• Ik zou willen dat mijn boeken worden gezien als een Japanse tuin

    Onlangs verscheen van Jannie Regnerus haar vierde roman Het wolkenpaviljoen bij Van Oorschot. Voor Literair Nederland sprak Just Houben onder meer met haar over het ontstaan van een boek en waarom ze geen dikke boeken zal schrijven.

    Tijdens een verblijf van twee jaar in Mongolië begon beeldend kunstenaar Jannie Regnerus (1971) met schrijven om de dingen die haar verwonderden vast te leggen. Het mondde uit in het verslag De volle maan als beste vriend. Over haar jaar in een gastatelier  in Japan schreef ze Het geluid van vallende sneeuw. Daarvoor ontving ze in 2007 de Bob den Uyl Prijs voor het beste reisboek. Vanaf dat moment begon ze ook romans te schrijven en inmiddels is ze meer schrijver dan beeldend kunstenaar. De verhouding is 80-20, schat ze, of misschien zelfs 90-10. Onlangs verscheen haar vierde roman Het wolkenpaviljoen, waarin een architect zijn leven opnieuw moet vormgeven na een scheiding. ‘Ik wil begrijpen waarom de mens zo veerkrachtig is. Dat is het thema van al mijn boeken.’

    Het interview vindt plaats in een park in Haarlem, de woonplaats van Regnerus. Daar, in de buitenlucht, is genoeg ruimte om gepast afstand te kunnen houden tijdens het gesprek. We lopen langs het water op zoek naar een geschikte plek. Het is er rustig en we hebben de keus uit een bank in de zon of een in de schaduw. ‘Ik heb een voorkeur voor de schaduw. Ik houd van indirect licht,’ zegt Jannie Regnerus. ‘Je hebt mijn boeken gelezen, dus dat zal je niet verbazen.’

     

    Ontstaan van Het wolkenpaviljoen 

    Een paar jaar geleden zag Regnerus een foto in de krant. In een verlaten fabriekshal hadden twee ingesloten duiven een nest gemaakt van materiaal dat ze daar konden vinden. Bij gebrek aan mos en takjes hadden ze gaas en ijzerdraad omgebogen om daar zo goed mogelijk een nest van te maken. Tevergeefs bleek: toen het nest werd gevonden, lagen er twee niet-uitgekomen eieren in. Deze foto zette Jannie Regnerus aan het denken over wat er nodig is om van een huis een thuis te maken. Het vormde het begin van Het wolkenpaviljoen.

    De veertigjarige Luut, hoofdpersoon in Regnerus’ nieuwe roman, ontwerpt huizen, hij is architect. Maar hij is er niet in geslaagd een thuis te maken. Het huwelijk met zijn vrouw Kris is stukgelopen. ‘Er is een verhaal over een gesneuvelde theepot,’ schrijft Regnerus in haar roman, ‘en een verhaal over een groot huis waarin een man en een vrouw zich net zolang voor elkaar verstoppen tot geen van beiden de ander nog zoekt.’ Luut overdenkt hoe zijn huwelijk heeft kunnen mislukken maar vooral denkt hij na over hoe hij nu, alleen, een plek voor zijn dochter Tessel kan maken waar zij kan wortelen en groeien.’ 

    Regnerus vergelijkt het geweten van Luuts jeugd met een groene weide. ‘In de eerste twintig jaar van zijn leven heeft Luut geen noemenswaardige schade toegebracht aan de levens van anderen. Maar niemand kan leven zonder ooit brokken te maken of een ander pijn te doen, ook al is dat niet je intentie. Nu Luut veertig is, is zijn geweten bebouwd. Op de groene velden zijn bouwwerken verrezen en er is ook al verval. In die scherp gehoekte panden en schimmige stegen heeft hij zijn falen ondergebracht. Bijvoorbeeld zijn aandeel in de scheiding die zijn dochter, uitgerekend het wezen dat hem het meest dierbaar is, pijn en ongemak berokkent, zoals het pendelen tussen twee huizen. Luut moet daarmee in het reine zien te komen. Tijdens zijn pelgrimage naar Japan ziet hij in dat hij met de brokstukken van zijn verleden iets nieuws kan bouwen, iets wat ook goed en hoopvol is. Daar gaat Het wolkenpaviljoen over.’


    Je vertelde dat Het wolkenpaviljoen begon met dat beeld van het duivennest. Had dat beeld een medium bij zich? Wist je dat dit een verhaal zou worden, of had het ook een beeldend werk kunnen worden?


    ‘Ik had er inderdaad ook iets heel anders mee kunnen doen. Maar ik houd ervan om nadenkend, beschouwend proza te schrijven. Waarin je als het ware met het facetoog van een libelle, steeds vanuit een andere hoek naar je thema kijkt. Daar leent schrijven zich heel goed voor. Het geeft me het idee dat ik wetenschap van het menselijk leven beoefen.’ 

    Wie wetenschap bedrijft moet goed observeren. Een ‘hartstochtelijk observator’ wordt ze in recensies genoemd. Haar romans staan vol mooie waarnemingen die veel zeggen over de personages waarover ze schrijft. Is dat hoe ze zelf ook observeert?
    ‘De dingen om mij heen nemen eenzelfde temperatuur aan als die van mijn gemoed. In de observaties probeer ik de binnenwereld van de personages op te roepen. Ik zal nooit schrijven “Luut is verdrietig”. Dat hij verdriet voelt zal zich uiten in wat hij observeert en hoe dat onder woorden wordt gebracht. Dus heel erg indirect. Ik houd ervan om literair langs de band te biljarten.’


    Je romans zijn vrij kort, zo’n 100 tot 120 pagina’s. Alleen De ent is langer…

    (lacht) ‘Dat is mijn debuutroman. Toen moest ik het nog leren.’


    Waarom kies je voor deze lengte?

    ‘Het past me, ik weeg mijn woorden heel zorgvuldig. Ik kom uit de kunstwereld en verbaas me er altijd over dat in de literaire wereld zoveel belang lijkt te worden gehecht aan omvang. Neem nu Het melkmeisje van Vermeer of De nachtwacht van Rembrandt, dat zijn toch allebei meesterwerken? Alleen bij de één is veel minder verf gebruikt en minder canvas. Maar inhoudelijk is het evenveel waard. Mijn romans bestaan uit 120 pagina’s samengebalde intensiteit. Ik vergeleek het laatst eens met een maggiblokje. Ik dien geen soep op, maar geef de lezer smaak en specerijen waar hij of zij zelf soep van kan maken.
    De eerste versie is altijd twee keer zo lang. Dan begint het snoeien tot de kern. Daar zit het meeste werk in. De compositie is ook heel belangrijk. Meer dan verhalende chronologie      rijmt mijn werk op beeld en gedachten. Er zitten hoofdstukken in die een soort mini-essays zijn. Bijvoorbeeld dat stuk over het planetarium van Eise Eisinga, waarmee hij wilde aantonen dat de aarde niet in botsing zou komen met andere planeten. Dat gaat dan weer echoën met een andere scène in het boek waarin Luut in het bed van zijn dochter ligt en kijkt naar de plastic sterren op het plafond. Dan realiseert hij zich dat hij en de moeder net als planeten rond hun dochter cirkelen, op veilige afstand zodat ze niet zullen botsen.’


    Ben je lang aan het schuiven met hoofdstukken?

    ‘Ja, aan het eind leg ik alles door de kamer heen en raap dan een volgorde. Mijn redacteur zei laatst: “Oh, dat doe ik ook bij een poëziebundel.” Het is een proces dat lijkt te worden gestuurd door associatie en intuïtie.’ 


    Zentuin

    Jannie Regnerus groeide op in Oudebildtzijl, een Fries dorpje aan de Waddenzee. Niet bepaald een plek voor een kunstenaar. ‘Het is een volkomen cultuurarme plek,’ vertelt ze. ‘De enige cultuur waar ik vroeger toegang toe had waren de verhalen in de Bijbel en de orgelmuziek in de kerk. Ik was daar enorm ontvankelijk voor, maar ik dacht dat iedereen dat was. Pas later realiseerde ik me dat ik op een onhandige plek geboren was met mijn honger naar cultuur en kunst.’


    Jouw beeldende werk is vaak ‘Japans’ genoemd. Wanneer kwam je voor het eerst in aanraking met Japanse kunst?

    ‘Vroeger gingen wij in de zomervakantie naar de Veluwe. Dan stonden we drie weken lang op een Christelijke camping met een vouwcaravan. Eén van de jaarlijkse rituelen was dat we op de witte fietsen naar het Kröller-Müller Museum gingen. Daar zag ik als jong meisje Japanse prenten hangen. Dat maakte diepe indruk op me. Die prenten hebben een bepaalde helderheid, sfeer en verfijning. Ik vond dat zoiets moois!’ 


    Zit er ook iets Japans in je schrijven?

    ‘Je kunt naar mijn boeken kijken als naar een zentuin. Op het eerste gezicht heel minimalistisch, maar als je er langer naar kijkt kun je er steeds andere dingen in ontwaren en nieuwe betekenissen aan toedichten. Ik krijg van lezers terug dat ze mijn romans na eerste lezing meteen weer herlezen. Misschien zou ik willen dat mijn boeken zo worden gezien, als een Japanse tuin. En ook houd ik heel erg van Japanse literatuur. Van Tanizaki en Kawabata bijvoorbeeld. Zij schrijven ook ab-so-luut niet frontaal, maar heel indirect. De hele Japanse cultuur is natuurlijk van indirectheid doordrenkt. Deze schrijvers beheersen een  proza waarin tussen de regels heel veel te lezen valt, zonder bombast roepen zij met verfijning een tragiek op. Zoals in de novelle De schone slaapsters van Kawabata, dat hele verhaal voltrekt zich in de zintuigen van de hoofdpersoon. In essentie is dat hoe ik wil schrijven.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto auteur: Tessa Posthuma de Boer

     

  • Sander Kollaard onverwachte winnaar van de Libris Literatuurprijs 2020

    Niemand had het verwacht, ook de schrijver niet die maandagavond vanuit zijn thuisland Zweden, kort voor de winnaar bekend werd gemaakt, op ludieke wijze met zijn hond zat te tafelen. Waarbij ze hapjes uitwisselden, de hond een hapje van baasjes bord kreeg, en baasje een brokje uit de hondenbak nam, er smakelijk op kauwde. Hond en baas genoten zichtbaar, een papieren feestmutsje op het hoofd. Via een onlineverbinding was dit maandagavond te zien bij NPO Nieuwsuur.

     

    Toen bekend werd gemaakt dat de prijs naar hem ging, was de verbijstering, de schrik van zijn gezicht af te lezen. Het leek maar met moeite bij hem aan te komen dat de juryleden voor zijn boek Uit het leven van een hond, hadden gekozen. De jury koos, zoals gezegd, voor de uitzondering in de literatuur die volgens hen vooral bemand wordt door ‘moedeloze figuren in hopeloze situaties’, ze kozen voor een mensbeeld dat anderen steun kan bieden.

    Ieder jaar blijkt het een martelgang te zijn voor de genomineerden voor deze grote prijs. Elk jaar is er een gedoodverfde winnaar, dit jaar Manon Uphoff, iedereen had het verwacht bleek uit teleurgesteld reacties op social media. En er was een schrijver die het nu wel eens verdiende deze prijs te winnen, Oek de Jong. En die andere vier, die hadden evengoed een betekenisvol boek geschreven.

     

    De ochtend na de prijsuitreiking twitterde Sander Kollaard, ‘Wakker geworden. Dacht: er was iets. Vervolgens iemand met een megafoon, van zeer nabij, recht in mijn gezicht: LIBRISPRIJS! Schrok me een hoedje.’

     

    De overige genomineerden waren:

    Saskia De Coster met Nachtouders
    Marijke Schermer met Liefde, als dat het is
    Oek de Jong met Zwarte schuur
    Manon Uphoff met Vallen is als vliegen
    Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar

     

  • Fotosynthese 15 – Op zoek naar een verborgen verleden


    Eén van de beelden uit mijn jeugd dat me is bijgebleven is het verschraalde hout van de knielbanken in onze kerk toen ik na een afwezigheid van enkele maanden in mijn geboortedorp terugkeerde. Ik verliet het dorp  voor het eerst op mijn twaalfde, een klein, in zichzelf gekeerd plaatsje in een katholiek landschap. De terugkeer in de herfstvakantie van mijn kostschool voelde vervreemdend. Alles was kleiner dan ik me herinnerde, de boerenerven, de school, de straten, de afstanden. In de kerk zag ik ineens dat het hout van de knielbanken verschraald was. Wat ik mij als glanzend gelakt herinnerde, was verdroogd en verweerd. Dat beeld van die kerkbanken komt terug als ik leegstaande oude huizen zie, het rottende hout, de scheef hangende deuren, een verweerde geschiedenis. Het overkomt me ook bij foto’s. 

    Toen er eind 2019 vier heruitgaven verschenen van het werk van W.G. Sebald met nieuwe omslagillustraties, pakte ik mijn exemplaar van Austerlitz uit de kast waarop de op mij dierbare stofomslag de kleine ‘Jacquot’ te zien is, gekleed voor een gemaskerd bal. Het boek viel open op pagina 215 en de daarop volgende pagina’s, waarop foto’s staan van dichtgetimmerde gevels en verrotte deuren. Als verwijzingen naar wat Jacques Austerlitz aantrof in zijn geboortedorp toen hij er na tientallen jaren terugkeerde, op zoek naar sporen van zijn kindertijd en zijn moeder.
    Eén van die foto’s deed me denken aan hoe Georges Perec zijn vroegste jeugd en zijn moeder zocht in de rue Vilin in Parijs. En plotseling drongen zich allerlei parallellen aan mij op tussen de verhalen van Perec en Austerlitz. 

    Joodse wortels

    Austerlitz kwam op zijn vierde jaar met een kindertransport vanuit Praag naar Engeland en werd opgevoed in een (streng) domineesgezin in Wales. Pas veel later in zijn leven, als hij zich afvraagt waar zijn achternaam vandaan komt, ontdekt hij dat zijn Joodse wortels in Praag liggen. In die stad op zoek naar het verleden van zijn vader en moeder en komt onder andere in het vestingstadje Terezín (Theresiënstadt). Hij beschrijft op indrukwekkende wijze de sfeer van het stadje: ‘het afwijzende karakter van de zwijgende gevels, waar achter de blinde ramen nergens een gordijn bewoog (…) Maar het luguberst vond ik de deuren en poorten van Terezín, die naar mijn gevoel allemaal de toegang versperden tot een duisternis waarin nog nooit iemand was doorgedrongen en waarin (…) niets anders meer bewoog dan de van de muren afbladderende kalk en en de spinnen die hun draden weefden’ (vertaling Ria van Hengel). Dat is een taal die de onbeschrijfelijke diepte van gemis onder woorden weet te brengen. Sebald doet dat niet alleen in woorden. Hij illustreert zijn boeken vaak met zelfgemaakte foto’s om zo dicht mogelijk bij de echtheid van wat hij beschrijft te komen. Daarmee benadrukkend dat we het verhaal achter de zwijgende gevels nooit ten diepste zullen kennen. 

    Jacques Austerlitz is een fictief personage, maar zijn verhaal is dat tot op zekere hoogte niet. Geïnspireerd door een documentaire uit 1991 over de Joodse Susi Bechhöfer, schreef Sebald Austerlitz. Susi en haar tweelingzus Lotte kwamen, drie jaar oud, in 1939 met een kindertransport vanuit München naar Cardiff, Engeland en werden opgenomen in een streng domineesgezin. Treffend detail is dat de zusjes en Sebald op dezelfde dag, 18 mei, jarig waren. Lotte overleed op haar tiende. Susi had een gruwelijke jeugd en mede daardoor ging ze pas laat op zoek naar haar afkomst. In 1996 verscheen van haar Rosa’s Child: The True Story of One Woman’s Quest for a Lost Mother and a Vanished Past. (Dat Sebald haar verhaal gebruikte zette overigens kwaad bloed bij Susi Bechhöfer).

    Huis aan de rue Vilin

    Georges Perec had geen fictie nodig om een dergelijke zoektocht te beschrijven, bij hem ging het om vaag bekende gegevens. Hij wist waar hij geboren was, en wie zijn (Pools-Joodse) ouders waren en toch was hij zijn afkomst kwijt. De in 1936 geboren Georges werd al vroeg wees. Zijn vader kwam om door een granaat in 1940. Toen de razzia’s tegen vooral buitenlandse  Joden in Parijs begonnen, werd Georges eind 1942 ondergebracht bij een oom en tante in Villard-de-Lans en kort daarna in een kindertehuis aldaar. Zijn moeder, een kapster, bleef achter in Parijs. Hij zou haar nooit meer zien. Op 2 februari 1943 werd ze op transport gezet naar waarschijnlijk Auschwitz. Georges was toen zeseneenhalf jaar. Die eerste zes jaar van zijn leven bracht hij grotendeels door in een huis aan de rue Vilin. In 1969 zou hij schrijven dat hij daaraan geen enkele herinnering heeft, ‘noch aan de plek, noch aan de gezichten’. 

    Het bracht hem ertoe in datzelfde jaar die straat op te zoeken om deze heel precies te beschrijven. Die exercitie herhaalde hij tot 1975 nog enkele keren. Het verslag daarvan (opgenomen in Ik ben geboren) laat in al zijn kaalheid zien hoe het verleden, dat hij niet kende, zich steeds verder verwijderde, de notities worden steeds korter.

    Weergave van de tragiek

    In 1969 schrijft hij (vertaling Rokus Hofstede), ‘Op nr 24 (het huis waar ik eens woonde), Eerst een gebouw met één verdieping en op de begane grond een deur (niet meer in gebruik), helemaal rondom nog verfsporen en erboven, nog niet helemaal uitgewist, is het opschrift ‘DAMESKAPSALON’ nog te lezen. 

    In 1970: ‘Op nr. 24 zit er op het binnenplaatsje een kat op een kolenbunker. Het opschrift DAMESKAPSALON is nog leesbaar.
    In 1971 : ‘Op nr. 24: dameskapsalon (niet de winkel, alleen het spoor van de op de muur geschilderde winkelnaam)’.
    In 1972: ’24 nog steeds intact’.
    In 1974: ‘Nrs 18 en 22 zijn hotel-cafés die nog overeind staan, net als nrs. 20 en 24’.
    In 1975 noteert Perec na zijn bezoek opnieuw maar één regel. Over nr 24 niets. Een weergave van de tragiek dat ook Perec in een poging dichterbij zijn kindertijd te komen, in de woorden van Sebald, ‘het afwijzende karakter van de zwijgende gevels’ ervaart.

    Ik heb mijn ouders – anders dan Jacques Austerlitz, Susi Bechhöfer en Georges Perec, tot aan hun dood gezien. Ik ken mijn afkomst. Ik mag mijn jeugd totaal niet vergelijken met de hunne. Toch is de verschraalde kerkbank een sleutel om de schrijnende verschijning van hun deuren en gevels beter te begrijpen als ‘versperde toegangen tot een duisternis’. 

     

    Afbeelding: Perec voor Rue Vilin 24 (Filmstill uit ‘Rencontres avec Georges Perec’| Archive INA)


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

  • Vooruitkijkend naar de winnaar van de Libris Literatuurprijs 2020

    Komende maandag, 22 juni, wordt de Libris Literatuurprijs 2020 bekend gemaakt. Daarop vooruitlopend las criticus Rob Schouten de zes genomineerde boeken en deed daar verslag van in Letter & Geest, de weekendbijlage van dagblad Trouw, en komt met een winnaar.

    Schouten vraagt zich eerst af, en terecht waarom Otmars zonen van Peter Buwalda er niet opstaat en vindt ook dat de jury behoudend is geweest wat betreft de keuze van de genomineerden, want geen schrijvers van rond de dertig op de shortlist. Helemaal gezien het feit dat er de de laatste jaren ‘een enorme hausse’ aan talent is opgestaan. Hij mist dan ook schrijvers als Jamal Ouariachi, Ninã Weijers, Maartje Wortel en de ‘broertjes Heerma van Voss’.

    Wat geeft de doorslag, buiten dat het een goed boek is, wie er zal winnen? Zo overpeinst Schouten dat het eigenlijk gek is dat Oek de Jong, nu genomineerd met Zwarte schuur, nog nooit een echt grote prijs heeft gekregen. Wat doet vermoeden dat het dit jaar wel eens zou kunnen gebeuren. Maar ook dat elke jury graag een onderbelichte schrijver in het zonnetje wil zetten, en doelt daarbij op Sander Kollaard en zijn boek Uit het leven van een hond, een roman die volgens Schouten het zeker waard is de prijs te winnen. Zo neemt hij elke genomineerde titel onder handen en besluit dat het zes zeer geslaagde en verhalen vertellende boeken zijn die gaan over het mensbeeld van mannen en vrouwen. ‘Dat is kennelijk wat de literatuur nu vraagt: goeie verhalen.’

    Om te besluiten met een pleidooi dat de prijs naar Manon Uphoff moet gaan, ‘die van iets verwerpelijks in deze soms wel erg moralistische MeToo-tijden een subliem en spetterend vuurwerk heeft gemaakt. Echt heel erg goed.’

    De genomineerden zijn:

    Saskia De Coster met Nachtouders
    Sander Kollaard met Uit het leven van een hond
    Marijke Schermer met Liefde, als dat het is
    Oek de Jong met Zwarte schuur
    Manon Uphoff met Vallen is als vliegen
    Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar

    Lees hier het artikel op Trouw online.

     

     

  • Benjamin Moser wint Pulitzer Prize 2020

    Benjamin Moser (1976) werkte zeven jaar aan de biografie van schrijver en activist Susan Sontag (1933-2004), dat boek wordt nu geprezen om zijn volheid aan gegevens, waarvan schrijver Sigrid Nunez al zie dat zij zich niet kon voorstellen dat er ooit nog een ander boek over haar [Sontag] geschreven hoeft te worden. Deze week werd zijn werk bekroond met de Pulitzer Prize 2020 in de categorie biografie.

    In Sontag Haar leven en werk, vertaald door Lidwine Biekman en Koos Mebius, onderzoekt Moser onder andere het werk van Sontag waarop haar reputatie berustte. Susan Sontag is bekend van haar activistische essays en boeken als In Amerika en Tegen interpretatie. Haar werk handelt over conflicten in de wereld (de oorlog in Vietnam), mensenrechten, linkse ideologieën en communisme, maar ook over cultuur en fotografie. Als haar biograaf mocht Moser als enige gebruikmaken van Sontags privéarchieven. Daarbij interviewde hij wereldwijd honderden mensen, van wie velen nooit eerder over haar spraken, zoals Sontags laatste partner Annie Leibovitz.

    De jury over: ‘An authoritatively constructed work told with pathos and grace, that captures the writer’s genius and humanity alongside her addictions, sexual ambiguities and volatile enthusiasms.’

    Benjamin Moser is biograaf, redacteur en vertaler Frans, Spaans, Portugees en Nederlands. Hij studeerde en promoveerde in Utrecht waar hij nu zo’n twintig jaar samenwoont met schrijver Arthur Japin en uitgever Lex Jansen.

    Toen het nieuws Moser bereikte twitterde hij, ‘I want to tweet something that captures this moment but the only thing I can think of is omfg’.

    De Pulitzer Prize is een belangrijke Amerikaanse journalistieke prijs die sinds 1917 wordt uitgereikt. Dit jaar liep de uitreiking van de prijs wegens de coronacrisis enige vertraging op en vond uiteindelijk online plaats. De Pulitzerprijzen zijn de jaarlijkse  onderscheidingen voor journalistiek en kunsten.

    Sontag Haar leven en werk verscheen bij De Arbeiderspers.

     

    Rechtenvrije foto: Wikipedia

     

  • Cees Nooteboom ontvangt belangrijke Spaanse Literaire oeuvreprijs

    De juryleden van de  Spaanse prijs, El Premio Formentor de las Letras 2020 zouden eigenlijk in Lissabon bij elkaar komen maar daar stak het Coronavirus een stokje voor. Nu overlegden ze digitaal over naar wie deze literaire prijs zou gaan. Het werd de romanschrijver, dichter, essayist, vertaler en kunstcriticus Cees Nooteboom (1933). Hij ontvangt de prijs vanwege zijn onophoudelijke creativiteit. Volgens de jury is hij een van de grootste kroniekschrijvers van deze tijd.

    Cees Nooteboom geldt als een belangrijk auteur, vooral ook in het buitenland. Hij debuteerde met Philip en de anderen (1955), waarmee hij gelijk veel succes had. Na 1963 schreef hij jarenlang geen romans meer. Hij reisde veel en was enige jaren redacteur en columnist voor de Volkskrant (1961-1968). In 1980 verscheen zijn roman Rituelen. Zijn bekendste titels zijn Berlijnse notities (1990), De omweg naar Santiago (1992), de roman Allerzielen (1998) en de verhalenbundel ‘s Nachts komen de vossen (2009). Nooteboom werd in Nederland onder meer bekroond met de Constantijn Huygens prijs, de P.C. Hooftprijs en de Prijs der Nederlandse letteren, in het buitenland nog met de  Oostenrijkse Staatsprijs, de Goethe Preis en de hoogste onderscheiding in de reisliteratuur, de Chatwin-prijs. Zijn meest recente boeken zijn 533: een dagenboek (2016), Ibiza (2017) en Venetië-de leeuw, de stad en het water (2019).

    De internationale prijs El Premio Formentor de las Letras werd tussen 1961 en 1967 uitgereikt aan auteurs die hun leven hadden gewijd aan de literatuur en was een initiatief van de Spaanse uitgeverij Seix Barral. De naam was ontleent aan de stad Formentor, gelegen op het Spaanse eiland Mallorca en beroemd om zijn literaire bijeenkomsten. In die periode zijn onder andere aan de schrijvers Jorge Luis Borges, Samuel Beckett, Saul Bellow, en Jorge Semprún prijzen uitgereikt. Eerst werden de prijzen uitgereikt in Spanje, maar omdat Franco de onderscheidingen verbood, werden de uitreikingen elk jaar verplaatst naar het buitenland, zo werd in 1963 de prijs in Corfu uitgereikt en in 1965 in Valescure (Zuid-Frankrijk. Toen uitgevers hun steun aan de prijs stopten, werden er na 1967 geen prijzen meer uitgedeeld. Pas in 2011 werd de prijs weer in het leven geroepen en nu als oeuvreprijs. In de afgelopen jaren werden onder meer Carlos Fuentes, Juan Goytisolo, Javier Marias en Annie Ernaux met de prijs onderscheiden.

     

  • Ongrijpbare paradijsvogel – In memoriam Hans Verhagen (1939-2020)

    Op mijn netvlies staat die beroemde foto uit 1965 van de vierkoppige redactie van het avant-garde tijdschrift Gard Sivik/De Nieuwe Stijl. Recht in de camera kijkend: Armando, Hans Verhagen, C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar. Met uitdagende blik spieden de kersverse grondleggers van het poëtisch neorealisme in de lens. Armando als de getergde bokser, Sleutelaar als de gewiekste reclamemaker, Vaandrager als ongeleid projectiel, en er ietwat verbaasd tussenin de jonge Hans Verhagen. De heren hebben zojuist hun nieuwe stroming gepresenteerd waarmee ze de poëzie op haar grondvesten zullen doen laten schudden. Alles gericht tegen die vermaledijde Vijftigers die de poëzie met hun lyrische experimenteerkunst voorgoed hebben besmet. De ‘Zestigers’ propageerden een Nieuw Realisme dat voornamelijk moest bestaan uit het ‘intensiveren van de werkelijkheid’ en de ‘authenticiteit van de informatie’.


    Hans Verhagen is het minst
    overtuigende lid van deze club geweest. Vooral geïmponeerd door de reputatie van Armando en zijn Rotterdamse kompanen bleek na enige tijd dat hij niet helemaal in de wereld van de reclameteksten en readymades thuishoorde. Zijn in 1963 gepubliceerde debuutbundel
    Rozen & Motoren toont aanvankelijk nog het tegendeel. Uit de cyclus Genocide bijvoorbeeld dit:

    ‘Geboren 30-7-’61 10 u. 55, zoon van
     Hans Verhagen & Conny Tavenier’

    Een readymade in topvorm. Toch is in deze eerste bundel de wispelturigheid van Verhagen al aanwezig. De lyriek ligt op de loer en uit zich op haast onbewuste wijze in een groot aantal verzen. Alleen al het korte, titelverklarende gedicht is een duidelijke weerklank van de verteller, een persoonlijke uiting die de wenkbrauwen van de overige Zestigers zeker zal hebben doen fronsen:

    ‘Het is niet vrij van rozen
     en ook het gebruik van motoren
     is aan mijn lichaam niet vreemd.’

    De verwoording van de alledaagsheid in snoeiharde oneliners, wervende teksten uit het straatbeeld, het was allemaal razend interessant voor de dichterlijke veelvraat die Verhagen was. Maar het was niet voldoende. Daarbij voelde de aansluiting bij een stroming voor hem als een keurslijf dat er juist om vroeg op gezette tijden doorbroken te worden. 


    Hans Sleutelaar noemde Verhagen in
    die tijd ‘een romanticus tegen wil en dank, die de pathetiek niet schuwt.’ Dat werd in vele gedichten aangetoond, waarin Verhagens romantische lyriek een grote vlucht neemt. Uit de cyclus
    Sterren boven Bombay:

    ‘Je zei dat je zou komen,
     ik heb op je gewacht.
     Je zei dat je bij mij zou blijven,
     ik ben alleen gebleven.
     Ik hoopte dat je me alleen zou laten
     maar je hebt me met een menigte gevuld
     en ik weet niet wat ik doen moet –’

    Ook de uiterlijke vorm speelt al vroeg een rol in Verhagens werk. De bundels Cocon (1967) en Sterren cirkels bellen (1968) vallen op door hun uitbundige vormgeving. Kleurige pagina’s, geometrische vormen, typografische experimenten, de traditie om poëzie op gepaste wijze in zwart-wit aan het papier toe te vertrouwen is aan deze dichter niet besteed. Een directe link met zijn beeldende werk als schilder – in de jaren tachtig heeft hij zijn eerste solo-expostie – wordt goed zichtbaar in deze bundels. 


    Verhagen doet zijn ongrijpbaarheid eer
    aan en verdwijnt met enige regelmaat van de radar als dichter. Hij legt zich toe op de beeldende kunst en steekt veel tijd in zijn werk als televisie- en filmmaker. Als producent van de spraakmakende VPRO-programma’s
    Hoepla en Het Gat van Nederland weet hij de in die tijd geldende grenzen flink op te rekken. In 1983 verschijnt er dan weer een nieuwe dichtbundel, Kouwe voeten. Een diepzwarte bundel met veel regels die verwijzen naar Verhagens ex-vrouw Conny die, sinds hun scheiding, meerdere zelfmoordpogingen heeft gedaan. De verzen zijn sterk emotioneel, overladen met sentiment en handelen over de doorlopende levenscyclus en de betekenis van eeuwigheid:

    ‘In 1 keel meeschreeuwend met al wat niet kan zingen
     jaag ik tevergeefs door het stenen tafereel
     waarin ze plotseling oploste
     toen ik even niet keek.

     O de holte van d’r romp op zolder gevonden,
     met een gat waar d’r hart was en waar
     je doorheenkeek in een wirwar van stegen
     waarin ze verdween, m’n geweten.’


    Na opnieuw een lange pauze,
    en twee door critici slecht ontvangen bundels in de jaren
    negentig, is er vanaf 2000 weer een opleving in de poëzie. Verhagen laat zich in die jaren kennen als flamboyante, maar vooral onvoorspelbare gast op literaire avonden en festivals. Toch heeft de door drank en drugs overeindgehouden paradijsvogel met zijn bundel Triomfantelijke wandelingen weer een groot deel van de recensenten voor zich gewonnen. Met een sterk engagement en een reflecterend oog kijkt de dichter vooral naar zichzelf en zijn eigen beweging:

    ‘zonder punt van aankomst kom je niet tot stilstand,
     schiet je door je punt van nooit meer terugkeer heen –
     aankomen en wegwezen hebben geen betekenis meer
     tot je je zó in het bewegen hebt geïnfiltreerd dat je
     – niet gezegd op een plek waar jij het meest aan hecht –
     opnieuw lijkt stil te zullen staan; je begint weer om je heen
     te kijken en herkent van alles, alsof er in je leven
     niets veranderd is, wat opvallend is,
     omdat je juist is opgevallen
     dat alles anders is.’

     

    Dan volgen nog een aantal succesvolle bundels én een verzamelbundel en wordt in 2009  aan Verhagen de PC Hooftprijs voor Letterkunde toegekend. De jury spreekt van ‘verbluffend goede poëzie, vanwege zijn humor, zijn engagement, zijn poëtische durf en eigenzinnigheid’. De dichter reageert koeltjes op de prijs en vindt het allemaal ‘wel leuk – ik heb dat werk gemaakt, dat is ook wel wat waard’. Met het geldbedrag is hij erg blij. ‘Kan ik allicht een middag van roken. O ja, moet ik er iets nuttigs mee doen? Iets literairs? Een peuk van Kloos kopen of zo?’

    Hans Verhagen, de Zestiger die zich verzette tegen de Vijftigers, terwijl zijn grote liefde voor Lucebert altijd is gebleven. Over hoe hij zelf schrijft heeft hij nooit veel meer kunnen zeggen dan: ‘associatief, de woorden komen gewoon tot me’. De eeuwigheidswaarde van zijn omvangrijke oeuvre? Wil hij niets over horen. De ongrijpbare dichter, altijd in het hier en nu, schrijft de onmacht van zich af in Implosie (2009):

    ‘Met al mijn lyrische geneeskracht
     heb ik nog geen enkel wezen
     van het sterfbed teruggebracht’

     

     

  • Fotosynthese 13 – Boekmutilatie

     

    Vijf kinderen met een boek. De fotograaf zal in 1918 dit beeld zorgvuldig gecomponeerd hebben want zo gegroepeerd en aandachtig lezend zul je kinderen niet snel aantreffen zonder enige regie van buiten af. Toch schijnen de kinderen het niet onplezierig te vinden. Op een andere foto uit 1935, te vinden op de site van Het Geheugen van Nederland, ziet lezen eruit als een taaie plicht. Zo’n veertig kinderen buigen zich over een boek – een enkeling kijkt naar de fotograaf. Aan de zijkant van het lokaal staan twee vrouwen die als cipiers toezien.
    Gezamenlijk lezen zal in die tijd vooral functioneel bedoeld zijn geweest. Ik herinner mij in dit verband een zin die ik aanstreepte in Ik ben dynamiet van Sue Prideaux waarin ze Nietzsche, als criticus van zijn tijd, laat zeggen dat het verband tussen intelligentie en eigendom blijkbaar om snelle educatie vraagt. Zo kan er met grote vaart een geldverdiener worden geproduceerd: ‘De mens wordt slechts de afgemeten hoeveelheid cultuur vergund die verenigbaar is met de belangen van het gewin’. Hij waarschuwde anderhalve eeuw geleden al, maar het (neo)liberalisme is er doof voor.

    De staande vrouwen op de foto uit 1935 doen vermoeden dat orde handhaven hoger in het vaandel stond dan het aanmoedigen tot genieten. Er zal nauwkeurig op zijn gelet of er geen ezelsoren in de pagina’s kwamen, dat er niet in werd getekend, dat het lezen geruisloos verloopt en bladzijden voorzichtig worden omgevouwen.

    Toen ik zou oud was als deze kinderen woonde ik in een klein katholiek dorp. Er was een parochiebibliotheekje waarin je niet zelf in de kasten mocht neuzen. Een juf aan de balie taxeerde wat goed voor je was. Ik kreeg boekjes mee over de jeugdige Jezus, al vroeg had ik kennis genomen van het leven van een zekere Damiaan, een Belgische pater die met lepralijders werkte. En er was een stripboek: over Bernadette Soubirous, die in Lourdes Maria zag verschijnen toen ze hout aan het sprokkelen was. Ik las de boeken onbekommerd om de opgedrongen keuze. Ik genoot van het wonder dat letters woorden vormen, woorden zinnen en zinnen verhalen en dat ik ze kon ontsleutelen; naar de ethiek erachter vroeg ik niet. Toe al leerde ik boeken te koesteren, boodschappers die ik met respect behandelde. Ze waren zo belangrijk in mijn kinderleven dat ze welhaast deel werden van mijn identiteit. Een boek vertegenwoordigt geestelijk houvast, is een deel van het leven en een toegang tot ongekende werelden. 

    Een aanslag op een boek is geestelijke terreur. Wie herinnert zich niet het hartverscheurende tafereel uit Ciske de Rat waarin zijn moeder het boek verscheurt dat Ciske heeft gekregen van zijn invalide vriend Dorus (ik gebruik bewust in één zin hartverscheurend en boek verscheurend). De fatale gevolgen zijn bekend voor wie het boek kent. 
    Een ander voorbeeld van een dergelijk optreden van ouders is te vinden in Otmans zonen van Peter Buwalda. Als de kinderen Egon en Frida ruziën om Pluk van de Petteflet, scheurt hun vader het boek ‘met een verbeten gezicht langs de rug in twee stukken’ en gooit het in de open haard. En in De verboden tuin van Wessel te Gussinklo wordt Ewout het slachtoffer als zijn moeder zijn moeizaam bij elkaar gespaarde Dick Bosboekjes vernielt. Deze ouders hebben blijkbaar in de gaten hoe ze hun kind in het hart kunnen raken: door de deur naar de buitenwereld dicht te trappen.

    Ik kan er plaatsvervangend woest om worden. Zo ga je niet om met kinderen die van boeken houden. Ook niet met boeken zelf trouwens. Geert Wilders wist hoe hij gelovige moslims kwetste toen hij in de film Fitna door een ingemonteerd geluid de suggestie wekte dat de Koran werd verscheurd. En onlangs nog dacht een NRC-lezeres Tommy Wieringa in het hart te kunnen raken toen zij naar eigen zeggen en als wraak op een column van Wieringa over het Forum voor Democratie, alle romans van hem die ze had, zou verscheuren.

    Op de middelbare school mocht je zelf de boeken uitzoeken. Het leidde tot nieuwe ontdekkingen, nieuwe kennis. Helaas waren er ook teleurstellingen als ik weer eens op een boek stuitte dat gemutileerd was: pagina’s uitgescheurd of platen uit geknipt. Soms viel iemand door de mand als zijn werkstuk verfraaid bleek met een illustratie die iemand anders nu juist in zijn boek had gemist.

    Uit de literatuur zelf ken ik in elk geval één voorbeeld van een dergelijke wandaad: in de magisch-realistische roman Als op een winternacht een reiziger van Italo Calvino, waarin de Lezer en de Lezeres een bepaald boek niet meer kunnen bemachtigen. Omdat er maar één exemplaar van bestaat hebben studenten, zoals één van hen zegt, ‘dat onder elkaar verdeeld, het was een nogal omstreden verdeling, het boek is in stukken gescheurd, maar ik geloof echt dat ik het beste stuk bemachtigd heb’.
    Aanranding van boeken is onvergeeflijk, en er blijkt veel meer te worden gescheurd dan ik verwachtte.

    Ik heb het niet over een tekening van tekenaar Stefan Verweij, waarop een man zijn boek dichtslaat en het met de uitroep ‘Uit!’ in de open haard gooit. Inderdaad: het is een spotprent! Maar dat zelfs iemand als Marsman een dergelijke wandaad beging, vind ik ongelooflijk. Arthur Lehning schrijft in H. Marsman, de vriend van mijn jeugd dat de door mij toch hooggeachte dichter in 1934 in een Spaanse trein elke bladzijde van een roman van Albert Helman die hij gelezen had uitscheurde en naar buiten gooide. En hij blijkt niet de enige. In een interview in NRC Handelsblad van 29 maart 1991 vertelt Frits Bolkestein dat hij alle pagina’s die hij had gelezen in Moby Dick hetzelfde lot toebedeelde: weg door het raam. 

    Dergelijk vandalisme zou Helene Hanff en Frank Doel een gruwel zijn geweest. Zij correspondeerden jarenlang met elkaar, hij de antiquarische boekhandelaar van Marks & Co in Londen en zij schrijfster in Pennsylvania op zoek naar zeldzame boeken. Hun brieven tintelen van liefde voor boeken. Het is allemaal beschreven in Charing Cross Road 84. Ik herken hun liefde voor boeken.

    Hoopvol denk ik dat er op zijn minst toch wel een paar kinderen in die leeszalen van 1918 en 1935 zullen zijn geweest die een sprankje van dat gevoel beleefden, dat ze bevriend raakten met een boek en bij wie het in hun leven latere nooit zou opkomen ze te mishandelen.

     

    Lees hier over nog een vernielzuchtige boeklezer op Renzo Verwers blog.
    Afbeelding: Frans Ferdinand van der Werf (1903-1984).


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

  • Uit respect voor het boek zijn onze uitgaven niet in de ramsj te vinden

    De jonge uitgeverij Koppernik, opgericht in 2014 door Bart Kraamer en Chris de Jong, afficheert zich als onafhankelijk en is gericht op eigenzinnige boeken die gedurfd  en uitdagend zijn. Waar zit die uitdaging precies in en wie zijn de mensen achter deze eigenzinnigheid? Adri Altink sprak voor Literair Nederland met Chris de Jong, een van de uitgevers van Koppernik.

    We ontmoeten elkaar in Haarlem. De door Chris de Jong voorgestelde wandeling zit er door de weersomstandigheden niet in. Aanhoudende regens houdt de mensen binnen, het plein voor de Sint-Bavo ligt er net zo verlaten bij als de Piazza del Duomo in Milaan door  het coronavirus. We gaan naar Grand Café Brinkmann aan de Grote Markt, waar al snel een geanimeerd gesprek ontstaat.

    Hoe is de uitgeverij ontstaan?

    ‘Ik had zelf een roman geschreven die ik naar Meulenhoff had gestuurd; Bart Kraamer werd daar mijn redacteur. Een reorganisatie bij Meulenhoff zorgde er echter voor dat hij boventallig werd en mijn debuut niet doorging. We hielden er wel een vriendschap met elkaar aan over. Boeken en literatuur bepaalden onze gesprekken en we zaten vol ideeën over literatuur die bij uitgevers geen kans krijgt. Tot iemand ons het laatste zetje gaf met de vraag: waarom beginnen jullie zelf geen uitgeverij?’

    En dat werd Koppernik. Hoe kwamen jullie aan die naam?

    ‘Die was een idee van Bart. Hij had Doctor Copernicus van John Banville gelezen en was daarvan onder de indruk. Koppernik of ook wel Kopernik was de oorspronkelijke naam van de Poolse astronoom die een wetenschappelijke revolutie veroorzaakte door het geocentrische denken te verlaten tegen de druk van zijn tijd en zijn geloof in. Een radicaal andere manier van kijken, zoals ook wij anders naar de boekenmarkt kijken’.

    Waar zit dat in, die revolutionaire blik van jullie?

    ‘Wij geloven dat de commercie veel te bepalend is in de huidige boekenwereld. Zonder bestsellers kan een uitgeverij niet gedijen en als een uitgever dan al eens overweegt om een vernieuwende en minder bekende, misschien ook wel minder toegankelijke, auteur aan te durven, dan hijgt onmiddellijk de verkoopafdeling in zijn nek. Dat gaat ten koste van veel kwalitatief goede literatuur waarvan wij vinden dat die de lezer wat nieuws te zeggen heeft. Wij willen juist die boeken aantrekkelijk presenteren en verleidelijk maken. We kiezen daarbij vooral voor de stijl. Die moet uitdagend zijn, gedurfd en oorspronkelijk. Dat zegt nog niets over de thematiek. Ze kunnen gaan over zaken die we in de mainstream literatuur ook tegenkomen, zoals onderdrukking, misbruik, klimaat, politiek en dergelijke. Maar voor ons moet de stijl waarin die thema’s worden benaderd een heel persoonlijke zijn’.

    Waarin verschilt jullie aanpak van gevestigde grote uitgeverijen? 

    ‘Wij vormen met zijn tweeën de hele uitgeverij. We doen alles zelf: de selectie, de redactie, de opmaak, de administratie enzovoort. We hebben ook alleen vertegenwoordigers in dienst die ons fonds aan de man brengen. We hebben zelfs geen pand. Vergaderen hoeven we nauwelijks omdat we met zijn tweeën een heel korte lijn hebben en gesprekken met schrijvers of met interviewers, zoals nu met jou, houden we in een café of ergens anders. Onze werkkamer is het huis van Bart. Daar is het een opeenstapeling van paperassen, dummy’s en administratieve verwerking. En boeken natuurlijk’.

    Wat opvalt is de herkenbare vormgeving van jullie uitgaven. Er zit een duidelijke verstilling in gebaseerd op gedempte kleuren met af en toe penachtige tekeningen. Ze zijn een heel eigen signatuur. Komt die ook uit jullie handen?

    ‘Het idee voor de omslagen is meestal wel van ons zelf. Dat kan een beeld zijn dat we in ons hoofd hebben, maar soms baseren we ons, bij vertalingen bijvoorbeeld, op de oorspronkelijke uitgaven. Soms maken we daarna het omslag zelf, maar vaak doen we daarvoor ook een beroep op een bevriende kunstenares, Anouk Martijn. Ik vind het leuk dat je onze uitgaven al aan de omslagen herkent. Dat willen we ook, een kenmerkende illustratieve stijl, maar ook een strakke belettering die we steeds gebruiken. We hebben daar overigens wel een ontwikkeling in doorgemaakt. In het tweede jaar van ons bestaan zijn we wat dat betreft de fout ingegaan. Terugkijkend vind ik dat we toen kozen voor te felle kleuren; we waren iets te schreeuwerig. Ik ben blij dat we daar van afgestapt zijn’.

    Er spreekt ook uit dat jullie het papieren boek als kunstvoorwerp belangrijk vinden. Bijna niets van jullie is als e-book verkrijgbaar.

    ‘Dat klopt, en dat heeft inderdaad een ideële reden. Het produceren van een e-book kost nauwelijks geld, dus daarvoor hoeven we het niet te laten. Maar het gaat wel ten koste van zaken zoals een bladspiegel, het wit in een tekst, de regelval en andere zaken die het boek tot een kunstwerk maken. En er is nog iets: onze boeken hebben een zachte cover. Een enkele keer levert dat problemen op, zoals bij nominaties voor een prijs of bij een bekroning. Toen Wessel Te Gussinklo vorig jaar de Bookspotprijs won, moesten we de omslagen van zijn bekroonde De Hoogstapelaar aanpassen omdat er stickers op moesten kunnen. Uit respect voor het boek zul je onze uitgaven ook niet in de ramsj vinden’.

    Dat zijn mooie idealen, maar er moet natuurlijk wel brood op de plank.

    ‘Natuurlijk nemen we risico’s. Maar door onze grote zelfwerkzaamheid springen we er met een verkoop van tweeduizend exemplaren al goed uit. Alles wat  meer is, geeft weer ruimte voor nieuwe plannen. Van De Hoogstapelaar verkochten we er bijvoorbeeld na het winnen van de Bookspotprijs veel meer en nu het op de shortlist van de Librisprijs staat loopt het misschien nog beter. Het aantal uitgaven is beperkt. We doen er twaalf per jaar met een enkele uitschieter tot vijftien à achttien. Onze eerste uitgave in 2014 was Zeer helder licht van Wessel Te Gussinklo. Bart kende hem goed en toen zijn plan om essays uit te geven bij zijn eerdere uitgever niet aansloeg koos hij voor ons. De roman werd meteen genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Dat was natuurlijk een geweldige binnenkomer voor ons als nieuwe uitgever. We hebben daarna eigenlijk nooit te klagen gehad over aandacht. Uitgaven van ons werden goed gerecenseerd en enkele romans haalden VPRO Boeken en het panel van DWDD. Ons concept slaat dus duidelijk aan. Sinds vorig jaar hebben we zelfs een investeerder, al hebben Bart en ik nog altijd een meerderheidsbelang wat aandelen betreft. Mocht het eens wat slechter gaan’ (hij grinnikt), ‘dan zijn we niet te beroerd om de handen op een andere manier uit de mouwen te steken. Bart vertaalt bijvoorbeeld uit het Zweeds en ik ben handig in kluswerk in de bouw. Maar dat heb ik al een tijd niet meer hoeven doen’.

    Hoe komen jullie aan je titels?

    ‘We lezen veel, niet alleen romans, poëzie en essayistisch werk, maar we volgen ook literaire bladen en bezoeken beurzen. Bij die gelegenheden steken we veel tijd in persoonlijke contacten. We wijzen elkaar voortdurend op belangwekkende boeken die niet de aandacht krijgen die ze verdienen. Het komt ook nogal eens voor dat vertalers ons tippen en een boek bij ons onder willen brengen. We laten ons niet afleiden door bekroningen, maar zoeken eerder naar werk dat volgens ons ten onrechte onder de radar blijft.’

    En de manuscripten?

    ‘Die krijgen we behoorlijk veel, maar ze zijn in onze ogen zelden gedurfd genoeg. Ik schat dat we er in een jaar een paar honderd binnen krijgen, maar in slechts één geval hebben we dat debuut ook daadwerkelijk uitgegeven’.

    Tijdens het gesprek pakt De Jong een paar keer zijn telefoon om te laten zien op welke uitgaven hij het meest trots is: het pas verschenen De Tanners van Robert Walser uit 1907, De wetten van water van Cynan Jones, Onder het water van Daisy Johnson, en werk van Rilke en Huub Beurskens.

    En die roman waarmee het allemaal is begonnen, mogen we die nog verwachten?

    (Weer een glimlach) ‘Ik weet het niet. Maar als hij er komt breng ik hem ergens anders onder. De uitgeverij is er niet om mezelf op het podium te zetten.’

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Klik hier voor een blik op alle uitgaven van Uitgeverij Koppernik.

     

     

  • Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor Mirthe van Doornik en Henriette Roland Holstprijs voor Nicolien Mizee

    De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft onlangs de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs aan Mirthe van Doornik toegekend voor haar debuutroman Moeders van anderen. Deze stimuleringsprijs wordt jaarlijks uitgereikt, afwisselend in de categorie poezie en proza. Mirthe van Doornik ontvangt een glasobject en 7.500 euro. Moeders van anderen verscheen in 2018 bij Uitgeverij Prometheus.

    De jury bestaande uit Hanneke van Eijken, Kester Freriks, Pia de Jong, Gerard Raat en Yves T’Sjoen: ‘Het is om zowel inhoudelijke als stilistisch-compositorische redenen dat de jury het pure en overtuigende prozadebuut Moeders van anderen voordraagt voor de Van der Hoogtprijs 2020 van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Met deze unanieme keuze wil de jury graag onderstrepen dat het genre roman in de huidige tijd, gekenmerkt door nadruk op het journalistiek-documentaire, zeer indrukwekkend kan zijn.’

    De Van der Hoogtprijs werd eerder onder meer  gewonnen door Lize Spit, Merijn de Boer, Erwin Mortier, Arthur Japin, Wessel te Gussinklo, Margriet de Moor, Thomas Rosenboom en Anna Blaman de Van der Hoogtprijs.

     

    Henriette Roland Holstprijs voor Mizee

    De Henriette Roland Holstprijs, die sinds 1984 eens in de drie jaar wordt uitgreikt, is toegekend aan Nicolien Mizee voor haar eerste twee faxboeken De kennismaking en De porseleinkast (Van Oorschot). Mizee ontvangt een oorkonde en 3.000 euro. De prijs is – zo staat op de site van haar uitgever vermeld ‘na een troostprijs voor een tekenwedstrijd op mijn negende’ – de eerste prijs die Nicolien Mizee ontvangt.

    De in bestaat al sinds 1957 en is ingesteld als prijs voor een ‘in de Nederlandse taal geschreven werk van proza, poëzie of toneel dat zowel uitmunt door sociale bewogenheid als door literair niveau’.

    Uit het juryrapport: ‘In haar faxen brengt Mizee verslag uit van de periode waarin ze haar eerste romans concipieerde. Nauwgezet geeft ze weer hoe haar schrijverschap zich heeft ontwikkeld. In het bijzonder waardeert de jury Mizee’s sprankelende stijl, haar sterke humor, authentieke onaangepastheid, invoelbare wanhoop en niet in de laatste plaats ook haar genadeloos eerlijke zelfanalyse.’

    Eerdere laureaten van de Henriette Roland Holstprijs zijn onder meer Alfred Birney, David Van Reybrouck, Tom Lanoye, Johan de Boose, Bas Heijne, Geert Mak, Inez van Dullemen, Lieve Joris en Jan Hein Donner.

     

  • Boekhandelsprijs voor ‘Lichter dan ik’ van Dido Michielsen

    Dido Michielsen heeft met haar roman Lichter dan ik de Nederlandse Boekhandelsprijs gewonnen. Michielsen schreef eerder non-fictie werk dat werd uit gegeven door De Bezige Bij. Vorig jaar debuteerde ze bij Holland Diep met een roman die gebaseerd is op het leven van haar betovergrootmoeder in Indonesië. Het verhaal gaat over Isah, een jonge vrouw die eind negentiende eeuw opgroeit in de kraton, het vorstenverblijf in Djokja. Ze wordt huishoudster van een Hollandse officier, met wie ze een verhouding krijgt waaruit twee dochters voortkomen. Als de officier alsnog met een Nederlandse vrouw trouwt laat hij haar en de kinderen simpelweg achter en moet Isah grote offers brengen om haar kinderen te onderhouden.

    De Boekhandelsprijs bestaat sinds 2015 en wordt jaarlijks toegekend aan een oorspronkelijk Nederlandstalig literair werk, een boek dat volgens de boekhandelaren om zijn inhoud en thematiek meer aandacht verdient. De prijs is gelijk aan boekhandelsprijzen die in andere landen al langer bestaan, zoals in Duitsland de Deutscher Buchpreis en in Amerika de National Book Award. De winnaar wordt gekozen door, zoals de naam doet vermoeden, boekverkopers uit het hele land. De prijs bestaat uit een publiciteitscampagne en een geldprijs van 7.500 euro.

    Hoewel er oorspronkelijk bij de Boekhandelsprijs geen genomineerden zijn, ontstond er dit jaar een lijst van vijf titels die voor de prijs in aanmerking kwamen: Ish Ait Hamou, Het moois dat we delen, Dido Michielsen, Lichter dan ik, Marijke Schermer, Liefde, als dat het is, Machteld Siegmann, De kaalvreter en Manon Uphoff, Vallen is als vliegen.

    De prijs werd op 20 februari in boekhandel Scheltema te Amsterdam aan Dido Michielsen uitgereikt. Van Lichter dan ik wordt een speciale luxe boekhandelsprijs-editie gemaakt, waarna een landelijke advertentiecampagne volgt.

    Eerdere winnaars van De Nederlandse Boekhandelsprijs waren Onder de paramariboom van Johan Fretz (2019), Wees onzichtbaar van Murak Işık (2018), Het smelt van Lize Spit (2017), Alleen met de goden van Alex Boogers (2016) en Birk van Jaap Robben (2015).

     

    Lees de recensie van Lichter dan ik die op 16 oktober 2019 op Literair Nederland verscheen.