Een ander leven is een moedige en fascinerende autobiografie die leest als een roman. Per Olov Enquist gaat als eerste kind uit zijn dorp naar de middelbare school en naar de universiteit waar hij zich ontpopt als getalenteerd hoogspringer en schrijver. Hij breekt internationaal door en zijn werk wordt bekroond met prestigieuze prijzen. Maar dan loopt zijn huwelijk op de klippen en vanwege zijn politieke uitspraken wordt het leven hem zo zuur gemaakt dat hij immigreert. Hij zwerft door Europa terwijl het overdonderende succes dat hem zoveel faam bezorgde hem steeds meer opbreekt. Hij glijdt af naar een bestaan dat wordt gedomineerd door drankmisbruik en ander escapisme. Pas na zijn derde afkickpoging lukt het hem te genezen. Hij keert terug naar Zweden, schrijft een aantal van zijn meest bejubelde romans en begint een ander leven. Vakkundig legt Enquist verbanden tussen zijn werk en zijn leven en met name zijn beschrijvingen van het afkickproces maken een onuitwisbare indruk.
Per Olov Enquist (1934) groeide op in de Noord-Zweedse provincie Västerbotten. Hij is de grand old man van de Zweedse literatuur en zijn werk werd in meer dan 27 talen vertaald. Van zijn boeken werden in Nederland meer dan 100.000 exemplaren verkocht.
‘Zeer indrukwekkend. Nauwgezet en ingetogen, vloeiend en muzikaal, perfect in balans, ritmisch, diep ernstig maar ook grof humoristisch. Een wervelende stroom gebeurtenissen, maar de richting is duidelijk: afdalen in de duisternis, naar binnen, naar de kern.’ Expressen
‘De romanschrijver, de verslaggever en de mens Enquist ontmoeten elkaar.’ Dagens Nyheter
‘Het lijkt of Per Olov Enquist in dit boek een plek heeft gecreëerd waar zich de grote thema’s van het leven samenballen.’ Die Zeit
Onlangs is bij uitgeverij Querido verschenen: De sneeuwslaper van Marlene van Niekerk.
Verhalen kunnen duizend-en-een-nacht vullen, maar zijn veel meer dan een vrijblijvend tijdverdrijf. De vier verhalen die samen De sneeuwslaper vormen, gaan over de grondslagen van het verhalen vertellen – en dus over het wezen van de literatuur. Samen vormen ze een strange loop waarvan het begin en het einde niet te achterhalen zijn.
Marlene van Niekerk liet zich inspireren door J.M. Coetzee, die met The Lives of Animals en Elizabeth Costello bewees dat fictie als vehikel gebruikt kan worden om de aard en de betekenis van het scheppend handelen aan de orde te stellen. ‘Wij vertellen verhalen omdat wij zoeken,’ stelt zij, ‘niet omdat wij weten wat de waarheid is.’
Marlene van Niekerk (Zuid-Afrika, 1954) studeerde filosofie en literatuurwetenschap en is hoogleraar aan de universiteit van Stellenbosch. Na twee dichtbundels en een verhalenbundel brak zij in 1994 door met de roman Triomf, die bekroond werd met vele prijzen, waaronder de Noma-prijs voor het beste boek van Afrika. Grote internationale bekendheid verwierf zij met Agaat, een roman die ook in Nederland en Vlaanderen zeer goed werd ontvangen. Van de Nederlandse vertaling werden sinds de publicatie in 2005 meer dan 35 000 exemplaren verkocht.
De pers over Agaat: ‘Marlene van Niekerk schreef een magistrale roman over de intieme machtsverhoudingen tussen twee vrouwen, de ene een blanke grootgrondbezitster, de andere haar zwarte ‘meid’. Liefde, genegenheid, wrok en haat kleuren een symbiotische relatie,’ De Telegraaf. ‘Niet vaak is vernedering zo prachtig neergezet als in deze roman. ‘ NRC Handelsblad. ‘Er is nauwelijks een fijnzinniger analyse denkbaar van vijftig jaar Afrikaanse geschiedenis.’ Vrij Nederland. ‘Een grootse roman.’ De Groene Amsterdammer.
Een theaterwet van Tsjechov luidt dat een geweer dat afgaat in een stuk al in het eerste bedrijf getoond moet worden. Als de tienjarige Julius in De trompetboom van Hannah van Munster schietlessen van zijn grootvader krijgt, gelukkig mag hij in eerste instantie alleen maar met pijl en boog schieten, weet je dan ook dat die schietlessen niet zonder gevolg zullen blijven.
Julius is de hele zomervakantie bij zijn grootvader omdat zijn moeder carrière aan het maken is in Amerika. Hij komt terecht bij een vreemde familie: omdat zijn grootmoeder al lang dood is, is zijn grootvader hertrouwd met een wat weerbarstige vrouw, mevrouw E. genoemd. Hun kind Olivia is jonger dan Julius, maar de halfzus van zijn moeder. Om het tableau de la troupe te completeren vinden we in het mooie landhuis bij het water ook nog de stokoude overgrootmoeder Omama. Zij heeft een malle papegaai Gabriël die al vroeg in het verhaal de vrijheid van de trompetboom in de tuin verkiest boven het leven op de veranda.
De trompetboom is het debuut van Hannah van Munster. De evocatie van een jeugd doet wat denken aan het oeuvre van Esther Freud, met dit verschil dat ik de constructie van deze roman niet zo heel goed vind. Er doemen allerlei vragen op in het boek die juist door de structuur teniet gedaan worden. Laat ik drie voorbeelden geven. Het is onbekend wie de vader van Julius is, maar als op bladzijde 60 de stoere man Rudolf wordt voorgesteld aan Olivia, die meteen uitlegt hoe de familie in elkaar steekt, dan begint er bij Rudolf en bij de lezer meteen iets te dagen.
‘Olivia merkte van niets, straalde van trots, knikte weer en zei: “Dat is mijn grote zus” en op mij wijzend: “En zijn mama!” Nu keek Rudolf mij verbijsterd aan. Ik knikte, voor het geval hij het niet zou willen geloven.’ Vervolgens doet Julius er nog tachtig bladzijden over om erachter te komen wat hier al duidelijk is. Als schrijver kun je dan ervoor zorgen dat de spanning oploopt omdat de lezer meer weet dan de hoofdpersoon, maar die spanning creëert Van Munster niet echt.
Voorbeeld twee, Olivia en Julius gaan met Rudolf mee uit zeilen, maar Rudolf zuipt zich een stuk in de kraag waardoor de kinderen op eigen kracht terug moeten varen in slecht weer. Tot een confrontatie met Rudolf komt het dus niet en de confrontatie met het noodweer wordt in ruim twee bladzijden afgedaan. In Zoete mond van Thomas Rosenboom kun je leren dat je van zo’n scène ook iets meer kunt maken. Het wil in De trompetboom niet echt spannend worden, niet op emotioneel vlak en ook niet als de situatie erom vraagt.
Die spanning loopt ook meteen weg bij een andere vraag die in het boek speelt, namelijk de dood van de ‘echte’ grootmoeder van Julius. Op het moment dat hij aan de orde stelt wie zij is en hoe zij dood is gegaan, wordt het antwoord op die vragen direct daaropvolgend gegeven als Julius met Omama een wandeling door de tuin maakt. En weg is de extra spanningsboog.
En zo zit het hele boek in elkaar. Je gaat extra op die verhaallijnen letten omdat de stijl niet echt bijzonder is. Er staan geen rare formuleringen in, ook geen lelijke, maar er is ook geen enkele zin die sprankelt en tintelt en de vertelling in vuur en vlam zet.
En die schietlessen, ja die komen van pas. Je wacht er een heel boek op en op het eind wordt er daadwerkelijk iets geraakt. Dat had deze lezer ook wel gewild: dat hij geraakt werd.
Coen Peppelenbos
Hannah van Munster ? De trompetboom. Van Oorschot, Amsterdam, 144 blz. €14,50.
Vorig jaar verschenen de delen 1 en 2 van het Verzameld werk van Karel van het Reve bij uitgeverij Van Oorschot, deel drie is nu ook verschenen.
Deel 3 omvat de jaren 1969-1972. Het bevat Het geloof der kameraden, Met twee potten pindakaas naar Moskou (met onder meer reportages uit zijn jaar als Parool correspondent in Rusland) en de essaybundels Marius wil niet in Joegoslavië wonen en Lenin heeft echt bestaan.
Beide delen sluiten af met een selectie uit de ongebundelde artikelen die Van het Reve in deze periode schreef: 350 bladzijden in deel 3. Deze stukken zullen voor veel lezers onbekend zijn. Een grote verrassing zijn de tv-recensies, die hij tussen 1971 en 1976 wekelijks in nrc Handelsblad publiceerde onder het pseudoniem Henk Broekhuis. Lang is onduidelijk gebleven wie achter deze naam schuilging.
In deze ‘columns’ figureren uiteenlopende figuren als Joop den Uyl, Pippi Langkous, Wim Kan, bisschop Gijsen en ‘de kritische leraar’. De twee stukjes over het bezoek van Henk Broekhuis en zijn vrouw aan de grote volksschrijver Gerard Reve in Frankrijk veroorzaakten een brouille tussen de beide broers. Boeiend zijn ook de nooit gebundelde boekrecensies uit deze jaren. Aangrijpend is de inleiding bij het Dagboek van zijn in de oorlog omgekomen vriend David Koker. En dat Karel van het Reve een meester was in het genre van de necrologie blijkt uit zijn stukken over Jacques Presser en over Andrej Amalrik (‘De onhandelbaarste man die ik ooit heb ontmoet’).
Joost Zwagerman nam in zijn verzameling beste korte verhalen uit de Nederlandse literatuur het verhaal ‘Ridders’ op van Rascha Peper. Een goede keuze, want het behoort inderdaad tot het beste uit onze literatuur. Ik zou zo nog een aantal verhalen van Peper kunnen aanwijzen die goed in elkaar steken en die ook in de dikke Zwagerman hadden gemogen.
Het grote publiek kent Rascha Peper voornamelijk van haar grote romans als Rico’s vleugels, Russisch blauw en Vingers van marsepein. Het zou jammer zijn als dat publiek de nieuwe verhalenbundel Zwartwaterkoorts links laat liggen (zoals het grote publiek meestal doet), want opnieuw staan hier weer prachtige verhalen in.
Het meest ontroerende verhaal is verwant aan ‘Ridders’ en gaat over een vrouw die een geheime geliefde heeft. Ze hebben beiden hun eigen partners, maar de vrijdag (ook de titel van het verhaal) is voor hun romance. Als hij na een ziekte komt te overlijden, krijgt ze een uitnodiging om de begrafenis bij te wonen. Daar is ze, als geliefde die door niemand wordt gekend, op een gruwelijke manier alleen. Peper gebruikt geen grote woorden; ze gebruikt ook geen mooie woorden (iemand die alleen stilistische hoogstandjes wil zien, komt bij Peper niet aan zijn trekken), maar ze weet je wel in een paar bladzijden in het leven van haar hoofdpersoon te trekken zodat je elke nuance in de emotie mee beleeft. De pijn als je het gezicht van je geliefde niet meer kunt zien omdat de kist al dicht is, de hardheid om achteraan in de rij te staan bij het gooien van zand in de kuil ? zij gooit een tak met sierappeltjes op de berg zand ? en de eenzaamheid die met bijna niemand te delen is. Ik begrijp niet hoe het haar lukt, maar je krijgt het er koud van. Ik moest eerst even wat anders doen, voordat ik aan het volgende verhaal kon beginnen.
Een terugkerend motief in deze roman is de leugen. Personages bedriegen (vrouwen oplichten of boeken stelen) en personages worden bedrogen. Het verhaal ‘Het veertje’ wordt verteld door een oude, blinde man. Hij woont nog in zijn bovenwoning, ondanks dat zijn zoon en schoondochter graag willen dat hij zijn spulletjes alvast wegdoet. Regelmatig verdwijnt er ook iets uit het huis dankzij zijn kinderen, wat de oude man natuurlijk toch merkt. Uiteindelijk neemt hij wraak.
Het lezen van de verhalen wordt aantrekkelijker gemaakt omdat de hoofdpersonen in het ene verhaal een bijfiguur kan zijn in het volgende verhaal. Zo grijpen die op zichzelf staande verhalen toch in elkaar.
Misschien werkt die methode bij lezers die nogal weigerachtig staan tegenover verhalen. Tegen die lezers zou je willen zeggen: zet je over je vooroordeel heen en koop deze bundel. Lees elke dag één verhaal en raak onder de indruk van de fenomenale wijze waarop Peper karakters kan neerzetten. Ik kijk alvast uit naar de volgende verhalenbundel.
In de hoos van boeken die verschenen zijn twintig jaar na de val van de Berlijnse Muur kwam bij Cossee deze vertaling uit. Het is het verhaal van de dochter van Oost-Duitse dissidenten die eind jaren zeventig gedwongen werden hun land te verlaten en naar West-Duitsland vertrokken. Na veel omzwervingen viel het gezin uit elkaar: de ouders scheidden, Susanne ging op kamers in West-Berlijn, later Düsseldorf, en vertrok begin jaren tachtig naar de Verenigde Staten. Haar zusje ging bij hun moeder wonen. Toen na de val van de Muur de Stasi-archieven toegankelijk werden kwam de familie er in 1992 achter dat oom Karlheinz, een broer van de vader, jarenlang informatie over het gezin en hun vrienden had doorgespeeld aan de Stasi. De ontdekking dat iemand die zo dichtbij stond hen en mensen uit hun omgeving verraden had was een enorme klap. Het contact met de oom werd verbroken en deze deed nog enkele vage pogingen om zijn gedrag te verklaren, maar van echte excuses kwam het niet. In december 2007 pleegde de oom zelfmoord door zichzelf door de mond te schieten in een Berlijns park. Een jaar later begon de schrijfster de dossiers te lezen en sprak hierover met haar ouders en hun vrienden met dit boek als resultaat.
Susanne Schädlich (1965) is de dochter van de schrijver en vertaler Hans Joachim Schädlich. Haar moeder was redacteur bij verschillende uitgevers en onder de vrienden van haar ouders bevonden zich veel schrijvers en dichters. Regelmatig kwamen zij bijeen om elkaar voor te lezen uit eigen werk. Soms schoven West-Duitse collega’s aan, zoals Günther Grass. Deze bijeenkomsten waren interessant voor de Stasi en aan oom Karlheinz (IM Schäfer) hadden zij een nuttige informatiebron. Al snel nadat het gezin eind 1977 naar Hamburg was vertrokken begonnen de pogingen van Karlheinz om zijn broer over te halen terug te komen. Dit zou beter zijn voor zijn gezondheid ? Hans Joachim had last van depressies. Ook hun moeder, Susannes grootmoeder, probeerde haar zoon terug te krijgen en wees diens vrouw aan als een van de oorzaken van zijn problemen. De pogingen mislukten, maar het huwelijk strandde uiteindelijk wel.
Een antwoord op de vraag hoe haar oom tot zijn daden is gekomen krijgt Schädlich niet. De charmante levensgenieter met zijn pijp die een leven als 007 wilde, bij wie ze altijd haar verhaal kon doen toen ze als puber problemen had met haar ouders en die haar later aan een baan probeerde te helpen in Oost-Berlijn, stond op een hoog voetstuk. Zijn val was zo diep dat ze, in tegenstelling tot andere familieleden, na 1992 nooit meer contact met hem heeft willen opnemen.
Het boek heeft niets van de weemoed en nostalgie uit de films Das Leben der Anderen of Goodbye Lenin. Bij Schädlich ligt de nadruk op ontwrichting, wantrouwen, verraad en de verstrekkende gevolgen voor iedereen die daarmee te maken heeft gehad. Haar familie is volledig uit elkaar gevallen en het gevoel nergens thuis te zijn bepaalde jarenlang de keuzes in haar leven. Hoe diep het verleden zit blijkt wanneer ze jaren later terug in Berlijn haar kind ergens afzet en helemaal in paniek raakt als ze merkt dat ze in een buurt is terechtgekomen waar vroeger voornamelijk Stasi-medewerkers woonden.
Zowel in de titel als in de flaptekst ligt de nadruk bij de vertaling meer dan bij de oorspronkelijke Duitse versie op de oom. De Duitse titel luidt Immer wieder Dezember: Der Westen, die STASI, der Onkel und Ich. Mij trof bij het lezen vooral het gevoel van ontworteld zijn en nergens een thuis hebben. Hiernaar verwijst het ‘steeds weer december’ ook, want het was vaak juist in deze maand dat de familie Schädlich weer eens verkaste. En ook de zelfmoord van de oom vond in december plaats. Dit ontheemde gevoel en het verraad is mijns inziens meer waar het boek over gaat dan de oom.
Schädlichs woede en verontwaardiging zijn zo heftig dat stijl en structuur er af en toe onder lijden. Ze springt nogal van de hak op de tak, vaak in korte zinnen zonder werkwoord en verwijst naar omstandigheden die niet altijd uitgelegd worden. Het personen- en zakenregister achterin het boek zijn verder uitgebreid en zeer nuttig.
Mijn oom, vriend en verrader geeft een indringend beeld van een Oost-Duits dissidentengezin en laat zien hoe opgroeien onder een totalitair bewind mensen kan vormen. Toch ziet Schädlich ten slotte ook iets positiefs aan een leven zonder thuis waarin het moeilijk was te hechten aan nieuwe mensen: het heeft haar wel in staat gesteld om makkelijker ergens weg te gaan als dat moest en sneller op een andere plek haar draai te vinden.
Is een modern schrijver tegenwoordig nog wel in staat om een autobiografie te schrijven? Of moet je, als auteur in een postmodern tijdperk, je zorgen maken over waarheid en fantasie, de onkenbare werkelijkheid en meer van die dingen. In ieder geval hebben de Nobelprijswinnaars J.M. Coetzee en Günter Grass beiden voor een fictionele autobiografie gekozen.
Bij Coetzee ligt dat een beetje voor de hand omdat hij ook al in Jongensjaren en Portret van een jongeman met een zekere distantie naar zichzelf keek. In het derde deel in de reeks, Zomertijd, schetst Coetzee een beeld van zichzelf aan de hand van een biograaf die na zijn dood enkele vrouwen interviewt, waaronder minnaressen, een familielid en een vrouw die hij graag tot minnares had willen maken en één man, een bevriende collega aan de universiteit.
Het is een slimme zet van Coetzee om zijn leven zo te beschrijven. Het raamwerk geeft hem weer de mogelijkheid tot distantie en tegelijkertijd kan hij met dat gegeven spelen, want de hele wereld kent Coetzee als een gereserveerde man, op zijn hoede om uitspraken te doen, bang zijn gevoelens te tonen. En juist door dat zelf te beschrijven toon je juist ook het tegendeel aan. Zoals de eerste geïnterviewde, Julia, zegt over een nacht die ze met John doorbracht nadat ze haar man met slaande deuren verlaten had. ‘John zag of raadde wat er in me omging en opende voor één keer zijn hart, het hart dat hij gewoonlijk pantserde.’ Maar dat duurt niet lang. ‘Hij zag me ? zag me zoals ik op dat moment was ? werd bang, gordde haastig het pantser weer om zijn hart, ditmaal met kettingen en een dubbel hangslot, en sloop de duisternis in.’ Harteloze man zou je zo denken, tot je beseft dat hij dit zelf geschreven heeft. Coetzee speelt rechter in zijn boek over zijn eigen leven, de aanklagers lijken de mensen te zijn die hem gekend hebben. Het oordeel over hem is erg hard en juist daardoor krijg je wel mededogen met die rigide schrijver die zo moeilijk in contacten is. Ik vermoed dat het doel van Coetzee niet was om zichzelf in een gunstig daglicht te stellen, integendeel zelfs, maar het continu hameren op zijn mindere eigenschappen zoals die aangedragen worden door de mensen die de biograaf interviewt plaatsen de schrijver in de rol van de ‘underdog’. En de underdog wekt toch altijd sympathie.
Günter Grass doet het in De box iets anders. Hij laat in verschillende sessies zijn kinderen (die allemaal een andere naam krijgen) praten over het verleden. Centrale figuur is de oude fotografe Marie die tijdens haar leven met haar Agfabox vele momenten van de familieleden heeft vastgelegd. En in de donkere kamer kon zij ook het verleden en de toekomst en de wensdromen van de kinderen in de foto’s toveren. De kinderen komen uit de verschillende verhoudingen die Grass tijdens zijn leven heeft onderhouden en het is vooral dat onstuimige familiale leven, dat zich afspeelde in de buurt van de beroemde vader die de hele tijd met zijn werk bezig was, dat we leren kennen. Al die gesprekken zijn natuurlijk fictie en dat wordt af en toe ook expliciet gemaakt: ‘Misschien zijn ook wij, zoals we hier zitten en praten, alleen maar verzonnen ? toch?’
De gesprekken leveren een amusante, maar geen grootse Grass op. Vaak is onduidelijk wie precies aan het woord is. Ergerlijk is de vertaling, omdat je je constant bewust bent dat je een vertaling aan het lezen bent, met vreemde zinsconstructies en hinderlijke germanismen. Wat te denken van ‘omdat ik me zo puberteitsmatig gedroeg’, ‘en zich vaak extreem harmoniebehoeftig gedragen schijnt te hebben’ en ‘de zweetdrijvende details’. De fout ‘iets dat’ komt een paar keer terug (maar die fout komt tegenwoordig veelvuldig voor in romans). Bij de zin ‘(…) maar alleen maar omdat Lena en Paulchen moesten huilen en ik toch al heel gauw ga soppen…’ is het woord soppen niet zo goed gekozen, omdat de eerste betekenis van dat woord nu totaal anders is. Nog één rare zin dan: ‘Buiten miezert het en bekrachtigt een zomer die iedereen als tamelijk tot totaal verregend beklaagt.’ Wat?
In vergelijking met Coetzee is Grass, via de verhalen van zijn kinderen, uiterst mild over zichzelf. Je hebt het idee dat zijn kinderen in werkelijkheid een harder oordeel zullen hebben over hun vader, terwijl je bij Coetzee verwacht dat zijn minnaressen en vrienden een heel wat positiever oordeel over hem zullen hebben. Dat krijg je er nou van als je van je leven fictie maakt.
Coen Peppelenbos
J.M. Coetzee: Zomertijd. Vertaald door Peter Bergsma. Cossee, Amsterdam, 300 blz. €22,90.
Günter Grass: De box. Vertaald door Jan Gielkens, Meulenhoff, Amsterdam, 200 blz. €21,50.
verschijnt ook op Literair Nederland.
Uit protest tegen de redelijk geruisloze verdwijning van een belangrijke prijs voor jeugdliteratuur: de Gouden en Zilveren Zoenen (die in leeftijdscategorie volgden op de Gouden en Zilveren Griffels) besloten Hans Hagen en Ted van Lieshout om een alternatieve prijs in te stellen: de Gouden Lijst. Op 12 september wordt deze prijs uitgereikt. Een van de genomineerde boeken is Allemaal willen we de hemel van Els Beerten.
Laat ik maar meteen verklappen dat dit een geweldig jeugdboek is. Voor de wat oudere jeugd (vanaf 15) schetst Beerten het verhaal van een held tegen wil en dank. Allemaal willen we de hemel speelt zich af op het Vlaamse platteland in de Tweede Wereldoorlog. Eén zeer muzikale familie wordt in het bijzonder gevolgd met Jef als hoofdpersoon. Daarnaast volg je zijn vriend Ward. Beiden worden op school geronseld door pastoor en leraar om te gaan helpen aan het Oostfront. Ward gaat om het Vlaamse volk te verdedigen tegen het communisme, Jef wordt door zijn familie tegengehouden en kan dus geen held worden, net als zijn vriend. Maar hij wordt wel op een andere manier een held, juist als Ward met verlof terug is. Hoe het precies zit (en eigenlijk ook weer niet) wordt pas gaandeweg het boek duidelijk.
Het knappe van Allemaal willen we de hemel zit hem echter niet in het avontuurlijke dat ook bij de oorlog hoort. Daar zijn de beschrijvingen van Ward aan het front te heftig en te realistisch voor beschreven. Dit boek is ook goed vanwege de psychologische diepgang. Niet alleen van Ward en Jef, maar ook omdat je naar de gebeurtenissen kijkt via de ogen van het jongere broertje Remi en via het zusje dat verliefd is op Ward, Renée. Beerten werpt je steeds een stukje van het verhaal toe via een ander personage en die personages hebben allemaal een authentiek geluid. Daarmee wordt dit niet een roman over de oorlog waar goed tegenover fout staat. Je komt personen tegen die hun eigen afwegingen hebben, soms raar, soms fout, maar altijd invoelbaar.
Beerten is ook goed in het weglaten. Zo zouden wij Jef direct aanduiden als een homoseksueel, maar dat woord valt in het hele boek niet, noch wordt homoseksualiteit geproblematiseerd of gethematiseerd. De ene lezer zal doorhebben waarom Jef handelt zoals hij doet, de ander niet.
Er zijn drie boeken genomineerd voor De Gouden Lijst. Voor jou 10 anderen van Mirjam Oldenhave en Cynthia van Eck uit de Slashreeks is een verdienstelijke roman, maar stilistisch niet zo sterk. De gelukvinder van Edward van de Vendel en Anoush Elman uit de Slashreeks (waarvan Van de Vendel ook de bedenker is) is een goede roman, op de huid van de tijd geschreven. Het boek echter dat behoort tot de meesterwerken van de jeugdliteratuur is Allemaal willen we de hemel. Vijfhonderd bladzijden die lezen als een trein, met een lekkere kortaffe stijl waarin geen woord teveel wordt gezegd; een boek dat al je emoties bespeelt en je bovendien als literaire lezer uitdaagt. Wat mij betreft kan de eerste Gouden Lijst naar niemand anders gaan dan naar Els Beerten.
Coen Peppelenbos
ELS BEERTEN ? Allemaal willen we de hemel. Querido, Amsterdam, 500 blz. €17,95.
Vorig jaar verscheen de briefwisseling Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel tussen Willem Frederik Hermans en Gerard Reve. Een briefwisseling waar reikhalzend naar uitgekeken werd omdat het twee van de grootste naoorlogse schrijvers elkaar troffen. Het boek viel een beetje tegen omdat na een aanvankelijk vriendschappelijk begin Hermans niets meer van Reve moest hebben toen hij zich bekeerde tot de rooms-katholieke kerk en zich van schandaal naar schandaal sleepte. Ondanks enkele pogingen van Reve om briefwisseling op gang te houden bleef Hermans afhoudend en afwijzend.
In Machines en emoties is er sprake van een totaal andere Hermans omdat hij in Rudy Kousbroek, die dan met zijn vrouw Ethel Portnoy in Parijs woont, een geestverwant ontdekt. Beiden hebben een voorkeur voor auto’s en typemachines, kennen het werk van Céline en Wittgenstein. Al snel zijn de mannen bevriend. Ze telefoneren ook met elkaar, ze gaan bij elkaar logeren, ze bezoeken samen tentoonstellingen en ze laten ook hun kinderen bij elkaar logeren. Tussen de brieven over technische en filosofische zaken en de plannenmakerij om samen een boek te schrijven (dat er nooit is gekomen), staan met onderkoelde humor geschreven brieven van Ethel Portnoy. Zo vertelt ze met enige afschuw over haar verblijf in het ziekenhuis na haar bevalling en de problemen die ze heeft met borstvoeding. ‘The result was a weirdly arche-typical scene this morning, when he started to cough + choke and I stopped him + looked and then said “Vampire, son of vampire!” It was like something in a surrealist dream.’
Het beeld dat er uit dit boek opdoemt van Rudy Kousbroek is niet al te positief te noemen. Dat komt vooral door hem zelf. In bijna elke brief staat een excuus omdat hij te laat reageert, hij het te druk heeft, hij iets nog moet opzoeken, maar niet weet waar het precies ligt. Dat gaat maar door en door. ‘Mijn voornemen om eerst het machinestuk af te maken voor ik je zou schrijven heeft tot dusver geen ander gevolg dan dat ik je niet schrijf. (…) Ik had nog een heleboel te schrijven, ik zal eens een dag er voor uittrekken en uitvoerig antwoorden op de verschillende vragen die je me in diverse brieven hebt gesteld en de commentaren geven die verschillende dingen die je schreef in mij hebben opgeroepen, over literaire onderwerpen voornamelijk.’ (17 november 1965) Daarna volgt inderdaad een lange brief, waarop Hermans ook antwoordt met een lange brief en die zorgt voor veel intellectuele opwinding in huize Kousbroek. Maar die is niet van lange duur: ‘Daarna zak ik weer langzaam naar mijn gewone niveau terug waarin ik zelfs tegen het schrijven van een simpele brief opzie als tegen een huis.’ (15 december 1965) In 1966 krijgt hij Nooit meer slapen te lezen. In een brief laat hij Hermans weten later nog in detail te zullen berichten wat hij ervan vindt. Voorlopig volstaat hij met een opmerking over een drukfout. ‘Ik vond een drukfout, zoals ik aan Emmy al vertelde. Ik dacht dat ik hem dadelijk terug zou vinden maar dat viel tegen. Het is, heb ik in mijn hoofd, een au in plaats van een ou, onderaan een recto pagina, tegen het eind.’ Hermans reageert met een sarcastisch ansichtkaartje: ‘Ik ga een tweede deel maken bij Nooit meer slapen: Alfred geeft het eerste deel ter lezing aan zijn vriend en deze, na 6 weken studie, bericht er niets anders over dan dat er 1 drukfout in staat.’
De sfeer tussen de mannen blijft echter goed. Dat verandert als eind jaren zestig Hermans Kousbroek meesleept in een van zijn vele vetes. Kousbroek moet dan van zich afbijten om zijn zelfstandige positie te behouden. Het duurt dan wat langer voordat ze pen weer opnemen. De vertrouwdheid lijkt een beetje weg. Uiteindelijk komt er een nieuw conflict rond de polemiek die Hermans met Renate Rubinstein voerde over de kwestie Weinreb. Kousbroek kiest niet echt positie, Hermans maakt een foute grap over het kampverleden van Kousbroeks vader en de vriendschap is in 1971 voorbij. In een interview dat bezorger Willem Otterspeer achterin het boek heeft opgenomen, zegt Kousbroek dat hij nog wel eens terugverlangt naar het verleden. Hij mist: ‘Zijn geest. Zijn kennis, zijn belezenheid. Ik bewonderde zijn energie, zijn vasthoudendheid.’ Je krijgt wat medelijden met Hermans. Hij had al niet veel vrienden en nu is hij zelfs de vriend kwijt die zijn passies deelde. Voor mensen die vorig jaar een beetje teleurgesteld waren in de briefwisseling met Reve: dit deel is zeer de moeite waard.
Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy, Machines en emoties.
Wie gratis boekjes in zijn bezit wil hebben, kan terecht bij de CPNB. In het voorjaar krijgt hij het Boekenweekgeschenk van deze organisatie, in het najaar het Kinderboekenweekgeschenk en in de junimaand het geschenk dat uitgegeven wordt ter gelegenheid van de Maand van het Spannende Boek. Bij de eerste twee geschenken kiest men altijd goede schrijvers, bij het laatste geschenk een goed verkopende schrijver. Zo zagen we al eerder Saskia Noort een niemendalletje afscheiden. Dit jaar is het de beurt aan Esther Verhoef, een van de schrijfsters die het woord ‘literaire’ voor ‘thriller’ laat zetten op het omslag.
Het negentig bladzijden tellende boekje gaat over Daphne die met haar psycholoog een weekendje naar Parijs gaat als afsluiting van de therapie. Dat kan niet goed gaan. De therapeut is vooral geïnteresseerd in een verkrachting tijdens haar jeugd. Zij is vooral geïnteresseerd in de therapeut, Etienne Segers, liefhebber van mountainbiken en tai chi. Die hobby’s doen er niet zo toe, maar Verhoef meldt ze als karaktertekening. Het romantische weekendje wordt een beetje verstoord door een agressieve man, de vriend van een ex-patiënte. Dat zijn de ingrediënten voor deze ‘literaire thriller’.
Wat is er nu zo literair aan? het verhaal geeft weinig aanleiding tot de extra toevoeging ‘literaire’. De structuur is ook niet lastig te doorgronden. Na een korte inleiding waarin we al veel bloed tegenkomen en een radeloze vrouw in een hotelkamer gaan we terug in de tijd (twee dagen) en volgen we het verhaal chronologisch tot we bij die bloederige scène zijn aanbeland.
Misschien zit het literaire in de stijl: de zinsconstructies en de woordkeuze. Ik zal me er niet met een jantje-van-leiden afmaken en om de vijf pagina’s een zin van de bladzijde plukken en die onderzoeken op het literaire gehalte.
‘Ik klauw in het tapijt, grijp in de vezels, wanhopig, alsof alleen het contact met de vloer me kan weerhouden om terug te schuiven in de diepe, donkere, waanzinnige duisternis waaruit ik net ben ontsnapt.’ (blz. 5)
Les 1 van de cursus creatief schrijven: ‘Show, don’t tell.’ Die les heeft Verhoef overgeslagen. Hier heb je een vrouw die in een tapijt aan het klauwen is en wij als lezer zouden nog kunnen denken: wat is ze leuk aan het spelen. Verhoef preciseert het nog: er wordt in de vezels gegrepen. Misschien zijn er dan nog een paar lezers over die denken: wat leuk, vezeltje grijpen, dat deed ik vroeger ook, maar die komen van een koude kermis thuis, want Verhoef vervolgt met ‘wanhopig’. Let ook nog even op de waanzinnige duisternis (het was zo waanzinnig duister), duisternis die ook nog donker is.
‘Toch is het slechts een deel van het plaatje.’ (blz. 10)
Deze zin is niet ironisch bedoeld. Modieus taalgebruik. Er is dus ook een ander deel van het plaatje.
‘Ik visualiseer mezelf in die kuip, samen met Etienne, onze lichamen nat en glanzend in het lamplicht, champagne binnen handbereik.’ (blz. 15)
Daphne is opeens aan het visualiseren. Ze heeft zich net staan opmaken in de badkamer en dan ziet zij de jacuzzi die in de volgende zin al een gewone ‘kuip’ wordt. Die romantische visualisatie is vast bedoeld om de lezer het gevoel te geven dat het waarschijnlijk niet zo zal lopen. Je kunt van alles visualiseren, maar realiseren is een tweede. Leuk detail: als je in de jacuzzi zit, dan wordt je lichaam nat. Verhoef zet het er maar vast bij om haar lezers te gerieven. Die zouden anders kunnen denken: gaan ze zomaar in de droge jacuzzi zitten, wij zouden eerst de kranen opendraaien.
‘Ik probeerde contact te krijgen met Etienne, maar het is alsof hij een muur om zich heeft opgetrokken. Zijn blik is op de muur achter me gericht en zijn ogen flitsen onrustig heen en weer, alsof hij een uitweg zoekt.’ (blz. 20)
Twee zinnen maar liefst. We slaan de clichés even over en bekijken de bouwconstructie. Kan iemand die net een muur om zich heeft opgetrokken, kijken naar een muur achter jou?
‘Er is geen touw vast te knopen aan het gesprek dat hij voert met de hotelreceptie.’ (blz. 25)
Als we het cliché even overslaan: Etienne praat hier Frans.
‘Ik geloof dat ik huil, maar geluidloos. Ik klauw om me heen, op zoek naar iets, naar houvast.’ (blz. 30)
We slaan de clichématige eerste zin maar even over. We zitten midden in een traumatische jeugdervaring. Ook de jonge Daphne is al aan het klauwen. Ze is op zoek naar iets. Had ze toen maar een tapijt met vezels gehad.
‘Ik haal mijn neus op en veeg mijn tranen rillerig weg met de rug van mijn hand.’ (blz. 35)
Wees niet bang, we zijn een paar huilbuien verder. Bij dit soort zinnen stel ik me altijd de filmversie voor: hoe Kim van Kooten haar snot opsnokt en dan rillerig aan het vegen gaat.
‘Ik wend mijn gezicht af.’ Een halve pagina verder: ‘Etienne heeft zijn gezicht afgewend en ik heb geen idee wat ik moet zeggen of doen.’ (blz. 40)
Ik zou zeggen: wend je gezicht dan ook maar weer af.
‘Ik wil hier op bed gaan liggen, elkaar kaas en druiven en walnoten voeren…en ik wil nog veel meer.’ (blz. 45)
Karbonades, taartjes, schorseneren? Of bedoelt Verhoef wat anders (wink wink)? Verhoef heeft in deze zin last van de drie veelbetekenende puntjes. Vooral amateurschrijvers hebben er last van… Die denken dat een tekst spannender wordt…als je er maar puntjes…in zet. Maar wij weten wel beter…
‘Ik zal het vertrouwen dat je in me stelt, nooit beschamen, Etienne. Echt niet. Nooit.’ (blz. 50)
Ook de les dialogen schrijven heeft Verhoef overgeslagen. Ik ken die Daphne: die zou zo’n zin nooit uitspreken. Dat ‘Echt niet. Nooit.’ dat is haar taal.
‘Vind je het niet…belastend? dat juist jij degene bent die…’ (blz. 55)
Daar heb je de puntjes weer.
‘Ik zou het vreselijk vinden als zou blijken dat ik het misschien…’ (blz. 60)
Daar heb je de puntjes weer.
‘Ik voel zijn opwinding groeien tegen mijn onderbuik.’ (blz. 65)
In de volgende zin kiepert ze hem alweer uit het bed, maar dit is toch een mooie, erotische en plastische zin. Wat er groeit en ons altijd weer boeit. Wat voel ik nu aan mijn onderbuik groeien? Getverdemme: zijn opwinding!
‘Onbelangrijk…’ (blz. 70)
Daar heb je de puntjes weer.
‘Het zal me weinig inspanning kosten om straks in de auto in slaap te vallen. Want praten met Etienne is een gepasseerd station.’ (blz. 75)
Mooie combinatie van zinnen dankzij dat modieuze gepasseerde station en die autorit. Praten in de auto is een gepasseerd station.
‘Ik hoor schreeuwen, diep vanbinnen, dat overgaat in waanzinnig krijsen, tot de angst lijkt te exploderen en zich in miljoenen deeltjes razendsnel door mijn hele lichaam verspreidt.’ (blz. 80)
Al eerder schreef ik dat ze die eerste les van creatief schrijven heeft overgeslagen. Toch zou ik ook hier graag de filmversie zien met die exploderende angst in het lichaam. Misschien ziet dat eruit als Popeye die net een blik spinazie naar binnen heeft gewerkt.
‘Is dit wat ik denk? Heeft hij je…?’ (blz. 85)
Daar heb je de puntjes weer.
‘De blik die ik een onthutste Etienne toezend, is ijskoud.’ (blz. 90)
En hoppa, weer een cliché.
Tijd om een dikke zwarte viltstift te pakken en het woord ‘literaire’ door te strepen op de flap.
Coen Peppelenbos
ESTHER VERHOEF: Erken mij. CPNB, 91 blz. gratis geschenk in de Maand van het Spannende Boek bij aankoop van boeken voor minimaal €12,50.
In elke recensie over Caesarion, de nieuwe roman van Tommy Wieringa, wordt de voorganger genoemd, Joe Speedboot. Dat boek kwam net als zijn hoofdpersoon als een meteoriet de Nederlandse letteren binnen en is er sindsdien ook niet meer uit weg te denken. Een everseller hoort die roman vol dromen en beweging te zijn.
Hoe kom je als schrijver over dat succes heen? Wieringa heeft het zichzelf in ieder geval niet gemakkelijk gemaakt en heeft geen kloon gemaakt van zijn succesboek. Integendeel zelfs. Waar in Joe Speedboot constructie, actie en beweging motieven zijn vind je in Caesarion het tegenovergestelde: destructie, inertie en afbraak. Of zoals de vader van hoofdpersoon Ludwig Unger op het einde van het boek zegt: ‘Alleen de vernietiging heeft een permanent karakter.’
Die vader is overigens de grote afwezige in het boek, want de moeder van Ludwig Unger wordt al vroeg in de steek gelaten in Alexandrië door haar man, een kunstenaar. Via het noorden van Nederland, waar haar gelovige zus woont die haar leven afkeurt, trekt ze met haar zoon door naar de rotsige gronden van Engeland. Ze verblijven daar net zo lang tot de erosie de rotsen afkalft en hun huis in de afgrond sleurt. De titel van het eerste deel is dan ook ‘Erosie’ en deze grondtoon van afbraak en neergang verlaat het boek niet meer. Die vind je niet alleen terug in de fysieke zaken die teloor gaan of verloren raken, maar ook in de psychologische verhoudingen tussen de personages. De omgang tussen moeder en zoon wordt stroever als hij ontdekt dat zij als pornoster gewerkt heeft. Als ze om weer aan geld te komen haar oude werk weer oppakt in Amerika dan kan de zoon nog slechts minachtend met haar omgaan. Toch blijft hij bij haar, om haar in de gaten te houden. Als zijn moeder naar Europa gaat, volgt hij gedwee, ondanks dat hij volwassen is en een verhouding heeft met een meisje.
Het gevaar dreigt dat ik het hele verhaal ga navertellen en dat moet niet. We moeten naar een oordeel toe. De adrenalinestoot die je bij het lezen van Joe Speedboot kreeg, blijft hier uit. Dat komt omdat Caesarion veel weerbarstiger is. Bleef Joe Speedboot beperkt tot één plek, in Caesarion gaan we van Engeland, naar Alexandrië, naar de provincie Groningen, naar Engeland, naar Amerika, naar Wenen, naar Praag, naar allerlei exotische plekken, opnieuw naar Groningen en tenslotte naar Zuid-Amerika. Volgens mij is dat een constructiefout in de roman. Alhoewel elke plek zijn eigen symboliek meeneemt, vraag je van de lezer telkens weer zich in te leven in een nieuwe omgeving. Bovendien hoorde ik in de stukken die in Wenen en Praag spelen meer de stem van Wieringa (die we kennen uit zijn reisverhalen) dan die van Ludwig Unger.
Het lijkt ook wel of er per plek een verhaal verteld wordt dat een eigen roman verdiend had. De personages schreeuwen om meer bladzijden. De weerbarstige Warren die in tevergeefs een kuststrook probeert te bouwen om de erosie tegen te gaan; de tante en oom in Groningen, star en stuurs, maar uiteindelijk ook liefdevol; de trouwhartige Sarah met wie Ludwig een verhouding krijgt; de vader die in de jungle een berg aan het vernietigen is. Bij iedereen wil je meer weten. Je zou willen dat Tommy Wieringa Caesarion beschouwde als een oerboek waaruit minimaal een trilogie te halen valt of nog meer delen zoals Simon Vestdijk deed met zijn Kind tussen vier vrouwen. Caesarion zit mij te vol. Teveel personages, teveel motieven en thema’s. Er wordt óók een oedipaal verhaal verteld, waarbij de liefde voor de moeder alleen maar blijkt uit de leeftijd van de vrouwen die Ludwig mee naar bed neemt. Tegen zijn eigen moeder blijft Ludwig bitse en afkeurende opmerkingen maken. Er wordt óók een verhaal verteld over het gevaar van alternatieve genezers die voorkomen dat de moeder zich onderwerpt aan de medische wetenschap om haar kanker te genezen. En zo worden er meer verhalen verteld. Ook kleine lijnen in het verhaal, zoals de verloren grandeur van steden als Wenen en Praag, waar de oude cultuur aan het afsterven is, roepen om meer, meer, meer. In Caesarion zit een geniale cyclus verborgen.
Het kan ook zijn dat de leeservaring van Joe Speedboot mij teveel in de weg zit. Dat er nog enkele jaren overheen moeten gaan om Caesarion goed te kunnen beoordelen. Dat je nog te vol bent van een oude geliefde om een nieuwe geliefde toe te staan.
Coen Peppelenbos
TOMMY WIERINGA: Caesarion. De Bezige Bij, Amsterdam, 366 blz. €19,90 (€24,90 hardcover).
Op de dag dat de schrijver van Meneer Foppe & de hele reutemeteut naar Groningen reisde voor een signeersessie, reisde meneer Peppe naar het midden van het land voor een belangrijke conferentie over literatuuronderwijs. Op die conferentie kwamen allemaal geleerde mensen. Meneer Peppe was altijd bang dat de naam Bourdieu zou vallen. Hij had eerder in de jury van een poëziewedstrijd gezeten en tot zijn schande niet geweten wat een ‘villanelle’ was. Thuis zocht hij het woord op om de betekenis daarna onmiddellijk weer te vergeten. Tussen meneer Peppe en de villanelle zou het nooit wat worden.
Meneer Peppe hield van de trein, want daar kon hij ongestoord lezen. Het liefst de eerste klas, want in de tweede klas waren de mensen rumoeriger. De eerste klas was beschaafder en liep minder snel vol. Met enig geluk had meneer Peppe een klein coupeetje voor zichzelf. Dat geluk had meneer Peppe helaas niet. In elke stiltecoupé zaten mensen. Een coupé voor jezelf was een luxe, maar een kleine coupé met een ander persoon was een kruistocht. Elk snufje of kuchje hoorde je. Bovendien had meneer Peppe altijd de pech dat zijn medepassagier een appel ging eten. Dat verscheurende geluid van een stuk appel dat wordt weggebeten, nagalmend in de mondholte, terwijl het sap tegen de keel spatte, maakte meneer Peppe direct misselijk. Was het eten van een appel al een beproeving, nog erger was de zoet-weëe geur van het klokhuis dat lag weg te rotten in het prullenbakje en het geluid van de tong met speeksel dat de resten appel tussen de tanden probeerde weg te slissen. Of nog erger: een medepassagier die de resten appel met zijn vingers uit zijn gebit ging grutten. De medemens was meneer Peppe een gruwel en daarom liep hij door naar de grote coupé.
Ook daar was het redelijk druk. Meneer Peppe hield van een plek bij het raam en een tweezitsbank, het liefst zonder een passagier achter je. In het hoekje dus, maar daar zat al iemand. Hij kon kiezen tussen een eenzitsbank, maar dan liepen er de hele tijd mensen vlak langs je, of een tweezitsbank met een kuchende man als achterbuurman. Omdat de Mexicaanse griep net fase vijf was ingegaan, nam hij plaats op de eenzitsbank. Daar scheen de zon echter zo fel, dat hij zeker wist dat hij twee uur later als een gestoofd peertje de trein uit zou komen zonder dat hij in staat geweest was om maar één letter in Meneer Foppe & de hele reutemeteut te lezen. Hij pakte zijn jas en ging toch maar op de tweezitsbank zitten. De kuchende man had intussen een handvol salmiakdropjes in zijn mond gepropt en meneer Peppe rook de geur ervan, maar beter de geur van gom dan de vrijelijk rondzwevende griepbacillen. Hij sloeg het boek Meneer Foppe & de hele reutemeteut open en begon te lezen.
In Assen kwam een ouder echtpaar de coupé binnen. Meneer Peppe keek snel naar buiten. Voordat je het wist begonnen oudere mensen te praten. Gelukkig liepen ze door. Het duurde niet lang voordat zij ontdekt hadden dat er in de kleine stiltecoupés geen plek meer was voor hen. De oude mevrouw nam nu plaats op de eenzitsbank bij het raam waar meneer Peppe eerder had gezeten. De man wurmde zich naast meneer Peppe. Vol schrik bedacht meneer Peppe wat hij moest doen. Als hij zou ruilen met de oude mevrouw dan zat hij weer op die warme plek bij het raam en kon hij het lezen wel vergeten, maar als hij zou blijven zitten dan zou het echtpaar over het gangpad heen een gesprek met elkaar beginnen waarbij de oudere mevrouw hard moest praten, zodat meneer Peppe alsnog gestoord werd. Erger nog dan dat was de mogelijkheid dat de oude meneer een gesprek met hem begon of hem zou aanraken met zijn elleboog.
Meneer Peppe stelde voor om te ruilen. Het echtpaar was hem erg dankbaar en zo zat meneer Peppe bij het raam te smoren tot Amersfoort met toch het gelukkige gevoel dat hij een goede daad had verricht.
In het boemeltje naar Lunteren had hij de hele eersteklascoupé voor zichzelf, maar een collega uit Leeuwarden, mevrouw G., stoorde hem bij het lezen. Mevrouw G. nam altijd een tweedeklaskaartje ondanks dat de reizen vergoed werden. Het had met haar jeugd te maken. Hij ging met mevrouw G. naar de tweedeklascoupé waar gelukkig niet zoveel mensen zaten. In de gauwigheid had meneer Peppe het exemplaar van Meneer Foppe & de hele reutemeteut verwisseld voor Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje. Dat was literatuur waarmee je voor de dag kon komen. Ook voor mensen die Bourdieu kenden. Mevrouw G. had net de nieuwste Tommy Wieringa gekocht. Meneer Peppe verheugde zich op het moment dat hij verder kon lezen in Meneer Foppe & de hele reutemeteut. Het was vrij stil in de tweede klas. Aan de overkant van het gangpad zat een vrouw, ze las een boek met de titel Waar is God?
Coen Peppelenbos
Wim de Bie – Meneer Foppe & de hele reutemeteut (met cd). De Harmonie, Amsterdam, 160 blz. €17,50.