• Een blik in de spiegel

    Voelt u ook zo’n weerzin tegen Trump? Dat kapsel, die tronie, dat gebullebak? Zijn rijkdom, zijn wansmaak? Hoe is het toch mogelijk dat zo’n barbaar, enz. En Clinton had nog wel meer stemmen, enz. Nooit eerder zijn weldenkende mensen het zó met elkaar eens geweest. Op 20 januari is zijn inauguratie en dan wordt het menens.
    Lees eens het volgende citaat van George Orwell. Let op het jaar van publicatie. Hij heeft het over ‘nationalisme’ en daar bedoelt hij een heleboel dingen mee die wij ‘populisme’ noemen: blinde groepstrouw, blinde groepshaat, afkeer van feiten en afkeer van het vreemde. Trump. De onderbuik.

    ‘Wat betreft de nationalistische voorkeur en afkeer waar ik het over heb gehad, die behoren tot de aard van de meesten van ons, of we het leuk vinden of niet. Of het mogelijk is er vanaf te komen, weet ik niet, maar ik geloof dat het in ons vermogen ligt ze te bestrijden en dat dat in wezen een morele inspanning is.

    Het komt er om te beginnen op aan te ontdekken wie je werkelijk bent, wat je eigen gevoelens werkelijk zijn en vervolgens om rekening te houden met je onvermijdelijke bevooroordeeldheid. Als je Rusland haat en vreest, als je jaloers bent op de rijkdom en macht van Amerika, als je Joden veracht, als je een gevoel van  minderwaardigheid hebt jegens de Britse heersende klasse – je komt niet van die gevoelens af door er alleen maar over na te denken. Maar je kunt ten minste onder ogen zien dat je met die gevoelens behept bent en voorkomen dat ze je denken (‘mental processes’) besmetten.

    De gevoelsmatige impulsen waar je niet aan kunt ontsnappen, en die misschien zelfs noodzakelijk zijn om tot politiek handelen te komen, moeten toch kunnen bestaan naast een aanvaarding van de werkelijkheid. Maar dit vraagt, ik zeg het opnieuw, een morele inspanning (…)’

    Uit: Notes on Nationalism (1945)

    Zo’n morele inspanning leveren, dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Steeds maar je onderbuik inhouden! De last van zelfcorrectie en weldenkendheid. Orwell zelf wist er alles van, overtuigd socialist als hij was, met de inborst van een Tory.
    Laten we daarom van 20 januari een bijzondere dag maken. Zodra we zijn opgestaan, posteren we ons voor de spiegel en kijken we onszelf langdurig en indringend aan. Liefst in ons eentje, dat verhoogt de intensiteit van de ervaring. En dan –  u moet wel even uw best doen – zult u geleidelijk aan, misschien vaag, misschien verblindend scherp, de gestalte van Trump ontwaren. Shit! Ben ik dat?

    Jawel. En pas als wij de primitieveling in onszelf durven zien en aanvaarden, zie Orwell, zijn we in staat te begrijpen dat politieke opponenten, hoe onbehouwen ook, geen aardedonkere vertegenwoordigers van het kwaad zijn waartegen wij, als zelfverklaarde hoeders van de Rechten van de Mens en van Artikel 1 van onze Grondwet, met zuiver blazoen ten strijde moeten trekken. Orwells ‘gevoelsmatige impulsen’ zijn menselijk, al te menselijk.
    Noem dat ‘het menselijk tekort’ of, als u dat sjieker vindt, ‘la condition humaine’. De kerken spraken vroeger van ‘erfzonde’, een geloofsartikel waar moderne christenen niet veel van moeten hebben. Het besef van onze onvolkomenheid (‘De mens is geneigd tot alle kwaad’) brengt ons echter tot grotere zelfkennis en vergroot onze realiteitszin en maakt ons juist daardoor minder Trumperig. Want laten we eerlijk zijn: voor we het weten lijken we in onze aversie jegens Trump, Le Pen, Wilders, enz. verdacht veel op de tegenstanders. Of bent ú daar niet bang voor?

    De Poolse filosoof Leszek Kolakowski, overleden in 2006, schreef eens naar aanleiding van het begrip ‘erfzonde’: ‘Voor ons verstand is twijfel het bewijs van onze onvolmaaktheid, niet de aanleiding ervan; tegelijkertijd verhindert hij dat het kwaad dat in ons is, zijn hele arsenaal aan mogelijkheden ontwikkelt. Datgene dat maakt dat wij ons pijnlijk bewust zijn van onze onvolmaaktheid, helpt ons minder onvolmaakt te zijn dan we anders geweest zouden zijn (…)’

    Verder merkte hij op: ‘Onnodig toe te voegen dat de duivel ook weet hoe hij de twijfel voor zijn karretje moet spannen, hoe er een excuus voor inactiviteit en inertie van te maken juist dan, wanneer standvastigheid en bereidheid tot het aangaan van een onzekere strijd nodig is.’
    Uit: Kan de duivel verlost worden? (1972, vertaling J. Minkiewicz)

    Die ‘onzekere strijd’ waar Kolakowski het over heeft, is er een die zowel innerlijk moet worden gevoerd als tegen externe tegenstanders, en heeft alleen kans van slagen als we Orwells ‘morele inspanning’ weten op te brengen en onder ogen zien dat we uit hetzelfde hout zijn gesneden als Trump. Laat u zich inspireren door de volgende regels van Leonard Cohen, afkomstig van zijn allerlaatste cd:

    say your Mea Culpa, which you gradually forgot
    year by year, month by month, day by day,
    thought by thought.

    Uit: Steer Your Way (2016, van de CD ‘You Want It Darker’)

    En dan ten strijde, want alleen met dromen en tranen à la Jan Terlouw komen we er niet. Overigens, wat denkt u dat Trump zélf in de spiegel ziet?

     

     

  • Beloften

    De dood en verkeerde keuzes zijn de definitieve punt achter alles wat nog enigszins een belofte inhield. Ik lette even niet op, ik was er niet. Had mijn spullen gepakt en vertoefde ergens anders. En alsof ik gestraft werd voor mijn afwezigheid stierf er een schrijfster waarvan ik nog een boek verwachtte, overleed de zanger die mijn eerst verliefdheid belichaamde en is de democratie in Amerika in een terminaal stadium geraakt. Leonard Cohen overleed nadat hij een nieuwe plaat had uitgebracht en  geopperd had toch wel 120 te willen worden. Helga Ruebsamen had nog een vervolg op haar roman Het lied en de waarheid willen schrijven. Het had er nog van kunnen komen, maar de dood haalde alles onderuit.

    In de jaren zeventig leerde ik een jongen kennen die enkel wilde samenwonen met een zwart geklede schone. Op zijn zolderkamer luisterden we tot diep in de nacht naar Songs of Love and Hate van Leonard Cohen. Door het donkere stemgeluid van de Canadese bard en zijn ondoorgrondelijke teksten werd ik verliefd op die jongen. Een jongen als een belofte. We gingen dat jaar samen naar een concert van Leonard Cohen in de Doelen in Rotterdam. We gingen met een bus en een groep vrienden die alles kenden van deze poëtische zanger. Blowend legden we de reis af.

    Dat hoorde bij de muziek van Leonard Cohen, een flinke joint  deed je alles begrijpen. Ik werd misselijk van de belofte van die avond en van de ongrijpbaarheid van liedjes als The Sisters of Mercy of Famous Blue Raincoat: ‘And what can I tell you my brother, my killer / What can I possibly say? /I guess that I miss you, I guess I forgive you / I’m glad you stood in my way.’ Nog weet ik niet waar het eigenlijk over gaat maar de uitwerking is zo sterk dat ik – telkens als ik er naar luister – de realiteit uit het oog verlies en geïnspireerd raak,  tot wat dan ook.

    Zoals het met de democratie in Amerika nooit meer goed zal komen, is het met mij en die jongen niks geworden. Ik was niet die in het zwart geklede schone. Dat het nummer Chelsea hotel een elegie voor Janis Joplin was, weet ik pas sinds kort. En dat Cohen een affaire met haar heeft gehad ook. Achteraf, als beloften niet meer meespelen, kom je altijd meer te weten, is alles helder en blijft er, als je niet oppast, niks over.
    Yes and lover, lover, lover, lover, lover, lover, lover Come back to me.

     

     

  • Onderstrepingen

    ‘Men had zijn werk en rondom de vernietiging.’ De dit jaar te vroeg overleden Wim Brands onderstreepte deze zin als enige in de verhalenbundel De meester van de Laërtes (1975) van F.C. Terborgh. Een deeltje uit de Salamander-reeks van uitgeverij Querido. Toen Wim Brands nog leefde, kochten wij als antiquariaat op regelmatige basis boeken bij hem in. Na zijn dood komt zijn bibliotheek deels bij mij terecht.

    ‘Men had zijn werk en rondom de vernietiging.’

    Snel concluderend kun je deze markering aanwijzen als een teken van hoe Wim Brands het leven, de wereld zag. Ergens denk ik dat dat ook zo was, als ik al enige aanspraak mag maken op een psychologische duiding van deze dichter en presentator. Ik vind het ook een mooie zin, in al zijn gruwelijkheid. Het geeft een absolute manier van leven aan. We werken, we leven en om ons heen is er de dood, de ondergang. Maar we werken door ondanks alles wat kapot is, kapot ging of kapot gaat. ‘Men ging er ook langs, het oog op de grond gericht, en recht vooruit, en negeerde de verwoesting, want zelfverdediging dwong ertoe’ (Terborgh). We zijn de ‘vuilnisroos’ naar de roman van Ben Borgart uit 1972.

    Ik denk dat Wim ook zo leefde. Wim wilde altijd door. Als ik op boekeninkoop bij hem was, vroeg hij altijd naar wat er nog allemaal stond te gebeuren in de winkel  – we hielden geregeld een literair avondje of een boekpresentatie – en: ‘Hoe is het nu met je?’ Nadat ik door een rare neuropathologische aandoening (Guillain-Barré Syndroom) in 2004 een tijdje niet kon werken en een paar maanden aan bed en rolstoel gekluisterd was, verbaasde het me dat hij dit jarenlang is blijven vragen: ‘En? Hoe is het nu met je?’ Ik denk dat Wim degene is geweest die dat het langst is blijven vragen. Als hij in de winkel kwam of als ik bij hem thuis over de vloer kwam: ‘Hee jongen, gaat het goed met je?’ Ik denk nu vaak terug aan die simpele momenten van aandacht, daar was Wim heel goed in. In De vijftig beste gedichten van Wim Brands schreef hij een opdracht voorin: ‘Voor Stefan, met wie ik via de boeken verkeer, Wim!’

    In den beginne was er een verhaal over vertrekken
    dat hij op een regenachtige maandagochtend
    vertelde.

    Hij huilde niet, jij ook niet, hij sprak alsof
    hij je wilde bedanken, jou, omdat er
    niemand anders was.

    En toen was hij dan echt vertrokken.
    Daar lag hij. Zoek mij niet, leek hij
    te zeggen, ik ben de woestijn in,

    naar het poolijs, op zoek naar God die
    uiteindelijk de beste verhalen kent;
    en mocht hij slapen

    dan weet ik dat hij ook dan
    onophoudelijk aan poëzie denkt.

     

    Uit: ’s Middags zwem ik in de Noordzee,
    Nieuw Amsterdam, 2014

     

     

     

  • Escapades

    Nu de hedendaagse goden zijn teruggekeerd van de Olympus is de tijd rijp voor een klassiek literaire terugblik op één van de meest memorabele momenten van de Spelen: de escapades van godenzoon Yuri.

    Hoe kunnen we zijn avonturen beter herbeleven dan door ze terug te lezen in Ovidius’ Metamorphosen? Wat leent zich daar beter voor dan die prachtige aaneenschakeling van verhalen over levens van klassieke goden, stervelingen en andere mythische figuren? Zoals de in een laurierboom veranderende Daphne, de altijd napratende Echo en de op zichzelf verliefde Narcissus. Nee, niets is leuker dan deze klassieke verhalen te gebruiken als spiegel voor de beproevingen van de hedendaagse mens. Zoals die van Yuri.

    Zijn escapades brengen die van Bacchus in herinnering, uit het achtste boek van de Metamorphosen. Een verhaal dat door Titiaan in opdracht van Alfonso d’Este onvergetelijk is uitgebeeld. Voor wie het wil zien; het hangt in de National Gallery van London. We zien een overblije jeugdige Bacchus die met zijn gevolg van feestvierders op een wat verdrietige Ariadne stuit, de dochter van koning Minos. Zij is net verlaten door Theseus, die haar had meegenomen naar Naxos, maar daar alleen achterliet. Terwijl ze nog in tranen is dient de wijngod zich bij haar aan. Ze schrikt maar wordt snel door Bacchus getroost. Hij pakt haar diadeem af, slingert het de hemel in en schenkt haar zo haar eigen sterrenbeeld, de Corona Borealis. Waarna ze trouwen en geloof ik, nog lang en gelukkig leefden.

    Dit doek van Titiaan lijkt Yuri op het lijf geschilderd. Al zijn er dan wel meerdere interpretaties mogelijk, maar dat is bij een klassiek mythologisch schilderij wel vaker het geval. Volgens de eerste interpretatie is Ariadne net met de boot in Brazilië aangekomen en stuit ze op het strand op Yuri met zijn gezelschap van schaarsgeklede en dronken Braziliaanse feestbeesten. Yuri is zo blij haar te zien dat hij uit jolijt haar diadeem de hemel in slingert, waarmee hij zijn kansen op Olympische goud vergooit.
    Een tweede interpretatie is dat Yuri’s gezelschap bestaat uit dronken collega-Olympiërs, waaronder de door slangen gevangen god Mauritshendrikos. Hij stuit dan niet op Ariadne maar op de godin Olympia, die op zijn zachts gezegd not amused is als ze ziet hoe haar gedroomde winnaar hier door de in bier gedrenkte Olympiadengroep wordt opgejut. Ze wendt zich van hem af en ontneemt hem zijn podiumkansen. Al lijkt ze door met haar rechterhand naar de sterren aan de hemel te wijzen te suggereren dat het goud voor Yuri in de toekomst misschien nog wel bereikbaar is.

    U ziet, Ovidius en Titiaan zijn van alle tijden, al zullen we nooit weten welke interpretatie de juiste is. Maar ik hoop dat ooit één van de lezers van deze column in de National Gallery voor het schilderij van Titiaan staat en dan fluistert: ‘Hee, dat is Yuri, hoe zat dat ook al weer?’

     

     

  • De horzel van Otterspeer: geesteswetenschappen en natuurwetenschappen in conflict

    Voor bezuinigende beleidsbepalers zijn degenen die zich op kosten van de overheid met kunst en cultuur bezig houden een makkelijk doelwit. Wat leveren die subsidies nu eigenlijk op? Kan het niet wat minder? Wat heb het voor nut? Op deze vragen hebben de culturele instellingen doorgaans geen antwoord dat eenvoudig in cijfers en staafdiagrammen uitgedrukt kan worden. En laten dat nu juist de wapens zijn waarmee de strijd gestreden wordt.

    Maar wie aangevallen wordt verdedigt zich en wie zich echt bedreigd voelt, slaat om zich heen. Misschien is het daarom dat sommigen over kunst en cultuur beweren dat ze niet alleen waardevol maar zelfs onmisbaar zijn in de strijd tegen de oprukkende oppervlakkigheid. Kortom, cultuur is goed, en noodzakelijk voor een goede, algemene ontwikkeling, waarbij steeds vaker benadrukt wordt hoe gezond dit alles is. Kijk bijvoorbeeld eens naar Alain de Bottons School of Life dat niets minder wil dan door middel van kunst en cultuur een beter mens van u te maken. Of sla het boek de boekenapotheek eens open. Hierin worden met verdacht weinig ironie leesadviezen aan medische aandoeningen gekoppeld. Boeken zijn net medicijnen, is het idee. Maar, als boeken zo goed voor mensen zijn, dan kan dit toch niet gelden voor elk boek. Sterker nog, als sommige boeken daadwerkelijk goed zijn voor de gezondheid dan moet het ook mogelijk zijn om boeken te schrijven die slecht zijn voor de gezondheid. En welke boeken zijn dit dan, en wat gaan we er aan doen? …Maar hierover niet nu.

    Wie zich geroepen voelt de kunsten te verdedigen tegen blinde cijferdrift moet zijn pijlen richten op de politici waarvan men vermoedt dat ze enkel in economische belangen geïnteresseerd zijn. Zo iemand is Rob Riemen, oprichter van het Nexus instituut, die meent dat Europa een ziel mist en zich blind staart op uitsluitend economische belangen. Voor hem is Cultuur (ik gebruik expres hoofdletters) de representant van het Schone, het Goede, het Diepe en het Universele.

    Ook Willem Otterspeer is iemand die zich geroepen voelt op de bres te springen om kunst en cultuur, in de vorm van de geesteswetenschappen, de humaniora zoals hij ze noemt, te verdedigen. De strijd binnen de universiteit heeft zo zijn eigen dynamiek. Er zijn discussies over studentenaantallen, bezuinigingsdrift, concurrerende wetenschappers, de keuze tussen meer onderwijs ten koste van onderzoek, publicatiedruk, valorisatie (het direct bijdragen aan iets dat economisch nuttig wordt geacht) etc. Dat het anders moet op de Nederlandse universiteiten is een opvatting die steeds breder lijkt te worden gedragen. Zo is er het initiatief Science in Transition dat o.a. zoekt naar een andere waardering van wetenschap in de samenleving, en afgelopen zomer nog bezetten studenten en medewerkers van de UvA gebouwen van hun universiteit als protest tegen het zogenaamd ‘rendementsdenken’.

    Ook Otterspeer vindt dat de universiteit aan een herijking toe is. Maar hij kiest een merkwaardige vijand in de strijd om… ja, om wat eigenlijk? Gaat het hier om erkenning, geld, aandacht? In elk geval, Otterspeer kiest niet de voorstanders van het rendementsdenken als vijand, maar de natuurwetenschap. Dat lijkt een strategische vergissing te zijn en na het lezen van zijn boekje Weg met de wetenschap, blijkt dat het dit ook echt is.

    In een interview met De correspondent zegt Otterspeer dat hij dit boekje schreef uit ergernis over de natuurwetenschappen. Nu is ergernis zelden gebaseerd op iets wat zich met fraaie argumenten goed laat onderbouwen en ook hier is dit niet gelukt. Met ‘wetenschap’ bedoelt Otterspeer de natuurwetenschappen en hij geeft ze bijna achteloos de schuld van bijna alles dat mis is binnen de universiteit:

    De politiek en haar populisme, getal en toepasbaarheid, het managers-syndroom en zijn voorliefde voor kwantificering zijn ook de universiteit binnengedrongen. En de poort waardoor zij naar binnen kwamen was de wetenschap.

    Bij deze zin vraag je je af of Otterspeer het nu werkelijk meent, of alleen maar aan het provoceren is. Als het laatste het geval is dan ontgaat me wat hij nu eigenlijk wil bereiken. De bewering zelf is op het onzinnige af. Alsof iedere natuurwetenschapper instemt met meer managers, meer kwantificering of zelfs meer populisme. Sterker nog, de natuurwetenschap houdt zich helemaal niet bezig met voorgeschreven regels of wetten. Een natuurwet is niet iets waar men zich aan dient te houden. De voorliefde van managers voor meetbare resultaten heeft dan ook niets met natuurwetenschap te maken.

    Otterspeer beargumenteert de bewering nauwelijks. De natuurwetenschap zou voortkomen uit een steeds verder toenemende rationalisering en dat leidt tot de geciteerde voorliefde voor kwantificering en managers. Hij bevindt zich hiermee op ijs dat niet alleen te glad maar ook te dun is. Het is niet al te moeilijk om toenemende rationalisering aan te wijzen voor een probleem van uw keuze.

    Maar de opmerking over een ‘toenemende rationalisering’ is veelzeggender dan het misschien lijkt. Voor Otterspeer is natuurwetenschap iets dat bijna tegengesteld is aan de geesteswetenschappen. Tussen de twee bevindt zich in elk geval een grote kloof. Otterspeer haalt daarbij uitgebreid de lezing The two cultures and the scientific revolution van C.P. Snow aan. Snow was romanschrijver en chemicus, was bevriend met wetenschappers en ‘intellectuelen’ en merkte tot zijn verbazing dat de twee groepen niet tot nauwelijks met elkaar communiceerden of interesse voor elkaar hadden. Er was volgens Snow duidelijk sprake van twee culturen.

    Het aardige van Snows lezing is dat hij de kloof niet alleen vaststelt maar ook betreurt. In zijn lezing denkt hij na over hoe de twee culturen weer met elkaar verbonden kunnen worden. Otterspeer citeert Snow met instemming maar lijkt ondertussen een heel andere kant op te gaan. In plaats van een brug te willen slaan tussen de twee culturen beargumenteert hij dat het verschil tussen geestes- en natuurwetenschappen fundamenteel is. Volgens hem zijn er twee radicaal verschillende manieren om naar de wereld en ons zelf te kijken. Het onderscheid zou terug gaan tot op de oude Grieken, en dan weet een lezer die zijn klassiekers kent, dat we hier op een fundament gestuit zijn.

    Wie Otterspeers betoog leest, kan bijna niet anders dan concluderen dat de natuur- en geesteswetenschappen onverenigbaar zijn. De enige uitweg uit het dilemma is niet een samenkomst van de twee culturen maar een evenwicht, waarbij de een de ander niet teveel overheerst. Dat is ook de reden waarom Otterspeer roept dat de wetenschap weg moet: om te bereiken dat haar invloed vermindert en dat de geesteswetenschappen weer wat meer ruimte krijgen. Hij pleit vervolgens voor het belang van algemene vorming en de belangrijke rol die hij daarin voor de universiteit ziet weggelegd. Zij moet in haar opleidingen de nadruk leggen op ‘probleemoplossend vermogen’ en kenmerken stimuleren als risicobereidheid, flexibiliteit, zelfdiscipline, behoefte aan autonomie, aan complexiteit en nieuwe ervaringen. (blz. 61) Dat is allemaal goed en wel maar het blijft een raadsel waarom dit dan moet worden gerealiseerd zonder, of in ieder geval met minder ‘wetenschap’.

    Het is moeilijk om te ontdekken wat Otterspeers belangrijke punt nu eigenlijk is. De natuurwetenschappen overheersen en de universiteit moet zijn rol als drager van culturele en algemene ontwikkeling weer terug krijgen. Daarbij prijst hij het Amerikaanse onderwijssysteem (waar wetenschap trouwens uiterst belangrijk wordt gevonden) en houdt een onduidelijk pleidooi voor een nieuwe universiteit, waarbij hij ook rollen ziet weg gelegd voor de krant en de politiek. Dat laatste lijkt een grapje maar is het niet. Science in Transition stelt juist vast dat het vertrouwen van het publiek in de wetenschap nog vele malen groter is dan die in de journalistiek en de politiek. Otterspeer lijkt zich daarmee aan verzakkende fundamenten te willen vasthouden. Het lijkt er op dat hij terug wil naar oude verheffingsidealen maar als dit zo is, dan volgt hij een bijna onnavolgbare omweg.

    Weg met de wetenschap, verscheen in de zogenaamde reeks Horzels dat aanleiding moet geven tot debat. Maar juist als uitgangspunt voor een discussie schiet dit boekje te kort. Men moet eerst graven om te begrijpen wat Otterspeer nu eigenlijk wil.

    In het gesprek met de Correspondent maakt Otterspeer de opmerking dat veel museumbezoekers niet meer weten dat de afgebeelde vrouw in het blauw Maria is. De kunst wordt met dat gebrek aan kennis niet meer op zijn waarde beoordeeld. Dat mag zo zijn, maar iets dergelijks kan men ook zeggen over het gebrek aan kennis over vogels, planten, insecten bij wandelaars. Iedere plantenliefhebber weet wat iemand mist die niets weet van de Nederlandse flora. En wie een idee wil krijgen van hoe wiskundige kennis je leven kan verrijken moet maar eens naar de filmpjes van Vi Hart kijken.

    Otterspeer geeft nog meer voorbeelden van het belang van de humaniora: de geschiedenis van migrantenstromen in de 17e eeuw, en Rembrandts ontwikkeling naar aanleiding van de recente aankoop van de twee pendantportreten. Wat daarbij opvalt is dat het hier steeds om feitelijke kennis gaat, terwijl Otterspeer nu juist betoogt dat ‘zekere kennis’ het domein is van de natuurwetenschap, en dat de humaniora gaan over het onzekere. (Een uiterst ouderwets aandoende bewering overigens.) Men kan zich dan ook afvragen of het onderscheid tussen de twee vormen van wetenschap inderdaad zo fundamenteel is als Otterspoor betoogt.

    Er is nog wel meer kritiek op de geesteswetenschappen mogelijk. Otterspeer klaagt dat zij, om voor volwaardig te worden aangezien, de natuurwetenschappen zijn gaan imiteren. Dat is in zekere zin juist, maar het zijn de geesteswetenschappen zelf die deze keuze lang geleden en bovendien herhaaldelijk hebben gemaakt. Denk bijvoorbeeld aan de wetenschappelijke pretentie van Marx of het toepassen van psychologische en economische theorieën bij de interpretatie van kunst en literatuur.

    Men kan zich daarbij ook nog eens afvragen in hoeverre men met al dat academische gepraat en geschrijf over kunst en cultuur, nu ook iets wezenlijks bijdraagt aan onze algemene ontwikkeling. In veel gevallen heeft het geleid tot onleesbare studies die wel eens heel slecht voor de gezondheid zouden kunnen blijken te zijn.

     

     

  • Stemmen op papier – Poetry International een overzicht

    Etalage

    Een uitgave voor de liefhebber

    De 45ste editie van Poetry International is vandaag van start gegaan. Ter gelegenheid daarvan verschijnt Stemmen op papier van de hand van de managing director van het festival, Bas Kwakman. Stemmen op papier bevat een overzicht van de activiteiten van Poetry International van de periode tussen 1970 – 2013.

    Het gaat niet alleen over de jaarlijkse Poetry International festivals maar ook over de andere activiteiten zoals de Poëzieweek, de VSB Poëzieprijs alsook aandacht voor de website van Poetry International. Om deze internationale poezie in boekvorm vast te leggen, Maakte Poetry gebruik van verschillende uitgeverijen. Dit is te lezen in Stemmen op papier: hoe projecten als Hotel Panassus tot stand zijn gekomen, de samenwerking met uitgeverij Meulenhoff en het vastleggen van de stem van de dichter.
    Ook de uitgaven tijdens Poëzieweek en voor Gedichtendag, worden hierin besproken. En  ook de jubileumuitgaven en publicaties met bijzondere partners, de combinatie van poëzie met beeldende kunst en de uitgaven die samen met kleine uitgevers werden uitgevoerd.
    Kwakman zet het allemaal op een rij en geeft de liefhebber tot slot ook de onontbeerlijke index van alle uitgaven van Poetry International Rotterdam van 1970 – 2013.

    Stemmen op papier
    De uitgaven van Poetry International Rotterdam 1970 – 2013
    Bas Kwakman
    Blz: 40
    Prijs: € 5,00
    Uitgeverij: In de knipscheer

     

  • Achter gesloten grenzen – José Luís Peixoto

    Etalage

    ‘Alle verlichting was gedoofd. Ik voelde mijn hart bonzen en rende in de richting van de Taedong. Langs de oevers van de rivier stonden vele duizenden mensen. In het hermetisch donker baande ik me een weg door de menigte. De enige helderheid kwam uit de hemel: over een afstand van vele kilometers werden langs de rivier vuurpijlen de lucht in geschoten. Maar hier beneden in die volmaakte duisternis voelde niemand mijn aanwezigheid. Niemand dempte zijn stem, niemand sloeg de ogen neer toen ik voorbijkwam. Gedurende die paar minuten was ik heel even Noord-Koreaan.’

    Het was bijzonder dat een romanschrijver toestemming kreeg om het eeuwfeest van de geboorte van de grote Noord-Koreaanse roerganger Kim Il-Sung te bezoeken. En al helemaal dat hij de kans kreeg om te reizen. Achter gesloten grenzen beschrijft een wereld die geen westerling kent, waar mensen geloven dat de Grote Leider de zon kan laten schijnen, waar restaurants leeg zijn en waar hij geen stap kan zetten zonder zijn reisbegeleidster Kim. Niet alleen vanwege haar is het een spannende reis: mag hij zijn foto’s houden? Wordt zijn exemplaar van Don Quichot ingenomen? Glimlacht hij wel op de juiste manier naar de grenswacht? En dan, tijdens het grote feest, gebeurt er iets bijzonders en komt zijn reis tot een onverwacht slot.
    De Portugese romanschrijver en dichter José Luís Peixoto (1974) bezocht in 2012 het eeuwfeest van Kim Il-Sung in Noord-Korea. Hij slaagde erin langer door het land te reizen en schreef er dit boek over.

     

    Achter gesloten grenzen
    Reizen door Noord-Korea

    Auteur: José Luís Peixoto
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs:  € 21,99

     

  • Herinneringen van een regisseur – Erik Vos

    Toneelgroep De Appel speelt tot eind mei de spectaculaire marathonvoorstelling Cassanova in de regie van Aus Greidanus sr.  Het is een meeslepende toneelvoorstelling die zich op en in het water afspeelt en waar (letterlijk) de spetters van afvliegen.

    Meeslepend toneel is al jaren kenmerkend voor de voorstellingen van deze toneelgroep. Ook toen oprichter Erik Vos nog artistiek leider en regisseur van De Appel was (1972 tot 1997).

    Van Erik Vos komt begin mei 2014 Herinneringen van een regisseur uit. ‘Dit boek vormt de neerslag van ervaringen in Amerika, Rusland, Duitsland en Nederland. Door de persoonlijke benadering van klassieke meesterwerken en de botsing met totaal uiteenlopende culturen, is het een indrukwekkend ego-document geworden. In het boek – met verrassende uitstapjes naar de wereld van beeldende kunst – geeft Erik Vos zijn visie op de samenhang en wisselwerking tussen acteurs, publiek en ideeën, tussen taal, tijd, zintuigen en muziek, passies en herinneringen. Waar ook ter wereld hebben die geleid tot een unieke vorm van totaaltheater.

    Erik Vos (1929) is een van onze meest markante toneelleiders. Improvisatie en klassieke teksten vormen de basis van zijn voorstellingen, waarvoor hij in binnen- en buitenland talloze malen is onderscheiden. Hij is als docent verbonden geweest aan het Instituut voor Dramatische Kunst van de Universiteit van Amsterdam en geeft nog regelmatig masterclasses aan de diverse Toneelacademies in Nederland.’

    Op donderdag 22 mei gaat Hein Janssen (theaterredacteur van de Volkskrant) in het Appeltheater met Erik Vos in gesprek over Herinneringen van een regisseur. Aanvang 20.15 uur, reserveren bij het Appeltheater.

    Herinneringen van een regisseur
    een wereld van beeld en verbeelding

    Auteur: Erik Vos
    Verschijnt bij: Uitgeverij International Theatre & Film Books
    Aantal pagina’s: 300
    Prijs: € 39,50

     

  • Nieuwe roman van Jan van Mersbergen, De laatste ontsnapping

     

    Etalage

    Jij bent mijn vader, zegt de jongen aan de telefoon. Hij heet Deedee en is tien jaar. Wat betekenen familiebanden als je elkaar nog nooit gezien hebt? De vader vluchtte ooit voor de dienstplicht uit voormalig Joegoslavië en treedt al jaren op in het nachtleven in Amsterdam met een ontsnappingsact, waar hij zich aan een stoel laat vastbinden en vrij moet zien te komen.
    Na het eerste telefoontje van de tienjarige jongen dringt het nieuws nog niet tot hem door. Neemt iemand hem in de maling? Na het tweede telefoontje ontmoeten ze elkaar. Nu hij de jongen voor het eerst ziet, weet hij het zeker: Deedee lijkt sprekend op zijn jongere broer, die in Joegoslavië achterbleef en wel ging vechten.
    Tijdens een verblijf aan de Zuid-Franse kust, waar de ontsnappingskunstenaar is uitgenodigd om op te treden, wordt duidelijk dat er meer speelt dan alleen de band met zijn zoon. Welke waarde heeft vrijheid als je volledig ongebonden bent? Op welke manier hebben je kinderen jou nodig en op welke manier heb jij je kinderen nodig?

    Volgens Kenneth van Zijl van Lezen &cetera, schreef Jan van Mersbergen met De laatste ontsnapping, een intiem onthutsende vaders-en-zonen roman die aan het denken zet.’  

    In de Boekenweek op 12 maart wordt de roman ism met literair tijdschrift Das Magazin feestelijk gepresenteerd in Amsterdam.

    De laatste ontsnapping

    Jan van Mersbergen
    Blz.:  224
    Prijs: € 18,90
    Verschijnt 24 februari bij uitgeverij Cossee

     

  • Niet alle smeerlappen komen uit Wenen – Andrea Molesini

    Gesignaleerd

    Bij uitgeverij Wereldbibliotheek verschijnt eind januari 2014 Niet alle smeerlappen komen uit Wenen, waarmee de Italiaanse schrijver Andrea Molesini de Premio Campiello, een van de belangrijkste literaire prijzen in Italië won.

    ‘In november 1917 vorderen oprukkende Oostenrijkse en Duitse troepen in het noordoosten van Italië het landhuis van de familie Spada. Enkele officieren worden er ingekwartierd. Aanvankelijk verloopt dit gedwongen samenleven harmonieus want de Spada’s en de commandant van de Duitsers, baron von Freilitzsch, zijn van adel en zij gedragen zich naar de omgangscodes die de Europese adel deelt.

    Al wordt de oorlogssituatie steeds grimmiger, toch ontstaat er tussen de baron en de vrouw des huizes een zeker respect en wederzijdse waardering. Maar de verhoudingen komen op scherp te staan wanneer de zeventienjarige Paolo, een van de leden van de familie, in contact komt met mensen van het verzet. Zonder dat hij daar echt voor kiest, wordt zijn rol in dat verzet steeds belangrijker.

    Wat voor Paolo begon als een spannend avontuur, wordt bittere ernst wanneer hij en enkele van zijn familieleden worden verraden en opgepakt.

    Andrea Molesini vertelt een verhaal over de betrekkelijkheid van het goede en de dictatuur van het kwaad. Zijn roman over een adellijke familie speelt zich af in de Eerste Wereldoorlog, de periode dat de teloorgang van de oude wereld onafwendbaar was geworden.’

     

    Niet alle smeerlappen komen uit Wenen

    Auteur: Andrea Molesini
    Vertaald door: Marieke van Laake
    Verschijnt eind januari 2014 bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 288
    Prijs: € 19,90

  • Sicilië in de oudheid – Henk Singor

    Etalage

    Sicilië in de oudheid beschrijft compact de geschiedenis van het eiland in de oudheid. Het is ook te lezen als een compendium van de hele antieke geschiedenis.

    Sicilië, het grootste eiland in de Middellandse Zee, ligt ongeveer halverwege het oostelijk en het westelijk bekken. Het is eeuwenlang een brug tussen volken en beschavingen geweest. Deze brugfunctie is tegen het einde van het tweede millennium v. Chr. ontstaan, en is pas tegen het einde van de Middeleeuwen beëindigd.

    Naast de oorspronkelijke bewoners hebben Feniciërs, Grieken, Carthagers en Romeinen allen hun sporen nagelaten. In de eenwording van het Middellandse Zeegebied, met als hoogtepunt het Romeinse Rijk, speelde Sicilië een cruciale rol als doorgeefluik van politieke organisatievormen en economische concepten, van literatuur en beeldende kunst, van religieuze en filosofische ideeën.

    Henk Singor doceerde oude geschiedenis aan de universiteit van Leiden

     

    Sicilië in de oudheid
    De Griekse periode

    Auteur: Henk Singor
    Verschenen bij: Uitgeverij Verloren
    Aantal pagina’s: 144
    Prijs: € 15,-

  • Slibreeks poezieboekje 144: Oorschelp – Jan Lauwereyns

    Etalage

    Geïsoleerd in West Wing 2 zit een zekere Lucas, professor Bos (of Vos?), een wetenschapper, een expat in Japan. Hij hoort dingen: zijn geweten, bizarre geluiden, twijfelachtige hypothesen, tekenen van onze tijd, het dwangmatig verlangen naar kennis, het ratelen van cicaden, het ruisen van de zee.
    In het midden van zijn gedachten doet zich een muis voor. Auriculosaurus blijkt genetisch veranderd te zijn, en draagt een opmerkelijke vracht op de rug. Het vreemde schepsel is verdwaald in het labyrint van de gloednieuwe campus. Kan Lucas Vos de arme muis redden?

    Oorschelp is een lichtjes psychotisch prozagedicht van laureaat VSB Poezieprijs 2012 Jan Lauwereyns met tekeningen van Bart Baele. De samenwerking verscherpt het wanhopige zoeken naar een weg uit het doolhof. Oorschelp biedt met weinig woorden een aaneenschakeling van wilde grassen: visuele puzzels en ongerichte gedachten in een symptomatisch idioom.

    Dichter, wetenschapper en expat Jan Lauwereyns (1969) legt zich toe op de wisselwerking  tussen vakgebieden, levenswijzen en schrijfvormen. Hij publiceerde onder andere de roman Monkey business en het essay Splash. Zijn dichtbundel Hemelsblauw werd in 2012 bekroond met de VSB Poëzieprijs.
    Kunstenaar Bart Baele (1969) schildert, schrijft, tekent en fotografeert, diep in de nacht, als een hedendaagse Kamo-no-Chomei, in zelfgekozen afzondering ergens In Flanders Fields. Hij publiceerde onder andere Alte Meister (2013) en wordt vertegenwoordigd door Galerie Polaris in Parijs.

    De Slibreeks is een serie kleine boekjes, die lezers met literaire belangstelling de kans geven om tegen een aantrekkelijke prijs kennis te maken met het werk van bekende en onbekende auteurs. Alle boekjes in de Slibreeks zijn bijzondere uitgaven: het is een eerste vertaling of een opvallend debuut, maar belangrijk is dat de teksten nog niet eerder in Nederland zijn gepubliceerd.

    Werk van bekende auteurs is verschenen in de Slibreeks, bijvoorbeeld van Wim Hofman, Hester Knibbe, Astrid Lampe, Toon Tellegen, Erik Bindervoet & Robert-Jan Henkes, Ben Zwaal, Arjen Duinker, Rutger Kopland & Driek van Wissen, George Perec, Piet Meeuse, Hans Verhagen en F. van Dixhoorn.

    Klik hier voor een compleet overzicht van de verschenen en nog beschikbare boekjes.

    Een nieuw slibboekje kost € 7,50. De oudere boekjes varieren in prijs. U kunt deze boekjes bestellen door een email te sturen naar slibreeks@cbkzeeland.nl of door te bestellen via de e-shop.

    Abonnement op de Slibreeks kost € 24,-  (4 uitgaven).