• Het gesticht, Menno Wigman

    Tussen de patiënten
     
    Dichters en schrijvers krijgen vaak mooie plekken aangeboden om te komen schrijven. Een huisje bij zee, een verblijf in Canada of een plaats als writer in residence in de Verenigde Staten. Maar je hebt ook auteurs die drie maanden vrijwillig het gesticht in gaan. Zoals Menno Wigman.
    Op het terrein van het gesticht in Den Dolder (bij Utrecht) staat een groot gebouw waar kunstenaars een paar maanden mogen verblijven. Wigman verbleef er in de drie maanden dat hij ook bezig was met het schrijven van de bundel voor gedichtendag 2006. Hij was niet de eerste dichter op het terrein, want ook Gerrit Achterberg zat er ooit, maar dan niet vrijwillig. (En passant ontdekt Wigman, in gesprekken met een historische club die op het terrein vergadert dat er in de biografie over Achterberg nogal wat foutjes voorkomen.)
    De vorm die Wigman kiest voor dit boek zijn dagboekachtige fragmenten: notities, gedachten, kleine onderzoekjes. Dat maakt Het gesticht nogal fragmentarisch en gelukkig is dat een vorm waar ik van houd. Hij wil weten of patiënten die in het gesticht verblijven goede poëzie kunnen schrijven: zijn ze in staat tot verrassende beelden of interessante taalvondsten? Maar Wigman schrijft allesbehalve een voyeuristisch verslag over de prestaties van de bewoners. Hij is eerder terughoudend in zijn commentaar, voorzichtig in zijn oordelen.
    Wigman springt van het ene onderwerp naar het andere: zijn jeugd, de dood (en de laatste woorden voor de dood in het bijzonder), ontmoetingen in het gesticht, aantekeningen over wat hij leest, herinneringen aan foto’s etc. etc. Naarmate de tijd in het boekje voorbijgaat, lijkt het boek steeds meer te gaan over zichzelf. Grof gezegd: op het einde van Het gesticht heb je niet meer te maken met een dichter die komt observeren, maar met een schrijver die zichzelf ter observatie geeft. De herinneringen aan zijn jeugd in Santpoort waar ook een gesticht stond, worden prangender. Hij beschrijft hoe hij twee keer heeft gezien wat er van iemand overblijft die zich voor de trein gooit. Hij beschrijft welke vrienden hij al verloren heeft en steeds meer lijkt hij zich de vraag te stellen: waarom ben ik nog geen patiënt? Op een van de laatste bladzijden schrijft hij zelfs letterlijk: ‘Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik denk dat ook dichters stemmen horen.’ Gelukkig had Wigman de vrijheid om terug te keren naar de normale wereld.
    Het gesticht zal zeker geen bestseller worden. Het grote publiek wil andere boeken lezen en dat mag. Maar wij als literatuurliefhebbers moeten het wel tot ons nemen. Je neemt namelijk ook een kijkje in de keuken van de dichter. Een aantal gedichten die Wigman schreef voor zijn gedichtendagbundel is direct traceerbaar na lezing van dit boekje. Ook dat wordingsproces is interessant om te lezen. Nu maar hopen dat de uitgever een vervolg laat schrijven.
     
    Coen Peppelenbos
    Menno Wigman: Het gesticht. Prometheus, Amsterdam, 104 blz. €18,90 

  • De literaire kring, Marjolijn Februari

    De hypocrisie van de macht
     
    Connie Palmen domineert de cultuurpagina’s en haar uitgever Prometheus plaatst paginagrote advertenties met haar portret in de dag- en weekbladen. Maar bijna tegelijkertijd met het verschijnen van Lucifer verscheen er bij Prometheus een andere roman. Ook van een vrouwelijke auteur, geen filosofe als Palmen, maar ethicus en jurist. De literaire kring is de tweede roman van Marjolijn Februari (1963). De roman dreigt ten onrechte aan de aandacht van een breed publiek te ontsnappen door de dominante aanwezigheid van die andere vrouwelijke auteur.
    Net als Connie Palmen neemt Marjolijn Februari een werkelijke gebeurtenis als uitgangspunt neemt voor haar roman.
    Het bedrijf Vos B.V verkocht tien jaar geleden doelbewust onzuivere glycerine aan een farmaceutisch bedrijf in Haïti. De glycerine werd gebruikt om hoestsiroop van te maken. Zeker zestig kinderen stierven na inname van het drankje en tientallen anderen liepen lever- en hersenletsel op.
    Bij gebrek aan bewijs werd de zaak geschikt. Vos B.V. betaalde een paar ton aan de families van de overleden kinderen, maar weigerde de operaties te betalen van de kinderen die letsel oplieten. De zaak raakte in de vergetelheid, maar Marjolijn Februari gebruikt de glycerinekwestie in haar roman om ethische kwesties aan de orde te stellen en haar verder fictieve verhaal te vertellen.
    Teresa Pellikaan, dertig jaar, woont samen met haar echtgenoot in het dorp waar ze ook is opgegroeid. Het is een dorp met inwoners uit betere kringen. De machthebbers en bestuurders van ons land. De literaire kring van het dorp is een kring met aanzien, alleen de groten uit het dorp mogen eraan deelnemen. De rijke echtgenoot van Teresa is, op voordracht van zijn schoonvader, lid van het gezelschap. Als Teresa hoort dat een vroegere klasgenoot een internationale bestseller heeft geschreven, lijkt het haar een goed idee als de literaire kring dat boek gaat lezen en bespreken. Iedereen reageert afwijzend. Het blijkt dat de schrijfster een dochter is van een voormalig vooraanstaand zakenman uit het dorp die in het verleden een grote fout heeft gemaakt. Ook de leden van de literaire kring lijken betrokken te zijn geweest bij het schandaal dat tientallen kinderen het leven kostte.
    Op zeer intelligente wijze schetst Marjolijn Februari een confronterend beeld van de hoogste klassen van ons land. Eerder schreef ze de roman De zonen van het uitzicht (1989) en de roman/economische studie Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek (dissertatie, 2000). In 2004 verscheen Park welgelegen; notities over morele verwarring. Februari had in dit werk een voorkeur voor filosofische uitweidingen en ingewikkelde verwijzingen. In De literaire kring lukt het haar op indrukwekkende manier de zwaarte van het onderwerp lichtheid mee te geven. De literaire kring snijdt thema’s aan als morele verloedering, de verantwoordelijkheid van de machthebbers en de corruptie en hypocrisie van diezelfde groep. Geen gemakkelijk onderwerpen en al helemaal geen grappige. Februari krijgt het toch voor elkaar om haar lezers op iedere bladzijde aan het lachen te maken. De literaire kring is een verademing in het huidige literaire klimaat waarin luchtigheid domineert. Dit is een luchtige roman met een enorme diepgang.
     
    Anne-Marie van der Poel
  • De inwendige,Pauline Slot

    Als een toffee die aan je gehemelte plakt

    Alle vrouwen die in de jaren zeventig gymnastiekles op de middelbare school hebben gevolgd kennen ze nog wel: de zwarte of blauwe stretchbroekjes. Zelfs de magerste scharminkels hadden er nog kolossale dijen in. Via subtiele verwijzingen naar mode, televisieprogramma’s en zoete lekkernijen neemt Pauline Slot (1960) in haar nieuwe roman ‘De Inwendige’ de lezer mee de geschiedenis in.

    We volgen hoofdpersoon Alma Oosting van de vroege jaren zestig tot het heden en nergens wordt een jaartal genoemd. Zo wrijft de buurman zich in het begin van het boek verlekkerd in zijn handen: ‘Zo meteen zijn de Mounties op tv.’
    Aan het eind kijken we met Alma mee hoe de Twin Towers in elkaar storten. Er zijn dan zo’n veertig jaren voorbij gegaan. Jaren waarin veel, heel veel is gegeten.

    Dat begint al als Alma als peuter haar amandelen moet laten verwijderen. Ze krijgt ijs om de pijn te verzachten. ‘Ik slik snel door. De pijn is weg. De pijn is terug. Nu moet ik altijd ijs blijven eten’.

    Alma’s moeder lijdt aan depressies, moet regelmatig in een inrichting opgenomen worden en heeft fikse huilbuien. Toch ontbreekt het Alma en haar jongere zusje niet aan basiszorg, want moeder voorziet hen van veel, lekker, maar tamelijk ongezond eten. Er zijn altijd lange vingers voorradig en spekkies, slierten trekdrop, toffees, zwart-witballen en zakjes Treets.

    s ‘Avonds zet moeder het liefst een aardappelsalade met gevulde eieren op tafel. Ook de zelfgefrituurde patat komt vaak voorbij, voorzien van knakworst en appelmoes. Op familiebijeenkomsten wemelt het van de loempiaatjes, bitterballen en toastjes selderiesalade. Van groente en fruit hebben ze nog nooit gehoord. Als Alma een half opgegeten appel van een vriendinnetje krijgt, weet ze zich daar geen raad mee en gooit ze hem uiteindelijk maar weg.

    Alma snaait er lustig op los maar als haar oma op niet mis te verstane wijze duidelijk maakt dat haar kleindochter flink aan de maat is, begint ze zich om haar figuur te bekommeren. Het leed is dan allang geschied en door allerlei ingewikkelde eetpatronen lukt het de mentaal ingestelde Alma niet om uit de vicieuze cirkel van eten en lijnen te breken.

    Als ze uiteindelijk met een kwarktoetje naar een film zit te kijken, waarin ze zich sterk identificeert met de hoofdpersoon, erkent ze dat ze een eetprobleem heeft en zoekt ze hulp. Dat het nog niet zo gemakkelijk is om anders met voeding om te gaan, merkt ze tijdens haar buitenlandse reizen en in liefdesrelaties, waarin haar vriendinnen ook te kampen hebben met verstoorde eetgewoonten.

    Hoe ontstaat anorexia nervosa en wat ligt er ten grondslag aan boulimie? Er is veel onderzoek naar gedaan en termen als ‘perfectionisme’ vallen, en ‘slankheidsideaal’. Ook kunnen de oorzaken liggen in de jeugd: spanningen in het gezin, aangeleerde eetgewoonten en het slecht omgaan met de eigen emoties en met die van de gezinsleden.

    Voor Alma zouden al deze kenmerken reden kunnen zijn voor haar gedrag. Dat mag de lezer zelf uitmaken.
    Het kan aan de nerveuze moeder liggen die er ook vreemd eetgedrag op nahoudt. Misschien heeft Alma te lijden gehad onder haar depressies en vond ze wel dat ze altijd sterk moest zijn om moeder te behagen. Lompe opmerkingen zijn vader niet vreemd, wie weet wat de impact daarvan is. Tijdens de zogenaamde tafelgesprekken die het avondeten begeleiden gelden strenge regels. Heeft dat misschien invloed gehad? Of was het die ene opmerking van oma die een eigen leven is gaan leiden? Alles is mogelijk bij ‘De Inwendige’.

    ‘Ik had zo graag nog meer gehoord van Virginia Woolf,’ zegt Pauline Slot in de bundel ‘Het beslissende Boek’ waarin Nederlandse en Vlaamse auteurs aan de tand gevoeld worden over het boek dat hun leven veranderde.
    Woolf als persoon en schrijfster spreekt haar aan, maar ook de manier waarop ze schrijft: ‘Je gaat mee op de golven van haar gedachten’.

    Dit zien we terug in de manier waarop Slot haar roman vormgegeven heeft. Ze laat Alma aan het woord en door haar ‘stream of counciousness’ wordt de lezer via een staccato kindertaaltje meegenomen naar de associërende puber en de analytische adolescent en volwassene. Al Alma’s handelingen worden tot in de details beschreven. Alles in de tegenwoordige tijd. De zinnen zijn kort. Soms in telegramstijl.

    Dit is een gewaagde vorm die je als lezer af en toe de adem beneemt. Het is indringend en snel: al die gedachten die van de hak op de tak springen, de namen van personen die genoemd worden maar waarop geen nadere toelichting volgt, en dan dat eten. Al dat eten! In het begin is het nog een feest der herkenning om al die lekkernijen voorbij te zien komen, maar later volgen momenten dat de eetlust je vergaat.

    Door Alma’s manier van observeren en de aan haar veranderende wijze van reflecteren gekoppelde woordkeus, geeft ze moeiteloos haar groei en ontwikkeling weer. Dat is razend knap gedaan. In het begin van het boek deed me dat denken aan de roman ‘Dora’ van Hannes Meinkema. Ook hierin volgen we een kleuter op weg naar volwassenheid waarin het taalgebruik is aangepast aan de opeenvolgende levensfases. Verder is dat een heel ander boek, maar voor de liefhebber van het genre een aanrader.

    ‘De Inwendige’ is een plotloos verhaal. Er is een begin en een einde en daartussen wordt veel verteld, maar even zoveel blijft open. We krijgen een kijkje in het binnenste van Alma en daar gaat het om. Hoe het de andere personages vergaat doet eigenlijk niet zoveel ter zake.

    Overeenkomsten met haar romans: ‘Zuiderkruis’, ‘Blauwbaard’ en ‘Tegenpool’ zijn te vinden in de thema’s: reizen, biseksualiteit en ingewikkelde familieomstandigheden. Opvallend in haar laatste roman is de zintuiglijke manier van schrijven. Je voelt als lezer de toffee aan je gehemelte plakken en ook de plastic zak met braaksel hoor je met een plof op de bodem van de vuilnisbak terechtkomen.

    Met ‘De Inwendige’ heeft Pauline Slot een roman van formaat neergezet. Ze schrijft in de meeslepende stijl die we van haar gewend zijn en brengt een personage tot leven met wie je meeleeft, maar die af en toe ook afschuw oproept. Toch begrijp je hoe ze tot haar handelingen komt en hoop je dat ze met zichzelf in het reine zal komen.

    Tijdens het lezen betrapte ik me erop dat ik soms zat te mieren met mijn avondeten. Ook snoepen ervoer ik anders dan anders: minder lekker. Dat kwam omdat ik me afvroeg hoe bewust ik eigenlijk aan het eten was: had ik echt trek of verviel ik in gewoontehandelingen? Een ding luchtte me enorm op: de tafelgesprekken bij mij thuis waren een stuk inspirerender dan bij de bekrompen familie Oosting in het doodse Zoetermeer. Dat Alma daar haar buik vol van had is te begrijpen.

    De Inwendige ? Pauline Slot
    Uitgeverij De Arbeiderspers 2007

    Pauline van der Lans

  • De krant was koning, Leon de Wolff

    Publieksgerichte journalistiek en de toekomst van de media

    De journalistiek verandert. De opkomst van een meer publieksgerichte houding is de oorzaak van de fundamentele veranderingen, die de laatste jaren in een stroomversnelling zijn gekomen. Er moet rekening worden gehouden met het publiek, met de doelgroep. Deze gedaanteverwisseling raakt alle aspecten van het journalistieke veld. Leon de Wolff onderzoekt in De krant was koning. Publiekgerichte journalistiek en de toekomst van de media de veranderingen in het vak en geeft praktische, systematische oplossingen. Het handboek van De Wolff is niet alleen interessant voor journalisten. Het geeft een kijkje in de keuken van het maken van kranten en het zet je aan het denken over hoe je het best een boodschap op papier kunt over brengen. Het handboek van De Wolff verscheen in 2005, maar is nog steeds actueel. Het wordt misschien wel steeds actueler nu de veranderingen steeds sneller gaan. Binnen het journalistieke vak is De krant was koning berucht en beroemd. De Wolff geeft een systematische benadering van het schrijven van teksten. Schema’s, systemen. Het zijn zaken waar veel schrijvers en journalisten een diepe afkeer van hebben. Nadenken over het perspectief, de functie van je tekst en de doelgroep strookt niet met de romantische, creatieve ‘laat mij nu maar een mooi stukje tikken’-houding die veel journalisten hebben. Als De Wolff dan ook nog begint over het belang van leiding geven aan journalisten en de invloed van beeld en techniek, is voor veel doorgewinterde journalisten de grens bereikt. Maar de jongere generatie, opgegroeid met termen als management, marktwerking en mark- en publieksgericht, staat minder afwijzend tegenover de suggesties van De Wolff. Gelukkig maar, want naar mijn idee zijn de observaties en suggesties van Leon de Wolff niet alleen nuttig, maar ook essentieel voor iedereen die werkzaam is in de journalistiek.

    De krant was koning geeft een realistisch beeld van hoe de media veranderen en de invloed die de veranderingen hebben op het beroep van journalisten. Dat is soms confronterend. Journalisten zijn grijze kantoormuizen geworden die vastgeroest zitten in hun routine. Van het aura van creativiteit dat altijd rondom journalistiek en schrijven heeft gehangen, is weinig over. Maar De Wolff zet je ook aan het denken. Over de rol van geschreven tekst en de meest efficiënte manier om je publiek te kunnen bereiken. Als je de zeer bruikbare schema’s van de Wolff loslaat op willekeurige teksten uit een willekeurige krant (of op je eigen teksten), merk je hoeveel eraan verbeterd kan worden.

    Het handboek leest gemakkelijk. Soms gaat de populaire toon van De Wolff een beetje irriteren, maar het voordeel is dat hij de systematische benadering op een zeer gemakkelijker manier inzichtelijk en begrijpelijk maakt. De vele voorbeelden en anekdoten maken dit boek verplichte kost voor iedereen die geïnteresseerd is in media en journalistiek schrijven.

    Leon de Wolff, De krant was koning. Publieksgerichte journalistiek en de toekomst van de media, Bert Bakker, 2005.

    Anne-Marie van der Poel

  • Avonden op het Landgoed, Erwin Mortier

    Betondorp in de bergen

    Bij de uitvaart van Gerard Reve, waar Nederlandse collega-schrijvers zo massaal afwezig waren, viel de afscheidstoespraak van de Vlaamse schrijver Erwin Mortier op. Niet veel mensen wisten dat hij en zijn vriend Lieven Vandenhaute al jarenlang bevriend waren (met korte onderbrekingen, dat wel) met Reve en Joop Schafthuizen.
    In 1997, Mortier was nog niet gedebuteerd, mogen ze mee naar het beroemde Geheime Landgoed van Reve in Frankrijk. Van die reis hield Mortier een dagboek bij. Volgens mij heeft Mortier enige schaamte moeten overwinnen voordat hij besloot dit dagboek te publiceren. Hij laat het dan ook voorafgaan door een inleiding en luidt het boek uit met een nawoord. Daarin probeert hij vooral te voorkomen dat het beeld dat van Reve blijft hangen, die van gekke, oude man is.
    De reis naar het Geheime Landgoed is een bezoeking en het verblijf ook. Reve ouwehoert aan één stuk door, maakt continu seksuele toespelingen en drinkt als een bezetene. De mannen doen ’s nachts maar de deur van hun slaapkamer op slot om niet gestoord te worden door de volksschrijver. Dat doet hij natuurlijk toch wel, door ze al vroeg met hard gebonk op de deur te wekken.
    Voor de lezer is het boek wel komisch, zeker als je leest dat Reve op de markt een verbijsterde marktkoopvrouw vraagt om: ‘Trois melons catholiques.’ Maar als je dagenlang in zijn nabijheid hebt doorgebracht, worden de grappen op den duur sleets en vervelend. Mortier en Vandenhaute hebben een diepe bewondering voor Reve, maar die wordt danig op de proef gesteld. Misschien zijn al die wanen, grappen en grollen wel de enige mogelijkheid van Reve om zijn leven aan te kunnen. Het Geheime Landgoed met zijn Spartaanse kamers vol oude rommel die Reve uit het afval heeft gered, met een doucheputje dat meteen als wc geldt, met zijn voorkomen als een bunker is een zelfgebouwd toevluchtsoord van een bange man. ‘Het Landgoed is de isoleercel van een volstrekt voor het leven onaangepast mens. Het is Betondorp in de bergen.’
    Avonden op het Landgoed is een hard boek omdat je de geestelijke aftakeling van de schrijver van dichtbij volgt. Het is op sommige punten zelfs gênant als blijkt dat Reve racistische praatjes verkoopt tegen de vriend van Wouter van Oorschot die vlakbij ook een huis bezit.
    Mortier probeert echter toch met mededogen terug te kijken in zijn nawoord en de ideeën en humor van Reve te duiden. Hij introduceert ‘geveinsd veinzen’ (als variant op Kellendonks ‘oprecht veinzen’) in een poging Reve’s religieuze opvattingen (en misschien wel zijn gehele houding ten opzichte van de wereld om hem heen) te begrijpen. ‘Ik begon Gerards ironie met andere woorden te bezien als een vehikel waarmee hij poogde om toch te spreken over die zaken waarover men volgens Wittgenstein dient te zwijgen omdat ze zich buiten het voor de rede vatbare bevinden.’
    Voor de lezer is het lastig om dat betoog te geloven na het dagboekgedeelte. Mortier is dan ook vooral in gesprek met de Reve die hij kent uit de boeken; de Reve die nog een intellectuele uitdaging bood. Het is jammer dat ze elkaar niet twintig of dertig jaar eerder hadden ontmoet. Het is goed dat Mortier die ontluistering aanbiedt in de liefdevolle omarming van een bewonderaar, want ook de laatste jaren van Reve moeten beschreven worden en dan lees ik het liefst een boek dat Reve niet louter reduceert tot een potsenmaker.

    Coen Peppelenbos

    ERWIN MORTIER: Avonden op het Landgoed ? Op reis met Gerard Reve
    De Bezige Bij, Amsterdam, €15,00

  • Surrealistische beleving van een midlifecrisis

    De waarheidsvinder is de eerste in het Nederlands vertaalde roman van de New Yorkse auteur Donald Antrim, die hiermee zijn derde roman aflevert. Op de achterflap wordt vermeld dat Antrim volgens het Amerikaanse magazine The New Yorker tot de 20 schrijvers van de 21 eeuw’ behoort. Dit klinkt hoopvol voor de naar meerwaarde zoekende literatuurliefhebber.
    Met een krachttoer, zonder hoofdstukken en tekstonderbrekingen in 159 bladzijden, neemt de ik-verteller, een man van middelbare leeftijd, de lezer tijdens een etentje mee in een surrealistische en psychoanalytische beleving van zijn midlifecrisis. De protagonist en ik-verteller Thomas (Tom) nodigt een aantal collega-docenten psychotherapie aan het Krakau-instituut uit voor een informele diner in een pannenkoekenrestaurant. Tom is een therapeut die nooit volwassen is geworden en geen beslissingen kan nemen. Hij vindt het al moeilijk te kiezen tussen eieren of pannenkoeken en gedraagt zich tijdens dat etentje zeer kinderachtig door een voedselgevecht te willen beginnen. Om hier een eind aan te maken, tilt zijn collega Richard Bernhardt – doctor in de klinische psychologie – hem op in een ‘vuile, eigenaardig leuke, beangstigende intieme en volslagen onverwachte, krenkende omhelzing.’ Het is niet de eerste keer dat Tom zich gek gedraagt: over het meubilair klimmen, water naar mensen spugen tijdens vergaderingen of op feestelijke etentjes. Allemaal gedragingen waar zijn collega’s vertrouwd mee zijn maar ze begrijpen hem en houden van hem. ‘We weten wat het is om jou te zijn.’ Tom ervaart die liefde van zijn collega’s echter niet zo: ‘Bernhardt gebruikte me (…) als een menselijke totem, die verwijst naar kindsheid en de depressie die meegroeit met het vermogen van het normale kind tot liefde en haat in volwassen relaties.’
     
    Hierdoor geraakt Tom in een transcendente toestand en treedt hij uit zijn lichaam : ‘Nu was ik de pop en Bernhardt de grote man die me vast hield; en de wereld werd, omdat ik erboven zweefde, magisch en veilig (…) ik sloot mijn ogen en begon te hyperventileren (… ) dat was het moment dat ik mijn opgang naar het plafond maakte.’ Dit uit-het-lichaam-treden neemt het grootste deel van de roman in beslag.
    Wanneer Tom door het pannenkoekenhuis rondvliegt en boven de wereld uitstijgt (een dag erop uittrekt met de serveerster) laat hij de lezer kennismaken met zijn ontdekkingstocht naar zijn relaties met zijn collega’s ( hij vermoedt onder andere dat Manuel Escobar een affaire met zijn vrouw heeft), naar de toekomst van zijn kinderloos huwelijk en uiteindelijk met zijn existentiële belevingen. Hij herkauwt op de psychoanalyse, het geslacht, het huwelijk, de seksualiteit, de erotiek, de mensheid, de familie en de dood. Zo maakt hij ook een deconstructie van de sproeten op de rug van de serveerster waar hij veel gelijkenissen met een schilderij van Breughel in ziet. Zo wil hij de normaliteit en het uitwendige geluk te kijk zetten door uit te leggen dat achter eenvoudige dingen, zoals het kiezen van de verfkleur voor een kamer, heel wat schuilgaat: ‘het zit barstensvol echtelijke zorgen en diepe mysteries betreffende lotsbestemming, toeval, en het gehele doel en de zin van het leven.’
    Kenmerkend voor het thema en de structuur van het boek is de bewustzijnstroom waarin de lezer terecht komt en de catharsis (een loutering van de ziel door het beleven van beklag en angst) die de verteller ondergaat. Men wordt intens meegesleept in het verhaal van een buiten-zichzelf-tredende verteller die regresseert in een pre-oedipale positie met de bedoeling zijn psychoseksuele werkelijkheid te reorganiseren en een trauma te overwinnen. Wilde, fantastische en soms onwaarschijnlijke scenario’s over het leven op de rand van een zenuwinzinking worden op een hilarische, geestige, surrealistische manier beschreven maar vooral analytisch benaderd. Antrim beschrijft op een fantastische wijze hoe iemand die catharsis beleeft en plaatst zijn personages in onmiskenbaar onwerkelijke situaties zonder de lezer echter in het ongewisse te laten over wat er allemaal gebeurt. De roman is een briljante absurdistische parodie, met zwarte humor, die de maatschappij, in het bijzonder de psychoanalyse, een spiegel voorhoudt. Tegelijkertijd is het ook een droef en melancholisch verhaal vanwege de onderliggende donkere en sinistere kant van de hyperintelligente maar onaardige hoofdpersoon die een strijd levert om zijn plaats in te wereld te leren kennen en is het ook een rake schets over de pijn die men in relaties kan ervaren, over de breekbaarheid van de emotionele ervaringen alsook over de tragedie die het onvermogen om relaties aan te gaan, teweegbrengt.
    De Waarheidsvinder doet denken aan de typische afdwalingen van Nabokov en de associatieve schrijfstijl van Javier Marias. De roman kenmerkt zich dan ook door de parentheses en de uitweidingen waardoor men terechtkomt in een labyrint van taal en overdaad. Antrim creëert een geheel fictionele werkelijkheid en zoals hij de hoofdpersoon laat omschrijven: ‘voelde ik me heel even alsof ik werd wat elk normaal kind in wezen is: een uitvinder van de werkelijkheid’. Ondanks de omslachtige analyserende stijl schrijft Antrim zeer dwingend en getuigt het soms van brutale arrogantie doordat hij alles tot op het bot analyseerd en letterlijk op alles neerkijkt. Het lezen van deze roman vergt dan ook een krachttoer om door de bewustzijnstroom van het hoofdpersonage te geraken.
     
  • Waar je valt, M.J. Hyland

    Grimmige roman over de onwetendheid
     
    De Engelse schrijfster M.J. Hyland (London, 1968) brengt met haar tweede roman Waar je valt een pakkende en sociaal-realistische roman over een opgroeiende tiener in het Ierland van de jaren ’70 van de 20ste eeuw. Dit hoofdzakelijk op autobiografische leest geschoeid verhaal werd zo lovend onthaald dat het een nominatie kreeg voor de shortlist van de Man Booker Prize 2006. Net als in haar eerste roman Hoe het licht binnenvalt (2004), die ook een nominatie kreeg – voor de Commonwealth Writer’s prize -, is de ik-verteller een jeugdig persoon.
    In haar debuut liet ze ons kennismaken met een Australisch 16-jarig meisje dat naar Amerika vlucht en er in een gastgezin in aanraking en in conflict komt met de kleinburgerlijke moraal van de middenklasse. Het werd dan ook een echte Bildungsroman van een tiener in volle ontwikkeling. In Waar je valt wordt echter die ontwikkeling niet meer zo uitgebreid benaderd maar krijgen we een inkijk in een vol kalenderjaar van het dagelijks leven en van de dromen van de Ierse 11-jarige John Egan.
     
    John is pas elf maar prijkt reeds torenhoog boven zijn leeftijdsgenoten uit met zijn 1,71 meter, waardoor hij de roepnaam ‘Troll’ krijgt toebedeeld. Met zijn vermeende gave om leugens te kunnen detecteren, wil hij ooit eens in het Guiness Book of Records komen. Wanneer iemand een leugen vertelt voelt hij zich misselijk en begint zijn nekstreek te gloeien. Net zoals die keer wanneer hij zijn vader, terwijl die kattenjongen doodsloeg, vroeg of hij daar niet verdrietig van werd. Van alle leugens die in zijn directe omgeving worden verteld houdt hij een dagboek bij en die directe omgeving bestaat hoofdzakelijk uit het armtierige gezin waarin hij leeft. Deze enge leefwereld doet dan ook een beetje claustrofobisch aan waardoor de hoofdpersoon zich ook obsessioneel vastklampt aan zijn zoektocht naar de waarheid en onbesuisd en onbewust worstelt met het Oedipus-element in de emotionele relatie met zijn moeder.  
     
    John, enig kind, woont samen met zijn ouders in bij de grootmoeder, vaders moeder, in een kleine woning in het Ierse Gorey, County Wexford. Zijn vader heeft zijn werk opgegeven om te gaan studeren aan het Trinity College. Zijn moeder is winkelier. Omdat zijn vader zijn agressieve buien niet kon intomen worden ze uit het huis gezet en dringt een verhuizing zich op. Ze vinden onderdak in een arme, rauwe buitenwijk van Dublin, Ballynum, met zeven verpauperde woonblokken. Het is een biotoop waar jongerenbendes zich laten gelden en de buurt terroriseren, waar de pis, de kak en de kots rondslingeren en waar overmatig alcoholgebruik een zichzelf vernietigende overlevingsstrategie is geworden tegen de uitzichtloosheid van het leven.
     
    De hoofdpersoon wordt zo monolithisch, uit één stuk, beschreven dat hij je niet meer loslaat en je er niet meer omheen kan. Ondanks zijn waarheidsobsessies en zijn ongelofelijke lengte komt hij in zijn belevingen en zijn droom naar een betere leefwereld geloofwaardig over. Men wordt letterlijk met de neus op de realiteit gedrukt en even waant men zich in Het Parfum van Patrick Suskind, wanneer we de zeer verfijnde beschrijvingen van de geursensaties van de vuilniskokers in de appartementsblokken ervaren. De kokhalzende, zichzelf te pletter zuipende en agressieve vaderfiguur en de hardwerkende moeder maken het plaatje van een leven aan de armoedegrens completer.
     
    Maar de meeste dromen zijn bedrog, zo ook het geloof dat de waarheid boven alles staat. In zijn streven naar echtheid veroorzaakt John echter heel wat leed wanneer hij zich geroepen voelt om een aantal dingen te openbaren. Zo laat hij aan zijn moeder weten dat vader overspel pleegt, waardoor een scheiding nabij is en de moeder emotioneel gekraakt is en in een depressie belandt. Hier gooit Hyland de handdoek in de ring waardoor John wakker moet worden uit zijn ingebeelde wereld: de geloofwaardig gecreëerde moraalridder moet inzien dat pijn veel moeilijker te verdragen is dan onwetendheid.
     
    En, onwetendheid is in dit verhaal zeker ook goed neergezet in de manier waarop John met zijn moeder omgaat. De primaire en gezonde moederbinding ontaard in een pervers streven van John om heel dicht bij zijn moeder te zijn (zoals met haar in bed liggen, terwijl vader in de kinderkamer worstelt met zijn demonen) en ook al omdat zijn moeder te veel benadrukt dat ze hem heel graag ziet. Het is wel allemaal suggestief beschreven maar we kunnen er toch het oedipaal verlangen van John om zijn vader buiten spel te zetten, in zien. Bijna vermoordt hij zijn moeder door haar met een kussensloop te willen doen inslapen wanneer ze niet in slaap geraakt. Het is ons niet echt duidelijk of het de bedoeling was om haar voor eeuwig te laten slapen of dat hij haar wou helpen. Zeker is wel dat er niet altijd wordt uitgelegd waarom iets gebeurd en dat dit gegeven de lezer aan het denken zet.
     

    Door de eenvoudige, onopgesmukte stijl is het proza van Hyland zeer toegankelijk en vlot leesbaar. Helder en kernachtig zet ze de scherpe observaties van de hoofdpersoon neer in ingetogen, bescheiden, medelevende maar ook wel vrijblijvende, suggestieve beschrijvingen. De nauwkeurige uitvergroting van een delinquente geest en de speciale aandacht voor idiomen bieden de lezer dan ook iets extra’s. Vertelt in de ik-persoon en in de tegenwoordige tijd voelt het verhaal zeer realistisch aan. De claustrofobische en zwaar emotioneel geladen sfeer beschrijft ze met een ervaren vaardigheid. Deze roman is ook te beschouwen als een psychologische roman omdat Hyland het complexe netwerk van emoties, dat in de eenvoudigste interacties aan bod kan komen, bloot legt. Door de gebeurtenissen in hun diepere lagen zo grondig te beschrijven, krijgen schijnbaar minder belangrijke gebeurtenissen, in een bepaalde context, een betekenis, waarmee de schrijfster bewijst dat ze over een zeldzaam en origineel talent beschikt. Deze roman over de donkere hersenschimmen in iemands geest is dan ook een grimmige roman waar je ongemakkelijk van wordt en bijzonder confronterend is omdat het fictieve element de realiteit zo goed benaderd en tot ethische vragen aanzet.

    Geert Beernaert

  • De tien geboden, Arjan Visser

    Eer uw vader en uw moeder

    Een van de meest interessante interviewrubrieken is ‘De tien geboden’ in Trouw. Journalist (en romanschrijver) Arjan Visser heeft een eenvoudig, maar doeltreffend format gekozen om de geïnterviewden ontboezemingen te ontlokken. De tien geboden, in katholieke of protestantse vorm, zijn blijkbaar zo heilig dat iedereen het achterste van zijn tong laat zien. Alsof ze te biecht gaan bij de interviewer.

    Natuurlijk moet Visser wel af en toe een vraag stellen om de zaken scherp te krijgen. Zoiets past niet in het format. Dat lost hij wat onbeholpen op, want hij laat zijn dan gast zijn eigen vraag herhalen. ‘Of een Palestijn zichzelf, in opstand tegen zijn bezetter, op mag blazen in een Israëlische bus?’ herhaalt Ramsey Nasr de vraag van Visser. Dat is slechts een voorbeeld. Het boek wemelt van die herhaalde vragen en op den duur word je daar wat kregelig van. Schrijf dan meteen een stellende in plaats van een vragende zin.

    Nadat dit minpuntje behandeld is, steek ik alleen nog maar de loftrompet uit voor de verzamelde interviews. Voor lezers van deze site is het boek extra interessant vanwege de hoeveelheid schrijvers die aan bod komt: Jan Blokker, Désanne van Brederode, Martin Bril, Jeroen Brouwers, Theodor Holman, John Irving, Arthur Japin, Ramsey Nasr, Willem Jan Otten en P.F. Thomése. Visser weet ze uitspraken te ontlokken over hun geloof, over de relatie met hun ouders (‘eer uw vader en uw moeder’).

    Sommigen zullen al die privé-verhalen volstrekt irrelevant vinden omdat de heersende literaire mode voorschrijft dat je boeken als een autonoom kunstwerk moet beschouwen dat los van de maker besproken en gewaardeerd moet worden. Ik vind de autobiografische achtergronden, juist als die terug te vinden zijn in het werk van een auteur wel interessant. Alsof je op die manier een kijkje kunt nemen in de evolutie van dat werk. Wie het antwoord op het gebod ‘eer uw vader en uw moeder’ van Jeroen Brouwers leest, zal Bezonken rood authentieker en waarachtiger vinden. Wie het antwoord op datzelfde gebod van Arthur Japin leest, zal de liefdezoekende figuren die zijn oeuvre bevolken beter kunnen doorgronden. Wie deze interviews leest, moet tot de conclusie komen dat er niet zoiets bestaat als een autonoom kunstwerk. Alleen al daarom is De tien geboden een interessant interviewboek.

    Coen Peppelenbos

    Arjan Visser, De tien geboden. Augustus, Amsterdam

  • Het geheim van de wurger, Jacques Tardi

    De ene echte hoofdrolspeler in bijna alle boeken van Tardi is Parijs. Of het nu zijn vrolijke en absoluut onbegrijpelijke serie Isabelle Avondrood is, zijn detectiveverstrippingen van de boeken van Léo Malet met Nestor Burma in de hoofdrol, of de werkelijk schitterende illustraties bij Célines Reis naar het einde van de nacht. De andere hoofdrolspeler is de oorlog, en dan meestal La Grande Guerre van 1914-1918 in zijn Loopgravenoorlog, of De laatste der laatsten, een bewerking van een roman van Didier Daeninckx.
     
    Jacques Tardi, één van de heel groten uit de Franse stripwereld, heeft enkele jaren geleden zijn indrukwekkende vierluik De schreeuw van het volk afgerond, over de Commune in Parijs. Tegen de achtergrond van de roerige gebeurtenissen in 1871, toen de Parijse bevolking in opstand kwam na de gemakkelijke overgave van het Franse leger van Napoleon III aan de Duitsers onder leiding van Maarschalk Bismarck. Tegen deze historische achtergrond vertelt hij de verhalen van enkele stedelingen, vol tragiek, drank, geweld en misère. Een schitterende bewerking naar een scenario van Vautrin.
    Wellicht om even uit te hijgen na dit karwei, begon hij aan de verstripping van een boek van Pierre Siniac, Monsieur Cauchemar uit 1992. Het boek speelt zich af in 1959, natuurlijk in Parijs, toen de stad werd ondergedompeld in een zware mist, precies tegelijk met een politiestaking. Voordat het verhaal begint, krijgen we 12 pagina’s tekst om ons in te leven in die tijd. Het is de periode van de cinema: films van Hitchcock en Fellini, de opkomst van Anita Ekberg, John Wayne en Jean-Paul Belmondo, en de periode van oorlog: de nasleep van de oorlog in Indochina en de dagen van de oorlog in Algerije.
    In dit historische kader vlecht Tardi het verhaal van een massamoordenaar die in de kranten snel de bijnaam ‘de wurger van middernacht’ krijgt. De wurger, een teleurgestelde detectiveschrijver die nu in tweedehands boeken handelt, neemt een vaste klant mee op zijn moordtochten. Dit is de 12-jarige Foncinet, de zoon van een ter dood veroordeelde moordenaar, die nu stiefkind is van de commissaris die ooit zijn vader arresteerde. De wurger heeft een opvallende werkwijze: door gebruik te maken van hypnose, weet hij zijn slachtoffers hun levensdrang te ontnemen. Hij loopt op ze af, laat ze één keer hard de angst uit hun longen schreeuwen, waarna ze mak als een lammetje zijn. Omstanders reageren op de schreeuw, maar als ze naderbij komen, vinden ze een man die zegt zojuist aangevallen te zijn, maar de wurger weg konden jagen. Hij slaat alle hulp af en loopt alleen naar huis. Iets verderop staat de wurger te wachten en zijn slachtoffers laten zich gelaten en geruisloos afmaken.
    Foncinet, een gis jochie dat door het dagelijks verslinden van gestolen detectiveromans geleerd heeft niets voor zoete koek te slikken, probeert uit te vissen wat het geheim is van de wurger, en komt steeds dichter bij het ontraadselen van diens truc. Maar zijn stiefvader volgt hem op de laatste nacht van de mist en schiet de wurger dood. Die neemt zijn geheim mee in zijn graf.
    Einde verhaal, Foncinet & lezer teleurgesteld? Nee, want daar komt de inventieve Tardi met een mooie oplossing. Alsof het een interactieve film is, spoelt hij de dood van de wurger steeds een stukje terug, en geeft een ander einde. Het boek telt daarom negen eindes, waarvan er vijf niet zijn opengesneden: slechts met een mes krijgt de lezer toegang tot ‘twee onaanvaardbare eindes’, twee eindes met de titel ‘papa!’ en een ‘schijnbaar raadselachtig einde.’
    Het is een mooi en kundig verteld, volstrekt ongeloofwaardig verhaal met een plot waar je met gemak een vijftal gaten in kan schieten, maar dat dondert helemaal niets. Tardi’s tekeningen van Parijs eind jaren vijftig, in de mist, zijn prachtige portretten van de bewoners (Tardi is een meester in het tekenen van uitgestreken karpatenkoppen, door het leven getekende mispels en louche onnozelaars) en de kundig opgebouwde spanning maken ook dit boek weer tot een zalig werkje. Het oogt allemaal als een film noir, en in navolging van de grote meester Hitchcock, speelt Tardi zelf ook een heel kort rolletje in het boek. 
    Op de achterflap spreekt Tardi de lezer rechtstreeks aan: ‘Dit boek stelt zich ten doel de euveldaden van de wurger gedetailleerd te beschrijven! Ronduit weerzinwekkend, vindt u niet? Koop dit boek niet, u krijgt er spijt van!’ De eerste zin klopt, de tweede valt reuze mee en de derde is volstrekte nonsens.
    Laten we hopen dat Tardi nog lang doorgaat met het afwisselen van meesterwerken en buitengewoon vermakelijke tussenprojecten. 
     
    Jacques Tardi, Het geheim van de wurger, uitgeverij Casterman 2006. Naar de romans over ‘monsieur Cauchemar’ van Pierre Siniac. Vertaling van Le secret de l’étrangleur, 2006
     
    Patrick Bassant
     
  • Voor de vrouw maar niet voor haar alleen, Gioia Smid

    VOOR DE VROUW maar niet voor haar alleen…
    Fiep Westendorp in de krant
     
    Het Boek van de Week is even heel iets anders, met uw welnemen. Geen literatuur. Maar een overzicht, een terugblik, een verzameling. Een tijdsbeeld geïllustreerd. Een pas aangeschaft en nu al zeer dierbaar boek, omdat ik fan ben van Fiep.
    ‘Voor de vrouw, maar niet voor haar alleen...‘ was de vrouwenpagina die Het Parool in 1948 startte, met illustraties van Fiep Westendorp. Een naam die voor velen vooral bekend van Jip en Janneke. Dat is echter slechts een onderdeel van Westendorps werk. En een onderdeel van wat ze voor Het Parool deed.
     
    Het Parool, een linkse, progressieve, ietwat anarchistische krant kreeg onder leiding van redactrice Wim Hora Adema een geëmancipeerde vrouwenpagina. Of was het een pagina voor de geëmancipeerde vrouw? Was de vrouw wel zo geëmancipeerd? De redactie zelf, onder wie ook Hella Haasse, Annie M.G. Schmidt en Harriët Freezer, was dat in ieder geval wel. Om zoveel mogelijk lezers tegemoet te komen werden emancipatorische onderwerpen afgewisseld lichterezaken zoals als de wekelijkse horoscoop. In het artikel van Joke Linders ‘Huisvrouw is geen beroep, maar zij moet àlles kunnen. De vrouwenpagina van Het Parool‘ lezen we, vrij opmerkelijk, dat het juist een man was die een argument voor de vrouwenpagina aandraagt: ‘Ik lees met hartstocht vrouwenpagina’s en vrouwentijdschriften omdat daarin altijd juist verfrissende nonsens over een juiste behandeling van echtgenoten en andere mannelijke wezens staat.’ En zo is het maar net heren.
     
    Kenmerkend voor de vrouwenpagina was de humor en het relativeringsvermogen. Dit komt schitterend naar voren in Fiep Westendorps tekeningen. Ze haalde veelal één element uit de tekst waarvan ze dan een tekening maakte, ook al kon dit juist een tegenargument in het pleidooi van het stuk zijn. Het gaf de zaak een lichte toon, de juiste balans tussen de zojuist genoemde humor en relativering.
     
    Al jong begonnen met tekenen (op haar vijftiende aan de HBS), was Fiep onder de indruk van de ‘open lijn’ tekeningen van Eppo Doeve. Dat zien we zeker terug in het latere werk. Ze was een uitzonderlijk goed observator en wist het karikaturale van mensen goed naar voren te brengen. Met haar humor en scherpe blik hield ze de lezer een (lach)spiegel voor: cabaret in tekeningen. Tussen 1952 en 1965 was ze gezichtsbepalend voor Het Parool. Toen volgde het ontslag van redactrice Wim Hora Adema en het merendeel van de redactie en freelancers (onder wie Fiep) volgden haar. De groep vrouwen bleef vrienden en samen met Hedy d’Ancona richtte Wim Adema het feministische blad Opzij op, waarvoor zij Fiep ook vroegen te illustreren. Deze stopte er al gauw mee, omdat de onderwerpen haar toch te serieus waren, ze kon er haar humor en plezier niet in kwijt.
     
    Ze had voor Het Parool al voor de Juniorpagina getekend (ja, daar zijn ze dan: Jip en Janneke, de poesjes Pim en Pom), en richtte zich steeds meer op het tekenen voor kinderen. Floddertje, Pluk, en Otje werden geboren. Daarnaast deed ze ook reclame-illustraties. In de loop der jaren werden haar tekeningen steeds leger en opener met minder grijstinten, en haar lijnen minder zwierig. Met de strakkere lijnen en vormen kon ze nog beter expressies van mensen overbrengen. Menig illustrator kon daar een puntje aan zuigen. Maar Fiep zelf is altijd de bescheidenheid zelve gebleven en vond het ‘gewoon een vak’. Ja, ze was absoluut een vakvrouw die het ambacht illustreren verstond, maar ergens vind ik het ook een gave, hoe iemand met zo weinig lijnen zoveel kan zeggen. Het aandoenlijke, het geestige en het scherpe in één beeld gevangen: ik blijf er met plezier naar kijken.
     
    Voor de vrouw, maar niet voor haar alleen geeft een goed gedocumenteerd beeld (dankzij Fiep zelf) van haar kijk op de wereld, de uitwerking in de illustraties daarvan, van de positie en de werkwijze van Het Parool, en van de maatschappij in de naoorlogse jaren tot de zeventiger jaren. Het boek is samengesteld door Gioia Smid en bevat verscheidene artikelen en columns geschreven door ondermeer Joke Linders, Cisca Dresselhuys, Mies Bouhuys en Joost Swarte. En heel veel illustratiemateriaal. Het is prettig afwisselend ingedeeld en de afdrukken van de vrouwenpagina zijn een genot om te lezen en om vertederd toe te glimlachen. Maar dat is meer vanwege de wat verouderde stijl van de opmaak en van het schrijven, dan vanwege de onderwerpen die nog steeds actueel zijn.
     
    Zo las ik afgelopen vrijdag (12 januari 2007) nog in het katern ‘Boeken’ van NRC Handelsblad een artikel waarin aan de hand van enkele publicaties over de gescheiden leefwerelden van mannen en vrouwen, emancipatie en feminisme al over de ‘derde golf’ gesproken, wordt ook crosscultureel. Want hoewel huishoudelijke takenverdeling gezeur lijkt in vergelijking met eerwraak, zowel allochtone als autochtone vrouwen delen in de achtergestelde positie op de man. Geïllustreerd met modern fotowerk van een Iraanse kunstenares (gesluierde vrouwen met op de plaats waar het gezicht zich bevindt nu een huishoudelijk apparaat of serviesgoed is geplaatst), is het een stuk dat in deze tijd past en toch weer teruggrijpt naar eerdere momenten van emancipatie. Ik vraag me af wat Fiep ermee gedaan zou hebben…
     
    Juliette van Wersch
     
    VOOR DE VROUW maar niet voor haar alleen
    Fiep Westendorp in de krant
    Samengesteld door Gioia Smid
    Uitgeverij Meulenhoff, 2006
  • De zondvloed, David Maine

    De Nederlandse vertaling van de debuutroman van David Maine verscheen al begin vorig jaar, maar verdient het alsnog een plaats te krijgen in deze rubriek. Het uitgangspunt van De zondvloed (2006, Prometheus) is een verhaal dat iedereen kent (of zou moeten kennen): het bijbelse verhaal over de zondvloed en de opdracht die Noach van God krijgt om een ark te bouwen. Niet erg origineel denkt u misschien (zeker als u de megaseller Het leven van Pi heeft gelezen, of de hertalingen van de Illias en de Odyssee door Imme Dros kent), maar de interpretatie van Maine en de stijl die hij hanteert maken van zijn debuut een gedenkwaardige roman.

    Maine blijft dicht bij het verhaal zoals het is opgetekend in de bijbel (Genesis 6-9). Voor diegenen die niet zo bijbelvast zijn: de hoofdstukken vertellen over Noach die van God de opdracht krijgt een ark te bouwen. God heeft namelijk het plan opgevat om de aarde door middel van een zondvloed te verdelgen en alleen Noach en zijn familie (zijn vrouw, drie zonen, Sem, Cham en Jafeth en hun vrouwen) vinden genade in de ogen van de Heer. Noach krijgt niet alleen de opdracht een ark te bouwen, God zegt hem ook: ‘al wat leeft, van alle vlees, van alles zult gij één paar in de ark brengen om het met u in het leven te behouden; mannetje en wijfje zullen zij zijn (gen. 6:19).’ Noach moet dus door een zelfgebouwde boot zijn familie en alle diersoorten zien te redden van de verdrinkingsdood.
    Dat het geen gemakkelijke taak is, zelfs als de opdracht rechtstreeks van God komt, illustreert David Maine prachtig in zijn roman. Maine brengt het grote, mythische verhaal terug tot menselijke proporties en emoties. Hij schrijft direct en zonder overbodige franje. Maine laat alle personages hun verhaal vertellen en geeft ieder een eigen stem. Dat maakt het bekende verhaal tastbaar en persoonlijk. Zijn zondvloedverhaal is een verhaal over familieverhoudingen, over vertrouwen op de pater familias en het opvolgen van bevelen. Noach heeft direct contact met God, maar de andere familieleden hebben een andere geloofsbeleving en kunnen niets anders dan vertrouwen op het inzicht van Noach en op zijn vertrouwen in een goede afloop. De zondvloed geeft ook mogelijke antwoorden op de praktische vragen die een dergelijk verhaal oproept. Hoe verzamel je één paar van alle dieren? Hoe overleef je op een boot met je (schoon)familie en honderden dieren? Het klinkt misschien als een kinderachtige Van de Hulst vertelling, maar de kundige schrijfstijl van Maine, zijn humor en het psychologische gewicht dat hij de verschillende karakters meegeeft, maken zijn verhaal volwassen en indrukwekkend.
    De zondvloed
    David Maine
    2006, Prometheus
    Oorspronkelijke titel The Preservationist (2004)
    Vertaald door Barbare de Lange
     
  • Over schoonheid, Zadie Smith

    Over schoonheid van Zadie Smith is een schoonheid

    Dit boek kan haar titel met recht dragen. Zadie Smith won er de Man Booker Prize 2005 mee. Welverdiend, ik heb zelden zo’n zorgvuldig, geestig en beklijvend boek gelezen. Zonder een definitie van het woord schoonheid te willen geven, laat Smith wel doorschemeren wat schoonheid in het leven kan zijn en wat het vooral niet is.

    De Britse Howard Belsey, hoofdpersonage en grootste ego in dit boek, is hoogleraar kunstgeschiedenis aan een Amerikaanse universiteit. Zijn specialisatie, of beter gezegd zijn levenswerk, is een boek schrijven over Rembrandt. Aartsrivaal Montague (Monty) Kipps is hem daarin (met succes) voorbij gestreefd, wat hem nog onuitstaanbaarder maakt voor Howard. Behalve in huidskleur zijn Howard en Monty ook in politieke en religieuze opvattingen elkaars tegenpolen. De liberale Howard moet niets hebben van de ideeën van de conservatieve katholieke Monty. De familie Belsey maakt een heftige tijd mee omdat Howard een kortstondige affaire met vriendin en collega Claire heeft gehad, wat zijn Amerikaanse zwarte vrouw Kiki hem niet bepaald in dank afneemt. De sfeer thuis is gespannen en tot overmaat van ramp gaat hun oudste zoon Jerome stage lopen in Londen, bij niemand minder dan Monty Kipps. Jerome wordt verliefd op diens dochter Victoria en komt onder de katholieke invloed van de familie Kipps.

    Als Jerome zijn vader emailt dat hij met Vitoria gaat trouwen, haast Howard zich in afschuw naar Londen. De relationele misstap loopt met een sisser af. Maar de lont blijft wel gloeien, want Kipps wordt op dezelfde universiteit waar Howard werkt gevraagd om les te geven. Howard maakt zich op om de strijd met Monty aan te gaan. De Kipps komen vlakbij de Belseys te wonen en de hartelijke sociaalvaardige Kiki brengt een bezoekje aan Monty’s vrouw Carlene. Ze raken erg op elkaar gesteld, in tegenstelling tot hun echtgenoten. De families worden echter nog meer met elkaar verweven wanneer Victoria bij Howard in zijn colleges gaat zitten en hem op den duur verleidt. Gek genoeg, is het niet Howard die zich uit wraak op Monty of iets dergelijks aan haar vergrijpt, maar is zij, jong als ze is, de uitgekookte nimf die een spelletje met hem speelt. Het kost hem nog meer moeite dan normaal om Monty in het gezicht te kijken. ‘Er is een uitdrukking voor het nemen van andermans vrouw: iemand de hoorns opzetten. Maar wat is de uitdrukking voor het nemen van andermans dochter?’ Ze hebben seks op nota bene de dag dat haar moeder begraven is. Carlene blijkt gestorven te zijn aan kanker wat ze voor iedereen verborgen heeft weten te houden.

    Het gezin Belsey is afgezien van de huidskleurvermenging een pot pouri van karakters. Jerome, de oudste, is een rustige, ietwat introverte en intelligente student economie, die door zijn eerste liefdesdrama behoorlijk ontdaan is geraakt, maar langzaamaan weer bijtrekt. Na hem volgt Zora, een forse, maar zeer gehaaide, gedreven boekenwurm. Haar grootste kracht is haar doorzettingsvermogen en standvastigheid. De belevingswereld van hun jongere broer Lévi bestaat niet uit studeren en de academische wereld. Hij heeft een fascinatie en ontzag voor de wereld van de getto’s en de hiphop scene. Daarmee onttrekt hij zich van de vrij welgestelde en beschermde omgeving waarin hij is opgegroeid. Hij kan zich ongelooflijk opwinden over het onrecht in de wereld en wanneer hij in aanraking komt met straatverkopers uit Haïti, leest hij er zelfs een boek over, protesteert mee in demonstraties en laat zich meeslepen in de theorieën van de wat oudere Choo die het kapitaal vervloekt.

    Alle personages hebben hun sterke en zwakke kanten. En Howard is misschien nog wel de grootste flapdrol, hoewel je hem z’n tekortkomingen tegelijkertijd ook wel weer wil vergeven, omdat de dingen hem meer lijken te overkomen dan dat het acties met voorbedachte rade zijn. Natuurlijk maakt hij ook keuzes en moet de consequenties daarvan onder ogen zien, maar dat gaat hem niet gemakkelijk af. Uiteindelijk leiden allerlei misstappen en misverstanden tot een bijna ‘kluchtig’ hoogtepunt, met een klein lichtpuntje hoop.

    Over schoonheid is een boek over tegenstellingen. Tegenstellingen in huidskleur, leeftijd en levenservaring, politieke opvattingen, en liefdesidealen. De tegenstelling tussen, of soms juist de ambigue vereniging van, hypocrisie en eerlijkheid. De ironie van het leven, en de inconsequentie en kortzichtigheid van mensen. Een boek over wat op het eerste gezicht aantrekkelijk en mooi is, maar in tweede instantie iets anders blijkt te zijn. Het huwelijk van Howard en Kiki bijvoorbeeld, de veiligheid en geborgenheid van een gezin, de aantrekkingskracht van Carl op Zora, en die van de jonge Victoria op de oudere Howard, een schilderij van Rembrandt, de strijd voor goede doelen en tegen discriminatie: alles heeft twee kanten, misschien wel meer. In haar briljante, geslepen taalgebruik, fonkelen bepaalde vlakken van de mens, en worden andere trekjes in gerichte spotlights en met een vergrootglas pijnlijk zichtbaar. Over schoonheid is een zeer geslaagde roman over de mens, zijn ego en zijn verhouding tot andere mensen. Een universeel thema, dat boeiend is uitgewerkt tot een verslavend boek.

    Juliette van Wersch

    Over schoonheid, Zadie Smith
    Uitgeverij Prometheus
    € 19,95