• Artemis op jacht,Bremer Anja de Crom Esther

    Een kostschool vol hitsige vrouwen

    Stel je voor: het is dertig graden, je wilt naar zee en je vraagt je af wat je voor leesbaars mee wilt nemen. Een lekker leesboek met een vette knipoog. Dan wordt het tijd voor Artemis op jacht van Esther Bremer en Anja de Crom.

    Het is alweer het tweede boek van het schrijversduo. Eerder verscheen Pitty naar college, waarover de Telegraaf schreef: ‘Enid Blyton zou zich omdraaien in haar graf’, de perfecte blurb voor deze lesbische variant op de Pitty-boeken van de Engelse schrijfster.

    Pitty op kostschool en Artemis op jacht is een uit de hand gelopen grap. De schrijfsters maakten eerst een webpagina waarop ze hoofdstuk voor hoofdstuk het eerste boek voorpubliceerden. De respons op die site was echter zo groot dat ze besloten het boek uit te laten geven.

    Pitty op kostschool volgt nog een beetje het stramien van de typische Enid Blyton-reeks, maar Artemis op jacht gaat een stap verder. De stoere lesbische studente Artemis, die zich met graagte ontfermt over eerstejaars studentes en ze vol passie het bed in praat, is in het tweede deel de hoofdpersoon geworden. Haar verhouding met de zwoele zangeres Rita Dykedales ligt een beetje op zijn gat, maar haar (ex-)geliefde heeft haar wel opgezadeld met de zorg voor haar kind. Artemis moet een oogje in het zeil houden als de dochter haar eerste schreden zet op het meisjescollege St. Andrews. Je verwacht meteen dat daar allerlei amoureuze verwikkelingen uit naar voren komen, maar die blijven gelukkig uit. Wel valt het oog van Artemis meteen op een nieuwe eerstejaars prooi. De rest van het verhaal gaat aan de ene kant over de hartstocht voor de jongerejaars en een even grote liefde voor de favoriete lerares van de kostschool, juf Peters. Tegelijkertijd, want dat hoort in een aan de Pitty-reeks gelieerd boek is er sprake van een complot waarin de tuinman en de nieuwe, zwaar geparfumeerde lerares Frans het opnemen tegen juf Peters. Wie kan haar beter uit de klauwen van deze onverlaten redden dan Artemis! Het wordt al met al een dolle boel daar op de kostschool en het loopt zoals het hoort in meisjesboeken natuurlijk goed af.

    Verwacht geen literair hoogstandje van dit boek, want dat is het nadrukkelijk niet. De schrijfsters schmieren en parodiëren dat het een lieve lust is. Al te literaire zinnen, vergelijkingen of dialogen zouden afbreuk doen aan het karakter van dit boek.

    Ben benieuwd of er ergens in het land meisjes zijn die volstrekt argeloos deze boeken uit de kast halen, mee naar het strand nemen en er daar achter komen dat Pitty en Artemis wel heel erg intieme dingen doen. Dat ze dan van schrik een blosje op hun wangen krijgen en toch doorlezen, omdat het zo lekker geschreven is met een vette knipoog.

    Coen Peppelenbos

    Esther Bremer en Anja de Crom: Artemis op jacht. La Vita, 154 blz. Leeuwarden, €12,95

     
  • Alleman,Philip Roth

    Philip Roth
    Alleman

    Den Spyeghel der Salicheyt van Elckerlijc en de Engelse tegenhanger Everyman, beide ‘sinnespelen’ van het allegorische, vijftiende-eeuwse type, vormen de vage inspiratiebron van Philip Roths zevenentwintigste roman, Alleman. Terwijl onze Elckerlyc het bezoek krijgt van die Doot, door God uitgezonden om de levenden ter verantwoording te roepen voor hetgeen achter hen ligt, uiteraard met het oog op een spoedige sprong voorwaarts naar hemelrijk of hel, brengt Roth een zuiver menselijk verhaal. Geen Maghe, Neve, Goet, Kennisse of Duecht die mee op pelgrimage trekken of net achterblijven, maar de mens en zijn naasten staan hier centraal. En al wat hen bindt en eenzaam maakt.

    Roth heeft er bewust voor gekozen om de moralistische boodschap achterwege te laten, en laat ook zijn personages in die gedachte hun stuk opvoeren. Hoofdpersonage – maar niet de verteller of ik-figuur – is een naamloze dode, gedurende zijn leven succesvol art en creative director bij een New Yorks reclamebureau, woelig gezinslid en na zijn pensionering amateurschilder en vaste klant in ziekenhuizen. De verteller blikt terug op diens leven, van de kindertijd tot de dood. Die verteller is best een cynisch alwetend figuur; hij besluit elke ziekenhuisscène van zijn hoofdpersonage met een korte alinea van enkele decennia gezondheid om meteen terug te keren naar het volgende operatietafelverhaal. Wat de lezer hoort te lezen: het leven is een strijd met de dood, van tevoren al verloren, en bovendien verzwaard door nutteloze ontsnappingspogingen.

    De terugblik leidt de verteller tot het uittekenen van de familiale banden die onze ‘Alleman’ – de verwijzing wordt duidelijk wanneer blijkt dat zijn vader een juwelier was die zijn zaak de vernuftige naam Alleman Juweliers had gegeven – heeft onderhouden of, vaker, verbroken. Zijn stoïcijnse lijfspreuk, ‘Neem het leven zoals het komt. Hou voet bij stuk en neem het leven zoals het komt’, overstemt echter eventuele negatieve gevoelens die met die breuken gepaard gaan: ‘Zou alles anders zijn, vroeg hij zich af, als ik anders was geweest en het anders had gedaan? Zou het allemaal minder eenzaam zijn geweest dan het nu is? Ja, natuurlijk! Maar dit is wat ik gedaan heb! Ik ben eenenzeventig. Dit is de man die ik ben geworden. Dit is wat ik gedaan heb om hier te komen en daarmee uit!’ Hij bepleit aan het einde van zijn leven geen ingreep in wat achter hem ligt. Want, zo gaan de dingen. We kunnen er niets meer aan doen. Verantwoording afleggen is een holle en zinloze bezigheid.

    Toch vertoont hij, dichter bij het einde, wel een zeker besef, een zeker inzicht in levenswendingen die hij anders had kunnen doen uitdraaien. De erkenning van gemaakte fouten gebeurt niet in het licht van een geloofsopenbaring: ‘Godsdienst was een leugen die hij al vroeg in zijn leven had onderkend, en hij vond alle godsdiensten weerzinwekkend, beschouwde hun bijgelovige prietpraat als zinledig en infantiel, kon niet tegen de totale onvolwassenheid – de kinderpraat en de eigengerechtigheid en de schaapjes, de gretige gelovigen. Voor hem geen hocus pocus over de dood en God, of achterhaalde fantasieën over de hemel. We hadden alleen maar onze lichamen, geboren om te leven en te sterven onder voorwaarden gesteld door de lichamen die vóór ons waren geboren en gestorven.’ Die erfelijkheid beheerst alleman, de geschiedenis is de toekomst.

    Dat ook werkelijk alleman te lijden heeft, blijkt uit de levens van de nevenpersonages. Zo is er Phoebe, de tweede vrouw van het hoofdpersonage, die vanaf haar twintigste met migraineaanvallen wordt belast: ‘Er bestaat niets anders in mijn lichaam dan de druk in mijn hoofd’. En Millicent Kramer, de beste van zijn leerlingen schilderkunst, die het boek mooi samenvat: ‘Het komt gewoon doordat je van pijn zo eenzaam wordt.’ Net datgene wat iedereen gemeen heeft, de pijn, de dood, is zo persoonlijk, zo taboe dat het mensen doet vereenzamen: ‘Het spijt me heel erg. Iedereen hier heeft zijn kruis. Er is niets bijzonders aan mijn verhaal en het spijt me dat ik jou ermee lastigval. Je zult zelf ook wel je verhaal hebben.’ Alleen Howie, ‘Allemans’ oudere broer is zijn hele leven lang kerngezond geweest; een eigenschap die uiteindelijk de jaloezie van de zieke opwekt, alsof de weerstand tegen ziektes alleen als beklemtoning van de fysieke tekortkomingen van anderen kan worden beschouwd.

    ‘Alleman’ voelt zichzelf veranderen: ‘“[A]ndersheid”, een woord in zijn eigen taal dat een zijnstoestand aanduidde die hem nagenoeg onbekend was tot zijn cursiste Millicent Kramer het op een schokkende manier had gebruikt om haar ellendige toestand te beschrijven.’ Het leven dat hij ooit leidde, is verdwenen: ‘Ooit was ik een volledig mens.’ Het zekere einde van alleman is gewoon niet aanvaardbaar: ‘Het is omdat de dood zo onrechtvaardig is. Het is omdat voor wie eenmaal het leven heeft geproefd, de dood niet eens natuurlijk schijnt. Ik had gedacht – heimelijk was ik er zeker van – dat het leven alsmaar verder gaat.’ Dit is een van de sterkste gedachten in het boek: de zekerheid van de dood geconfronteerd met de tegengestelde belofte die het leven schijnt in te houden. Of nog, dé te citeren en al meermaals geciteerde zin uit het boek: ‘Oud worden is geen strijd; oud worden is een slachting.’ Een uitspraak die Philip Roth overigens deed na het zien van de chaos die in Louisiana werd aangericht door de orkaan Katrina.

    Alleman is een goed geschreven boek, maar overtuigt niet helemaal. Af en toe lijkt net de keuze voor de naamloze, dode ‘Alleman’ als symbolisch hoofdpersonage de intensiteit van het verhaal tegen te werken. Bepaalde passages en gedachten lijden aan een excessieve bedachtzaamheid, of grenzen aan de voorspelbaarheid. Dat belemmert vrijwel automatisch de geloofwaardigheid, iets wat een allemansverhaal uiteraard niet kan verdragen. Maar misschien berust die beoordeling dan weer op het feit dat dit verhaal des te meer de dingen verwoordt die we, in alle schuchterheid, al wel weten, maar niet willen geloven. Alleman is dood, leve alleman.

    Philip Roth, Alleman. Vertaald door Ko Kooman. De Bezige Bij, Amsterdam, 2006. ISBN 90 234 2002 0.

  • Van de vijand en de muzikant,Ramsey Nasr

    Onlangs verscheen het gebonden en zeer fraai vormgegeven resultaat van één jaar stadsdichterschap van Ramsey Nasr: onze-lieve-vrouwe-zeppelin. Antwerpse gedichten (De Bezige Bij), 16 gedichten, 173 pagina’s poëzie over Antwerpen. Tegelijkertijd verschenen zijn gebundelde essays, Van de vijand en de muzikant. Essays, artikelen, opiniestukken (De Bezige Bij), geschreven tussen 2001 en 2005. Wat de twee bundels bindt is het vertrekpunt: de maatschappij en, meer concreet, Antwerpen. Onlangs nog legde Nasr in een interview uit dat de essays voornamelijk een belichting zijn van de maatschappij en dat de gedichten de maatschappij ontstijgen. Toch is dat niet helemaal waar. Ook de gedichten zijn in hoge mate een belichting en bekritisering van de maatschappij. Wie de gedichten leest, krijgt, naast mooie, gepassioneerde poëzie, tevens een beeld van Antwerpen, haar geschiedenis én haar inwoners. Poëzie als kompas in een onbekende stad. Zo hebben de stadsgedichten en in mindere mate ook de essays, van Nasr voor mij gewerkt, maar de bundels zijn zeker niet alleen interessant voor diegenen die Antwerpen kennen of willen leren kennen.

    onze-lieve-vrouwe-zeppelin
    Een jaar geleden besloot ik te verhuizen naar Antwerpen. Een stad die mij vrijwel onbekend was, maar waar ik vanaf mijn eerste bezoek een soort van verliefdheid voor ontwikkelde (wat wil je, als één van je eerste indrukken van de stad een enorm gedicht van Tom Lanoye is op de Boerentoren, waar poëzie op broodzakken wordt verspreid en waar torens liefdevol tegen kathedralen praten en ondersom). Ik besloot de stad te leren kennen door de poëzie en kwam al snel uit bij de toenmalige stadsdichter. Het bleek een goede keuze. Poëzie binnen een stadsdichterschap werkt anders – misschien zeker wel binnen een stad als Antwerpen, waar alles politiek is en waar iedereen zich met alles bemoeit wat over ‘t stad gaat. Niet alleen werden de gedichten in opdracht van de stad geschreven, in veel gevallen lag er ook een concrete gebeurtenis (de opening van een nieuwe bibliotheek of integratiegebouw, de introductie van een nieuw logo voor een universiteit) of verzoek (iets te schrijven over kansarmoede) aan ten grondslag. Zo kon de poëzie functioneren als een soort kapstok om kennis te maken met de stad. 

    Door de gedichten heen klinkt een soort bewijsdrang, wat in dit geval de poëzie ten goede komt: Nasr is als (relatieve) buitenstaander in de stad gedoken, probeert van buitenaf door te dringen in de kern van een stad. De vele charmes van de stad worden geprezen en Antwerpse iconen als Wannes van der Velde en de Zoo en haar geschiedenis komen voorbij. Maar Nasr is er niet op uit de Antwerpenaren een veer in hun, excusez le mot, achterste te steken: misstanden worden niet geschuwd. Wie de gedichten leest, leert over Antwerpen-Noord, berucht om zijn problemen met drugs en prostitutie, waar de nieuwe stadsbibliotheek werd geopend, de huisjesmelkerij en het racisme. Het zijn pagina’s lange, lyrische gedichten, allen zeer leesbaar. Gewichtigheid en zwaarte worden gerelativeerd door humor. Nasr doet in zijn stadsgedichten geen knieval betreffende kwaliteit, maar brengt wél poëzie die toegankelijk is voor een breed publiek – zonder de spanning van de taal af te halen. Het zeer persoonlijke commentaar, de achtergronden bij de gedichten en bij het invullen van een stadsdichterschap geven de bundel een mooie meerwaarde, net als de oude foto’s waarmee deze is geïllustreerd en de fraaie vormgeving van Dooreman, die eerder ook de vormgeving voor de verzamelde stadsdichten van Tom Lanoye verzorgde. 

    Van de vijand en de muzikant
    De in deze bundel samengebrachte stukken verschenen voor het merendeel al eerder in dagbladen als NRC Handelsblad en De Standaard. De bundel bestaat uit twee gedeelten: twaalf essays in Van de muzikant en tien in Van de vijand. Nasr is gepassioneerd en schrijft helder en persoonlijk over zijn hartstochten: klassieke muziek, kunst, cultuur en politiek. Alle ingrediënten voor een boeiende bundel zijn aanwezig: passie, betrokkenheid, grondige documentatie, originaliteit, openheid, zeer helder taalgebruik, humor, zelfspot en genuanceerdheid. Nu is genuanceerdheid een zeer prijzenswaardige eigenschap, maar in essays kan het echter de spanning voor de lezer wel bevorderen als er zo nu en dan duidelijk stelling wordt genomen. Vooral in het eerste gedeelte van de bundel blijven te veel bijdragen hangen op het niveau van anekdotes en beschrijvingen. Goed leesbaar, interessant en leerzaam bovendien (en passant leert de lezer iets over de geschiedenis van Antwerpen, de Vlaamse maniëristen, Sjostakovitsj, Indonesische en Palestijnse poëzie). Maar toch ontbreekt er iets. Het blijft allemaal wat mat. Pas als de politiek aan bod komt, of als Nasr de Nederlandse mentaliteit onder de loep neemt, worden de stukken vlammende betogen, wordt er duidelijk stelling genomen en volgen er scherpe analyses van Nederland en het Israëlisch-Palestijnse conflict (hierin zijn de eerder genoemde genuanceerdheid en de redelijkheid van Nasr een verademing). Dat zijn de essays die echt interessant zijn. In Holland the movie: ‘In een land waar iedereen eerlijk zegt en doet wat hij vindt, heerst geen waarachtigheid meer. Waarachtigheid bestaat slechts bij een ingehouden gebruik van de vrijheid. Waarachtigheid is een vorm van minimaal liegen. Dat is geen paradox. Dat is beschaving.’

    Het tweede gedeelte van de bundel is, om bovenstaande reden, een stuk interessanter dan de eerste helft. Zo is er De nieuwe realiteit, wat aanleiding was voor het Belgisch Israëlisch Weekblad een hetze tegen Ramsey Nasr en zijn benoeming als stadsdichter te beginnen. Door het commentaar bij de stukken wordt het sneeuwbaleffect van dergelijke acties in de media pijnlijk duidelijk, net als de hysterie die het kan veroorzaken. Iets dergelijks deed zich ook voor met de polemiek tussen Nasr en Walter Pauli, adjunct-hoofdredacteur van De Morgen, die zeer vuil en onder de gordel reageerde op een artikel over de aanwezigheid van de Israëlische ambassade op de Boekenbeurs. De polemiek was in Vlaanderen al uitvoerig te volgen in de dagbladen De Standaard en De Morgen.                                                                     &nbsp
    ;                                                                                                                               Het zijn juist deze stukken die de kracht van de schrijver Ramsey Nasr laten zien: door taal overtuigen en mensen hun ongelijk geven door middel van de kracht van taal. 

    Ramsey Nasr
    onze-lieve-vrouwe-zeppelin. Antwerpse gedichten (De Bezige Bij, 2006),
    ISBN 90-234-1983-9
    Van de vijand en de muzikant. Essays, artikelen, opiniestukken (De Bezige Bij, 2006)
    ISBN 90-234-1984-7
    De bundel van Tom Lanoye waarnaar verwezen wordt is Stadsgedichten (Manteau/Prometheus, 2005). ISBN 90-234-1868-0.

    Anne-Marie van der Poel

  • Nog in morgens gemeten,Koos Van Zomeren

    Leven met beperkingen

    Het lijkt een wat zinloze bezigheid: schrijven tegen vergankelijkheid. Toch is dat wat Koos van Zomeren al een tijdlang doet. Naast zijn ‘gewone’ romans heeft hij ook al een heel oeuvre bij elkaar geschreven dat je een mengvorm van columns en essays kunt noemen: met altijd een sterk persoonlijke, autobiografische inslag. En altijd goed geschreven.
    Al eerder schreef Van Zomeren in Een jaar in scherven over Herwijnen, de plaats van zijn vroege jeugd, het land van zijn vader. Nu, bijna twintig jaar later doet hij het nog eens. De aanleiding daarvoor is dat het landschap van vroeger aan het verdwijnen is en de mensen die het ‘oude’ landschap nog kennen ook verdwijnen. In Nog in morgens gemeten onderzoekt Van Zomeren hoe dat landschap in een kleine eeuw totaal van karakter is veranderd.
    Een belangrijk keerpunt is de ruilverkaveling geweest na de oorlog. Vanaf dat moment is het landschap veranderd, maar ook de welvaart. Was Herwijnen vroeger een redelijk armoedige plaats, ‘achterlijk’ wordt er zelfs gezegd, langzamerhand treedt de vooruitgang in.
    Dat is meteen een lastig punt voor de schrijver. Aan de ene kant kan hij woedend uitvallen naar de moderne tijd: ‘Maar naar de verdoemenis is het! En voor wie zou je het moeten betreuren? Voor jezelf natuurlijk, maar verder? Ga op zaterdagmiddag eens in Arnhem in de stad staan en kijk eens naar de mensen die daar lopen. Hun manier van doen, hun manier van kijken en praten… je weet meteen genoeg. Een verwoest land is het, dat is precies wat ze willen.’ Aan de andere kant wil hij ook niet vervallen in het nostalgisch verheerlijken van vroegere tijden. Zo schreef hij dertig jaar geleden al een artikel in de Nieuwe Revu waarin hij het afbreken van dijkhuisjes vergoelijkte. Die huisjes waren wel pittoresk, maar voor de mensen die er in leefden waren ze verre van comfortabel. Ze waren ook een symbool van de armoede: de reden waarom zijn vader het gebied uit vluchtte en elders zijn heil zocht.
    In zijn zoektocht naar het verloren landschap (waar ook de grote M van de hamburgergigant het uitzicht staat te verpesten) stuit Van Zomeren op een oude moordzaak. Vlak na de oorlog heeft een jachtopziener een stroper neergeschoten. Per ongeluk? Was het moord? Niemand in het dorp spreekt er nog over, maar iedereen weet het nog wel. Door die moordzaak te reconstrueren leert de schrijver steeds meer over de sociale structuren in het dorp: hoe nauw de levens met elkaar verbonden waren en hoe bizar dat soms kon uitpakken. Zo staat een familielid van jachtopziener binnen de kortste keren bij de moeder van het slachtoffer, omdat hij nu eenmaal de kisten maakte voor de begrafenis.
    Vergankelijkheid, verdwijnend landschap, sociale structuren, moord: nu lijkt het of er louter een soort doem over het boek hangt. Dat is niet het geval. Van Zomeren gebruikt dagboekachtige aantekeningen, waardoor er regelmatig ook humoristische zijsprongen gemaakt worden. En de toon in het boek is, ondanks de thematiek, licht.
    Of de verwoesting van het landschap een halt toegeroepen zal worden is maar zeer de vraag. Misschien moet je daar ook niet bij stilstaan. We hebben in ieder geval een boek dat getuigt van de mensen in dit gebied ‘zij hadden leren leven met hun beperkingen. Dat was het bijzondere van deze mannen.’ Een aanrader, zoals het hele oeuvre van de schrijver dat is.

    Coen Peppelenbos

    Koos van Zomeren: Nog in morgens gemeten. De Arbeiderspers, Amsterdam, € (paperback)
    €  (Privé-domein)

  • De bekoring,Hans Münstermann

    Alweer het vijfde boek van Münstermann, die zich laat afficheren als ‘meester van de hervonden tijd.’ Of hij deze titel verdient is maar zeer de vraag. Evenals in zijn vorige romans speelt Andreas Klein, zoon van Joachim Klein een belangrijke rol in het verhaal. De moeder Marianne Petersen, is op 10 mei 1940 met Joachim is getrouwd. Een symbolische datum. Dat belooft niet veel goeds, moet de lezer kennelijk denken.
    Münstermann kan aardig goochelen met perspectief en dat zullen we weten. Andreas Klein hoort dat zijn moeder gestorven is, het is 2004, het is een vertelstreng. Een andere vertelster is de moeder Marianne zelf, waar het verhaal eigenlijk over gaat. En – last but not least – komt af en toe de architect Van Epen in beeld. Deze Amsterdamsche Schoolbouwmeeser is ontwerper van veel gebouwen in de wijk van Amsterdam, waar de familie Klein woont. Ook was Andreas net aan een werk over hem bezig, toen hij hoorde dat zijn moeder overleden was. Vooral dit laatste perspectief doet geforceerd aan. Van Epen kan mijn niet ‘bekoren.’
    De ‘bekoring’ van de titel verwijst overigens naar ‘verleiding’. In het Onze vader staat …leidt ons niet in bekoring (Breng ons niet in verleiding). Het verhaal begint in 1960, de radio meldt de dood van de nazi Kesselring en Loemoemba, de Kongolese leider wordt gearresteerd. Op de dertiende verjaardag van Joachim besluit de moeder haar gezin te verlaten. Een erg ongelukkig moment, temeer daar Andreas vriendjes op bezoek krijgt, die zich afvragen waar zijn moeder is.
    We ervaren dat het huwelijk al tijden een ramp was. De vader kleineert de moeder, ze wordt gedwongen tot seks en uiteindelijk pakt Marianne haar koffer en vertrekt. Alleen de oudste dochter Brunhilde weet na enige tijd waar de moeder verblijft. Andreas komt terug van de bakker en hoort dat zijn vrouw weg is, een brief is het enige dat nog rest. De moeder gaat intussen naar een oude vlam, de automonteur Arie, die seksueel het een en ander weet los te woelen bij Marianne. Ze gaan boven de garage wonen in een appartementje van een kennis van Arie. Deze Arie is een soort karikatuur, die nergens menselijke trekken krijgt aangemeten en waarom Marianne dan zo gecharmeerd is van hem blijft duister. Hij zet haar de deur uit. Ook de latere verhouding van Marianne met de illusionist Cospetto is alleen aardig omdat het een ‘illusie’ is dat hij iets voor haar kan betekenen, maar verder is het een gezocht gegeven.
    Münstermann gebruikt Andreas om gevoelens te kunnen verwoorden. Andreas ervaart de dood van zijn moeder als een moment van verlaten worden. Wanneer hij de grafrede schrijft herinnert hij zich een Israëlisch meisje dat hem in de woestijn plotseling in de steek liet (overigens komt ze wel terug. Andreas ervaart zijn verhouding met vrouwen dus als een drama, waarbij hij in de steek gelaten wordt. Is dat aannemelijk? Op grond van deze twee losse incidenten niet echt. Ronduit potsierlijk is de scene waarin Marianne, als ze is gevlucht, Loemoemba in de tram ziet staan. Loemoemba in lijn 7? Terwijl Van Epen haar volgt? Alweer erg gezocht. Wanneer Münstermann in gedachten had een moeder/zoonrelatie te beschrijven dan had hij beter eens Bezonken rood van Jeroen Brouwers kunnen gaan lezen. Is het hem te doen geweest een ‘symbolisch werk’ te schrijven (de symboliek druipt er vanaf) dan had hij de symbolen exact moeten neerzetten, zoals Jorge Luis Borges dat zo mooi kon doen. Nu blijft zijn nieuwe werk zweven. Een ander nadeel is dat Münstermann helemaal niet de ‘verloren tijd’ weet neer te zetten. Ikzelf groeide op in de Amsterdamse wijk, waarin de roman zich afspeelt in ongeveer in de tijd waarin Marianne vlucht. Ik herken niets van de tijd en de couleur locale zoals die in die tijd en in die wijk manifest was. Het doelloos opnoemen van straatnamen en gebouwen levert nog geen sfeerbeeld op. Dat Marianne uiteindelijk weer terug gaat naar dat vreselijke gezin en het vreselijke huwelijk is niet aannemelijk. Ze heeft geen vriendinnen, geen familie? In die tijd waren er stichtingen, die vrouwen opnamen, die gevlucht waren voor hun man.
    De ingewikkelde vertelstructuur en het steeds wisselende perspectief maken het de lezer moeilijk om het verhaal te blijven volgen, maar de gezochte wendingen in het verhaal zijn ronduit irritant. Jammer dat een begenadigd schrijver als Müstermann zijn munitie niet langer heeft weten droog te houden. Nu doven zijn knallen sissend in de sneeuw, als blindgangers.

    De bekoring, door Hans Münstermann. Uitgeverij Nieuw Amsterdam, blz. 204, ISBN 90 468 00180

    Karel Wasch
     

  • Holle haven,Willem Van Zadelhoff

    Architectuur kan hard ingrijpen in ons dagelijks leven, en oorlog ook. En ze hebben veel met elkaar te maken. Willem van Zadelhoffs tweede roman, Holle haven, toont dat aan.

    In steden die tijdens de oorlog platgebombardeerd zijn, kan je restaureren of een nieuwe stad bouwen. De gaten die door de bommen geslagen zijn, vormen prachtige oefenterreinen voor architecten en stedenbouwkundigen met een visie. ‘Holle haven’, de mooi gekozen titel is afkomstig van een gedicht van Paul van Ostaijen uit diens bundel Bezette stad en kan zowel slaan op het naoorlogse Berlijn (na de Eerste Wereldoorlog dus) als op havenstad Antwerpen, de stad waar Van Zadelhoff woont, misschien ook op havenstad Rotterdam en op symbolisch niveau op alle door oorlog geteisterde steden, dus ook Arnhem en Dresden.

    Twee jongetjes, allebei twaalf jaar, slaan aan het eind van de oorlog op de vlucht. De een ontvlucht Dresden wegens de nakende bombardementen en de ander vlucht voor de aankomende slag om Arnhem de stad. Na de oorlog storten beide jongens zich op de architectuur, en in 1999 ontmoeten ze elkaar. De gepensioneerde Duitse kunsthistoricus Bernhard Mörtenböck komt een lezing houden op de opening van de overzichtstentoonstelling ter ere van architect Viktor Vonk. Tijdens zijn lezing krijgt Vonk een beroerte en sterft vrij snel daarna in het ziekenhuis.

    Uit de correspondentie die de beide heren voeren, blijkt dat Mörtenböck aanvankelijk geen zin had om op de lezing te komen, maar als hij leert dat Vonk tijdens de evacuatie van Arnhem een beschieting meegemaakt heeft, wil hij wel komen. Hij wil weten of Vonk tijdens die beschieting door zijn broer Rudi is gered.

    Tegelijk speelt een andere verhaallijn: die van het uitgebluste en ongelukkige huwelijk van Vonk met Ada Swert, dochter van een collaborateur of NSB’er. Vonk houdt er een bijvrouw op na (zoals bekend hebben alle architecten één of meer maîtresses), bij wie hij dochter heeft verwekt. Ada is de afgestompte Mevrouw Vonk, een Rotarytype dat veel aan liefdadigheid doet en lijdt aan haar oorlogsherinneringen, toen een jeugdvakantie van zes weken uitliep tot een vol jaar en ze na terugkeer halsoverkop met haar ouders moest vluchten om in de buurt van Arnhem opnieuw te beginnen.

    Op de dag dat haar man zijn tentoonstelling krijgt, besluit ze te vertrekken naar Wenen, waar haar dochter woont. In de trein wordt ze verleid door een toneelregisseur, en op het moment dat haar man sterft, heeft zij seks op het treintoilet. Als het bericht van zijn dood Ada bereikt, lijkt het haar niets te deren.

    De personages in deze roman lijden allemaal aan zo’n bevroren emotioneel leven. Ook Mörtenböck kan pas elf jaar na de dood van zijn broer huilen. Alsof de oorlog menselijke emoties afkapt, verbiedt. Dat maakt het boek heel zakelijk, zelfs vreemd. Van Zadelhoffs stijl past daar prima bij, alsof de modernistische utopie van steden en afzonderlijke gebouwen paradijzen dienen te zijn van lucht en licht, in taal gevat is.

    De lezer krijgt genoeg lucht en het boek is uit voordat je er goed en wel in begonnen bent. Om de metafoor nog een stukje door te trekken: zoals je ook de gebouwen van Mies van der Rohe of Le Corbusier niet al te lang hoeft te bekijken om te weten hoe ze er uitzien en wat ermee bedoeld is, zo heeft ook dit boek niet veel inspanning en concentratie nodig. Het is kundig en prettig geschreven, het verhaal pakt je gedurende de lezing en daarna leg je het boek tevreden terzijde. ‘Mooi boek gelezen, maar waar was ik werkelijk mee bezig?’

    Ik denk dat Van Zadelhoff met deze materie een veel uitgebreider boek had kunnen schrijven, met meer aandacht voor de historische gegevens van de laatste maanden van de oorlog en van de ontwikkeling in de architectuur, en dat het boek dan nog wat beter uit de verf zou zijn gekomen. 

     


    Willem van Zadelhoff, Holle haven, Meulenhoff / Manteau, Amsterdam/Antwerpen, 2006 € 17,95 (gebonden)

    Recensie van Van Zadelhoffs debuut, Een stoel.

    Patrick Bassant, Literair Vlaanderen

  • Ik was nooit in Isfahaan,Tommy Wieringa

    Spoortjes Speedboot

    Het kan hard gaan met een auteur. Sinds Joe Speedboot vorig jaar een succes werd, is Tommy Wieringa een gewild auteur. Zijn boek is al een jaar niet meer weg te slaan uit de literaire top 10 en vormt daarmee het beste bewijs dat populaire boeken ook goede boeken kunnen zijn. Eind vorig jaar verscheen er een mooi klein boekje met reisnotities bij de mooie kleine uitgeverij Reservaat (Pleidooi voor de potscherf). Vlak voor de boekenweek bracht De Bezige Bij Ik was nooit in Isfahaan uit, met dezelfde omslagfoto.
    Een bundel reisverhalen, waarvan sommige zo kort zijn dat de auteur ze onder de verzamelnaam ‘Ansichten’ heeft opgenomen. Azië, Afrika, Amerika, het Caribisch gebied: er is geen continent overgeslagen. En bij Wieringa geen zoektocht naar de mooiste plekjes of herhalingen van reisgidsteksten. Hij beschrijft voornamelijk mensen die hij onderweg tegenkomt. Dat had hij ook in Amsterdam-Noord kunnen doen, maar deze schrijver beschouwt de wereld gewoon als zijn directe omgeving. En daarmee voorkomt hij dat hij vervalt in het schoolmeesterproza dat je van de ene bezienswaardigheid naar de andere leidt. Zo leer je Musa de hotelier in Beirut kennen, die per telefoon vanachter zijn receptiedesk Wieringa naar de enig werkende warme douche in het hotel stuurt. Je krijgt in een paar zinnen een beeld van het hotel: ‘Tijdens de oorlog is er onophoudelijk op geschoten, in de tijd dat Musa de gasten nog vroeg of ze een kamer wilden aan de bomkant of aan de sluipschutterskant.’ Aan het einde van deze anderhalve pagina ‘ansicht’ heeft Musa in twintig minuten de douche warm gekregen, Wieringa gebeld, dat hij kan douchen op kamer 401, gebeld of hij daar daadwerkelijk is aangekomen en aan het eind snelt Wieringa weer terug naar zijn eigen kamer: ‘Ik wil niet te laat zijn als Musa belt.’
    Ik moet de neiging onderdrukken om alle mooie zinnen uit het boek over te schrijven (‘De dwergficus is de meest mishandelde kamerplant ter wereld.’), maar zelfs reisboekhaters zullen door de stilistische kwaliteiten van Wieringa willen doorlezen.
    De langere verhalen in de bundel zijn zeer verschillend van inhoud. Zo bezoekt Wieringa in Wenen het doorgangshuis voor mannen, dat zich alleen maar onderscheidt van andere opvanghuizen door een van de beroemdste bewoners: Adolf Hitler, die als jonge, aanstormende kunstschilder tevergeefs probeerde een carrière op te bouwen in de hoofdstad. In een ander verhaal beschrijft hij het leven van Hubert von Zinzendorf, ontdekkingsreiziger en een hork van een man. Wieringa beschrijft zulke verschrikkelijke dingen van die man dat je denkt dat hele verhaal gefingeerd is.
    Die scheidslijn tussen werkelijkheid en fictie zie je in drie verhalen terug waarin spoortjes van Joe Speedboot in terug te vinden zijn. Papa Afrika komt al in een reisverhaal terug, evenals een vliegtuigavontuur, maar ook de bezigheid van Fransje Hermans, de kroniekenschrijver van Lomark. Op het eiland Dominica komt Wieringa Paul Alphonso Winston tegen, die alles opschrijft wat er in zijn leven gebeurt. ‘Want op een dag, als de mensen alles vergeten zijn, zullen ze naar me toe komen en vragen: “Wat gebeurde er op die en die dag, Paul?” en voor één dollar zal ik het ze vertellen.’ Dezelfde oudedagsvoorziening als Fransje dus in gedachten had. De belangrijkste gebeurtenis van 17 november 1999 is voor Paul de ontmoeting met de schrijver: ‘Zijn naam is Tommy Vinegar uit Europa. Hij is nieuwsgierig naar dit boek en leest over mijn schouders mee. Nu krijg ik een dollar van hem.’
    Als je nog geen boekenweekgeschenk hebt is dit boek een aanrader om er een gratis te krijgen.

    Coen Peppelenbos

    TOMMY WIERINGA: Ik was nooit in Isfahaan. De Bezige Bij, Amsterdam, 208 blz. €17,90

  • Van Rijn,Emily Miano

    2006: Het jaar waarin grote kunstenaars worden geëerd. Dit is het jaar van Mozart en Sjostakovitsj. Het boekenaanbod speelt hier uiteraard volop op in. Zeker in deze boekenweek worden lezers overspoeld met de zielenroerselen van bekende figuren in wiens leven muzikale grootheden een rol speelden, met brievenboeken, biografieën en biografische romans. Dit laatste genre spreekt mij over het algemeen niet zo aan. Liever lees ik ofwel volledige fictie, ofwel volledige non-fictie. Veel te verwarrend, een autobiografische roman: ga je erin geloven dat het echt zo is gebeurd en dat je veel feitenkennis opdoet, moet je jezelf continu voorhouden dat het tevens voor een groot gedeelte fictie is. Toch heb ik me er weer eens aan gewaagd. Daar de muziek deze week al zo veel aandacht krijgt, kies ik hier voor een bespreking van een roman die een andere grootheid eert wiens jaar het ook is: Rembrandt Van Rijn.  

    In Van Rijn, de tweede roman van Sarah Emily Miano, staat de speurtocht van Pieter Blaeu, een jonge uitgeverszoon, naar de man achter de schilderijen centraal. Zijn zoektocht is vooral gebaseerd op de verhalen van mensen in Rembrandts omgeving. Blaeu zelf mag zich slechts een enkele maak verheugen in het gezelschap van zijn held.

    Het beeld dat het gespit van Blaeu oplevert is even menselijk als tragisch. Rembrandt overleefde zijn grote liefdes en de meeste van zijn kinderen. De faam van de kunstenaar was in zijn latere leven tandende. Hij raakte in grote financiële problemen en hij moest een vernederend faillissement aanvragen. Blaeu moet zijn fantasieën over de volmaaktheid van de dichter loslaten en accepteren dat ook een genie als Rembrandt een mens van vlees en bloed is: koppig, intuïtief, levend op veel te grote voet, kwaadaardig, intelligent en onzeker.

    De kracht van de roman schuilt niet zozeer in het verhaal, maar in de vorm waarin Miano het verhaal heeft gegoten. Ze gebruikt een collage van stijlen: dagboekfragmenten, gedichten, inventarislijsten, technische beschrijvingen over het maken van verf en toneeldialogen. Tevens is Van Rijn niet zozeer één verhaal, als wel een opeenstapeling van verhalen. Grote namen van de Gouden , zoals Spinoza, Thomas Browne en René Descartes, betreden het toneel. Het gevolg is dat Van Rijn tevens een mooie, zeer intelligente en goed gedocumenteerde tijdsschets is geworden.

    Miano zelf zegt bevriend te zijn geraakt met Rembrandt uit haar roman. Ook ik ben een beetje gaan houden van deze man vol tegenstellingen en dat ik wel het laatste wat ik had verwacht toen ik aan de roman begon. 

    Van Rijn
    Vrt. door Sjaak de Jong en Marijke Versluys

    Sarah Emily Miano
    De Bezige Bij
    ISBN 90 234 18697
    € 24,90

  • Beschaving, of wat ervan over is,Theodore Dalrymple

    Alles was beter toen intellectuelen nog fatsoen en fatsoenlijke omgangsvormen predikten. De kunsten van nu werken de verloedering van de samenleving in de hand. Doorgeschoten vrijheden en vooral de acceptatie van de lage cultuur en de verering van de ‘gewone’ man verpesten de samenleving. De zorgstaat heeft ervoor gezorgd dat de bevolking iedere verantwoording afschuift en zijn lot in de handen van de staat legt.

    Het is geen rooskleurig beeld dat de Britse arts en cultuurcritcus Theodore Dalrymple in zijn tweede boek, Beschaving, of wat ervan over is (Nieuw Amsterdam, 2005) schets van onze moderne samenleving. In zijn eerste boek, Leven aan de onderkant (2004, Het spectrum), richtte de geëngageerde psychiater zich op de onderklasse van de samenleving en uitte hij een felle klacht tegen de mentaliteit – het ontbreken van enig eigen verantwoordelijkheidsgevoel –  die mensen in deze onderklasse gevangen houdt. In zijn tweede boek borduurt hij voort op dit idee, maar betrekt hij in zijn kritiek tevens de kunsten. 

    Beschaving, of wat ervan over is bestaat uit 25 zeer leesbare essays, verdeeld over twee categorieën: Kunst en letteren en Samenleving en politiek. Op het eerste gezicht staan de twee delen volledig op zichzelf. In het eerste gedeelte geeft Dalrymple fel af op alle hedendaagse kunst en het ‘verlies van kiesheid, van beschaafdheid, van het besef dat je sommige dingen beter niet kunt zeggen of direct weergeven (..)’. (Deze laatste uitspraak zou ook zo een quote kunnen zijn uit het debat dat de afgelopen weken de Nederlandse media heeft gedomineerd..). Kunst en literatuur die extreme vulgariteit verheerlijkt, bands die kotsen op hun publiek, ze hebben geleid tot het huidige dieptepunt waarin onze cultuur zich nu bevind. Het tweede gedeelte van zijn boek handelt over de dreiging van de islam, de seksualisering van de samenleving en, het stokpaardje van Dalrymple, het ontbreken van verantwoordelijkheidsbesef. Wat de twee gedeelten bindt is de gedachte dat het verschrikkelijk bergafwaarts gaat met onze samenleving. 

    Dalrymple lijkt terug te verlangen naar vervlogen tijden en heeft geen goed woord over voor de hedendaagse kunst. Nu is het natuurlijk altijd gemakkelijker je standpunt duidelijk te maken met voorbeelden die volledig in je straatje passen en waarop je, in het geval van Dalrymple, met veel genoegen fel kunt afgeven, zoals op Virginia Woolf: 

    ‘(…) Als mevrouw Woolf nog in onze tijd had geleefd, zou ze in ieder geval het genoegen hebben gesmaakt om te zien dat haar instelling – oppervlakkig, oneerlijk, rancuneus, jaloers, snobistisch, egocentrisch, triviaal, barbaars, en uiteindelijk gewelddadig – bij de elites van de westerse wereld had gezegevierd’.

    Op een gegeven moment gingen alle negatieve voorbeelden mij als lezer enigszins irriteren: enkele tegenvoorbeelden om zijn eigen standpunt enigszins te nuanceren, hadden prettig geweest. Ja, Shakespeare, daar loopt Dalrymple mee weg. Maar liefst twee essays wijdt hij aan hem en zijn sonnetten worden regelmatig aangehaald. Maar Shakespeare, dat is wel erg lang geleden om nog met weemoed op terug te kijken. Gelukkig onderschrijft Dalrymple dit nog op de valreep in zijn voorlaatste essay: 

    ‘Maar als we van Shakespeare een fetisj zouden maken (volgens mij is hij veel rijker en diepzinniger dan de koran), als hij het enige voorwerp van studie zou worden en de enige leidraad in ons leven, zouden we snel gaan achterlopen en zelfs stil blijven staan.’

    Theodore Dalrymple, Beschaving, of wat ervan over is. vert. uit het Engels door Ronald Kuil en ingel. door Chris Rutenfrans. 2005, Nieuw Amsterdam.

    Theodore Dalrymple, Leven aan de onderkant : het systeem dat de onderklasse instandhoudt. Vert. uit het Engels en ingel. door Chris Rutenfrans. 2004, Het Spectrum.

     N.B. Literair Nederland gaat meer aandacht besteden aan non-fictie titels. Deze bespreking is een eerste aanzet.

  • De helaasheid der dingen,D. Verhulst

    Nog erger dan de Tokkies

    Dankzij de vele positieve publiciteit de afgelopen weken (onder meer met een lang essay in NRC-Handelsblad waarin uitgelegd waarom de Belgen beter zijn) is de roman De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst al aan zijn derde druk bezig.
    In twaalf hoofdstukken, allen te lezen als aparte verhalen, geeft de schrijver een (hoop ik) fictieve weergave van zijn jeugd. De familie Verhulst bestaat uit een aantal ooms (nonkels) die nog bij hun moeder wonen of omdat ze niet beter weten of omdat een vrouw hen verlaten heeft (zoals de moeder van Dimitri). Grootmoeder houdt grootmoedig het hoofd koel tussen de vloekende, rokende  en zuipende bende en Dimitri heeft zijn jeugd gelukkig ook overleefd om het later nog eens op te schrijven.
    Plaats van handeling is Reetveerdegem, een klein Vlaams plaatsje waarvan de lezer vooral veel te weten komt over het kroegleven. Zo weet een van de nonkels zich het Guinness Book of Records in te drinken bij het wereldrecord zuipen. Een jongere oom organiseert daarop een Tour de France, maar dan in drank en drinkt zich comateus.
    De jonge Dimitri staat erbij en kijkt ernaar. Over zijn innerlijke zieleroerselen komen we niet heel veel te weten. Pas laat in het boek blijkt dat hij erg veel hardloopt en dat hij niet graag heeft dat zijn vader hem aanmoedigt tijdens wedstrijden. Dat gebeurde al nooit omdat hij te laveloos was, maar als hij na drie maanden ontwenningskliniek toch opeens dreigt op te dagen, hebben zijn ooms alweer een kroegtocht voor hem bedisseld. ‘En ik ben die middag met splinternieuwe spikes gaan lopen zonder de druk van een supporterende vader op mijn schouders.’ Het zijn van die kleine zinnetjes die de hoofdpersoon psychologiseren. Voor de rest blijft de focus toch voornamelijk liggen op zijn familie.
    De helaasheid der dingen is een uiterst komische roman. Dat komt door de groteske vormen die de familie aanneemt. Ze lijken nog erger dan de Tokkies te zijn, maar wie hen asociaal noemt kan op een levenslange haat rekenen. Van de Verhulsten blijf je af. In het laatste hoofdstuk, Dimitri heeft zijn eigen vader inmiddels al naar het graf gebracht en zit opgescheept met een zoontje dat hij eens in de twee weken ziet, weet de schrijver dat hij al ver van zijn familie is afgedreven. Als hij met zijn zoontje zijn ooms weer eens opzoekt in een café in Reetveerdegem, blijkt dat ze niet dezelfde taal meer spreken. Hij beschermt zijn zoon zelfs tegen de slechte invloed van zijn ooms (die hem al een soort kinderbiertje voorzetten en laten gokken). De afstand die de schrijver daar voelt, heeft de lezer in de voorgaande hoofdstukken niet gemerkt. Het dialect, de rauwe grappen en de zwier waarmee deze roman verteld is, maakt me nieuwsgierig naar het eerdere werk van Verhulst, dat ik, naar nu blijkt ten onrechte, nog niet gelezen heb.

    Coen Peppelenbos

    Dimitri Verhulst – De helaasheid der dingen. Contact, Amsterdam, 207 blz. €18,95

     

  • Het kind,David Nolens

    Volle beelden van lege levens: David Nolens, Het kind, Meulenhoff/Manteau 2005

    Wat gebeurt er als een man die zijn eigen bestaan niet eens opmerkt en een vrouw die haar schoonheid als een loodzware last beschouwt, besluiten dat het een goed idee is om een kind op de wereld te zetten? Die vraag vormt het uitgangspunt van David Nolens’ novelle Het kind.

    De man, Paul, getraumatiseerd door de onverwachte dood van zijn vader, wentelt zich in verdriet en verveling, en koestert het verlangen niemand te worden. Zijn bestaan voltrekt zich hoofdzakelijk horizontaal: liever ligt hij op een bank dan dat hij zit, of nog erger: moet staan. “Hij zag zichzelf als iemand die louter ruimte innam. Hij was aanraakbaar. Mensen konden tegen hem op lopen. Waar hij stond, zat of lag, kon niemand anders terecht. Dat was het meest concrete gevold van het feit dat hij leefde, namelijk dat het niet te vermijden viel.” Er is niets dat hem in beweging weet te krijgen, ook al probeert hij zich met cocaïne wat meer in staat te stellen zijn droom na te jagen. Maar ook dit werkt niet, daar hij voor de rush van coke te oud is, en het actief najagen van een niet-bestaan gedoemd is tot mislukken. Hij leeft samen met zijn vrouw (d.w.z. dat ze elkanders aanwezigheid tolereren, zonder haat maar ook zonder passie), een uitzonderlijk mooie vrouw van Ghanese afkomst. Deze vrouw vindt in Paul wat ze in andere mannen niet vindt, en dat is een simpele acceptatie van haar schoonheid. Paul vindt het niet meer dan logisch dat zijn grote verdriet een recht evenredige schoonheid verdient. De meeste mannen verafgoden haar, maar bij Paul vindt ze de rust om meer te zijn dan mooi. Eigenlijk is ze niet meer dan dat, ze is ongeveer even lethargisch als haar man, even vrij van toekomstplannen en dadendrang. Allebei hebben ze hooguit het verlangen naar het verlangen naar iets concreets, een drietrapsraket van nooit te vervullen verlangens. 

    Dat trachten ze te compenseren met een kind: een persoon maken is een daad stellen. Zo gezegd, zo gedaan. Tijdens de zwangerschap ontdekken vader en moeder-in-spé dat ze een vergissing hebben begaan: de vader beseft dat hij, aangezien hij niemand is, zijn kind nooit wat mee kan geven.De moeder beseft dat het kind zodra het geboren wordt, onherroepelijk begint iemand te worden die geen deel meer uitmaakt van haarzelf, en misschien wel het ergste overkomt wat er is: dat het mooi wordt. Vader en moeder besluiten dat het veruit te prefereren is als het kind niet geboren wordt, dat het altijd in de buik van de moeder blijft. De moeder ligt maandenlang in het zonlicht te luieren en de vader bouwt een seksuele relatie op met een moddervette bakkersvrouw die haar niet-vervulde kinderwens heeft omgezet in vreetbuien. Natuurlijk wordt het kind gewoon geboren, maar dat brengt geen verandering bij de ouders teweeg. “Ze zaten beiden gevangen in een postnatale depressie die nauwelijks verschilde van hun prenatale geestesgesteldheid.” Moeder begint hardnekkig te puzzelen: ze probeert met stukjes karton een ideaal beeld samen te stellen, ook al blijft het een reproductie van een schilderij, dubbel nep dus. De vader doet ongeveer het omgekeerde: hij begint collages te maken met plaatjes uit tijdschriften. Zo tracht hij juist door bestaande beelden te verknippen en opnieuw samen te lijmen, een nieuw beeld te creëren, waarin de mens naar de achtergrond verdreven is. Het kind speelt geen enkele rol meer in dit monomane streven naar artificiële beelden, en in een vlaag helderheid belt Paul de kinderbescherming anoniem op. Het kind wordt geadopteerd door het bakkersechtpaar en groeit op tussen de collages van zijn biologische vader en de broden van zijn adoptiefouders. Ook hij ontwikkelt een nerveus makend gebrek aan aspiratie en levenslust. 

    Een ongemakkelijk verhaal, kortom, dat vol zit met vreemde redeneringen en plotwendingen. Een schrijver moet van goede huizen komen om daarmee weg te komen. Voor de duur van de roman moet je als lezer al die onzin maar accepteren, en als de schrijver dat bewerkstelligt, heeft hij iets moois bereikt: de lezer meegenomen op een reis door zijn eigen fantasie. Nolens is daar een heel eind mee gekomen. Soms vind ik de gedachtekronkels van de personages, mede door het repetitieve karakter ervan, vervelend en soms hadden de personages volgens mij met dezelfde redenering het tegenovergestelde kunnen besluiten, maar over het algemeen is de absurde romanwereld in dit boek zo neergezet, dat je het verhaal uitleest zonder dat je wenkbrauwen op je achterhoofd staan uit ongeloof of ergernis. Die ergernis is er wel om de personages – die je bijna allemaal een schop onder hun kont wil geven opdat ze eens wat gaan dóen of een keuze maken – maar dat is juist een sterk punt van het boek.

    Daarnaast toont Nolens zich een origineel stilist. Naast wat kleine ‘vondsten’ zoals het niet aangeven van de directe rede, waardoor de lezer soms twijfelt of de tekst door een personage wordt uitgesproken is of van de verteller afkomstig is, en een enkel prettig terzijde waaruit blijkt dat de verteller zijn personages ook maar ‘vreemd’ vindt, en af en toe een flinke stijlbreuk (een stijlmiddel van jewelste, volgens mij), daarnaast dus, zijn vooral zijn metaforen weergaloos. Als hij schrijft over de onmachtige lamlul Paul, dan schrijft Nolens dat hij “slaapt als een dood vol verlangen naar een leven.” Als Paul klaagt over zijn verdriet, zegt Nolens dat hij spreekt met een “gewonde mond”. En van de foetus wordt gezegd dat “hij rent op een automatische loopband in een witte troonzaal, kilometers ver, wekenlang, en hij komt geen meter vooruit. Een navelstreng verbindt hem met ergens.” Pauls malende denkprocessen, tenslotte, worden omschreven als “kabbelen in dezelfde bedding waarvan de uiterwaarden steeds hoger komen te liggen.” Er staan nog veel meer uitroeptekentjes in de kantlijn van mijn exemplaar van dit boek.

    Dat is waar je een novelle voor wil lezen: een simpel verhaal met stilistische pareltjes. Een fatsoenlijke roman had dit nooit kunnen worden; daar zijn verhaal en onderliggende laag te mager voor, maar als novelle is het een gepolijst edelsteentje.

    Patrick Bassant – Literair Vlaanderen

  • Het Vijftig Jaars Zwaard,Mark Z. Danielewski

    Mark Z. Danielewski, die in 2000 debuteerde met het verpletterende House of Leaves (vertaald in het Nederlands als Het kaartenhuis, Cargo, Amsterdam, 2001), bracht onlangs bij De Bezige Bij de novelle Het Vijftig Jaars Zwaard uit. Opnieuw speelt Danielewski met het principe van de verteller, de verzamelaar van getuigenissen. Een rol die hij zelf opneemt: ‘de schrijver die buitendien, laat dat duidelijk zijn, niets anders heeft gedaan dan deze verzamelde en hervertelde stukjes samenlengen’. De stukjes, verzameld en herverteld, komen van vijf personages, elk met een eigen stem (in het boek voorgesteld door aanhalingstekens in vijf verschillende kleuren) en een gezamenlijke geschiedenis, en reconstrueren de gebeurtenissen van een oktoberavond in Oost-Texas.

    De wat schuchtere naaister Chintana wordt door de 112-jarige Mose Deteldon uitgenodigd voor een bijeenkomst. Een uitnodiging die ze na lang aarzelen aanvaardt. Bij aankomst blijkt ook Belinda Snaai aanwezig te zijn, de vrouw die Chintana’s man Pravat had verleid en zo de oorzaak was van hun scheiding. Bovendien blijkt de bijeenkomst op Mose Deteldons ranch niets anders te zijn dan het vijftigste verjaardagsfeestje van Belinda Snaai. De vijf weeskinderen Tarff, Ezade, Iniedia, Sithis en Micit – de vijf stemmen – doen echter in al hun speelsheid Chintana beslissen nog wat te blijven.

    Als verrassing voor de kinderen (geen andere dan de vijf wezen) wordt die avond een verhalenverteller uitgenodigd. Wanneer die op een bepaald moment als ‘een schaduw geworpen door niets anders dan het donker zelf’ verschijnt, verandert de toon dramatisch: ‘Dit was niet de manier waarop zulke sprookjes voor vijf zulke wezen meestal begonnen’, denkt Chintana. Maar de dreiging die Chintana ervaart en alleen kan duiden als ‘verschrikkelijk’, lijkt niet alleen een gevolg te zijn van de duistere verschijning van de verhalenverteller; ook iets heel anders legt die dreiging op: ‘de kist die hij droeg. Een smal ding met hoeken van zwart, twee meter lang, minstens, met een okergeel koord als handvat boven het curieuze opschrift: H50JZ.’ Het doet haar echter niet meteen opveren en ingrijpen: ‘Chintana kon geen wijs meer uit waarschuwingen’.

    De Verhalen Verteller wikkelt het relaas af van een zoektocht, de zoektocht naar een wapen, even zwart als zijn hart, dat alles in één klap in tweeën splijt. ‘Omdat jullie jong zijn zal ik vertellen dat ik op zoek ging naar een wapen. Maar ook omdat jullie jong zijn zal ik niet vertellen waarom ik op zoek ging naar zo’n wapen’. De reis leidt hem door het Stormloopdal, het Woud van Node en de Berg van Vele Leid Paden, tot bij De Man Zonder Armen. Het wapen dat hij daar vindt, of dat hem daar vindt, is Het Vijftig Jaars Zwaard. En het zal doden, ‘Over een halve eeuw. Van geboorte tot laatste seconde van het Vijftigste Jaar.’

    Het Vijftig Jaars Zwaard wordt overheerst door de suggestie. Het relaas van de Verhalen Verteller – die niet de verhalenverteller is die werd uitgenodigd – verbindt elementen die zich buiten het verhaal bevinden met het vertelde, spreekt de personages op zo’n dwingende manier aan, dat de reden ervoor alleen kan worden gezocht in de aanwezigheid van die specifieke toehoorders. Of zoals Mark Danielewski in zijn inleidende pagina zegt: ‘Misschien omdat de geschiedenis van elk spookverhaal op zich al een spookverhaal is, dus een heel ander verhaal […]’. Vooral Chintana probeert de woorden van de Verhalen Verteller te stelpen, onder controle te krijgen, tevergeefs want ‘zo achteloos geuit, zo makkelijk open en blootgelegd’. Niet alleen in het vertelde spookverhaal ontwikkelt zich een sfeer van veranderlijkheid in woorden en beschrijvingen – zo worden het Stormloopdal, het Woud van Node en de Berg van Vele Leid Paden op een bepaald moment omschreven als het Stroomloop Dal, het Woud van Vallende Noten en de Berg van Velerlei Paden –; ook de personages zelf vertonen verschuivingen (te wijten aan de verzamelaar-verteller Danielewski?): schijnbaar achteloos heet Chintana plots Chantana. De veranderende namen veroorzaken of beschrijven een wisselende identiteit; naarmate het verhaal zich afwikkelt komen banden tussen de personages bloot te liggen, en dringt de fictie van het spookverhaal binnen in de oktoberavond op Mose Deteldons ranch. ‘[H]ij had hen erbij betrokken, sterker nog, nu waren zij mede – verantwoordelijk.’ De ‘Meer is er niet’die de Verhalen Verteller uitspreekt aan het einde van zijn verhaal, kan daarom niet definitief zijn voor de wereld buiten het verhaal…

    Het Vijftig Jaars Zwaard is exclusief (in het Nederlands en het Engels) verschenen bij De Bezige Bij en werd voorzien van tekeningen door Peter van Sambeek.