• Nieuwe Tirade

    De redactie van Tirade kocht op een veiling 13 koffers, die hun werkzaam leven beëindigden, eenzaam en verlaten ronddraaiend op de bagageband op Schiphol. Van wie waren deze koffers en waarom bleven ze staan en werden ze nooit opgehaald? 13 schrijvers kregen een koffer van een onbekende thuis. Het leidde tot poëzie, korte verhalen, essays, beschouwingen en een prozagedicht.

    ‘Hoe kwam een Paraguyaans meisje, op vakantie in Ierland aan een Russische Maxime? En waarom waren sommige kledingstukken verpakt in doorzichtige plastic zakjes?’ vraagt Hans den Hartog Jager zich af. Maarten Asscher: ‘Na enig determineren, oog in oog met het breed lachende, deels met ritselende korreltjes gevulde schepsel, kom ik tot de conclusie dat het ondanks zijn vaalgroene kleur om een nijlpaard gaat.’ Ester Naomi Perquin wordt zeer persoonlijk met de eigenaresse van haar koffer. ‘In een hoek van de kamer stond haar rugzak. “Als je nu niet weggaat mis je de trein,” zei ik. Ze haalde haar schouders op. Er was iets in haar blik dat me ongemakkelijk maakte.’ Menno Wigman ontkomt niet aan de douane:‘“Und was machen Sie sonst noch?” Vernedering op vernedering. Hij sloot mijn koffer en vroeg of ik mijn armen in de lucht wilde steken’. ‘Jakie werd geboren op Super Tuesday,’ schrijft Sanneke van Hassel. Verder met Miek Zwamborn, Ton Rozeman, Edwin Fagel, Roos Ouwehand, Martin Vesseur, Erik Menkveld, Vonne van der Meer en Martijn Meijer: ‘Wat zeggen je boeken over wie je bent? Heb je geen eigen smaak als je een kast vol bestsellers hebt? Welke boeken iemand leest, zegt weinig over wie hij is.’

    Meer op www.tirade.nu

  • Arthur Japin – Zoals dat gaat met wonderen

    Toespraak gehouden bij de presentatie van het Privé-Domein-deel Zoals dat gaat met wonderen van Arthur Japin, als hij me gevraagd had een toespraak te houden en als er een presentatie was geweest

    Geachte aanwezigen,
    Arthur Japin heb ik voor het eerst ontmoet in 1998 of 1999. De precieze dag weet ik niet meer, want ik houd geen dagboek bij. De zwarte met het witte hart was net uit en net begonnen aan de triomftocht die Arthur over de hele wereld zou voeren. Het interview vond plaats in Westerbork. In de zaal zaten meer dan honderd vrouwen. Toen al. Het gesprek ging gemakkelijk. Er was, denk ik, echt contact. Na afloop wilde ik de schrijver ten afscheid zoenen, maar ik zag er maar vanaf. In plaats daarvan gaf ik hem een Tzum, met de vraag of hij een keer de rubriek ‘Het Schetsboek’ wilde vullen. In vliegende haast vertrok hij naar de trein. Ik en de mensen van de organisatie om me heen wisten dat we een bijzondere avond hadden meegemaakt, maar we konden niet benoemen waar het aan lag.
    Op de lange terugweg naar Groningen deelde ik aan twee vriendinnen Drentse turfjes uit, truffelachtige chocolaatjes die ik van de organisatie had gekregen. Lekker en knapperig, maar mij net iets te wee.
    Twee dagen later kreeg ik een mailtje van Arthur. Of ik die turfjes al had gegeten. Hij was er een beetje misselijk van geworden en toen hij opnieuw in het zakje keek, begreep hij waarom: er kropen maden in rond.
    Bij ons was het zakje leeg gegeten tijdens de autorit.

    Zou zo’n anekdote nu ook opgeschreven kunnen zijn door Arthur Japin? Ik waag het te betwijfelen. Misschien heeft hij er wel melding van gemaakt in zijn dagboek, maar om dit nu te publiceren? Gelukkig voor Tzum bleef het niet bij die turfjes-mail. Arthur schreef een Schetsboek en vond het genre zo leuk dat hij vaste medewerker van ons kleine literaire blad werd met zijn eigen rubriek ‘Carte blanche’. Grote stukken die in Tzum stonden, zijn nu terug te vinden in dit boek. Ik ben een beetje jaloers op dat boek. Ik had het zelf wel willen uitgeven. Niet omdat Arthur Japin inmiddels een grote naam is geworden, wereldwijd, maar omdat ik deze dagboekfragmenten, samen met zijn verhalen, tot zijn beste werk vind horen.

    Ik vind literatuur het interessants op het moment dat het persoonlijke leven van de schrijver het fictieve product (boek, gedicht, film etc.) raakt. In mijn ‘poëtica’ is dat het schimmige argument van de authenticiteit of de echtheid achter het verhaal. Onmeetbaar en daarom redelijk onwetenschappelijk, maar bij mij vaak wel de belangrijkste reden om een boek te waarderen. Bij de schrijver Japin kom je dan volledig aan je trekken, want hij is Kwasi, hij is Lemmy, Lucia, Granny. Het dagboek geeft je inzicht in het wordingsproces van de romans. Uitspraken die Arthur doet over zijn persoonlijke leven zie je later, soms jaren later terugkeren in zijn romans. De tweede notitie in Zoals dat gaat met wonderen stamt uit januari 2000 en gaat over een mier.

    Een mier loopt over de tegels van een keuken. Hij rolt een broodkruimel voort. Een vrouw vult een emmer. Ze pakt een schrobber en giet het water uit over de vloer. De mier ziet de vloedgolf op zich af komen.
    Niets is erger dan iets anders.

    Zeven jaar later zien we die mier weer opduiken in de roman De overgave. Dan worstelt de mier in een plas bloed en Granny kan op dat moment alleen maar overleven door haar aandacht te houden bij dit hele kleine leven.

    Een andere reden om van de dagboeknotities van Arthur te houden is dat er zoveel in gebeurt. Ik heb veel dagboeken gelezen en heus ik houd ook van die dagboeken waarin de schrijver om twaalf uur ontwaakt, een beschrijving geeft van zijn ontbijt, de moeilijke stoelgang en de hoeveelheid sigaretten en drank die hij gedurende dag consumeert, maar nog liever heb ik dan Japin die in Afrika en Amerika en Indonesië en god weet waar rondreist, mensen ontmoet, terecht komt in de meest vreselijke omstandigheden: vliegtuigen die getroffen worden door de bliksem; in een auto rondrijdend in Texas waar zo’n noodweer heerst dat het tot rampgebied verklaard wordt; in de Oekraïne toevallig de vergeten moeder van Poetin ontmoeten etc. etc. etc. Je vraagt je af waar hij de tijd vandaan haalt om boeken te schrijven. Voor mij hoeft hij dat ook niet meer te doen. Ga de rest van je leven rondreizen en beschrijf die reizen. Heerlijke lectuur.

    Arthur Japin is een moralist. Hij wil zijn publiek een les leren. En dat is dan ook nog vaak een positieve les. Dat is dubbel fout in de ogen van de moderne literatuurcriticus. De lezer moet zelf immers maar de lessen trekken en zelf een moreel standpunt innemen. In het begin stuurde ik wel af en toe een opmerking van die strekking naar Arthur. Of die zin en die zin niet geschrapt konden worden. Later ben ik ermee opgehouden. Arthur Japin had carte blanche, dan moet je hem dus niet iets gaan verbieden. Daarnaast begon ik me steeds meer af te vragen waarom ik ertegen was. Vooral, vermoed ik, omdat andere mensen ertegen waren. De schrijver heeft in onze samenleving al lang niet meer een positie waarin hij ‘wijze’ dingen mag en kan zeggen. Van dat podium is hij allang naar beneden getrokken. In die zin is Japin een ouderwetse schrijver gebleven. Hij heeft nog steeds maatschappelijke overtuigingen en politieke voorkeuren en hij deelt ze ook nog. Zo zie we zijn minachting voor het gedrag van oud-minister Herfskens die op bezoek is in Afrika en totaal geen belangstelling toont voor haar gastheren. Zo merken we dat Japin woedend wordt op al te gemakkelijke opinies na 9/11 en zelfs een regelrechte afkeer heeft van het ‘recht op kwetsen’ dat wordt opgeëist na de dood van Theo van Gogh. En in die minachting, woede en afkeer herken je vaak de motieven die (vaak) direct herleidbaar zijn uit zijn jeugd. Ik vind het wel prettig dat iemand tegengas geeft op het moment dat iedereen roept dat kwetsen mag. Moralistisch? Heel goed. Wel meer schrijvers zouden zich mogen uitspreken over politieke kwesties.

    Ben ik al over mijn tijd heen? Maar ik wil juist nog iets zeggen over de opbouw van het boek. Die vind ik ook uitgekiend. In interviews heeft Japin gezegd dat hij veel meer materiaal heeft dan hij nu publiceert. Ik weet dat een beetje vanaf de zijlijn. In sommige jaren zie ik ook wat hij weglaat. Hopelijk wordt ook dat nog eens gepubliceerd, want het dagboek zoals het er nu ligt, is me veel te dun, als ik nog wat kritiek mag spuien. Hans Warren had er wel vijf boeken uit gesleept en zo heel veel gebeurde er nu ook weer niet in diens leven.
    Wat ik knap vind aan het dagboek van Arthur is dat hij ernst en luim met elkaar in evenwicht brengt. Over die ernst is wel genoeg gezegd: die vind je in zijn stukken over zijn schrijverschap, de politiek en zijn jeugd. Onderbelicht zijn de komische kanten van het dagboek. Ik kan erg lachen om passages als deze:

    Zomaar een formule voor geluk.
    ‘Ik heb zo’n diep melancholiek zondagavondgevoel,’ verzucht ik.
    ‘Ik ook,’ beaamt Ben, ‘zo’n akelig zondagavondgevoel.’
    ‘Het is dinsdagmiddag,’ zegt Lex.

    Zoals dat gaat met wonderen staat vol met wonderen en passages vol zelfrelativering. Als hoofdredacteur en als gewone lezer beveel ik dit boek iedereen aan: het is prachtig, ontroerend en humoristisch. Arthur Japin is ook de enige schrijver die veel reacties oproept bij de lezers van het blad. Dat is vooral het geval op de momenten dat hij een aflevering overslaat. Dan krijgen we mailtjes dat ze Japin missen. Dat zegt genoeg, lijkt me.

    (Buiging / af)

  • Dandy?s, decadenten en fatale vrouwen

    Dandy’s en decadenten ? ze zijn zo Engels als fish and chips. Het begrip ‘decadentie’ voor een literaire stroming mag dan een Franse vondst zijn, toch keken Baudelaire en zijn navolgers naar de Britse eilanden voor hun bronnen. Zij verlustigden zich aan de Engelse dandy’s, de seksuele uitspattingen van Lord Byron en het rebelse atheïsme van Shelley.

    Dandy’s en decadenten van Martin Koomenonlangs verschenen bij uitgeverij Bas Lubberhuizen, is een uitvoerige studie en een naslagwerk over dandy’s, decadenten en fatale vrouwen, hun Engelse afkomst en de spanning tussen de stiff upperlip en de losbandige mores van de Britse dandy.

    Martin Koomen schreef naast thrillers en romans een tweetal veel geprezen gidsen, De literaten van de Linker Oever en Het literaire Dublin.

  • Moord op een cliniclown

    Sinds enige weken ligt het boek in de winkel en ik heb het boek al aan veel mensen aangeraden: Visser van Rob van Essen. De roman is jaloersmakend goed geschreven; het verhaal is humoristisch en ontroerend tegelijk.
    De hoofdpersoon Jacob Visser is een geschiedenisleraar in een op Zwolle lijkende plaats. Hij maakt op school een ongelukkige opmerking over het leven in de kampen tijdens de oorlog die erop neerkomt dat je, als je dan toch in een kamp zit, beter kampbewaarder kunt zijn dan slachtoffer. Dat gegeven zet een maalstroom aan gebeurtenissen in gang. Hij wordt vrijwel direct geschorst. Enkele jongeren zien Visser opeens als het ideale rechtse boegbeeld. Er komt zelfs een Visserjeugd.
    Daarnaast speelt het normale gezinsleven van Visser die in een wat deprimerend huwelijk zit. Een dochter van hem staat op het punt te trouwen. Een andere dochter is jaren geleden op jonge leeftijd overleden. Visser staat er alleen voor in dit boek. De vrienden die hij had, is hij in de loop der jaren kwijtgeraakt. De nieuwe ‘vrienden’ die hij krijgt dankzij zijn domme opmerkingen die in de regionale krant zijn gekomen, zijn niet helemaal de juiste types.
    Het knappe van dit boek is dat de hoofdpersoon in feite erg weinig doet en erg weinig zegt. De dingen overkomen hem. Eigenschappen, drijfveren en opvattingen worden hem door anderen opgedrongen: zelf neemt hij nauwelijks initiatief. Hij raakt het hele boek door verzeild in situaties waardoor het van kwaad tot erger wordt, maar de sympathie van de lezer (althans deze lezer) blijft bij de hoofdpersoon omdat de ander continu botter en dommer is.
    Het knappe van dit boek is dat het Van Essen lukt om je binnen een hoofdstuk te ontroeren door de beschrijving van een doodziek jongetje dat Visser tegenkomt in het ziekenhuis en bij wie hij aan bed gaat zitten én je daarna te laten lachen in een slapstickachtige scène waarin cliniclown in elkaar wordt geslagen en je daarna weer weet te ontroeren. Het gebeurt in nog geen tien bladzijden en het zijn tot nu toe de mooiste bladzijden die ik dit jaar heb gelezen. En zo zijn er veel scènes te noemen die door de rare mengeling van ironie en treurigheid een volstrekt unieke leeservaring creëren. Visser is een prachtige roman.

    Coen Peppelenbos

    Rob van Essen ? Visser. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 189 blz. €15,50

  • Spek

    Mike Naafs, schrijver over film en eten, schrijft elders over film en op Literair Nederland over eten, daarbij raadt hij steeds een goed kookboek aan. Deze week: Spek:

    Made in China

    Buikspek.

    Spek. Lap. Lap spek. Buik. Spekbuik. Buikspek. Oftewel: Ongesneden speklapjes. Rond de 500 gram. Werp het in een pan met kokend water. Laat weer aan de kook komen. Schuim af. En sudder 25 min. Haal het spek uit het water en laat volledig afkoelen, liefst in de koelkast. Snij in dunne plakken en zie waarom ze het in China vijfbloemen vlees noemen. Vijf lagen varken. Het lijkt wel een flat. Netjes boven elkaar. Maakt niet uit. Zolang hij nog maar kort ervoor geleefd heeft. Dat is het enige dat telt. Versheid. De smaak van vers vlees. Maak er dunne reepjes van en wok ze op half hoog vuur totdat ze hun bovenste vetlaag afgeven en kromtrekken – van de hitte welteverstaan. Het heet niet voor niets dubbel gekookt varkensvlees. Schuif ze aan de kant, voeg de chilipasta toe, zie het vet bloedrood kleuren en roer vervolgens de gelebonen saus en gefermenteerde zwarte bonen erdoor. Breng op smaak met sojasaus en suiker. Voeg tenslotte een groente na keuze toe: paprika, lente-ui, radijs, bloemkool. Of, wat ze in de provincie Sichuan gek genoeg vaak doen: gefrituurde pita broodjes. Pita-broodjes? Via de Zijderoute binnengewandeld? Niemand kan er met zekerheid over praten, de ontstaansgeschiedenis van recepten in China bestaat slechts uit mythes en legenden. Zoals de man die eens bij een theehuis kwam aangelopen met een mand verse tofu, maar daar zo in beslag werd genomen door een schaakpartij dat hij zijn tofu geheel vergat. En verrot terugvond. Niks aan de hand, want de twee schaakspelers bleken Onsterfelijken en zij fluisterden hem een paar instructies in zijn oor. Hij marineerde de beschimmelde tofu in zout en kruiden en zie: rode gefermenteerde tofupasta, doufu nai, was geboren! Inmiddels te koop bij elke toko en heerlijk met sperzieboontjes. Of met varkenskarbonade. Over deze laatste, meer een bungalow dan en flat, volgende keer meer.

    Het Kookboek deze keer waarin veel van dit soort verschrikkelijk lekkere recepten:: Fuchsia Dunlop: Revolutionary chinese cookbook. Recipes from Hunan Province.

    ISBN-13: 978-0091904838

  • Raster 121 Kluge & Koepen

    Raster 121 is de moeite waard, met wat een moed gaat dit tijdschrift toch gestaag door. Heeft met al eens overwogen Jacq Vogelaar daar eens een lintje voor te geven?

    Alexander Kluge & Wolfgang Koeppen – Twee dwarse geesten Alexander Kluge (1932): advocaat, filmregisseur, producent van culturele televisieprogramma’s, schrijver van filosofisch-sociologische werken (samen met Oskar Negt) en vooral schrijver van fictief-documentaire verhalen. In dit nummer een keuze uit zijn verhalen. Ingeleid en vertaald door Cyrille Offermans. Wolfgang Koeppen (1906-1996): bekend als schrijver van drie politieke romans en drie reisboeken in de jaren vijftig, als essayist en draaiboekschrijver, maar vooral bekend om de grote roman die dertig jaar werd aangekonigd en nooit verscheen. Ondertussen schreef hij onverdroten door, zoals de keuze in dit nummer van vooral later werk laat zien. In dit nummer een keuze uit zijn verhalen, een aantal romanfragmenten en een briefwisseling van Koeppen met zijn uitgever. Ingeleid en vertaald door Jacq Vogelaar.

  • Slapeloze nachten

    Het is een beetje een treurig huis waar August Brill is ingetrokken na een zwaar verkeersongeluk. Zijn dochter heeft hem dan wel naar haar toe gehaald, maar meer om haar eigen eenzaamheid te verdrijven. August vrouw is overleden, de man van zijn dochter Miriam is al vijf jaar weg en de voormalige vriend Titus van zijn kleindochter Katya is dood. Geen wonder dat August niet in slaap kan komen. In plaats daarvan bedenkt de oud-criticus, hoofdpersoon van Man in het duister verhalen.
    En de liefhebber van Paul Auster, waartoe ik mezelf reken, zal het niet verbazen dat er daarna een verhaal in een verhaal begint, waarin een het personage Owen Brick in een parallel Amerika is terechtgekomen waar geen 9/11 heeft plaatsgevonden, maar waar wel een burgeroorlog woedt en om een eind aan de verschrikkingen te maken moet Owen de bedenker van die fictieve wereld doden. August Brill dus.
    Dat heeft Auster wel vaker gedaan: personages die de macht overnemen van de schrijver. Zijn laatste roman Op reis in het scriptorium is er een voorbeeld van. Het lijkt dus een beetje op een herhalingsoefening waarin Auster voor de zoveelste keer met fictie en werkelijkheid aan het spelen is.
    Maar dan weet Auster je toch weer te verrassen. Geen postmoderne spelletjes deze keer. De werkelijkheid komt hard binnen als August Brill in de nacht met zijn even slapeloze kleindochter praat over zijn overleden geliefde. En je krijgt echt een vuistslag als je weet hoe Titus, gedumpt door Katya, is omgekomen in Irak. En dan krijg je het als lezer wat kouder omdat je weet dat al die verhalen, al die fictie in films en romans, niet bestand zijn tegen de werkelijkheid waarin mensen doodgaan op de meest gruwelijke wijze. Man in het duister is opgedragen aan de schrijver David Grossman, die zijn zoon, die soldaat was, verloor. Daar zou geen loflied op de fictie achter passen. Een prachtige roman.

    Coen Peppelenbos

    PAUL AUSTER: Man in het duister. Vertaling Ton Heuvelmans. Arbeiderspers, Amsterdam, 196 blz, €19,95

  • Katten in de herhaling

    Vorig jaar augustus verscheen Dagboek van een poes van Remco Campert. Een leuk klein hardcover boekje dat het leven van de auteur bekeek door de ogen van de kat. Voorop een huiselijke foto van de kat. Een jaar later verschijnt er een hardcover boekje dat exact even groot is: Poelie de verschrikkelijke van Frans Pointl. Ook bij Pointl een amateurfoto voorop. Het boekje van Pointl telt zo’n veertig pagina’s meer en heeft veel foto’s.
    In tegenstelling tot het boekje van Campert is Pointls kattenboekje een gemakzuchtig in elkaar gedraaid ding met voornamelijk materiaal dat al eerder is verschenen in verhalenbundels. Vier van de zes om precies te zijn. De helft van het boekje staat dus al in mijn boekenkast. Blijven twee redelijk sentimentele verhalen over die beide de strekking hebben dat je beter een kat kunt hebben dan een vrouw. Daarna komt nog een afdeling gedichten. Volgens de aantekeningen eronder komt het merendeel daarvan uit de dagboeken van Pointl. De meesten konden beter in het dagboek blijven. Maar de gedichten die los van het dagboek zijn geschreven, blijven ook wat prozaïsch. Zo luidt de laatste strofe van het gedicht ‘Klotewijf’:

    ik stond op
    pakte mijn jas
    en zei:
    ‘ik zorg liever voor tien katten
    Dan voor één lastig en dom oud wijf.’

    Er is vast een markt voor dit soort restantpartijen tweederangs literatuur en kattenliefhebbers zullen veel plezier beleven aan de foto’s van de katten, maar als Pointl een paar nieuwe verhalen geschreven had die dezelfde kwaliteit zouden hebben als het nu herdrukte verhaal waarin de oorlog een rol speelt (‘Het goudgroene oog’), dan zou ik pas echt blij zijn geweest.

    Coen Peppelenbos

    Frans Pointl: Poelie de verschrikkelijke. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 108 blz. €9,90.

  • Seks verkoopt, altijd

    Eindelijk volstrekt alleen zou je het derde deel kunnen noemen van een romantrilogie waarin de voorgangers Nestor en De verering van Quirina T. waren. Maar eigenlijk is het complete oeuvre van L.H. Wiener één groot literair werk dat voortdurend naar zichzelf verwijst, terwijl alle delen ook afzonderlijk te lezen zijn.
    Als je Wiener leest, weet je dat je een goedgeschreven werk in handen hebt, vol hartstocht, passie en woede: over het onderwijs, over de letterkunde en over de liefde. In Eindelijk volstrekt alleen richt die woede zich onder meer op Jeroen Vullings die als hoofd van de Republiek der Letteren stelselmatig het werk van Wiener links liet liggen. Ook A.F.Th. van der Heijden komt er niet ongeschonden vanaf. Wiener maakt zelfs erg foute grappen over de omvang van de schrijver. Maar dat hoort bij deze schrijver die niet alleen zijn misstappen laat staan, hij laat zelfs niet na om die uit te vergroten.
    Het enige bezwaar tegen deze roman is dat er wat storende herhalingen voorkomen omdat de schrijver enkele stukken uit krant of tijdschrift heeft gerecycled. Maar daar lees je met gemak overheen. Waar vind je tegenwoordig nog een boek waar je op de ene pagina met een krop in de keel zit en waar je een paar pagina’s verder hardop moet lachen om weer zo’n woede-aanval als het weer over zijn werk gaat?
    ‘Het is autobiografies als de kolére, maar tegelijkertijd honderd procent fictie, wat zeg je daarvan? Fictionele autobiografie mag ook. Ik vind het best, als het maar geen roman heet. Iedere geile teef die tegenwoordig een boek met veel overspel in elkaar flanst heeft een roman geschreven. Seks verkoopt, altijd. Een mooie kont op het omslag, of zo’n rooie ronde pijpmond en de kassa rinkelt. Dat gaat nooit over. Mijn nieuwe boek heet Eindelijk volstrekt alleen, een dodelijke titel natuurlijk, commercieel gesproken. De meisjes van 6 gym alfa is veel beter. Of wat dacht je van Diana’s lillende lippen, of Babettes bolle billen. Ik zou rijk kunnen zijn, als ik een kut had en niet kon schrijven.’
    Coen Peppelenbos
    L.H. Wiener ? Eindelijk volstrekt alleen. Contact, Amsterdam, 268 blz. €22,50
  • Dat gaat mis

    Over een paar maanden verschijnt bij uitgeverij Meulenhoff Luitenant-kolonel de Maumort van Roger Martin du Gard, een pil van meer dan duizend bladzijden. Om de lezers alvast lekker te maken heeft de uitgeverij een stukje uit dat boek als zelfstandige uitgave op de markt gebracht: De verdrinking. Dat kan heel goed, want in het hoofdwerk zitten kleinere werken opgeborgen, zoals ook de novelle ‘Saïdjah en Adinda’ uit de Max Havelaar is te plukken.
    Toch had ik moeite om De verdrinking uit te lezen en dat komt omdat je voorvoelt wat er gaat gebeuren. Een verhaal met deze titel kan niet goed aflopen. De homoseksuele sergeant De Balcourt wordt gelegerd in een kleine Frans plaatsje en valt direct voor de mooie, met meel bestoven, bakkersjongen. Als hij het zo weet aan te leggen dat hij in de bakkerij zijn logement heeft, is het gehunker niet meer van de lucht en ligt niets een mooie initiatie meer in de weg. Dat kan natuurlijk niet goed gaan. En eigenlijk wil ik niet lezen wanneer het mis gaat.
    De truc van de uitgeverij werkt: ben wel benieuwd geworden naar het grote werk.

    Coen Peppelenbos

    Roger Martin du Gard, De verdrinking. Vertaald door Anneke Alderlieste. Meulenhoff, Amsterdam, 126 blz. €12,90

  • Raar boek

    Na haar succesvolle debuutbundel Er hangt een hoge lucht boven ons, besloot de Vlaamse dichteres Els Moors een roman te schrijven. Het resultaat is Het verlangen naar een eiland, een ronduit raar boek ? en dat is positief bedoeld. Moors heeft met hoofdpersoon Alice een vreemd figuur geschapen dat op een eigenwijze manier door het leven beweegt. Alice onderneemt in haar jonge leventje een aantal dingen die romantisch lijken, maar door haar nuchtere kijk op de wereld en een flinke portie pech, loopt het meestal slecht af. Ze trouwt een wiskundig genie dat graag bereid is haar uit te lenen aan een collega om zelf verder te komen in zijn carrière; ze komt met hem terecht op een zo goed als onbewoond eiland, maar haar hypochondrische man overlijdt door een vallende kokosnoot (of is het moord?); ze gaat na zijn begrafenis op weg naar een huisje in het Zuiden met een bekende zanger, maar komt daar nooit aan, heeft een kort avontuurtje met een man met magische vingertjes, maar die begint haar te stalken.
    Zeker in de eerste helft van het boek werkt dat erg goed: de vervreemdende manier van denken van Alice past prima bij de vreemde gebeurtenissen en al snel komt de lezer in het ritme en neemt alle grappige gebeurtenissen aan als kloppend binnen het universum van het boek. In het tweede deel echter derailleert Moors, en nemen de gebeurtenissen en de manier waarop die verteld worden, wel erg slapstickachtige proporties aan. Opeens bestaat de hele wereld nog maar uit huilende mannen die “hem” niet meer omhoog krijgen of graag door Alice gepijpt willen worden. En dat terwijl Alice niet kan pijpen als er anderen bij zijn. Haar moeder had datzelfde probleem met neuken: alleen had ze het al 600 keer succesvol gedaan, maar met een ander erbij, wil het maar niet lukken. Het slot is een klassieke heen-en-weer-ren-klucht waarin hitsige mannen en jaloerse vrouwen door een hotel heen stuiven.
    Hoewel het boek tot het eind toe grappig blijft en is goed geschreven, kan Moors in dit boek nog niet goed maat houden en vliegt ze soms uit de bocht.

    Els Moors ? Het verlangen naar een eiland
    Uitgeverij Nieuw Amsterdam 2008

    Patrick Bassant, literair vlaanderen
    Bekijk hier een video van Els Moors

  • Kort, maar enorm krachtig

    Goede literatuur bevat geen woord te veel. Amy Bloom neemt dit wel heel letterlijk en schrapt, schrapt en schrapt nog eens tot haar boodschap in enkele woorden overkomt. De kracht van de Engelse auteur is dat ze in één zin meer emotie kan leggen dan sommige schrijvers in een heel boek. Het maakt dat ieder woord als een mokerslag bij de lezer aankomt. Met Op zoek schreef ze een korte, zeer krachtige roman een jonge vrouw die probeert te overleven in het New York van de jaren twintig. Bloom roept de meest heftige menselijke emoties in een minimum aan woorden op. Zonder ook maar één moment sentimenteel te worden. Haar intense meesterwerk over verlies en de drang om te overleven is het waard om heel langzaam gelezen te worden. En om dan nog eens herlezen te worden.


    Amy Bloom, Op zoek, Nieuw Amsterdam, vertaling Paul Syrier, 2008.