• Bladzijden vol hunkering

    De eerste grote verliefdheid, de verliefdheid die alles wat daarna komt in de schaduw stelt, dat is het thema van Noem me bij jouw naam van André Aciman. De auteur doceert vergelijkende literatuurwetenschap in New York, schrijft voor The New Yorker en The New York Review of Books leert de achterflap ons. En dat is ook meteen het milieu van het boek.
    Elio, een zeer muzikale en intelligente adolescent, woont met zijn familie in een prachtig gelegen villa aan de kust in Italië. Zo’n jongen die Haydn bewerkt voor gitaar en moeiteloos klassieke stukken speelt op de piano, maar evenzogoed kan meepraten over klassiek literaire werken en de nieuwste poëzie bijhoudt (ja, wie wil er niet zo’n jongen). Zomers krijgt de familie altijd een gast. Een jonge wetenschapper die onderdak krijgt om verder te werken aan iets belangwekkends en in de tussentijd iets aan zijn Italiaans kan doen.
    In de zomer waarin het boek speelt, komt de Amerikaanse Oliver naar het huis en meteen weet hij iedereen in en om het huis in zijn ban te krijgen. Ook Elio is vanaf het begin gebiologeerd door deze man en wordt heimelijk verliefd op de man die gedurende de zomermaanden op zijn slaapkamer bivakkeert, terwijl hij in de slaapkamer ernaast ligt.
    Wat volgt zijn tientallen bladzijden vol hunkering. Aciman smeert die hunkering uit, zo tergend langzaam dat je als lezer geneigd bent om Elio aan te gaan moedigen. Maar ook de tegenpartij is uiterst beheerst in zijn optreden, bang om met de zoon van zijn gastheer aan de haal te gaan, en laat zich nauwelijks uit zijn tent lokken. Maar uiteindelijk, tot opluchting van lezer en hoofdpersonen springen de vonken toch over en begint een korte maar zeer heftige seksuele relatie die haar sporen in beide levens achterlaat.
    Zelden las ik een boek waarin niet de liefde, maar de hunkering zo nauwkeurig werd beschreven, met alle aarzelingen, onrust en onzekerheden die bij de nog onvervulde liefde horen. Zelden werd er zo langzaam afgetast of de andere partij niet ook wilde. En dat in een decor (aan het zwembad, in de naast elkaar liggende slaapkamers met verbindend balkon, aan zee) waar het zo voor de hand ligt dat er iets gebeurt. Deze roman zindert van zinnelijkheid.

    Recensie door Coen Peppelenbos

     

  • De Latino's, Leo Pleysier

    De Latino’s

    Leo Pleysier is een schrijver van formaat. In alle stilte werkt hij aan een oeuvre dat subtiel aandikt, en geleidelijk aan grootse proporties aanneemt. Niet tastbaar (de schrijver is zuinig op papier en drukpers), maar kwalitatief. Zijn klassiekers zijn welbekend. Dat Pleysier zich naast zijn terecht klassieke werken staande weet te houden, bewees hij in 2004 nog maar eens met de novelle De trousse, een ingetogen, maar meeslepende, wonderlijk geregistreerde vertelling van en over zuster Roza die zich na haar jaren als verpleegster in een armenhospitaal in Zuid-India overeind probeert te houden. Ze wordt geconfronteerd met veranderingen die haar en haar medezusters niet steeds gunstig gezind zijn. Pleysier verleent zuster Roza’s retrospectieve monoloog een authenticiteit die respect afdwingt, die de lezer de steeds minder hedendaagse thematiek ? nonnen op missie ? aandraagt in de vorm van een (in alle openheid) vrijwel volmaakt menselijk portret. Uit haar gesprek met haar visiterende nichtje Bregje Cornelissen, haar meticuleuze zorg voor haar overleden kloosteroverste Astrid, en haar omgang met de twee resterende Belgische zusters Gilberte en Lutgarde treedt een personage naar voren dat het religieuze absolutisme heeft weten om te buigen naar een gelovige praktijk die het nodige mededogen kan opbrengen voor afwijkingen van de opgelegde norm, die een ware solidariteit kan beleven, en in die zin het goede in de mens realistisch kan vertegenwoordigen.

    Leo Pleysier is in dit soort werken de auteur van het optekenen, van de daaruit voortvloeiende nuance, van rake bewoordingen en een geraffineerde stijl in een zeer aangenaam leesbaar geheel. De taal is oppermachtig, de personages worden als het ware geboetseerd uit de woorden die de schrijver optekent en de (spreek)taal die hij voor hen voorziet. Hij zet zijn romanfiguren naar zijn hand en laat geen detail oningevuld. Van een kleinheid die groots schittert.

    Wat een ellende! Wat een misère!
    Vandaar het ongeloof aan de in de lente van dit jaar verschenen roman, De Latino’s. In geen enkel opzicht heeft die ook maar iets van het bovenstaande. Zozeer zelfs dat de gedachte aan een bedrieger zich opdrong: ergens, in een hoekje van een of andere kelder, moet de ware Leo Pleysier gekneveld en geketend op de grond liggen, zich afvragend wanneer nu eindelijk de plaatselijke, gewestelijke en federale autoriteiten door de literaire gemeenschap op de hoogte zouden worden gebracht van dit gebruik en misbruik van zijn goede naam, met een intensieve zoekactie, de ontdekking en de ontmaskering van frauderende en echte schrijver tot gevolg.

    Het verhaal gaat als volgt: Anna en Toon, sinds hun studententijd in Leuven een koppeltje, dromen ervan zich in Zuid-Amerika (vandaar hun bijnaam: de Latino’s) te vestigen als ontwikkelingssamenwerkers. Hun leven thuis in België raakt, zeker voor Toon, niet van de grond, mede door dat gerichte verlangen: Anna geeft les op een middelbare school in Duffel, Toon verdoet zijn leven met werk- en zinloos rondhangen. Wanneer ze dan uiteindelijk alsnog op missie kunnen ? ze worden door Verre Horizonten vzw aangezocht om als coöperanten in het Ecuadoraanse Calistos te gaan werken ?, lijkt hun leven eindelijk vorm te krijgen (‘Het leven waar ik zo lang van gedroomd heb, is nu pas écht begonnen.’ ? p. 66). Tot hun intens gedroomde en schijnbaar gerealiseerde geluk op des mensen tragiek te pletter slaat. Vanaf dat moment spat hun gezamenlijke droom uiteen en staan ze op een nooit gewild en onverwacht kruispunt in hun leven (dat hier om het verhaal niet te bederven onverklaard blijft). Alsof die hachelijke positie nog niet voldoende zou blijken uit het relaas van de gebeurtenissen, voegt de alwetende verteller daaraan toe (p. 105):

    Wat een ellende!
    Wat een misère!
    Anna en Toon waren naar hier gekomen om de mensen te helpen, om met ze samen te leven en samen te werken en om zo een paar dingen op te bouwen, te veranderen of te verbeteren, maar nu verkeren ze zélf in diepste nood. Nu hebben ze zélf hulp nodig. Nu liggen hun eigen levens er als kapotgeslagen en helemaal in puin bij.

    Verteller en personages: de dubbel-zinnigheid
    Al van bij het begin treedt de verteller met een zeker cynisme op. Het leven van Toon en Anna wordt op bijna kinderlijke wijze uit de doeken gedaan. Ook de dialogen dragen die overdreven sentimentaliteit, die buitensporige uitleggerigheid in zich. Alsof de twee hoofdpersonages achterlijke idioten zijn, of de lezer te dom is om het zonder verklaring allemaal goed te begrijpen. Pleysier zet hier zijn personages te kijk, gooit ze in een arena gevuld met als Zuid-Amerikaanse predators verklede lezers. De geïrriteerde lezer richt evenwel zijn gelijksoortige blik niet alleen op de personages en de verteller, maar eveneens op de auteur. Die beheerst immers het boek en heeft de macht om in te grijpen. Was de schrijver onmachtig? Of doet hij het met opzet? Behoort de regelrechte dwaasheid van de personages tot de intenties van het verhaal? Wil Pleysier de naïviteit, het geitenwollensokkenimago en de aanmatigende aard van de ontwikkelingssamenwerker voor het voetlicht brengen?

    In ieder geval wordt De Latino’s volledig overheerst door het kleinzielige taalgebruik. Een voorbeeld van de kinderlijke ondersteuning door de verteller (p. 108):

    ’s Anderendaags aan de ontbijttafel komt Anna er ineens mee voor de dag.
    ‘We moeten hier weg Toon,’ zegt Anna resoluut. ‘We kunnen hier niet meer blijven.’
    Daar kijkt Toon nu toch wel even van op.
    ‘Hoezo we moeten hier weg?’
    ‘Welja, zoals ik zeg: we moeten hier weg.’
    Toon is compleet verrast van die uitspraak, want dit is wel het laatste waaraan hijzelf zou denken.
    ‘Maar nee,’ antwoordt Toon, ‘we moeten níet weg, we moeten helemáál niet weg! Het enige dat moet is onszelf de tijd gunnen om van deze dreun te herstellen,’ zegt hij.
    ‘Sorry Toon, maar daar is nu geen tijd meer voor,’ repliceert Anna heel beslist.

    En zo verder, enzovoort. De vertelling verwordt tot een aaneenrijgen en voortdurend uit twee monden herhalen van clichématige constructies en spreekwoorden. De verteller valt naar het einde van de roman (Anna en Toon hebben dan het kruispunt al een tijd achter de rug) even uit zijn rol (p. 168):

    Maar Toon is te lang uit het zicht verdwenen opdat Anna nog geraakt of overstuur zou zijn van berichten over Toons doen en laten. Anna is te ver heen in haar eigen leven opdat dit soort particulariteiten haar nog zou interesseren.
    ‘Het kan mij niet meer schelen wat Toon tegenwoordig uitvreet,’ had ze gezegd toen tegen Lut Simons.
    Maar of dit wáár is, en of Anna dat wel méént, is natuurlijk een ander paar mouwen.

    Alwetendheid die vervalt tot suggestiviteit in één alinea, met als verduidelijking nog eens de letterlijke woorden die Anna uitsprak. De taal die Pleysier zo functioneel en krachtig hanteert in zijn andere werk, graaft in De Latino’s de put waarin zijn personages zullen verdwijnen. Nergens komt een personage tot volle wasdom, lijkt het wel, omdat de toon zo eenzijdig is. Alles wordt overstemd door de meedogenloze regie, het onbegrijpelijk kinderlijke perspectief van de verteller, en bij uitbreiding de schrijver. De personages die Leo Pleysier in De trousse zo kundig tot leven weet te wekken, verkrijgen hier een parodistisch uiterlijk. Dat doordrenkt het geheel van een ondoordachte sfeer, doet het boek aanvoelen als een in alle rapte en met weinig zorg bijeengescharreld verhaal. Of als een afrekening. In beide gevallen blijft er slechts een ontgoochelende roman over. Een tip: lees De trousse en wacht dan nog enkele jaren geduldig af.

    Leo Pleysier, De Latino’s. De Bezige Bij, Amsterdam, 2007.

    Kurt Snoekx

  • Tumbas, Cees Nooteboom

    Voor de literaire graftoerist

    Op begraafplaatsen vindt een aantal gelijkgestemden elkaar in hun voorliefde voor de graven van bekende schrijvers. Deze funeraire toeristen spreken meestal niet aan het graf, laat staan dat zij luidruchtig hun helden bewenen zoals de drommen die nog altijd naar het graf van Jim Morrison komen. De literair geïnteresseerde vindt het zelfs een beetje gênant, zo aan het graf staan.

    Cees Nooteboom beschrijft die ongemakkelijkheid in zijn inleidend essay bij Tumbas. ‘Alles wat wij met graven doen is irrationeel. Je brengt bloemen naar niemand, je wiedt onkruid voor niemand en degene voor wie je komt weet niet dat je er bent. Toch doen we het. Iets willen we nog van die dode. In ons geheime hart denken we dat hij of zij ons ziet, merkt dat we nog aan hem of haar denken.’

    Nooteboom gaat een imposante rij dichters en denkers af. Hij doet dat alfabetisch in plaats van per begraafplaats. Dat geeft het boek wel iets democratisch. De Nederlandse en Vlaamse schrijvers en denkers zijn wat mager bedeeld met Elsschot, Kemp, Lucebert, Multatuli, Van Ostayen, Roland Holst, Slauerhoff en Spinoza. Maar als je de hele wereldliteratuur tot je beschikking hebt, dan moeten er nog wel wat literaire grootheden uit je eigen land sneuvelen (het boek is in eerste instantie in het Duits uitgegeven). Ik vind dat jammer, omdat ik graag meer had willen lezen. Dit dikke boek is mij niet dik genoeg.

    In de beste gevallen schrijft Nooteboom een mooi stuk over de begraafplaats en de schrijver, in andere gevallen recyclet hij een stuk uit een eerder boek (bijvoorbeeld bij Sartre) of volstaat hij met een eigen gedicht of een gedicht of een citaat van een ander. Dat geeft het boek op sommige plekken iets gemakzuchtigs omdat je weet dat Nooteboom tot meer in staat is. Ook daar wil ik dus meer.

    Hetzelfde geldt voor de foto’s. De begeleidende foto’s van Simone Sassen zijn op het eerste gezicht teleurstellend. Meestal een kiekje recht voor het graf, met als belangrijkste eis dat de namen en de jaartallen goed leesbaar zijn. Voor een boek dat zo luxe is uitgegeven verwacht je toch dat er iets meer is gedaan met de foto. Toch bedacht ik me dat ik me aan een andere benadering waarschijnlijk meer gestoord zou hebben. Sassen fotografeert zonder pretentie, gaat niet als kunstenares tussen de lezer en het object staan, maar probeert zo ‘objectief’ mogelijk te fotograferen, dienend haast.

    Er zijn natuurlijk bezwaren aan te brengen tegen Tumbas, zoals die Nootebomerige wijze van ‘namedropping’: ‘Als ik voor zijn graf [van Paul Celan, CP] sta, moet ik denken aan het gesprek met Heidegger in zijn berghut in Todtnauberg waarover Rüdiger Safranski schrijft zijn boek Ein Meister aus Deutschland.’ En ook mis ik naast veel Nederlandse een groot aantal buitenlandse dichters en denkers, maar dat laat onverlet dat dit een jaloersmakend prachtig boek is, want het toont vooral een heel persoonlijke keuze van een schrijver die zich de poëzie uit de hele wereld eigen heeft gemaakt en de dichters de hulde brengt die ze verdienen.

    Coen Peppelenbos

    CEES NOOTEBOOM: Tumbas. Atlas, Amsterdam, 256 blz. €49,95.

  • Morgen zijn we in Pamplona, Jan Van Mersbergen

    De magie van het eenvoudige zwijgen en doen.

    Jan van Mersbergen (1971, Gorinchem) levert met Morgen zijn we in Pamplona zijn vierde roman, een roadnovel af. Net zoals in De Grasbijter (2001), De macht over het stuur (2003) en De Hemelrat (2005) staat een stereotyp mannelijk communicatiepatroon centraal. Een patroon waarbij mannen niet gemakkelijk praten, vooral wat emoties en gevoelens betreft, en zich vooral al doende manifesteren, en dit zeer specifiek naar vrouwen toe.
    Op weg vanuit Amsterdam naar Pamplona (Spanje) neemt Robert vanuit een gevoel van mededogen een doelloze lifter, Danny, mee die in de gietende regen staat te liften. De lezer kan hen drie dagen volgen: de heenreis, een dag op de stierenloop in de straten van Pamplona en de terugreis. De hoofdbrok van het verhaal situeert zich in de auto, waar beide hoofdpersonages elkaar beter leren kennen. Robert is diegene die zich al pratend het meeste prijsgeeft terwijl de bokser Danny een zwijger is. De communicatie tussen beide mannen verloopt dus zeer moeizaam. Wie zijn ze, waarom naar Pamplona, wat zijn hun onderliggende motieven…? Een hele reeks vragen duiken op bij het begin van deze roman. Met mondjesmaat wordt het verhaal ontsponnen en krijgt de lezer een klaardere kijk op deze twee persoonlijkheden.
    Met een spannend opgebouwde plot slaagt Van Mersbergen erin om de oorspronkelijk twee verschillende personages toenadering te laten vinden in hun mens-zijn. Elkaar aanvoelen, elkaar begrijpen zonder veel woorden en tot de actie overgaan wanneer het echt nodig, het zijn relatie-en communicatiepatronen waarbij niet veel gesproken wordt, maar waaruit een diepe en intense band of een onuitgesproken vriendschap kan ontstaan, soms gedefinieerd als magische momenten. Als lezer voel je deze magie ergens hangen en wordt je steeds meer geprikkeld door de alsmaar openbarende en uiteindelijk ultieme leeservaring. Wat oorspronkelijk verschillend lijkt, gebracht in twee verhaallijnen (het heden van de driedaagse reis en de flashbacks van de in gedachten verzonken Danny), kan soms een ongedefinieerde gelijkenis beginnen vertonen. Zo zijn beide mannen uiteindelijk op de vlucht, zijn het vechters, zoeken ze onbezonnen het gevaar op, hebben ze het moeilijk in de liefde en kampen ze met een desillusie. Robert, een veertiger, verzekeraar en in een midlife-crisis, wil zijn burgerlijke bestaan met vrouw en kind ontvluchten terwijl Danny vlucht voor een misdrijf. Om de spanning bij de eventuele lezer niet te ontnemen, zullen we niet prijsgeven om welk misdrijf het gaat. Beiden zoeken ook het gevaar op: Danny in de boksring en Robert op de stierenloop in Pamplona. Maar ook tijdens de stierenloop is Danny de gevangene van zijn emoties en denkt hij aan een vorige kamp, waardoor hij pal blijft staan wanneer de stieren op hem afkomen. Hij wordt op tijd gered door de intuïtief handelende Robert, die er minder goed vanaf komt. Waar heeft hij dit verdient, ondanks zijn afstandelijkheid en norse toon, denkt Danny. Van dan af zijn de rollen omgekeerd en op de terugweg blijkt Danny meer van zichzelf prijs te geven en zal hij zich ontfermen over Robert. Het wordt vooral duidelijk dat de dingen die ze doen, gewoon maar spontaan gebeuren. De ontknoping komt er éénmaal terug in Nederland, wanneer Danny zijn geheim prijsgeeft.
    Net zoals de communicatie tussen de hoofdpersonages zich kenmerkt door een gebrek aan een verbale component, zo is ook de schrijfstijl van de auteur: sober, kaal, kil, koel, strak, afstandelijk en leeg. Het boek bevat dan ook veel beschrijvingen van zintuigelijke waarnemingen, details en stroppende dialogen. Hierdoor is het aan de lezer is om de suggestieve onvolledigheden van de hoofdpersonages in te vullen. Van Mersbergen slaagt er echter telkens in om op het gepaste moment, met veel gevoel voor timing en perfect uitgebalanseerd, de ontluisterende en constructieve leidsman te zijn die de blinde vlekken zichtbaar maakt. Hij heeft de lezer als het ware in zijn greep door de creatie van een eenvoudige, maar goed gecomponeerde en spannende plot. Door te kiezen voor een open einde, waarbij iedere lezer zijn fantasie mag aanspreken, wordt nog eens het afstandelijke benadrukt. Maar nu een afstand die wat minder groot is geworden omdat hij de lezer ook heeft ondergedompeld in de magie van de kleine, onuitgesproken en onopgemerkte zaken.

    Morgen zijn we in Pamplona Jan van Mersbergen, Uitgeverij Cossee 

    Geert Beernaert

  • Louise Honing, Lucas Winnips

    Het leuke van publiceren op internet is dat je lekker snel kan reageren op wat er in de wereld gebeurt. Bomaanslag in Glasgow? Majoor overleden? Première van een toneelstuk? Voordat het is afgekoeld (het autowrak, het lijk of het podium, voor de duidelijkheid) staan de eerste impressies al op het net; de doorwrochte complottheorieën volgen dra.
    Soms loopt het ook wat anders. Vandaar nu een recensie van een verhalenbundel die verscheen in november 2006. Sorry, gewoon niet eerder tijd gehad.
    Louise Honing is het debuut van Lucas Winnips. De achterflap vertelt me dat hij is geboren in 1975 en filosofie in Amsterdam heeft gestudeerd. Dat wekt vertrouwen, maar het is wat beknopt. Gelukkig heeft de auteur een website. Lang leve internet! Op die website staat de flaptekst van het boek, maar die kende ik al. Voorts een agenda, waaruit blijkt dat de auteur in november zijn boek publiceert, en dat wist ik ook al. Op de site van uitgeverij 521 staat ook niets nieuws, en de speciale Hyves-pagina die aan het boek gewijd is, lijkt volstrekt genegeerd. Via Wikipedia kan ik nog achterhalen dat de man die mij op de achterflap nogal onbetrouwbaar aankijkt, in Alkmaar geboren is. Goed, dat is de achtergrondinformatie die ik heb: mooi medium, dat internet. Het lijkt erop dat ik het met het boek zal moeten doen, maar gelukkig ben ik ouderwets genoeg om dat te kunnen. Een verhalenbundel met zestien verhalen in krap 150 pagina’s. Het genre van de echt-heel-korte-verhalen, dus. Dit is een hondsmoeilijk genre, omdat de schrijver in zeer korte tijd een bepaalde omgeving, passende personages en een verloop moet presenteren dat binnen die verhaalwereld acceptabel is. Dat betekent dat elk woord voor drie telt. De schrijver kan zich niet veroorloven uit te weiden of een pas op de plaats te maken. Het verhaal dient als een raket voort te schieten, en juist daarom is het vaak zo fijn om te lezen. De schrijver is de horlogemaker op speed, en de lezer hoeft zich niet te vervelen. In een aantal verhalen uit Louise Honing blijkt dat Winnips dit ambacht verstaat. De verhalen doen mij sterk denken aan een ingekookte Peter Terrin, de Vlaamse schrijver die met veel geduld een dreigende wereld neer kan zetten. In onderkoeld en geheel vanzelfsprekend gebrachte passages glijden zijn personages richting afgrond. Tijdens het lezen lopen de kriebels over je rug, en je zou zo graag de personages toe willen schreeuwen dat ze weg moeten lopen, op moeten houden of eens na moeten denken. Thomas Rosenboom is hier natuurlijk de grootste in, maar door zijn exuberante taalgebruik en het trage tempo zakt de lezer eerder in een sadistische toestand van acceptatie: het gaat fout, dat is onafwendbaar, en over 700 pagina’s weten we ook hoe het fout gegaan is. Zou men het azijn van Rosenboom inkoken, dan wordt het Peter Terrin. Kookt men Terrin in, dan houdt men een stroperig goedje over, maar zoet als honing wordt het niet. Winnips heeft bijna alles moeten schrappen om tot een verhaal van enkele pagina’s te komen, en in de regel houdt hij dan een personage over dat geconfronteerd wordt met een vijandige buitenwereld. Op ingehouden maar soms duidelijk wellustige manier wordt verteld hoe de personages zich laten inpakken, afblaffen en afzetten. De auteur zet een tamelijk weerloos beest tussen de roofdieren en gaat genietend zitten kijken hoe slecht het afloopt.
    Memorabel is het eerste verhaal, waarin een gast wordt uitgenodigd voor een diner, om vervolgens de hele avond geschoffeerd te worden en aan het eind zijn overhemd in te moeten leveren als betaling. Het titelverhaal is ook sterk, hoewel dat wat minder spannend opgebouwd wordt. Louise Honing heeft een perverse wens, voert die uit en dat loopt slecht af. De sfeer is wel heel goed neergezet, het claustrofobische wat de ze moet ervaren, slaat ook op de lezer over. Daarnaast hebben we nog de nieuwsgierige inbreker, de manische kunstenaar die geld van zijn broer wil hebben, een man die zijn fortuin misbruikt om iemand vreselijk te vernederen en de vrouw die dat ook laat gebeuren, een witgoedverkoper die zijn frustraties over zijn werk en zijn huwelijk alleen maar op zijn dochter kan botvieren en een verhaal over twee zelfingenomen zakenlui die op vakantie gaan naar Afrika, ‘waar precies wisten ze niet’, en op bepaald onzachte wijze in aanraking komen met de wereld buiten hun all-in resort.
    Er staan ook enkele slechte verhalen in, bijvoorbeeld iemand die tijdens een vergadering iets doet dat in de verte naar Kafka ruikt, of een student met een hekel aan een andere student, maar aangezien de verhalen zo kort zijn, ben je daar als lezer ook weer snel voorbij.
    Slechts éénmaal loopt een verhaal wat klassieker af: de underdog wint alleen in het verhaal over een lifter die wordt getergd door twee proleten. Maar omdat dit verhaal pas laat in de bundel staat, verwacht je dit als lezer geen moment. Weer raakt een onschuldig personage bekneld in de kleine ruimte achterin een auto en tussen de grote bekken van de klootzakken voorin. Maar dit keer weet hij zich stijlvol te redden.
    Juist op het moment dat je Winnips zou willen gaan beschuldigen van formulewerk, draait hij de boel om en gebeurt er iets onverwachts, iets dat binnen zijn verhalenwereld niet hoort te gebeuren. Gelukkig, helemaal voorspelbaar wordt het niet.
    Kan Winnips nog meer? Kan hij nog een bundel verhalen schrijven die iets toevoegt aan Louise Honing? Wellicht een roman om zich te meten met Peter Terrin? Ik ben benieuwd.
    Louise Honing is geschikt bevonden voor voyeurs, liefhebbers van korte verhalen en mensen die ervan genieten om zeldzame insecten met een speld te doorboren en in een kastje te bewaren.

    Patrick Bassant

  • Vreemde ogen, Allisa York

    Het geheim van het wolvengezin

    Wie aan het Amerika van de negentiende eeuw denkt, ziet vooral slavernijtaferelen voor zich en bloedige oorlogen met de Indianen. Dat de blanken ook elkaar uitmoordden, beschrijft Allisa York in haar nieuwe roman ‘Vreemde Ogen’. Via een keur aan personages laat ze de slag bij Mountain Meadow herleven, waar in enkele dagen tijd de mormonen een groep emigranten uitroeiden. Kinderen onder de zeven jaar namen ze mee, en brachten ze onder in hun eigen gezin. Dorrie Burr is zestien als het boek begint en gaandeweg wordt duidelijk wat deze slachtpartij voor haar betekend heeft.
    Drie jaar eerder is Dorrie uitgehuwelijkt aan Erastus Hammer, een mormoonse macho van het zuiverste water. Hij bezit een paardenranch in Utah, jaagt op alles wat beweegt en is zo trots op zijn buit, dat hij Dorrie vraagt de dieren voor hem te op te zetten. Dit werk is haar lust en haar leven, en dat is tevens de huwelijksdeal die ze met hem gesloten heeft. Zij krijgt een eigen werkplek met alle benodigde materialen, en voorziet hem van een indrukwekkend pandemonium aan jachttrofeeën. Hij moet wel zijn handen thuishouden. Na een plichtmatige huwelijksnacht besluiten ze elkaar met rust te laten. Zij blijft in haar naar preparatiematerialen stinkende werkhut, en hij zoekt zijn vertier bij zijn andere drie vrouwen.
    Hoewel ‘veelwijverij’ binnen de mormoonse beweging zo goed als afgeschaft is, is Hammer nog een polygamist pur sang. Met zijn eerste vrouw is hij uit liefde getrouwd. Deze Ursula is zeer vroom en verheerlijkt Joseph Smith, de grondlegger van de mormoonse kerk. Ze is gebroken door zijn gewelddadige dood. Ze droomde ervan zijn bruid te worden en kiest uiteindelijk maar voor Hammer. Na de geboorte van hun zoon Lal weet ze het zeker: voor haar geen kinderen meer. Aangezien de mormoonse traditie vraagt om een kinderrijk gezin, stemt ze toe in een tweede vrouw voor haar echtgenoot.
    De mooie Ruth komt als emigrante uit Engeland en hoopt in Amerika succes te hebben met haar passie voor weven en spinnen. Ze sluit zich aan bij de mormonen en legt de zestienhonderd kilometer lange pelgrimstocht naar Sion lopend af. Als ze na deze tocht vol ontberingen op sterven na dood is, kruist Hammer haar pad. Hij redt haar, neemt haar tot zijn tweede vrouw en geeft haar een eigen huisje op zijn ranch, waar zij zich kan uitleven op haar zijderupsen. Binnen vijf jaar schenkt ze hem vier kinderen, die stuk voor stuk ingepikt worden door Ursula.
    Omdat Ruth constant zwanger is en Ursula zich als een onaanraakbare matrone over het huishouden ontfermt, komt Hammer seksueel ernstig tekort. In een variététheater ontmoet hij Thankful, een actrice op haar retour. Een derde huwelijk is geboren. Haar kamer in de paardenranch is binnen de kortste keren een boudoir, waar Hammer, tot groot ongenoegen van Ursula, zonder ophouden seks heeft met de actrice.
    Ursula bestiert met ijzeren hand het leven op de paardenranch, Ruth droomt weg boven haar zijderupsen, Thankful paradeert in showjurken door het huis, en de jonge Dorrie probeert de dode dieren een leven terug te geven. Haar grootste zorg is het prepareren van een wolvengezin. Op het erf dartelen kinderen rond, met namen die afgeleid zijn van de martelaar Joseph en hangt adolescent Lal mismoedig rond de stallen.
    Alissa York vertelt het verhaal vanuit de perspectieven van alle personages. Van ieder hoor je een versie die naadloos aansluit bij het voorafgaande. Daarnaast verheldert ze het verhaal door de moeder van Dorrie brieven aan haar dochter te laten schrijven en Dorrie haar verdrongen herinneringen in dromen te laten beleven. De verhaallijn van Dorrie loopt als rode draad door de roman en neemt steeds ijzingwekkender vormen aan.
    Daarbij voert York twee belangrijke bijfiguren in: Spoorzoeker, een Paiute indiaan die Hammer bijstaat bij zijn strooptochten, en Bendy een stalknecht met een kleurrijk verleden. Beiden kijken als buitenstaander naar het gezin Hammer. Via Spoorzoeker komen we alles te weten over de moeizame relatie tussen de indianen als oorspronkelijke bewoners en de nietsontziende blanke bezetters. Waar ze elkaar aanvankelijk naar het leven stonden, berusten ze nu in een noodgedwongen samenwerking. Spoorzoeker kent de zwakke plek van Hammer en kent het geheim van het omgebrachte wolvengezin. Hij hoeft alleen nog maar te wachten op het juiste moment om toe te slaan.
    Bendy plaatst het verhaal in een bredere context. Via hem vernemen we over de goudkoorts die begon in 1848 en 40.000 gelukszoekers naar Californië lokte. Hier begon de economische voorspoed, maar tevens werd het slechtste in de mens naar boven gehaald.
    Ook nam hij deel aan de fameuze ‘pony-express’: de eerste postbezorging die, in een systeem van steeds wisselende paarden binnen tien dagen brieven van de Atlantische kust naar de Pacific bracht.
    Als Bendy merkt dat het Dorrie niet lukt om haar wolvenfamilie af te krijgen, besluit hij haar te helpen. Hij is gefascineerd door haar talent en zij is onder de indruk van zijn lichamelijke vermogens als slangenmens. Op de avond dat het opzetten van het wolvengezin zijn voltooiing nadert, valt alles op zijn plaats. De brieven van Dorrie’s moeder, het ongenoegen van Lal en de wraak van Spoorzoeker zorgen voor een escalatie die zijn weerga niet kent.
    ‘Vreemde Ogen’ wordt terecht vergeleken met het werk van Emily en Charlotte Brontë. Niet alleen speelt het in dezelfde tijd, ook de duistere sfeer komt overeen: de niet vastgelegde regels waar iedereen zich aan te houden heeft, de geheimen die de ruimtes bevolken, onuitgesproken emoties die geruisloos overgaan in wreed gedrag.
    Ook de vergelijking met de roman ‘Laten wij aanbidden’ van Ann-Marie MacDonald gaat op. Dit verhaal vindt eveneens in de negentiende eeuw plaats en zet, net als in ‘Vreemde Ogen’, een kindbruidje in een bizarre omgeving centraal. Ook in dit boek wisselen de vertelperspectieven. ‘Vreemde Ogen’ is een boek voor de liefhebber van historische romans, die zin heeft om zelf op zoek te gaan naar belangrijke feiten, want veel legt Alissa York niet uit. Wel geeft ze een prachtig beeld van een buitenissig gezin, dat leeft in een zware periode van de Amerikaanse geschiedenis. De spanningsopbouw is sterk, de personages zijn uitstekend neergezet en de plot is weerzinwekkend goed. Sluit de gordijnen als je het leest, houd een honkbalknuppel binnen handbereik en kijk bij het slapengaan onder je bed. Er zou maar zo een wolf onder kunnen liggen….

    Alissa York ? Vreemde Ogen
    Uitgeverij Meulenhoff 2007

    Pauline van der Lans

  • Een geschiedenis van het lezen, Alberto Manguel

    De bibliografie van Alberto Manguel steekt intussen de Dode Zeerollen naar de kroon, voor zover het de lengte betreft, maar hier in Nederland is maar een handvol van zijn boeken vertaald. Pas na zijn Een geschiedenis van het lezen, dat ondanks de thematiek een bestseller werd, wordt met terugwerkende kracht ook ander werk van hem uitgegeven. Dat heb ik niet gelezen, ik ken alleen zijn boek over het lezen, en dat is een prachtig boek.

    Ik kocht het boek al in 2000, maar het raakte bedolven onder het boekenslib dat elke nieuwe aankoopgolf hier achterlaat. Zo’n boek keert pas weer terug in het zicht als je besluit tot een kleine archeologische expeditie. Niets leuker dan een kleine archeologische expeditie in de eigen boekenvoorraad. Ik kan het iedereen aanraden. Veel kopen, veel onoverzichtelijk opstapelen, veel vergeten en dan veel verrast weer terugvinden. 

    Het boek van Manguel is een fundgrube. Een leesgroeve. Een boek dat in tamelijk korte hoofdstukken het lezen van de meest uiteenlopende kanten belicht, alsof het lezen een diamant is waarvan elk vlak afzonderlijk beschreven kan worden. Misschien een beetje hoogdravende vergelijking, maar daar hou ik wel van op z’n tijd.

    In welke houding lazen we? Wanneer werd het lezen van collectieve bezigheid een individuele? Heeft het lezen een toekomst? Is het lezen veranderd? Enzovoort. Op al deze vragen probeert Manguel een antwoord te geven. Hij doet dat erudiet en onderhoudend. Manguels liefdesverklaring wordt nergens saai. Dat is knap, want een onderwerp als het leesgedrag van Japanse prinsesjes zegt mij eerlijk gezegd weinig. En toch lees ik het hoofdstuk dat hij daar over schrijft met plezier. 

    De labyrintische manier waarop Manguel zijn onderwerp benadert doet meteen denken aan Borges. Je denkt hier van doen te hebben met de zoveelste adept, maar in dit geval blijkt de relatie dieper te gaan. Manguel vertelt in zijn boek dat hij als jongeman een van de voorlezers was van de blinde Argentijnse dichter, essayist en verhalenverteller. In een paar mooie anekdotes vertelt hij hoe dat was en hoe de vragen die Borges hem stelde tussen het voorlezen door zijn eigen lezen gescherpt heeft. 

    Manguel begint het boek met het eigen lezen, met de functie die lezen voor hem heeft en begint dan aan een duizelingwekkende achtbaantocht. Die tocht brengt je duizelig terug bij de start, klaar om na te denken over welke functie het lezen voor jou heeft. Hoe graag we ook lezen, er is altijd meer. Eigenlijk lezen we zoveel omdat we contactueel minder begaafd zijn, omdat we antwoorden zoeken die we zelf maar niet kunnen vinden, omdat we voyeuristen zijn en te discreet zijn om door een heg heen te gluren, omdat we niet graag buiten komen, enzovoort… Het antwoord op de vraag wat het lezen voor mij betekent hoop ik ooit in een boek aan te treffen. Misschien nog eens verder graven in die stapel…

    Alberto Manguel, Een geschiedenis van het lezen, Uitgeverij Ambo

  • Afgunst, Saskia Noort

    Een meesterlijke pastiche

    Afgunst van Saskia Noort is het beste misdaadboekje dat ooit als geschenk is weggegeven tijdens de maand van het spannende boek (een cadeau dat je krijgt als je voor €12,50 boeken koopt). Het is namelijk een genadeloze afrekening van de schrijfster met haar literaire critici. Afgunst gaat over Susan van Doorn (let op het bijna anagram) die als bestsellerauteur na vijftien jaar geconfronteerd wordt met haar oude geliefde Ernst Scholten (let op de voornaam). Ernst is degene die afgunstig is op het succes van Susan. Hij schrijft ook, maar is intellectueel en verkoopt dus niet zo goed. Als we dan ook het motto van Winston Churchill voorin het boekje lezen ‘You have enemies? Good. That means you’ve stood up for something, sometime in your life’ dan weten we dat het hier een poëticaal boek betreft; een boek waarin Saskia Noort haar eigen succes verdedigt.
    Het plot van het verhaal doet er niet zoveel toe (ex-minnaar ontvoert zijn voormalige vriendin), maar wel de bijzaken. Zo komen we uit de herinneringen van Susan te weten dat Ernst haar vroeger verbood om make-up te dragen of op hoge hakken te lopen, hetgeen natuurlijk verklaard moet worden als een verwijzing naar de groep Writers on heels (schrijvers van de hakkenbar) die door literaire critici enigszins laatdunkend wordt bejegend. Die literaire critici willen dit soort schrijfsters letterlijk de mond snoeren en hoe kun je dat beter verbeelden dan in een scène waarin de wijsvinger van de successchrijfster wordt afgeknipt met een ijzerschaar.
    Maar Saskia Noort gaat verder. Het zou verdacht zijn wanneer zij juist dit verhaal in een al te literaire stijl geschreven zou hebben. Ondanks de gratuite aanduiding ‘literaire thriller’ op het omslag, blijkt al snel dat ze gekozen heeft voor een parodie op derderangs misdaadproza. Heel geraffineerd is ze in de keuze van clichématige bijvoeglijke naamwoorden: ‘bijtende kritiek’, ‘bittere gal’ of clichématige uitdrukkingen: ‘Het bloed in mijn aderen bevriest’, ‘Als bevroren sta ik daar’. Heel humoristisch zijn de perspectiefwisselingen in dit kleine meesterwerk. De ene keer is Susan aan het woord en de andere keer Ernst (de cursieve stukken, want je zou je eens kunnen vergissen). En net als een slechte schrijfster legt Saskia Noort alles uit over motieven van de dader. Stel je voor: je zit in een zaaltje van de bibliotheek en kijkt naar je ex-vriendin die je over een uurtje gaat ontvoeren en niet veel later wilt verminken. Dan denk je dus heel rustig aan vroeger: ‘Ik herinner me het moment waarop het begon. Heimelijk en onverwacht. Van grote liefde naar diepe, diepe haat. De dag waarop haar verhaal werd besproken door de werkgroep Proza. Een verhaal dat ze buiten mijn medeweten had geschreven.’ Het moge duidelijk zijn: deze pastiche van Saskia Noort is wonderwel gelukt. Maar ze eindigt het boek niet zonder een laatste sneer uit te delen aan het literaire establishment.
    Na een hele uitputtingsslag zijn de rollen een omgedraaid en met het pistool op zijn hoofd gericht vertelt Ernst waarom hij juist nu tot zijn daad komt: ‘Ik heb kanker. Pancreaskanker. Uitgezaaid. Mijn lever. Ik ben al naar de klote. Opgegeven. Dus het maakt mij allemaal niets meer uit. Ik sterf liever hier dan dat ik afwacht tot de kanker me helemaal heeft opgevreten.’ Met andere woorden: de literaire wereld is van binnen dood. En daarmee geeft zij de genadeklap aan al die critici die haar zo getergd hebben met negatieve kritiek.

    Coen Peppelenbos

    Saskia Noort ? Afgunst. CPNB, cadeau bij besteding van €12,50 in de maand juni in de boekhandel.

  • Slagschaduw, David Van Reybrouck

    De naam David Van Reybrouck is in de literaire wereld al gevestigd voordat hij een roman of dichtbundel uitgegeven heeft. Zijn eerste boek, De Plaag. Het stille knagen van schrijvers, termieten en Zuid-Afrika is uit 2001, werd bekroond met de Vlaamse Debuutprijs. Dit boek is onder de non-fictie te scharen, het soort meeslepend geschreven reportages waarin ook Frank Westerman excelleert. Voor de toneelbewerking met onder anderen Josse De Pauw, onder de titel Die Siel van die Mier kreeg hij in 2004 de Taalunie Toneelschrijfprijs. Ondergetekende was dan ook razend benieuwd naar Van Reybroucks romandebuut. Slagschaduw is heel mooi gebonden uitgegeven, de titelgegevens in bas-reliëf op de witte kaft en met een halfdoorzichtig stofjasje waarop een aquarel staat afgedrukt van een liggende vrouw met bezoedelde dijbenen. Helaas kan ik de maker van deze aquarel niet achterhalen. Hetgeen ons direct in het verhaal brengt: dat draait om de maker en zijn model. De hoofdpersoon is een journalist die voor een reportage onderzoek doet naar een standbeeld in Brussel. Dit beeld, op het Sint Jansplein, is opgericht voor de spionne Gabriëlle Petit die in de Eerste Wereldoorlog geëxecuteerd werd. De maker is Egide Rombaux (1865-1942), een in zijn tijd gevierd beeldhouwer. Maar het model is onbekend. De journalist gaat naar haar op zoek, achterhaalt dat ze wellicht aan reuma gestorven is omdat het atelier van Rombaux te slecht verwarmd was, en vindt uiteindelijk een naam en een adres.
    Door deze zoektocht is op subtiele manier het verleden van de journalist geweven. Jarenlang vormde hij een uitstekende tandem met een fotograaf die hij is gaan beschouwen als zijn beste vriend. Tijdens een reportage overlijdt de fotograaf in een onbenullig ongeluk. De journalist keert terug naar Brussel en probeert zijn rouw te verwerken. Dagenlang doolt hij met geschoren hoofd over straat, misschien om in deze ‘eerlijke tristesse’ plekken te vinden die hem herinneren aan zijn vriend, die als fotograaf een scherp oog had voor mooie plaatjes, mooie beelden. ‘Lode is een gemis dat maar niet overgaat. De herinneringen mogen dan verbleken, het gemis vermindert nauwelijks. Hij moest een steeds zwaardere jas aan een steeds kleiner haakje ophangen.’ Wanneer hij denkt klaar te zijn voor een volgende stap, gaat hij beeldhouwcursussen volgen, waar hij verliefd wordt op het naaktmodel, een danseres-in-spé die zo wat bijverdient. Ze gaan een korte relatie aan, die uiteindelijk strandt omdat zij meer vastigheid verlangt dan hij kan en wil bieden.
    Ongeveer op dat punt begint het boek, als de journalist zijn zoektochten naar zijn ex, zijn overleden vriend en het beeldje van Petit aanvangt. Heel gedoseerd doet Van Reybrouck het bovenstaande verhaal uit de doeken, in een beheerste stijl die soms humoristisch is, bijvoorbeeld in de consequent doorgevoerde tweetalige dialogen en soms op waardige wijze omgaat met het verdriet van de hoofdpersoon: ‘Het geheugen is ons gruwelijkste orgaan: het scheidt af wat ons dierbaar is en slaat op wat ons vernietigt. De paar goede herinneringen die ik koester, zijn stuk voor stuk fletser en fragieler dan de cirkelzagen van oud verdriet.’ Heel soms slaat de stijl over in wat al te pathetisch taalgebruik: ‘Ik zou haar terugvinden. Laat me één mens, een enkele mens, van de vergetelheid redden. Eén, eentje maar. Een schamel mensje. Een meisje.’ En daarnaast is het genieten van de mooie beschrijvingen van Brussel, een geheimzinnige stad die een waardig décor vormt voor dit verhaal.
    Natuurlijk slaagt de journalist niet in zijn zoektochten. Het spoor naar het model voor Gabriëlle Petit loopt uiteindelijk dood, de gestorven fotograaf wordt niet teruggevonden en als hij eindelijk zijn ex tegenkomt, hebben ze nog één keer seks met elkaar in een verlopen hotelletje, maar dat is zo onbevredigend dat de hoofdpersoon deze gebeurtenis alleen in de tweede persoon enkelvoud kan vertellen, alsof het niet hemzelf betrof, maar een uitgetreden variant van hem: ‘Je hebt haar gestreeld tot ze in slaap viel. Daarna heb je geweend.’
    Toch loopt het boek hoopvol af. Na een ontmoeting met een vitale bejaarde vrouw en middels een magistraal uitgespeelde metafoor van hanengevechten in de uithoeken van het land, lijkt de journalist na zijn zoektochten een manier gevonden te hebben om met zijn verdriet om te gaan.
    Van Reybrouck is gedebuteerd met een roman die zo geraffineerd met thema’s en motieven omgaat dat je pas als je het boek hebt uitgelezen, merkt hoe goed alles past. De maker en zijn model, de stad als dwaalplek, het platteland als oergrond, de vogels en de regen, liefdesverdriet en rouw, alles tezamen een groots boek, en nog voorbeeldig uitgegeven ook: natuurlijk staat de maker van de aquarel niet vermeld. Ook dat klopt.

    David Van Reybrouck, Slagschaduw, uitgeverij Meulenhoff | Manteau 2007

    Patrick Bassant, Literair Vlaanderen.

  • Gezegend boven alle vrouwen, Malika Chaara

    De jacht op de schrijver

    Malika Chaara is een van de nieuwe literaire stemmen die aan meedogenloze verwachtingen moeten beantwoorden. De eerste grote generatie schrijvers van andere origine in Vlaanderen is, in tegenstelling tot Nederland, nog niet echt opgestaan. Uitgeverijen zijn dan ook naarstig op zoek naar dé minderhedenschrijver. Maar die schrijver van een sociale, culturele minderheid is eveneens op zoek, veelal naar erkenning van zijn/haar niet aan achtergronden gebonden schrijverschap. Op Het groot beschrijf in Brussel werd rond het thema The silenced minority al een debat georganiseerd met Rachida Lamrabet, Geert Buelens, Tom Lanoye en Caryl Phillips. Een van de meest bijblijvende uitspraken daar werd gedaan door Rachida Lamrabet, toen ze zei dat de ‘Vlamingen van andere origine’ even verdeeld zijn als de Vlamingen zelf, en dat ze daardoor onmogelijk als vertegenwoordiger van de hele gemeenschap kon spreken. Goed om de ballon van ‘de allochtoon’ als eenduidig begrip even te doorprikken. Malika Chaara van haar kant lijkt zich ook te kunnen vinden in die visie. Haar origine valt niet af te leggen maar vormt tegelijk slechts een van de vele deelaspecten van haar identiteit.
    Gezegend boven alle vrouwen, de debuutroman (voor volwassenen dan toch) van Malika Chaara, lijkt aan het bovenstaande debat overigens niet deel te nemen. De roman volgt door de ogen van een alwetende verteller het hoofdpersonage Sappho en haar levensloop. Sappho is gezegend ? tussen aanhalingstekens, mag dat heten ? met een uitzonderlijke schoonheid. Zo uitzonderlijk dat ze door eenvoudigweg haar blik te laten rusten op een gewone sterveling diens hoofd op hol doet slaan. De zegen blijkt al snel een vloek te zijn. Haar ongewilde lokroep ontgaat niemand. En wat iedereen wil, daarvoor wordt gevochten. Ze leidt al vroeg een leven dat de nodige rijpheid van haar kant eist; een psychotische moeder en een vader met een drugsverslaving en losse handen. Ook op school leidt haar uitzonderlijke wezen tot storingen. Bovendien zijn haar enige echte liefdes net diegenen die voor altijd onbereikbaar zullen blijven.

    Teen angst
    Malika Chaara heeft met Gezegend boven alle vrouwen geen grootse roman geschreven, maar een jeugdboek. Er komt zo bijvoorbeeld nogal wat nostalgisch sentiment bovendrijven. Het meest opvallende is de referentie aan Dawson’s Creek, een zachtaardige televisiesoap met overdreven filosoferende (er als twintigers uitziende) tieners met een raak gevoel voor Schmerz aan de wereld en zichzelf. Opvallend omdat die verwijzing meteen ook veel verheldert over het boek zelf. Het niveau van de bende van Dawson ? die wel filosofeert maar dat zo gemaakt doet dat de geloofwaardigheid van de personages er niet langer is, en daarmee ook de zogezegde rijpheid van hetgeen ze zeggen ? wordt zelden overtroffen. Dat hoeft geen zonde te zijn, de serie trok wellicht een aardig groepje jonge kijkers aan. Maar voor de jonge speurder met behoefte aan net dat ietsje meer, laat staan de iets minder jonge lezer, valt Gezegend boven alle vrouwen wellicht te licht uit. De bijzondere Sappho vertoont als puntje bij paaltje komt toch net iets te botte weerhaakjes. Het geschetste portret van Sappho als tragische figuur ? aan de ene kant onweerstaanbaar mooi en ook nog eens voorzien van een vroegrijpe intelligentie, en aan de andere kant de verborgen identiteit van een onzekere tiener ? komt niet tot leven. De gebeurtenissen die ze in haar jeugd moet doorspartelen zijn uiteraard wreed, en het feit dat ze overal en door iedereen verkeerd begrepen wordt, leidt vast tot een zekere eenzaamheid. Maar Sappho kan zich, voortgaand op de gesprekken in het boek of de opgerakelde herinneringen, niet beroepen op een scherper inzicht dan dat van de doorsneeleeftijdgenoot. Het meisje dat als zo bijzonder wordt ervaren, is helemaal niet zo bijzonder. De pointe, vraagt u, jawel. Maar de manier waarop die werd aangereikt, moet ik u zeggen, neen. Dat Malika Chaara met haar roman pogingen onderneemt om een stekelig verhaal te brengen is duidelijk. Maar vooralsnog is het een kwestie van proberen en willen, maar (nog niet?) kunnen. De uitwerking van haar ideeën haalt in dit boek niet het gewenste niveau. En op grond van intenties valt geen oordeel te vellen.

    Malika Chaara, Gezegend boven alle vrouwen. Manteau, Antwerpen, 2007.
    Prijs: 18,95 euro. 

    Een interview met Malika Chaara is te vinden op:
    http://www.site.kifkif.be/kifkif/nieuws.php?nws_id=795&page_class=one&open_menu_id=19

  • Just 1: Het Vlindernet, Reinhart

    Het Vlaams Fonds voor de Letteren subsidieert ook strips. Een voor de hand liggende keuze in een land dat een lange traditie heeft in deze Negende Kunst, en in de vorm van de Sint-Lukas Hogeschool een broedplaats voor talent heeft. Recente interessante boeken zijn bijvoorbeeld De maagd en de neger van Judith Vanistendael (uitgeverij De Harmonie) en De tweede kus van Conz (uitgeverij Oogachtend).

    Recent verschenen, met steun van het Fonds, is ook het debuutalbum van tekenaar Reinhart, Het Vlindernet, het eerste deel van wat een serie zal worden onder de naam Just. Just is een schildersknecht met een neusje voor avontuur, zo’n goudeerlijke rakker die niet tegen onrecht kan. Je komt ze wel vaker tegen in stripverhalen. In het eerste deel neemt Just het op tegen de corrupte machthebbers in de stad, hoewel die zonder zijn hulp ook prima in staat zijn elkaar uit te moorden. De stad is een wonderlijk amalgaam van oude en nieuwe kenmerken: zo woont de burgemeester in een kasteel en rijden er paardenkoetsen over straat, maar ontbreken Internet en de Banana Bar evenmin. Just probeert uit te zoeken wat er is gebeurd met de opdrachtgever van een schilderij, die zijn doek maar niet op komt halen. Al snel belandt hij tussen de complotten en intriges, met ingrediënten als Arabische hoertjes, dubbele driehoeksverhoudingen, verraad en machtswellustelingen. Vermakelijk, niet te ingewikkeld, niet te schokkend. De meest opvallende aspecten van de tekeningen zijn de abstracte stijl en het kleurgebruik. Reinhart tekent in een stijl die enigszins verwant is aan de gestileerde tekeningen van Hanco Kolk in zijn S1NGLE-albums, maar verder geheel eigen is. De tekeningen hebben vaak maar een beperkt aantal kleuren, waarvan er eentje lekker fel is. De tekeningen spatten zo van de pagina’s af en komen lekker druk over.

    Als Reinhart zich voor een volgend album wat meer inzet voor het verhaal, kunnen we nog wat verwachten van deze Just.

    Reinhart, Just 1: Het Vlindernet, uitgeverij Bries

    Patrick Bassant, Literair Vlaanderen

  • Kamermuziek, Paul Mennes

    Afgaande op het weer, is er sprake van een lente van jewelste. Er zijn ooit tijden geweest waarin een lente ons een nieuw geluid beloofde, maar die tijden, die tijden waarin elke lente weer een gebeurtenis van jewelste was, die lijken achter ons te liggen. Natuurlijk merk ik dit op naar aanleiding van een nieuwe roman, want de temperatuur van de buitenlucht doet me vrij weinig.
    Iets wat voor mij elk jaargetijde kan pimpen, is een nieuwe roman van Paul Mennes. Geen winter kan niet verhit worden door; geen zomer kan niet verkoeld worden door. Het toeval wilde dat het nu lente is, en Mennes een nieuwe roman uit heeft. De roman heet Kamermuziek en stond op de website van zijn uitgeverij al lange tijd aangekondigd.
    En dan is die roman daar, en het spijt me dit te moeten zeggen, hij valt me tegen. Mennes heeft in het verleden meerdere malen bewezen dat hij een indringend en realistisch beeld van de jeugd neer kon zetten. Als je zijn eerdere romans bekijkt, vanaf zijn indringende debuut Tox (1994), is het altijd duidelijk geweest dat Mennes een zeer scherpe kijk had op alles en iedereen om hem heen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij als geen ander de generatie Nix in beeld kon brengen. Dat klinkt als een spook uit het verleden, uit de tijd dat die generatie nog een literair gezicht had in de vorm van allerlei schrijvers die niet konden tippen aan Mennes’ humor en stijlgevoel. Mennes, geboren in 1967, wist feilloos de vinger op de zere plekken van de jeugd te leggen. Ikzelf ben van 1977, en dus tien jaar jonger dan Mennes. Vanaf zijn eerste boek heb ik hem geprezen om zijn scherpe blik en zijn meedogenloze stijl: ja, zo kunnen wij zijn, ja, dat kunnen wij doen. En plotsklaps leek het erop dat Mennes zijn contact met mijn generatie kwijt geraakt was. In zijn vorige roman Poes poes poes leek hij zich dat te beseffen en liet hij dat achter zich. In zijn nieuwe roman is de hoofdpersoon echter wederom iemand die bijna dertig is, mijn leeftijd dus, en warempel, van herkenning is bij mij geen sprake meer. Niet dat dat voor een roman voor de lezer van belang is, maar het lijkt er op dat Mennes en ik kanten op zijn gegaan die niet meer samenvallen. Natuurlijk heb ik maar te accepteren dat Paul Mennes niet de chroniqueur van mij leven is en dat hij niet eeuwig kan blijven schrijven over mij, ons, whatever, simpelweg omdat hij te goed is voor een one trick pony.
    In Poes poes poes draaide het verhaal om de zonsverduitering, in Kamermuziek speelt een lichte aardbeving een rolletje. Hoofdpersoon Sam, 29, nog steeds bij zijn ouders wonend, wordt met harde hand het huis uitgewerkt, komt terecht in een gedeeld woonhuis met een stereotypische computernerd en een even stereotypisch meisje dat even makkelijk van gothic overschakelt op zweverig. Sam voelt zich in de steek gelaten door zijn ouders, aangezien zij denken dat ze door hem het huis uit te werken, geen zoon verliezen maar een kamer te winnen. Sam praat niet met zijn ouders en evenmin met zijn grootmoeder, waar hij daarna tijdelijk gaat wonen. Hij praat alleen met zijn psychiater, een oudere vrouw op wie hij geheel volgens de regels die hij zelf beseft, verliefd wordt. En later wordt hij verliefd op zijn huisgenoot. De eerste is onbereikbaar omdat ze Sams arts is, de tweede blijkt even onbereikbaar omdat ze lesbisch blijkt te zijn. Sam schippert tussen opstandigheid en door medicijnen gecontroleerde verstandigheid. Als hij op zeker moment zijn medicijnen tegen angst- en woedeaanvallen niet meer neemt omdat hij niet meer naar zijn psychiater wil, wordt een en ander natuurlijk op het spits gedreven. Middels verhaaltechnische trucs als een fotograferende robothond en een waarzeggende buurvrouw, wordt het rustig voortkabbelende verhaal naar een climax gedreven. Er zijn allemaal dreigende ingrediënten als een diepvrieskist in de kelder en verwijzingen naar films die slecht aflopen, maar uiteindelijk komt Sam weer bij zijn psychiater terecht en beseft hij donders goed wat er allemaal mis is gelopen.
    Volgens de achterflap is ‘Kamermuziek een geestige en haarscherpe roman waarin de hoofdpersonen zin trachten te ontdekken in de onzin van een op hol geslagen wereld.’ Dat is niet waar. De roman is wel geestig, dat klopt. Als je om een boek van Mennes niet keihard kan lachen, dan is er echt iets mis. De parodie op Sex and the City bijvoorbeeld, erg leuk. Dat valt dus mee. Maar als de hoofdpersonen in deze roman werkelijk bezig zijn met het ontdekken van zin in een wereld, dan is dat mij niet opgevallen. Of het zou moeten zijn dat Sam zich uiteindelijk neerlegt bij het feit dat zijn psychiater het niet slecht met hem voor heeft. Dat vriendschap niet voor eeuwig is. Dat personen om hem heen minder statisch zijn dan hij had bedacht. Opzienbarend kan je dat niet noemen.
    Waarom kan ik niet besluiten dat Mennes gewoon een prima voor de vuist weg lezende roman heeft geschreven? Dat heeft hij namelijk wel. De vaart zit er in, Mennes kan nog steeds beter schrijven dan al zijn terecht vergeten generatiegenoten, zijn stijl is goed, het verhaal blijft toch boeien tot het eind. Maar ergens neem ik het Mennes kwalijk dat hij zijn touch met de tijdsgeest kwijtgeraakt lijkt te zijn. Ik had zo graag een nieuwe Mennes gelezen die mij (weer) schaterlachend wees op de ‘de onzin van een op hol geslagen wereld’ die ik had kunnen herkennen. Nu heb ik schaterlachend een roman gelezen over een aantal personages dat dingen doet die nogal vrijblijvend zijn, die binnen het verhaal kloppen, maar die niets, niets te maken hebben met onze op hol geslagen wereld, ongeacht geboortejaar of psychiatrische stoornis. De personages zien op televisie dat er een filmregisseur op straat is doodgestoken, en 11 pagina’s later wordt gerefereerd aan de dood van Joe van Holsbeeck, die in april 2006 op het centraal station van Brussel werd neergestoken voor een MP3-speler. Zo half in een bijzinnetje wordt ons een op hol geslagen wereld toegeschoven. En de personages zoeken daar dan zin in door naar de tv te kijken omdat ze even niets anders te doen hebben. Dat is geen echt op hol geslagen wereld, dat is geen zin zoeken en dat is ook niet het omgekeerde, het je volledig van de wereld afsluiten. Dat is een beetje van alles, een beetje niks.
    Ik had zo graag een scherper, bijtender, meer accuraat boek gelezen dan dit.

    Patrick Bassant, Literair Vlaanderen