• Belangrijk is zo goed mogelijk te kunnen schrijven

    Wessel te Gussinklo won onlangs de BookSpot Literatuurprijs en werd overstelpt met interviews, tv-optredens en fotografen. De drukte van de voorbije maanden heeft zijn sporen nagelaten. Daarom vindt dit interview via de telefoon plaats. De schrijver heeft behoefte aan rust, om ongestoord te werken aan het vervolg van zijn tetralogie rond Ewout Meyster, het hoofdpersonage van zijn debuut De verboden tuin (1986), gevolgd door De opdracht (1995) en De hoogstapelaar (2019). Voor zijn eersteling, De verboden tuin, kon hij tien jaar lang geen uitgever vinden. Nadat het verscheen, kreeg het onmiddellijk de Anton Wachterprijs. Na het succes van De opdracht bleef het lange tijd stil rond de schrijver, maar dat had zo zijn redenen. Na zijn hele leven in de buurt van Utrecht te hebben gewoond, verhuisde hij in 2007 naar Kamperland in Zeeland en bouwde, ver van alle drukte, een nieuw leven op.

    Voor het grote publiek bleef deze schrijver lange tijd onder de radar. Het winnen van de BookSpot Literatuurprijs bracht daar verandering in. Een gesprek met een literator pur sang, over het winnen van literaire prijzen, De hoogstapelaar en zijn schrijverschap.

     

    De hoogstapelaar was een onverwachte winnaar. Heeft u dat verrast?

    Dat ik gewonnen heb pleit voor de kwaliteit van de jury. Naar relevantie was het boek van Manon Uphoff door de hele MeToo beweging die iedereen bezighoudt, misschien wel de favoriet. En met het hele mediacircus rondom en de populariteit van Buwalda, gaf ik mezelf weinig kans. Zo ging het tenminste in 2014. Ik deed toen mee voor de AKO-literatuurprijs met Zeer helder licht. Er was toen het boek Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans, precies 100 jaar na de Eerste Wereldoorlog, en dat won.’


    Hoe komt het dat uw boeken nooit het grote publiek hebben bereikt.

    ‘Ja, ik heb een ingewikkelde naam en ben Noord-Nederlands, en ik kom nooit op tv. Heb dat ook een aantal keren geweigerd na de dood van mijn eerste vrouw en dan vragen ze je niet meer. Daarna schreef ik enkel essays wat niet zo populair is. Bovendien woon ik niet in de buurt van Amsterdam, heel bewust. Dat betekent dat er weinig gerefereerd wordt aan mij. Ik behoor tot de zogenaamde ‘stervende’ schrijvers, zij die niet op tv komen. Gelukkig heb ik genoeg kwaliteit om te blijven drijven. Belangrijk voor mij is mijn boeken te kunnen schrijven, ze zo goed mogelijk te schrijven. Succes is natuurlijk leuk en aardig, maar tevreden zijn met jezelf, met wat je doet, is het hoogste. Je bent natuurlijk nooit echt tevreden. Maar wel zo tevreden als het kan, ik heb het gevoel dat ik de laatste jaren er wel uithaal wat er in zit.’


    In De hoogstapelaar is Ewout Meyster weer hoofdpersonage. Er zit vierentwintig jaar  tussen De opdracht en deze laatste roman. Waarom duurde het zo lang ?

    Kijk, in 1998 overleed mijn eerste vrouw. Toen was de poëzie uit mijn leven verdwenen. Ik kon alleen nog essays schrijven. Het emotionele bestaan, de blik op het bestaan in de ruimste zin, heeft in veel opzichten toch ook met liefde te maken. Als de binding met het leven, de liefde, de menselijke samenhang weg is, dan ben je een soort van buitenstaander, die essayistisch toekijkt. Ik had geen romans meer in mij. Toen kwam ik Odilia tegen, en zo kwam alles langzaam weer op gang. Een andere vrouw, met een andere blik en een ander temperament, maakte mij toch weer scheppend.”


    Is Odilia uw muze?  
       

    “Absoluut. In 2013 kwam het  schrijven weer wat op gang. Het was niet eenvoudig, het was ook weer een emotioneel heroriënteren. Ik had  daarvoor al een paar keer geprobeerd het vierde deel te schrijven, het vervolg op De hoogstapelaar. Twee keer probeerde ik het, maar kwam niet verder dan één bladzijde. En toen, in 2013, lukte het weer met Zeer helder licht. Mijn vrouw kan mijn boeken beoordelen. Als schrijver zie je de onderkant van het tapijt, zie je de losse knoopjes, de verkeerd gespannen draden, maar de bovenkant, dat wat gezien moet worden, dat zie je als schrijver niet. Mijn vrouw is de eerste lezer of beter, luisteraar. Elke dag als ik wat geschreven heb, lees ik het haar voor om te weten wat ze ervan vindt, maar ook om het zelf te horen.’     


    Waarom deze bijzondere titel ‘De hoogstapelaar’. Een woord dat velen niet kennen. In het woordenboek staat ‘blaaskaak, snoever’, maar het refereert uiteraard aan ‘Bekentnisse des Hochstaplers Felix Krull’ van Thomas Mann. 

    ‘Het past wel bij Ewout Meyster, het is een snoevertje, een opscheppertje. Hij zit nog in een soort van vacuüm voor de volwassenheid. Daarbij kom je in hiërarchieën, dictatoriale en meedogenloze structuren die alles kapot maken. Hoe groot je kwaliteiten ook zijn, je wordt gemeten en beoordeeld. Je moet op alle mogelijke manieren jezelf stroomlijnen om je plaats te kunnen veroveren. Dat gebeurt evenwel nog niet in de puberteit. Dan kijk je nog naar die volwassenheid. Dan denk je hoogstens zoals jihadisten, lieden van de ETA, of IRA, “de wereld moet heel anders en die volwassenen hebben alles verkeerd gedaan. We moeten alles opnieuw doen.” Zo kijk je als puber tegen het leven aan. Daarna kom je in het echte leven terecht en moet je je aanpassen. Binnen de bestaande structuren je plaats zien te vinden. Maar een puber is een buitenstaander.’


    Ewout Meyster zit op die grens, hij is  zeventien, bijna achttien. Hij worstelt met het volwassen worden, maar tegelijkertijd geeft hij ook advies aan zijn ‘vrienden’ over hoe ze het moeten aanpakken. Het is heel dubbel voor Ewout.

    ‘Kijk, hij is zichzelf aan het scheppen als een echt baasje. Hij geniet niet voor niks van die foto’s van bekende en beroemde mensen. “Als volwassene wil ik worden als Churchill, als die of die dirigent. Een machtig persoon wil ik worden als volwassene, ik begin nu alvast te oefenen.” Dat is eigenlijk wat hij aan het doen is. “Ik ga een kereltje van belang worden.” En die zogenaamde vrienden, zijn natuurlijk geen vrienden. Dat zijn pionnen waarmee hij schaakt in het leven. Hij heeft die nodig. Neem nu die Meindert. Die heeft hij nodig om zichzelf te bewijzen dat hij superieur is aan hem. Zo probeert hij alles een beetje uit, en dat laat hij dan weer op anderen. Het zijn geen vrienden, maar allemaal oefenmodellen om het kereltje te worden dat hij graag zou willen zijn.


    Je hebt het over oefenmodellen. Ewout groeit op zonder vader. Is het niet zo dat hij de hele tijd op zoek is naar een rolmodel, een voorbeeld om zich aan te spiegelen?

    Hij heeft de ellende dat hij geen vader heeft en dus ook geen begrenzingen. In zekere zin moet hij zijn eigen vader zijn, een soort Baron van Münchhausen die zichzelf uit het moeras omhoog moet trekken. Een vader is  een voorbeeld waaraan je je optrekt, maar hij heeft niks. Hoogstens een aantal verre vaders als Churchill, Roosevelt en een beetje Hitler en foto’s van dirigenten en andere belangrijke mannen. Dat zijn abstracte vaders. Dat zijn de modellen waarmee hij speelt. Die kant moet het uit. En dat is natuurlijk idioot. Dan denkt hij, “Hoe houden ze het vol, elke dag hetzelfde.” Terwijl hijzelf ook een kunstenaar is, maar dat weet hij nog niet. Zijn eigen kunstwerk is hijzelf. Dan is hij na alle creatieve vondsten aan het eind van de avond hartstikke moe, uitgeput, moet hij snel naar bed. Zoals elke kunstenaar als hij iets gemaakt heeft. Neem die jazzkelder bijvoorbeeld. Hij heeft daar strapatsen gemaakt en volgens hemzelf heel bijzondere dingen gedaan, maar dan is het ineens op. Hij kan zichzelf, net als een kunstenaar, niet herhalen. Dan glijdt hij weg in een halve schemertoestand, een apathische bewustzijnsverlaging.’


    Ewout dweept ook met Sartre. Hoewel hij enkel flarden van zijn werk heeft gelezen, pakt hij daarmee uit tegenover anderen. 

    ‘Hij kan ze overbluffen met Sartre. Dit is ook een vorm van kunst. Hij haalt Sartre aan en iedereen zit sprakeloos naar hem te kijken. Goh, dat-ie dat allemaal weet. Dat is de enige kennis die hij heeft, want verder weet hij helemaal niks.’


    Daarmee is het boek een mooi voorbeeld van het existentialistische principe ‘L’enfer, c’est les autres’ ofwel, Eerst besta je, daarna word je pas iemand.

    ‘Ik ben Sartre pas grondig gaan lezen rond mijn dertigste. In mijn essaybundel Aangeraakt door Goden (2003) heet het eerste deel “Sartre als verlosser”. Sartre was voor mij een verlossing. Alle zaken die hij beschrijft, zag en voelde ik ook. Maar die herkende ik niet bij anderen. Die waren allemaal argeloos en naiëf zichzelf, vrolijke jongetjes en kindertjes, ik niet! Ik zat voortdurend te tobben, allemaal vreemde dingen te denken, dat ik gek was of  ernstig gestoord. Hij sprak dat tegen. Sartre was een verlossing voor mij: ik ben niet gek, ik ben geen melaatse, ik ben niet iemand die niet van andere mensen houdt, die allemaal rare en warrige gevoelens heeft. Ik ben zoals Sartre beschrijft hoe mensen zijn, wat een opluchting was. Daarna kwamen Nietzsche en Freud, Jung, Adler. De hele psychologie. Sartre was nieuw, modieus en schokkend. Ewout is in zijn tijd gewoon iedereen voor. Hij is een van de weinigen aan de spits van het nieuwe. Ewout is niet alleen beïnvloed door hem, hij herkent zichzelf ook in Sartre.’


    Is ‘De hoogstapelaar’ autobiografisch?

    De hoogstapelaar is het meest autobiografisch. Het blijft natuurlijk een roman. Er staan heel veel zaken in die helemaal niet autobiografisch zijn, maar die de dwang van het verhaal zijn. Het type is wel autobiografisch: zo’n verwende zwelbast was ik ook op die leeftijd. Later leert het leven je wel andere dingen, maar op een bepaalde leeftijd leek ik er toch wel sterk op.’


    Hoe gaat het verder met Ewout Meyster. Komt er nog een vierde deel?

    ‘Ik ben zeer druk in de weer met het vierde boek. Daar was ik eigenlijk al eerder mee bezig. Van dit derde boek heb ik heel lang gedacht, dat schrijf ik niet, dat sla ik gewoon over. Maar uiteindelijk heb ik het dan toch geschreven tot voldoening van mezelf. Maar het was eerst niet mijn plan. Dat vierde deel was ik al begonnen ergens rond 2010, maar zoals gezegd, dat lukte toen niet. Tot tweemaal toe. Maar dezelfde insteek die ik toen had, heb ik nu wel opnieuw hernomen.’


    Heeft u een bepaald schrijfpatroon of -ritueel? 

    ‘Ik schrijf in de ochtend. Vroeger niet. Toen schreef ik aan het eind van de dag. Was ik me een hele dag aan het voorbereiden en schreef aan het eind van de dag, als een soort ontlading mijn bladzijden. Sinds ik in 2013 weer begon met romanschrijven, begin ik meteen als ik opsta. Dan ben ik het meest vitaal. Dan zit ik eerst een uurtje te staren, in de materie te kruipen en daarna schrijf ik één à twee, soms drie bladzijden. Daar doe ik  gemiddeld vier uur over, het varieert een beetje. Op die manier, door in de ochtend te schrijven, is mijn dag gered en heb ik daarna vrije tijd.’


    Staat een boek al op voorhand vast of werkt u met een plan?

    ‘Van het verhaal zelf staan alleen de grote lijnen vast, verder  niets. Het ontwikkelt zich geleidelijk aan. Na een episode van De hoogstapelaar bijvoorbeeld, moest ik mezelf gaan corrigeren omdat ik niet meer wist hoe het verder moest. Al corrigerend schoten mij weer dingen te binnen en had ik me weer verdiept in de materie en wist ik weer hoe ik verder moest. Mijn meeste romans zijn een verhaal dat doorloopt, met een begin en een eind. De hoogstapelaar is natuurlijk een episodeboek, wat Peter Buwalda vergeleek met De avonden van Reve. Stukje na stukje, zonder een echt verhaal. De enige constante is de aanwezigheid van Ewout Meyser.’


    Het hele boek is een monologue interieur in het hoofd van Ewout Meyster. Was dat een bewuste keuze?

    ‘Nee, of ja, misschien toch wel. Ik kan er op deze manier ironie en het bizarre in kwijt, maar dat is zo gegroeid. De verwerking van het materiaal, dat wat ik voor ogen heb, is deze stijl, een beetje hyperbolisch met aanstellerij, met versieringen die zowel ironisch zijn als evocatief. En wat natuurlijk nodig is: aanwezigheid scheppen. Wat Mulisch bijvoorbeeld zei: “Naast de ster kijken, dan zie je de ster het scherpst.” Wat ik doe is het raadselachtige, het onzichtbare een beetje omcirkelen, dan ernaast kijken  om iets zichtbaar te maken.’


    In het begin is Ewout aanstellerig en absoluut geen leuk personage. Naarmate het verhaal vordert, word je hem, krijg je medelijden met hem. Dat is een verdienste van de stijl.

    Dat is  ook de bedoeling. Dat je in zijn werkelijkheid kruipt, zijn kijk op de dingen, op het bestaan. Zo leef je, zo moet je leven. Met alle hindernissen, alle problemen, maar ook alle mogelijkheden. Hoe leef je met jezelf en met de wereld. Je gaat mee met zijn blik op het wezenlijke, ook al is het een zeer subjectieve blik van dat ventje.’

     

    Is Ewout een zielig figuur of gewoon een puber die opgroeit?

    ‘Hij is een normale puber die amoreel, meedogenloos kijkt naar de dingen, uitprobeert, en zonder vooroordelen is. Hij heeft een kille blik op de dingen, maar wel met af en toe een verzachtend moment als hij muziek draait. Het paradijs zal komen, maar eerst moet hij ontzettend zijn best doen.’ 


    Hoe zou u willen dat er op uw schrijverschap wordt teruggekeken?

    ‘Ik ben in zekere zin  een schrijver die niet in de grote lijn past. Ik schrijf iets dat afwijkt en in veel opzichten dieper gaat dan wat normaliter geschreven wordt. Mijn werk is intens, het roept veel op. Ik probeer de diepte naar de oppervlakte te brengen. Vandaar dat mijn stijl ook breed uitwaaiert: bizar, spottend, beschrijvend, nadenkend, vrij diepe lagen onmiddellijk beleefbaar makend. Ik hoop dat er over mijn schrijverschap gezegd zal worden: hij was de meest kwaliteitsrijke Nederlandstalige schrijver van de afgelopen decennia. Het is wel een steen in een vijver gooien, maar wat Van het Reve al zei: de dingen altijd voor je houden is ook niet goed, dus nou ja.’

     

    Auteursfoto verkregen via uitgeverij Koppernik.

     


    De hoogstapelaar werd uitgegeven bij uitgeverij Koppernik, net als zijn andere titels.

  • Fotosynthese 12 – Wedden op het verkeerde paard


    Adam: There is something that holds us together, something that has no word—
    The Serpent: Love. Love. Love.
    Adam: That is too short a word for so long a thing.

    Back to Methuselah Part 1, Act 1

    In 1922 lopen twee acteurs van de repetitiezaal van hun theater naar een fotostudio om een promotiefoto te laten maken voor het toneelstuk Back to Methuselah waarin ze beiden spelen. Ze zijn hoopvol gestemd, dit worden nu al The Roaring Twenties genoemd, hun stad is waar ze willen zijn, ze komen van het Amerikaans platteland en hebben al een filmcarrière achter de rug.

    De fotograaf toont hen de rekwisietenkast en ze maken snel hun keuze. De heilige familie is een iconische verzameling van steeds drie mensen, een vader, een moeder en een kind. Het is een model voor de christelijke familie, maar geestig is dat de ironie er al vroeg ingebakken zit: Jozef is immers niet de vader van het kind. De echte vader mag niet getoond worden, van God maak je geen afbeeldingen. Deze foto is ironisch op vele fronten. In de eerste plaats is deze heilige familie natuurlijk geen familie. Eleanor Woodruff en Stanley Howett hebben voor zover bekend geen relatie gehad. In de tweede plaats is het kindje in haar armen al jaren dood en netjes geprepareerd en waarom dan met zulke warme verwachting bezien? In de derde plaats is het kindje misschien een samengesteld skeletje van mensenschedel en apenarmen? Wat valt er te geloven aan deze foto? 

    In de Library of Congress bevindt zich een enorme verzameling glasnegatieven van George Grantham Baine (1865 – 1944). De man verdiende zijn sporen in de nieuwsfotografie maar verzamelde van alles en had een fotostudio. De meeste van deze negatieven zijn gemaakt in die studio in New York in de jaren ’10 en ’20 van de vorige eeuw. Zo ook deze foto. Eleanor Woodruff 1891 – 1980 denkt, oh ironie, op deze foto aan het begin van een nieuwe carrière te staan. Ze is een van de leading ladies van de vroege film en heeft een aardige carrière achter de rug als ze in 1922 al haar laatste film speelt: A Pastboard Crown. Ze stapt namelijk over naar het theater maar raakt daarmee eigenlijk onmiddellijk uit zicht, ze is op een zijspoor beland. Een zijspoor dat ze overigens wel opmerkelijk lang bewandelt. Er is nauwelijks iets te vinden over haar behalve haar overlijden in 1980 in Princeton. Ze heeft 58 jaar op het op deze foto vastgelegde moment kunnen terugkijken. Heel haar leven, voor zover gedocumenteerd, speelt zich alleen hiervoor af. Haar man Dorsey Richardson was economisch adviseur van Kennedy. Van Kennedy is een van de veel geciteerde opmerkingen de volgende: ‘You see things; and you say, “Why?” But I dream things that never were; and I say, “Why not?”’
    Dit blijkt een citaat uit Back to Methuselah te zijn. Zou er een etentje in de late jaren vijftig zijn geweest waar Eleanor het voor John F. uit het hoofd citeerde?  

    George Bernhard Shaw wedde in zekere zin ook op een verkeerd paard. De nobelprijswinnaar won in 1925 de prijs voor zijn rijk oeuvre en vond Back to Methuselah zijn sterkste tekst, een verzameling van vijf toneelstukken rond het thema vooruitgang en een lang leven. Het is gedeeltelijk science fiction. Het zou denkelijk zijn snelst vergeten werk worden.  En het is voor de New Yorkse uitvoering van dit stuk dat Woodruff haar filmcarrière stopzet en aan het toneel gaat. 

    Het stuk wordt in 1922 geproduceerd door het  New York Theatre Guild en opgevoerd in het Garrick Theatre aan Bleecker Street in wat nu Greenwich Village is. Shaw etaleert in zijn stuk een lamarckiaanse visie op de mensheid die op zijn beurt ook al weer op zijn retour is, Darwin doet steeds meer opgeld en de gedachte dat je de wereld verbetert door overerfbaar goed gedrag was al in 1922 niet houdbaar meer. Het is wel een fundgrube voor historische, filosofische verwijzingen deze reeks stukken. In 1961 promoveert ene H.M. Geduld met een werk van 1400 pagina’s over Back to Methuselah. Zou Eleonor het gelezen hebben?

    Geheel in stijl met zijn positie in dit heilig gezin is er over Stanley Howett 1886 – 1959 vrijwel niets bekend. De jaartallen vond ik omdat hij een ‘man van’ is. Als acteur en regisseur, schopt hij het niet verder dan een voetnoot hier en daar. Trouwt met Eve Balfour, eveneens een actrice wier cinematografie in de vroege jaren ’20 stopt. Ze dachten misschien dat het nooit wat zou worden met film. Zij overlijdt in Birmingham, Engeland, waar hij in de jaren vijftig nog een paar toneelstukken regisseert. Denkt hij ooit nog terug aan dit verstild moment van devote aandacht voor wat voorbij gaat? Of is dit zo’n foto die ook door de afgebeelde personages onmiddellijk vergeten is? Een te kort moment in een te lang leven.

    ‘Life is too short for men to take it seriously.’


    Back to Methuselah, Part 2


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

    Fotograaf: George Grantham Baine

  • Bookspot Literatuurprijzenfeest voor Wessel te Gussinklo en Sjeng Scheijen

    Twee gelukkige schrijvers sleepten vanavond de Bookspot Literatuurprijs in de wacht. Sjeng Scheijen met de De avant-gardisten (Prometheus) in de categorie non-fictie, die dit jaar voor het eerst werd uitgereikt, en Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar (Koppernik) in de categorie fictie. Eerder deze week won Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar al de Zeeuwse Boekenprijs 2019. De Bookspot Literatuurprijs is een van de belangrijkste literaire prijzen in het Nederlandstalig gebied. Beide schrijvers winnen elk een geldbedrag van 50.000 euro.
    De prijzen werden door Winnie Sorgdrager, voorzitter van de Stichting Jaarlijkse Literatuurprijs, uitgereikt tijdens een literaire avond in de Centrale Bibliotheek in Den Haag.

    Webwinkel Bookspot kent ook een Bookspot Lezersprijs, die vorige week gewonnen werd door Peter Buwalda met Otmars zonen en gisteren won Manon Uphoff met haar roman Vallen is als vliegen de BookSpot Scholierenprijs 2019.

    De overige genomineerden voor fictie waren Nicolien Mizzee met Moord op de moestuin (Nijgh en van Ditmar) en Marente de Moor met Foon (Querido).
    De overige genomineerden voor non-fictie waren Mirjam van Hengel met Een knipperend ogenblik (Bezige Bij), Lieve Joris met Terug naar Neerpelt (Atlas Contact), Maaike Meijer met Hemelse mevrouw Frederike (Bezige Bij) en Thomas Rueb met Laura H. (Das Mag). Zij ontvangen ieder een geldbedrag van 2.500 euro.

    De jury van de BookSpot Literatuurprijs bestond dit jaar uit: Jan Dertaelen, boekverkoper bij De Groene Waterman in Antwerpen en recensent; Maite Karssenberg, auteur en historica; Sebastiaan Kort, recensent voor NRC; Maartje Kroonen, boekverkoper bij Boekhandel Bijleveld te Utrecht; Daan Stoffelsen, boekverkoper, recensent en hoofdredacteur van literair tijdschrift De Revisor; Jelle Van Riet, literair journaliste voor De Standaard; Jeroen Vullings, literatuurcriticus Vrij Nederland en Nieuwsweekend.

     

    Lees op Bookspot Literatuurprijs de motivatie voor alle prijstoekenningen.

     

  • Wat weet je nu werkelijk van elkaar

    Marijke Schermer (1975) begon tijdens haar studie in de jaren negentig aan de Toneelschool Arnhem met het schrijven van toneelstukken. Ze ontdekte al snel dat ze liever schreef dan dat ze op het toneel stond. Na de toneelschool schreef ze voor verschillende theatergroepen, werkte als regisseur en had een aantal jaren haar eigen gezelschap Toneelgroep Alaska. Voor haar toneelwerk kreeg ze in 2009 de Charlotte Köhlerprijs. In de afgelopen zes jaar publiceerde ze drie boeken die elk in zijn vorm over liefde en autonomie gaan. Dit jaar verscheen Liefde, als dat het is, waarin ze, voorbijgaand aan clichés, de waarheidsbevinding in relaties, het gezinsleven en de betrekkelijkheid van de woorden ‘Ik hou van jou’ onder de loep neemt.


    Composities over de liefde

    We ontmoeten elkaar bij Grand Café Eerste klas, Amsterdam Centraal. Marijke Schermer komt net van een bespreking met de regisseur die haar boek Noodweer gaat verfilmen en waarbij ze gaat meeschrijven aan het scenario. Voor de eerste vraag gesteld is, hoppen we van het ene personage naar het andere, van Mensen in de zon, over naar Liefde, als dat het is, en weer terug naar haar tweede boek, Noodweer. Haar laatste boek is het meest transparant, waarin perspectiefwisselingen in één vloeiende beweging geschreven zijn, zonder overgangen. Een vooraanstaand recensent vond dit storend, alsook dat er over de liefde werd geschreven: ‘Opeens schrijft Schermer relatieproza’. De recensent was door Schermers vorige roman Noodweer zo overrompeld geweest, dat deze laatste roman niet bij haar in de smaak viel. Kritiek die leest als de teleurstelling van een fan die liever iets van hetzelfde had gelezen. En dat is wat Schermer nu net niet doet. Elk boek van haar vraagt een nieuwe benadering, een andere aanpak, zowel van schrijver als lezer.

    In 2013 debuteert Marijke Schermer met Mensen in de zon bij Van Oorschot, een roman, verteld vanuit vijf verschillende perspectieven over het wel en wee van vijf leden van een voormalige vriendengroep in de week nadat ze zijn uitgenodigd voor een reünie – die nooit plaatsvindt. Drie jaar later verschijnt de roman Noodweer, een stevig gecomponeerd verhaal over onmacht en liefde, verteld vanuit één perspectief die de lezer van zijn sokken blaast. In Liefde, als dat het is, de titel zegt het al, is het de liefde zelf die gekraakt wordt.


    Waar de een ophoudt en de ander begint

    Na het lezen van Schermers boeken lijkt een liefdesrelatie opeens minder gewoon dan je denkt. Dat de manier waarop je je presenteert aan elkaar, en in welke mate je alles met die ander deelt, van invloed is op hoe een relatie zich ontwikkelt. In Noodweer verzwijgt Emilia voor haar man Bruch, dat ze door een indringer in haar huis urenlang is gegijzeld en verkracht. Het gebeurt als Bruch en zij elkaar net een paar weken kennen, en dan laat ze drie maanden lang, terwijl ze fysiek herstelt, niets van zich horen. Daarna zoekt ze Bruch weer op, en zegt dat ze tijd nodig had om te onderzoeken of ze met hem verder wilde. Ze verzwijgt wat er gebeurd is en dat blijkt uiteindelijk funest voor hun relatie. Waarom wilde ze het hem eigenlijk niet vertellen?

    ‘Omdat ze niet wilde dat deze gebeurtenis haar verdere leven zou gaan bepalen. De bezorgdheid van de ander zou haar leven gaan beperken, ze zou haar autonomie verliezen. Verkrachting is voor degene die het overkomen is, iets wat je het liefst zou willen vergeten door er over te zwijgen  Als je er niet over praat, is het er niet. Maar dan dringt het zich toch weer aan haar op. Emilia krijgt te maken met angsten en weet dat ze het nu, na jaren aan Bruch moest vertellen. En dan lukt het opeens niet meer. Is er nooit een goed moment.’

    In Liefde, als dat het is verzwijgen Terri en David voor elkaar dat ze nog nooit met een ander naar bed zijn geweest, en gaan als maagd het huwelijk in. Dat blijkt de toon te zetten voor hun omgang met elkaar. Hoe belangrijk is het dat je alle registers van je leven van voor je de ander leerde kennen, opentrekt?

    ‘Een eerste indruk bepaalt veel, maar ook een laatste. Bij David merk je, omdat Terri aan het eind van hun relatie niets goed meer aan hem vindt, hem verafschuwt, dat hij de gelukkige momenten in hun leven wantrouwt. Door die laatste negatieve indruk wordt alles wat er voorheen was ook negatief. De indruk dat Terri nu van hem walgt, doen de gelukkige momenten, die er ook waren, voor hem teniet. Hij begrijpt ook niet waarom hij niet meer voldoet.’


    Op tenen staan die in de weg stonden

    Op driekwart van het boek schrijft Schermer een verhandeling over hoe een relatie in zijn werk gaat, ruim een pagina cursief gedrukt die zo begint:

    ‘Als je elkaar leert kennen is er ontzag voor de ander, een heel mens, met een heel leven, een geschiedenis los van jou, een mysterie dat zich voor je opent, een uitzicht dat zich ontvouwt, je bent behoedzaam en verbergt wat minder fraai is van jezelf, je bent niet al te direct, je danst, je zoekt de omweg, je verleidt de ander om te doen wat je verlangt. Je doet je uiterste best om in die dans niet op zijn tenen te gaan staan, want dat zou de lomperik in jou onthullen, en het eind kunnen betekenen. Maar dan is er ergens een omslagpunt, ik zie het overal om me heen ook, dan dans je niet meer maar ga je recht op je doel af, dan ontspan je je en in die ontspanning verberg je die dingen van eerder niet meer, en als je op tenen gaat staan denk je alleen maar dat die ook vreselijk in de weg stond.’

    Het is als een bezinningsmoment voor de lezer, een moment ook waarop de lezer zich bespied kan voelen, want gedragen we ons niet allemaal zo? En wat betekent eerlijk zijn, is het niet beter de waarheid zo nu en dan te verbloemen?

    ‘Ik heb zelf nog nooit zo’n lange relatie gehad als Terri en David. Zij hebben vijfentwintig jaar met elkaar geleefd, kinderen gekregen, een huis gekocht. Dingen waar ze samen voor gekozen hebben. Dan wil Terri opeens weg. Ze snakt naar een eigen leven maar weet niet meer hoe dat is, wie ze is. Dat is ook moeilijk, als een relatie zo jong begint en zolang duurt. Op een gegeven moment weet je niet meer waar de een ophoudt en de ander begint. Het is gewoon niet mogelijk alles van elkaar te weten. Wat jij zegt, wordt door de ander nooit zo uitgelegd zoals jij het bedoelt. Ieder heeft een ander referentiekader, een andere waarheid.’


    Liefde maar dan anders

    Een niet te verwaarlozen gegeven is het bereiden van eten dat in al haar boeken een rol speelt. In haar debuut is het Vik die, vastgelopen in zijn relatie met Stella, zijn ambities niet verwezenlijkt ziet, steeds teruggrijpt naar het bakken van taarten, het bereiden van ingewikkelde maaltijden, het bedenken van gerechten, als troost voor het leven. ‘Gerechten die ik zelf heb gemaakt voor ze in het boek terecht kwamen.’ In Liefde, als dat het is is het voor David een must goed te koken voor zijn twee dochters. Het toppunt van liefde, zorgzaamheid. De beschrijvingen hoe groenten gesneden worden, van de snijplank in de pan verdwijnen, het mengen van ingrediënten, zijn van een stilistische eenvoud die doet denken aan de prachtige openingsscène van Girl with a Pearl Earring, waarin het meisje van het schilderij, gespeeld door Scarlett Johansson, schijnbaar eindeloos kool snijdt. Met enkel het geluid van een mes dat door de kool gaat, het beeld van de loskomende reepjes en het zorgzaam bijeenbrengen in een schaal.

    Verhalen over liefde en relaties zijn al vaker verteld, maar de benadering van Schermer van deze thema’s zet alles in een nieuw licht en is met geen andere schrijver te vergelijken. Al wordt haar proza wel vergeleken met het werk van Ian McEwan, waarin vaak door een verkeerde stap of beslissing het leven onherroepelijk wordt omgegooid. Hoewel er bij Marijke Schermer geen sprake was van een schrijver die haar als voorbeeld diende.

    ‘Ik had geen idool, ik ging gewoon schrijven. Op mijn twintigste had ik een boek klaar, wat ik nooit naar een uitgever bracht omdat het niet echt goed was. Maar ik heb er later wel stukken van gebruikt voor ander werk, vooral voor mijn eerste toneelstukken, zoals sommige personages uit toneelstukken later ook in romans terecht kwamen. Vik en Stella bijvoorbeeld, die waren er tien jaar eerder al en ook de broers van Emilia in Noodweer bestonden in vergelijkbare zin al in het toneelstuk Brodders in arms uit 2003. Wat ik wel doe, is veel andere schrijvers lezen om me te inspireren en om te zien hoe zij het gedaan hebben. Tijdens het schrijven van Noodweer heb ik alles van David Vann gelezen. En voor Liefde, als dat het is heb ik Virginia Woolf gelezen, om te zien hoe zij, in De jaren bijvoorbeeld, dat overlopende van het ene perspectief naar een ander perspectief gedaan heeft. En ik hoorde Hermans, die in een interview gevraagd werd hoe je dat doet, een boeiende roman schrijven, zoiets zei als: “De lezer stevig bij een oor pakken en meedogenloos door de gebeurtenissen sleuren.” En ik dacht, ja, zo wil ik schrijven, de lezer het boek in sleuren en niet meer loslaten.’


    Waar zijn we naar op zoek

    Door de onderwerpen en de dingen die je je afvraagt tijdens het lezen van haar boeken, kan de gedachte je bekruipen dat Schermer schrijft met een missie. Zo werd Liefde, als dat het is, wel gezien als een anti-scheidingsroman.

    ‘Eigenlijk heb ik geen speciale boodschap, wil ik niets overbrengen. Hoewel, in Noodweer wilde ik toch wel laten zien wat het voor Emilia betekende, buiten dat het verschrikkelijk is wat haar is overkomen, dat het ook het verlies van autonomie betekende wanneer anderen weten dat je verkracht bent. Ze heeft het jarenlang voor zich gehouden, wetende dat ze het toch een keer zou moeten vertellen, maar dan weet ze niet meer hoe. Ik heb ook heel lang gedaan over het einde. Ik kon het Emilia op een gegeven moment gewoon laten vertellen, maar dat was het niet. Toen wist ik dat Bruch al die tijd geweten had wat er gebeurd was. Hij had het al die tijd geweten en niets gezegd.’

    Wat een geweldige vondst was, want als Emilia na jaren van zwijgen het opeens wel zou vertellen, dan was de eigenzinnige spanning die in het boek geslopen was, als een lekke luchtballon leeggelopen. Nu komt het boek tot een ontluisterend, maar ook perfect slot. Omdat Emilia uiteindelijk de regie behoudt over haar leven. Als lezer wil je niets liever dan dat. Waarmee het einde van Noodweer al haast een opstap vormt naar Liefde, als dat het is. Want dat vraag  je je dus steeds af in al haar werk: Waar zijn we naar op zoek; wat is liefde, wat doen we ermee?

    Aan elk boek werkte Schermer tweeënhalf tot drie jaar. Ze schrijft steeds aan dezelfde versie. ‘Ik heb geprobeerd met schema’s te werken maar dat werkt voor mij niet. Ik werk gelijk op de computer en schrijf eigenlijk steeds maar door. Het verhaal heb ik in mijn hoofd en op een gegeven moment ken ik het bijna letterlijk uit mijn hoofd. Onder het schrijven kan er nog van alles veranderen. Ik lees terug en schrijf door, lees terug, herschrijf, schrijf door. Ik laat het ook vaak lezen aan mijn vriendin Matin, ook theatermaker en toneelschrijver. Zij leest het nog vaker dan mijn redacteur, en dan praten we erover alsof de personages wederzijdse kennissen zijn. Dat zijn gesprekken waarbij we ze de revue laten passeren, wat ze doen, hoe het met ze gaat. Dan belt ze later en zegt: “Zeg, zou Clara (uit: Mensen in de zon) niet …”?’

     

     


    Marijke Schermer publiceerde de volgende boeken bij Van Oorschot: Mensen in de zon (2013), Noodweer (2017) en Liefde, als dat het is (2019).

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Woordnacht met grote namen en beginnende schrijvers

    Het afgelopen weekend vond in Rotterdam de vierde editie van literair festival Woordnacht plaats. Het thema van dit jaar was ‘Stilte’. Op de zaterdagavond zijn er zes festivallocaties, verspreid over de binnenstad: Arminius, het Goethe-Institut, Theater Rotterdam en drie zalen in hoofdgebouw TENT. Bij sommige optredens, zoals een interview met Arthur Japin over diens roman Kolja, is een gebarentolk aanwezig. Ook is er een silent poetry slam, met optredens van dove artiesten.

    Bij TENT kunnen vanaf zeven uur de entreekaartjes worden afgehaald. Wie een paar minuten te vroeg is, moet buiten wachten, binnen wordt nog gerepeteerd. Na zevenen worden de bezoekers verwelkomd met koffie en koekjes. Medewerkers delen overzichtelijke, mooi vormgegeven programmaboekjes en plattegronden uit. Een dag eerder, op vrijdag 25 oktober, heeft Nelleke Noordervliet de Anna Blamanlezing verzorgd. Er is een stapel exemplaren van de gedrukte versie over, gratis mee te nemen.

     

    Poëzie op muziek

    In zaal één van TENT trapt dichter Peggy Verzett de avond af. ’s Middags heeft ze de eerste Jana Beranováprijs uitgereikt gekregen in de pas verbouwde boekhandel Donner. Speciaal voor Woordnacht werd een muzikaal programma gemaakt op basis van haar teksten en gedichten. Ze wordt begeleid door Kobi Arditi op de trombone en Mathijn Den Duijf op de piano. Bij haar opkomst vertelt ze dat de zaal veel resonantie heeft. Waarschijnlijk zal het publiek weinig van haar poëzie verstaan, voorspelt ze.

    Inderdaad zijn de woorden niet verstaanbaar, maar de klanken des te beter. Bovendien zet Peggy Verzett haar lichaam in om haar boodschap kracht te geven: ze gooit haar armen omhoog, keert het publiek de rug toe en danst weg bij de microfoon. Af en toe verstaat het publiek een flard van de tekst: een vader loopt met een vaas, een paar seconden later ‘moet hij terug’. Waarom hij terug moet en waar ‘terug’ is, blijft dankzij de akoestiek een mysterie. Juist dat geeft het optreden van Peggy Verzett iets extra’s.

    Avond vol advies

    Daarna begint in zaal drie het ‘debutantenprogramma’. Hierin gaat een gevestigd auteur in gesprek met een aanstormend talent dat nog bezig is met zijn of haar eerste boek. Eerdere aanstormende talenten waren onder anderen Carmien Michels (Europees kampioen poetry slam en inmiddels gedebuteerd als dichter met de bundel We komen van ver) en Bianca Boer (auteur van de recent verschenen roman Draaidagen en zelf ook aanwezig op Woordnacht voor een interview dat later op de avond plaatsvindt).

    Dit jaar mag Vincent Kortmann zich bij hen aansluiten. Hij zal in gesprek gaan met festivaldirecteur Hans Sibarani en Manon Uphoff, die in 1995 debuteerde met de verhalenbundel Begeerte. Voordat het zover is, vertelt Manon Uphoff over de periode waarin zij aan haar debuut werkte. Ze wist toen al dat Begeerte een basis zou worden waarop ze de jaren erna zou kunnen voortbouwen. In elk kort verhaal was namelijk een groter verhaal verborgen. Ze vergelijkt haar schrijfproces met een matroesjka, een pop die je kunt openmaken en waaruit steeds een nieuw figuur tevoorschijn komt.

    Opgroeiende meisjes in de literatuur

    De telefoon van Hans Sibarani piept. ‘Momentje,’ zegt hij tegen het lachende publiek. ‘Ik dacht dat ik hem had uitgedaan.’
    De telefoon blijft de rest van het gesprek piepen, maar Manon Uphoff trekt zich er niets van aan. Ze vertelt over het schrijfproces rondom Vallen is als vliegen, haar recentste roman: ‘Ik denk niet dat iemand anders dit boek kon maken.’ Het gesprek gaat verder over recensies. Na haar debuut las Manon Uphoff  in een recensie dat wel heel veel verhalen uit het boek over opgroeiende meisjes gingen. ‘Het was precies de helft,’ zegt ze. In de jaren 90 kregen opgroeiende jongens meer aandacht in de literatuur en áls het al over meisjes of vrouwen ging, bleef dat vaak braaf. Manon Uphoff schreef destijds bewust over niet alleen begeerte, maar ook de woede die daarbij kan komen kijken: ‘Ik wilde laten zien dat woede ook een kracht is, een energie, een motor.’

    Vincent Kortmann betreedt het podium. Zijn boek – het zal verschijnen bij uitgeverij Atlas Contact en een titel heeft het nog niet –  gaat over een negentienjarige jongen die door alle vrouwen in zijn leven is verlaten. Dan krijgt de jongen plotseling een stiefzus, die steeds extremere streken uithaalt. Manon Uphoff heeft de eerste vijfenzeventig pagina’s van het manuscript mogen lezen, maar het publiek krijgt alleen het begin te horen. Het is dapper dat Vincent Kortmann voordraagt, aangezien hij benadrukt dat het redactieproces nog bezig is. De eerste zin is alvast indrukwekkend: ‘Vanaf het balkon schoot mijn stiefzus Fay haar luchtbuks leeg op conservenblikken in de tuin.’ Een verschijningsdatum is nog niet bekend, maar het voorgedragen fragment smaakt naar meer.

    Schrijfprocessen

    Jammer genoeg wordt er niet ingegaan op het schrijfproces van Vincent Kortmann. Wél prijst Manon Uphoff de toon en de vertelstem in zijn manuscript. Ook is ze onder de indruk van de dialogen, zelden zijn die bij beginnende schrijvers zo naturel. Ze is van mening dat ‘de innerlijke motor van de hoofdpersoon’ belangrijker voor het verhaal is dan een plot.
    ‘Het moet wel echt ergens over gaan,’ werpt Vincent Kortmann tegen. Hij vindt het belangrijk om naar een bepaald punt toe te werken. ‘Het verhaal mag niet uitgaan als een nachtkaars.’

    Manon Uphoff geeft advies, niet alleen aan Vincent Kortmann, maar aan iedereen die een boek wil schrijven: ‘Ga aan de gang met je eigen stem en geloof erin. Het maakt niet uit of je uiteindelijk goede of slechte kritieken krijgt. Je hebt daar geen invloed op, dus geloof vooral in wat je kunt.’ Vincent Kortmann vraagt hoe Manon Uphoff haar personages, die vaak bizarre handelingen verrichten, geloofwaardig kan neerzetten. ‘Je moet het zelf geloven,’ is haar antwoord. Na het optreden verlaat het publiek de zaal, maar zij blijft achter om nog even met Vincent Kortmann over zijn boek-in-wording te praten, zonder toeschouwers.

    Grote thema’s

    Hierna interviewt Alek Dabrowski de schrijvers Bianca Boer en Christiaan Jongeneel. Hij vindt Magda is overal  van Christiaan Jongeneel, ‘een complexe roman’, en voegt eraan toe dat het is bedoeld als compliment. Het is namelijk ‘de eerste grote 9/11-roman’. Ook in dit gesprek is plot een discussiepunt. Voor Bianca Boer, schrijver van Draaidagen, is plot niet belangrijk: ‘Ik wil mensen maken en ze op elkaar laten reageren.’ Haar roman gaat enerzijds over Auschwitz en anderzijds over Judith, die figureert in een film die zich afspeelt tijdens de Tweede Wereldoorlog.

    Bianca Boer draagt een fragment voor waarin de verhaallijnen samenkomen: de filmset voelt als bezet Nederland. Zowel de voordracht als de inhoud wekken de roman tot leven voor het publiek. Over Draaidagen vertelt ze: ‘Sommige geschiedenissen gaan generaties lang door. De hoofdpersoon krijgt geen kind, omdat ze niet wil dat de geschiedenis zich herhaalt.’ Ook Christiaan Jongeneel mag voordragen. Magda is overal blijkt inderdaad complex: de roman telt drie delen en uiteindelijk draait het boek om de vraag of Magda wel bestaat. Hoewel beide auteurs uit Rotterdam komen en voor een groot thema hebben gekozen, hebben ze compleet verschillende boeken geschreven.

    Overvloed aan optredens

    Woordnacht kent een erg vol programma. Om half negen ’s avonds zijn bijvoorbeeld de volgende optredens bezig: ‘Silence of the Slam’ met diverse spoken word-artiesten; een gesprek met Marcel Möring; ‘Dat soort volk’ met Jan Oudenaarden, Erik Brus en Alek Dabrowski; ‘Debutanten’ met Manon Uphoff, Vincent Kortmann en Hans Sibarani; en ‘Reprise: Montere weemoed’ met Thomas Verbogt en Beatrice van der Poel.

    Het is voor een bezoeker onmogelijk meer dan drie programmaonderdelen op de avond te zien zonder halverwege een optreden weg te gaan. Daardoor is er bij sommige optredens slechts een handjevol mensen aanwezig. Het is mooi dat Woordnacht zowel aanstormend talent als grote namen een podium biedt, maar de vraag rijst of het festival niet nóg beter tot zijn recht zou komen met minder locaties of een grotere tijdspanne.

     

    Beeld: Annaleen Louwes

  • Nacht van de Poëzie grootschalig festival met traditionele elementen

    De 37e editie van de Nacht van de Poëzie vond plaats op 28 september 2019 in de Grote Zaal van TivoliVredenburg.
    ‘Een Nacht van de Poëzie is voldoende om jaren niet meer te dichten,’ schreef Remco Campert eens. Een bezoek aan de Nacht doet anders vermoeden: dichter Esther Jansma, van wie al een tijd geen bundel is verschenen, merkt na haar aankondiging meteen op dat er snel nieuw werk zal komen. Daarop gaat er een zucht door de zaal.

    De jaarlijkse Nacht kent een lange traditie, maar ook nogal wat rellen en ophef. Mirjam van Hengel beschreef in de Volkskrant (27 sept. 2019) enkele van de veelzeggendste: zo trad Gerard Reve op in een nazikostuum en tekenden chaos en wanbeleid de eerste edities. Ook zouden dichters volgens de overlevering vetes achter de schermen uitvechten tussen de bedrijven door. Waar Campert destijds opmerkte dat je ‘ten slotte het slagveld verliet’, ‘gewonden en gesneuvelden achterlatend,’ verloopt deze 37e editie soepel. Dat is niet verwonderlijk, want van een rommelig evenement in de jaren ’60 is de Nacht uitgegroeid tot een grootschalig festival in poppodium TivoliVredenburg in Utrecht. De Nacht trekt grote namen en biedt bezoekers naast optredens ook signeersessies en een boekenmarkt, waar werk van de auteurs gekocht kan worden. Toch is de sfeer kleinschalig gemoedelijk: zodra de stoelen in de Grote Zaal vol zijn, gaan mensen op de trappen aan weerszijden van de tribune zitten, nemen plaats op de balkons, zelfs bij de uitgangen staan drommen toeschouwers. Iets van het ongeorganiseerde van vroeger lijkt hier toch nog – op een goede manier – te heersen.

    Thema van de Nacht

    TivoliVredenburg is voor de gelegenheid ingericht naar het thema, een dichtregel van Jan Wolkers uit zijn ‘Kalkstenen vlinders’: De stad zegt met één oog de nacht gedag. Vanaf het podium kijkt een enorm oogvormig decorstuk het publiek in. En in de pupil zijn de contouren van een skyline uitgesneden. Zo breed als je die frase kunt interpreteren, zo afwisselend is het programma: onder de negentien dichters zijn (vijf!) veelbelovende debutanten en geprezen oudgedienden. Onder hen zijn, in willekeurige volgorde: Babs Gons, Adriaan van Dis, Hagar Peeters, Tom Lanoye, Ellen Deckwitz, Rosa Schogt, Iduna Paalman, Ivo van Strijtem, Asha Karami, Ingmar Heytze, Nachoem Wijnberg, Esther Jansma, Lévi Weemoedt, Maud Vanhauwaert, Gerda Blees, H.C. ten Berge, Joost Decorte, Frans Kuipers en Kees Spiering. Van jeugd- tot ‘volwassen’ poëzie, serieus en satirisch, van abstracte dichtvormen tot klassieke sonnetten: alles komt voorbij.

    Een aantal dichtoptredens maakt bijzondere indruk. Adriaan van Dis draagt werk voor van onder anderen de Zuid-Afrikaanse dichters Antjie Krog, Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach – de laatste is verhinderd en Van Dis is in zijn plaats. Hij adresseert Apartheid, maatschappelijke ongelijkheid, de arm van de wet die geliefden uit elkaar en tot zelfmoord drijft in Adam Smalls ‘What abou’ de lô/What about the law’. Zijn voordracht zet de intieme ruimte in een ander licht, het oogvormige decorstuk staart naar het publiek, de dichtregels galmen na. Toch reageert Van Dis luchtig als er wordt geklapt: ‘Hè, stop nu toch, dit gaat allemaal van mijn minuten af!’

     

    Hij is niet de enige die een statement maakt zonder zijn engagement al te dik aan te zetten. De gedichten van Asha Karami zijn absurdistisch, sec, af en toe messcherp. Vaak lijkt haar werk aan te sluiten bij politiek-maatschappelijke onderwerpen, hoe abstract de situaties die ze schetst aanvankelijk ook overkomen. Ze laat genoeg stiltes vallen om haar regels nog even te laten rondzingen in de ruimte. Als ze impliceert een zekere rechtse politicus een kaakslag te hebben verkocht, gaat na een paar seconden een bevrijdende lach door de zaal. Ze doet ook het tegenovergestelde met verve: met schijnbaar alledaagse onderwerpen laat ze de luisteraar in vertwijfeling achter. Ook haar ‘vloeibare’ identiteit vormt een belangrijk thema dat ze desondanks terloops aankaart: ‘om mijn moeder te zien/ga ik naar holland casino/ladies night gratis drankje/ vind ik haar bij roulette’

    Angagement aanwezig

    Tom Lanoye toont zich eveneens maatschappelijk geëngageerd, en iedereen mag het weten: hij trekt alle registers open. Hij voert zijn bewerking van het Hooglied op, samen met een jonge actrice die hij voorstelt als zijn nichtje. Haar rol is beperkt maar doorslaggevend: ze is degene die door Lanoye wordt lastiggevallen tijdens het uitgaan, hij dwingt haar hem een kans te geven in niet mis te verstane bewoordingen. Zij wijst hem tot drie keer toe af, waarop hij inbindt, op zijn knieën valt en haar smeekt om hem dan ‘toch minstens haar telefoonnummer te geven!!!, duidelijk geïnspireerd door de #MeToo-tendens. Lanoyes Hooglied is indringend en theatraal, compleet met lichtshow, aanzwellende muziek en geluidseffecten. De reacties zijn wisselend: sommigen zuchten, anderen zijn gehypnotiseerd.
    De Utrechtse dichter Ingmar Heytze windt het publiek ingetogen om zijn vinger: eerlijk, bijna breekbaar draagt hij een gedicht voor over een overleden dierbare. Er wordt ademloos geluisterd.

    Entre’actes

    Ook de entr’actes verrassen in hun veelzijdigheid. Het duo Marnix Dorrestein (elektrische gitaar) en Nora Fischer (zang) voert 17e-eeuwse liefdesliederen en vroege 20e-eeuwse klassieke muziek op. Bijzonder zijn de moderne arrangementen waarin ze de muziekstukken steken: er klinken rock, grunge en hier en daar zelfs fado-invloeden in door. De Bosnische zanger Božo Vrećo brengt in een jurk en op torenhoge hakken traditionele volksliederen ten gehore, begeleid door opzwepende drums. Zijn stem is krachtig en zuiver, maar niet iedereen begrijpt de act, en ondanks herhaalde verzoeken klapt het publiek maar aarzelend mee op het ritme van de muziek.

    Ook Gilbert O’Sullivan treedt op, een op het eerste gezicht verrassende keuze. De Ierse singer-songwriter had in de jaren ’70 succes met nummers als Matrimony en Alone again (naturally), maar verdween uit de schijnwerpers, afkerig als hij was van de showbusiness. Haast verlegen zit hij achter zijn keyboard, tussendoor af en toe anekdotes en grappen vertellend over zijn carrière, het schrijven van liedjes. Na het eerste nummer al blijkt waarom O’Sullivan zo’n goede keus is: bijna alle oudere bezoekers van de Nacht zingen mee (‘You can join in.’), dansen met elkaar, knijpen elkaar in de arm: ‘Goed is hij, hè? Nog steeds!’ Met hun enthousiasme steken ze de jongere bezoekers aan.

     

     

    De Nacht van de Poëzie mag dan al decennialang volwassen zijn, sommige dingen lijken onveranderd, met name het spontane karakter ervan. Er wordt niet op voorhand een programma bekendgemaakt, wat een bezoek ook een beetje in een zoektocht doet veranderen: er is voor elk wat wils, maar je moet wel net op het juiste moment op de juiste plek zijn. Dat is tegelijkertijd de charme ervan: als je je favoriete dichter mist, kan een nieuwe favoriet zich plotseling aandienen. Één Nacht van de Poëzie is voldoende om nog jaren te kunnen lezen.

     

    © foto’s Michael Kooren en Patrick Post

     

  • Nobelprijs voor de Literatuur voor Olga Tokarczuk en Peter Handke

  • Stefan Hertmans ontvangt Constantijn Huygens-prijs voor zijn hele oeuvre

    De Belgische schrijver Stefan Hertmans (1953) is sinds de publicatie van Oorlog en terpentijn (2013) een van de bekendste schrijvers van ons taalgebied geworden. Dit boek betekende voor hem een doorbraak bij het grote publiek. Maar ook daarvoor was de in Brussel wonende schrijver al een belangrijk schrijvers binnen het Nederlands taalgebied. Zijn vroege werk wordt
    gekenmerkt door een experimenteel karakter en hoewel zijn latere werk makkelijker leesbaar is, blijft het experimenteren met woord en beeld een belangrijk element in zijn werk. Hij debuteerde in 1981 dan ook met het experimentele prozaboek Ruimte. Daarna beoefende hij vrijwel alle genres die er mogelijk zijn binnen de literatuur. Hij schreef duizend bladzijden aan poëzie, zijn proza omvat romans, verhalen, een reisboek en essays. Voorts schreef hij theaterteksten en publiceerde hij monografieën over filosofie en beeldende kunst. In elk genre heeft hij boeken gepubliceerd die tot de hoogtepunten van de hedendaagse literatuur gerekend kunnen worden. In binnen- én buitenland is Hertmans een gewaardeerde stem in het publieke debat.

    Volgens de jury heeft ‘het publiek deze schrijver omarmd, in de buitenlandse pers gooit hij hoge ogen en ook in Nederland en Vlaanderen is de waardering voor zijn werk groot. De toekenning van de Huygens-prijs onderstreept deze brede erkenning en bekroont een veelzijdig en groots oeuvre’.

    De jury bestaat uit Aad Meinderts (voorzitter), Erica van Boven, Jeroen Dera, Arjen Fortuin, Sarah Vankersschaever, Sanne Parlevliet, Jan de Roder, Jeannette Smit en Carl De Strycker.
    Eerdere laureaten zijn: Nelleke Noordervliet (2018), Hans Tentije (2017), Atte Jongstra (2016) Adriaan van Dis (2015), Mensje van Keulen (2014) en Tom Lanoye (2013).

    De prijsuitreiking vindt plaats tijdens het Schrijversfeest, de afsluiting van Winternachten internationaal literatuur festival Den Haag op zondagmiddag 19 januari 2020. Aan de prijs is een bedrag van € 12.000 verbonden.

     

    Foto: Wikipedia

     

  • In memoriam György Konrád 1933 – 2019

    De Hongaars-Joods schrijver György Konrad is vrijdag 13 september op 86-jarige leeftijd in Boedapest overleden. Konrád werd gezien als een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw en was een groot voorstander van individuele vrijheid, wat in het communistisch Hongarije van de vorige eeuw een onmogelijkheid was. Veel van Konráds boeken, waarin hij op enige wijze kritiek uitte op de staat waren tot 1988 verboden. Waarna hij ze ondergronds liet drukken en verspreiden.

    Joodse bourgeoisie

    De eerst elf jaren van zijn leven verbleef György Konrád in het stadje Berettyóújfalu in Oost-Hongarije. Zijn vader handelde in ijzer en zijn Roemeense moeder stamde af van Joodse bourgeoisie. Als kind ging hij naar de lokale Joodse school en voor een jaar naar de middelbare school, tot de Duitsers in 1944 ook Hongarije bezetten. Later studeerde hij literatuurwetenschappen, sociologie en psychologie aan de universiteit in Boedapest.

    Als jongen spijbelde Konrád van school, liet hij in een interview met Piet de Moor voor Knack weten, hij ging liever naar de bibliotheek. Een leraar die hem daar zag, vroeg waarom hij niet op school kwam. Hij keek naar het boek dat Konrád terugbracht en zei: ‘Dat prul is geen goede reden om te spijbelen.’ Konrád vroeg: ‘Welk boek is dan wel een goede reden om van school weg te blijven?’ Waarop de leraar de bibliotheek in ging en terugkwam met boeken van Dostojevski, Gogol, Tolstoj en Stendhal.

    De dood naderbij

    Over de dood was Konrád duidelijk, het leven was een langzame mars naar de dood. In datzelfde interview vertelde Konrád dat hoe ouder hij werd, de dood hem naderbij kwam. ‘Soms heb ik echt de indruk dat het volstaat. De belangrijkste ervaringen heb ik meegemaakt. Alles wordt herhaling. En toch, wat me achteraf nog het meest verbaast, is dat het leven zo kort is geweest.’

    In zijn boeken gebruikte Konrád belangrijke elementen uit zijn leven. In Nederland werd hij voor een breed publiek bekend door de interviewserie Nauwgezet en wanhopig uit 1989 onder regie van Wim Kayzer. Hij werd een van de meest vertaalde hedendaagse Hongaarse auteurs. Van de eenentwintig titels die er van hem in Hongarije verschenen, werden er zestien in het Nederlands vertaald, waaronder zijn debuut De bezoeker, (vertaling Hans Hom, 1974) Tuinfeest, (vertaling Henry Kammen, 1989), De Stedebouwer, Nalatenschap, vertaling Mari Alföldy (1999) en zijn laatste boek uit 2008 Slingerbeweging, (vertaling Mari Alföldy ,2011). Zijn werk werd uitgegeven door Van Gennep en later bij De Bezige Bij.
    De bezoeker en Tuinfeest werden in dertien talen vertaald.

    Anekdote

    In 1988 was interviewer Peter Olsthoorn voor Trouw in Hongarije voor een vraaggesprek met György Konrád. Eerst was hij naar Konráds geboortedorp geweest waar hij foto’s van zijn ouderlijke huis en de Joodse begraafplaats, het decor van Tuinfeest, had gemaakt. Toen hij Konrád in Boedapest thuis bezocht, kwam deze in pyama aan de deur, het kon niet doorgaan, zijn vrouw was jarig, dat was hij vergeten.
    Achtentwintig jaar later in 2016, was Konrád in Amsterdam en kreeg de interviewer opnieuw de kans hem te bevragen. Dat gesprek is hier terug te lezen.

     

    Bron: Knack

    Lees ook: Hongaarse auteur György Konrad overleden

     

  • Ted van Lieshout bekroond met zeldzaam toegekende literaire prijs

    Onvermeld bleef nog dat tijdens de Uitmarkt, vorige week zondag in Amsterdam, bekend werd gemaakt dat het boek Ze gaan er met je neus vandoor (Uitgeverij Leopold) van Ted van Lieshout (1955) bekroond is met de Boekensleutel. De Boekensleutel is een jeugdliteratuurprijs die sinds 1979 en bij hoge uitzondering toegekend wordt aan een bijzonder kinderboek. En een bijzonder boek is het want de boeken die in aanmerking komen, moeten niet te vatten zijn in een genre, door de gebruikte techniek, de vormgeving of anderszins en opmerkelijke kwaliteit bezitten.

    Dit jaar zat er één boek tussen alle gegadigden dat zich niet in een genre deed vangen en dat volgens de Griffel- en Penseeljury een boek is dat ‘qua techniek, vorm, inhoud én de combinatie hiervan een unieke plek in het Nederlandse kinderboekenlandschap opeist.’ In Ze gaan er met je neus vandoor wordt de lezer ‘meegenomen in het conflict tussen de zoekende zwarte letters en de rode letters die hun plaats opeisen in het boek en zich niet weg willen laten jagen.’ Daarbij worden de gedichten die erin staan ‘adembenemend mooi’ genoemd. Ze ‘versterken de zinloosheid van de oorlog en geven het vormexperiment een historische lading’. Kortom een ‘kunstwerk van taal’.

     

    Tot nu toe is de Boekensleutel pas acht keer toegekend. De laatste keer was in 2012, voor het boek Het Dierelirium van professor Revillod (Uitgeverij De Harmonie) van de Spaanse makers Javier Sáez Castán en Miguel Murugarren, in een bewerking en vertaling van Professor E.I. Kipping (alias Kees van Kooten).

    Dat Ted van Lieshout dit jaar de prijs krijgt uitgereikt, is de tweede keer dat een Nederlandstalige auteur hiervoor in aanmerking komt. In 1981 werd Ik heb geen naam (Uitgeverij Leopold)  van Dagmar Hilarová en Miep Diekmann bekroond. Wat het winnen van deze prijs zeer bijzonder maakt. Van harte Ted van Lieshout!

     

  • Met de neus in de poëzie bij Dichters in de Prinsentuin

    Een goed festival, net als goede poëzie, blijft je bij. Vorige maand vond Dichters in de Prinsentuin in de binnenstad van Groningen plaats. In de ruim twee decennia dat dit dichtersfestival bestaat is het uitgegroeid tot een uniek in zijn soort zijnd festival. Het idee werd ooit geïnitieerd door de huidige Dichter des Vaderlands Tsjead Bruinja, die vanuit de behoefte de stad tijdens de zomer in literair opzicht tot leven te brengen en verschillende dichters bij elkaar trommelde. Het concept is in al die jaren onveranderd: verspreid over het weekend wordt tijdens de middagen op het theeveld voorgedragen door gerenommeerde dichters, in de loofgangen van de Prinsentuin treedt een keur van dichters op die net enkele schreden op het dichterspad hebben gezet, zij aan zij met de bekendere dichters. De vrijdag- en zaterdagavond wordt in een theatertje gehouden en kent een meer inhoudelijk programma met interviews en discussies onder dichters.

    Face to Face

    Voor sommige dichters was optreden in de loofgangen van de Prinsentuin de eerste keer om face to face met publiek te staan. De afstand tussen dichter en luisteraar beslaat soms niet meer dan een halve meter, er wordt naar de dichter voorovergeleund, bijna letterlijk neus tegen neus, en dan moet je maar sterk staan in je voordracht. Tijdens het voordragen in de loofgangen lopen mensen voorbij, blijven of langdurig staan, of lopen halverwege een gedicht weer door. Voor de aankomende dichters was er dan ook een workshop georganiseerd, gegeven door spoken word artiest Babs Gons – zelf ook een van de optredende dichters – om het jonge talent enigszins gevormd de Prinsentuin te laten ingaan. Gons zorgde de eerste middag voor een schitterend optreden. Met elk woord een beeld creërend, zo nu en dan intiem confronterend, met kracht en in perfectie gebracht. Zonder papier om van te lezen, recht uit hoofd en hart, om stil van te worden. Dat de organisatie haar gevraagd heeft jonge dichters in het voordragen te vormen, lijkt dan ook een voor de hand liggende keuze.

     

     

    Zeventig dichters verdeeld over twee middagen en twee festivalavonden die zo’n tweeduizend bezoekers trokken. Er konden zelfs verzoeknummers worden aangevraagd tijdens de optredens in de loofgangen. Soms verzon de dichter ter plekke een gedicht, of bewerkte een bestaand gedicht (Norbert De Beule kreeg het woord ‘appelmoes’ toegeworpen wat hij verwerkte in een bestaand portret van zijn oma) om aan het verzoek van de bezoeker tegemoet te komen.
    De interactie tussen dichter en publiek was inspirerend en oprecht, want wie een voordracht niet bevalt, loopt gewoon door. Langs de tuinen zitten bezoekers op bankjes, wandelen langs het theeveld, blijven staan, gevangen door de poëzie, want het mooie aan dit festival is dat het gratis is. Dit alles tegen een achtergrond van het stadse geroezemoes, stationair draaiende auto’s voor een stoplicht, geroep van jongeren (dronken?) en ronkend overkomende helikopters.

     

     

     

    Gevleugelde woorden

    Wie door de loofgangen liep, ging op gevleugelde woorden die een eigen leven gingen leiden. Veelvuldig waren opa’s, moeders, liefde en selfiepoëzie tot onderwerp gemaakt.
    ‘we verdwijnen nooit helemaal de schemer is genoeg’
    ‘moeders zijn de ware alchemisten’
    ‘kijk ik heb een typemachien’
    ‘probeer maar eens een wereld op poten te zetten’
    ‘ik vond in veren en botten warmte’
    ‘meisjes op het schoolplein die blij zijn als het pauze is’
    ‘gaf een zwerfhond voorrang aan een kat’
    ‘ik zit ook maar vast tussen de spelonken van mijn schedel’
    ‘de allermooiste reden’
    ‘naar het land van zeil en tegels’
    ‘kleuren vluchten uit bloemen’
    ‘ik zing niet, dit is geen zingen, geen zingen, geen lied’
    ‘herinneringen moesten worden opgelaten’
    ‘longen hangen met touwtjes aan zijn ribben’
    ‘in het handschoenenkastje bewaar ik oude ansichten’

     

    Enkel de dichter

    Goede poëzie doet je vergeten waar je bent. De tijd verdwijnt, weg van de Prinsentuin, het geroezemoes. Enkel de dichter wordt gehoord. Zo ging het onder meer bij voordrachten van stadsdichter van Amsterdam Gershwin Bonevacia, die voordroeg uit zijn debuut Ik heb een fiets gekocht. De jonge Obe Alkema verraste met zijn ‘gangbaarheid’ ontwijkende poëzie. Evenals Micha Andriesen die nog schor van de verslaggeving van het North Sea Jazz festival in Rotterdam drie gedichten bracht die voor een aandachtig stilte zorgde. De poëzie van Anne Vegter – die de zondagmiddag op het theeveld afsloot met gedichten uit haar nog te verschijnen bundel – zou je ‘levenswerk’ kunnen noemen, schrijnend en vernieuwend. Zelfbenoemd Plattelandsdichter Paul Demets bracht een laagje engagement in het geheel van selfies en verwerkingspoëzie.

     

     

    Noodzakelijkheid van poëzie

    Wat bijblijft is een uitspraak van de Engelse dichteres Verity Spott in een gesprek met Dean Bowen, Juha Virtanen, Obe Alkema en geleid door Hassnae Bouazza, over hoe geëngageerd poëzie behoort te zijn. Heeft de dichter een plicht om de actualiteit in zijn poëzie te verwerken? Volgens Spott kun je niet een geëngageerd dichter zijn, maar wordt je dat gemaakt door de omstandigheden. Veel dichters schreven vanuit een dictatuur zonde geëngageerde poëzie te willen schrijven. Het was de dictator die hen tot een politiek dichter maakte door ze gevangen te zetten. Een mooie tegenstelling tussen Alkema en Spott is dat Alkema zich niet verplicht voelt in het voetspoor van vroegere dichters te treden, hij creëert als dichter nadrukkelijk zijn eigen weg. Voor Spott was dit ondenkbaar, zij heeft veel gehad aan vroegere dichters en zegt: ‘Of je het nu leuk vindt of niet wij behoren tot die geschiedenis van dichters.’ Haar conclusie was dat als je de geschiedenis wilt wegvagen, een dictatuur om de hoek ligt. Waarmee dit festival een gelaagdheid kreeg die aan poëzie een zekere noodzakelijkheid gaf.

     

    Foto’s © GrootWassink
    (Gershwin Bonevacia, Babs Gons, de loofgangen, Astrid Lampe, Paul Demets)

    Kijk op Dichters in de Prinsentuin als je wilt weten wie de dichters waren die dit jaar hebben meegedaan.

     

  • Voor het eerst in vierentwintig jaar twee winnaars ANV Debutantenprijs

    Tachtig debuten werden er ingestuurd voor de ANV Debutantenprijs.  Daaruit stelde een vakjury een shortlist van drie titels samen voor de lezersjury. Van deze drie genomineerden won Mirthe van Doornik met Moeders van anderen (Prometheus) de publieksprijs en Marieke Lucas Rijneveld met De avond is ongemak (Atlas Contact) de vakjuryprijs. Beiden wonnen een bedrag van 3000 euro.

    Dit alles gebeurde tijdens een feestelijke bijeenkomst in het Dordrechts museum waar de drie genomineerde schrijfsters werden geïnterviewd door journaliste bij de Standaard, Jelle Van Riet. Naast deze twee winnaars was Persis Bekkering met Heldenleven (Prometheus) de derde genomineerde, zij ontving (een normbedrag voor alle genomineerden) een bedrag van 1000 euro.

    Beide winnaars spraken hun vreugde uit over het winnen van de prijs op social media.
    Van Doornik plaatste de kreet: ‘Twee winnaars dit jaar van de ANV Debutantenprijs!! Een van de mooiste dagen van mijn leven (en ook een van de langste en vreemdste).’
    Rijneveld tweette: ‘Zo trots als een koe met zeven uiers: met De avond is ongemak de ANV Debutantenprijs 2019 gewonnen!!’

    Rijneveld overtuigde de vakjury met haar ‘indringende beschrijving van de gruwelijkheden die volgden op het overlijden van Matthies.’ De lezersjury werd ingepakt door Van Doorniks ‘vlot geschreven verhaal, waarin de schrijfster met een zekere luchtigheid toch zware thema’s durft aan te pakken.’
    Heldenleven van Persis Bekkering werd door veel lezers, vooral door muziekliefhebbers, zeer gewaardeerd, maar kreeg net iets te weinig stemmen. Alle drie de boeken werden omschreven als ‘fantastische’ boeken.

    De literaire onderscheiding, ook wel bekend als de Dordtse Boekenprijs, is bedoeld voor schrijvers die het afgelopen jaar hun eerste boek uitbrachten. Eerdere winnaars waren onder andere Peter Buwalda, Anna Enquist en Jessica Durlacher.
    De vakjury bestond uit Jelle van Riet, Mirjam Piters, Kees Snoek en Arjan Peters en Erica van Buuren als voorzitter. De organisatie van de ANV Debutantenprijs was in handen van DordtLiterair en wordt gesponsord door het Algemeen Nederlands Verbond en de gemeente Dordrecht.