurtenis van Peter Terrin
    Tussentijds van Peter Zantingh

    De jury van de Libris Literatuur Prijs 2023 spreekt over grote veranderingen in de duiding van de roman zoals we die kennen. Er is meer dan ooit sprake van een genre overstijgende romanvorm.’ Het klimaat speelt overtuigend een grotere rol. Ook zijn literaire teksten vaker essayistisch of spreekt men van auto-fictie. ‘In onze tijd van virtuele werelden, AI en nepnieuws, heeft de werkelijkheid van alle dag soms meer weg van fictie – dat betekent dat de romanschrijver voor een nieuwe uitdaging staat.’

    Als groot kanshebber wordt Anjet Daanje met haar ‘caleidoscopische roman van grote klasse’, Lied van ooievaar en dromedaris, gezien. Daarover liet Daanje zelf weten in Nieuwsuur, dat zij toch niet weer de prijs zal ontvangen omdat zij immers vorig jaar al de Boekenbon Literatuurprijs won. Het zou fenomenaal zijn als een schrijver beide prijzen kreeg toegekend, iets dat nog niet eerder in de literaire prijzenwereld is voorgekomen.

    De jury bestaat uit voorzitter Beatrice de Graaf, historicus, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, Yannick Dangre, schrijver en dichter, Margot Dijkgraaf, literatuurcriticus en schrijver, Mira Feticu, schrijver, performer, interviewer en radiomaker, Lies Schut, literair recensent.

    Wie uiteindelijk de prijs krijgt? Dat wordt 8 mei bekend gemaakt in Felix Meritis en live uitgezonden door Nieuwsuur op NPO2. Met een Hommage-show voor de zes genomineerde auteurs die via livestream te volgen zal zijn. De zes genomineerde auteurs ontvangen in ieder geval elk € 2.500.

    Lees hier het juryrapport.