• Dietsche Warande en Belfort, Literair tijdschrift

    Het oeroude Vlaamse literaire tijdschrift DWB (Dietsche Warande en Belfort) begint zijn 153ste jaargang met een nummer over Diclit. Dat is geen seksuele aberratie (hoewel, dat is het wel, maar daar gaat dit nummer niet over (daarvoor mag u op Google zoeken), maar over literatuur geschreven door dictators (en bij uitbreiding andere historisch gezien onfrisse figuren.

    Fielten, ploerten en ander schoftentuig dat zich bedient van de edele literatuur, wat moeten we daarvan denken? En ook andersom: wat moeten we denken van de literaire voortbrengsels van zulk rapalje In een reeks essays over schrijvende schoften proberen samenstellers Jos Joosten en J.H. de Roder en de meewerkende auteurs hier een voorzichtig antwoord op te geven. Het blijkt echter een penibel onderwerp te zijn, omdat je de werken van de desbetreffende dictators bijna niet los kan zien van hun politieke daden. Zo doet Maarten Steenmeijer Franco’s roman Raza af als een sentimenteel teken van Franco’s ideologische aftakeling, maar het lijkt hem wat u-bochten te kosten tot die conclusie te komen. Ik geloof direct dat die roman de moeite van het oprakelen niet waard zou zijn geweest als hij niet door juist Franco geschreven was (en dat is zeker de kracht van dit nummer), maar in het betoog wordt maar weinig ingegaan op de literaire kwaliteiten van het boek. Erwin Jans bekijkt de poëzie van Hirohito, en heeft daarmee een schitterend onderwerp gevonden. Na de Tweede Wereldoorlog werd keizer Hirohito zijn goddelijke status afgenomen, en sowieso werd een Japanse keizer niet geacht zich direct met staatszaken te bemoeien. Toch schreef Hirohito gedichten die politiek te interpreteren zijn. Zoals Jans het zegt, ‘soms echter maken de naam van de auteur en de datum van zijn publicatie alle verschil.’ Jans schetst eerst de benarde situatie waarin de keizer zich bevindt, en gaat dan serieus en interpretatief in op diens gedichten.

    Sommige bijdragen aan het nummer kiezen de kant van het historisch gelijk, zoals Ton Naaijkens die Goebbels’ roman Michael beschrijft als ‘een curieus boek als je het niet reduceert tot het gedachtegoed dat erin neergelegd is en dat mede leidde tot een vernietigende wereldoorlog’ om er een pagina later over te zeggen dat er ‘niet zo veel over geschreven’ is. Ik ben dan geneigd te denken dat het met de invloed van die roman op de oorlog wel meevalt, ook al staat het vol ‘gevaarlijk gedachtegoed.’

    Enkele bijdragen zijn daardoor iets te gemakzuchtig. Jan A.M. De Meyer zegt in zijn stuk over de grote roerganger annex dichter Mao, dat [p]oëzie dient, indien mogelijk, te worden gelezen als een zelfstandig stuk literatuur en niet als het literaire verlengstuk van het leven van de auteur.’ Daar heeft hij voor dit nummer gelijk in, en de voorzichtige koers die de auteurs voeren om tussen de autonome literatuur en de historische werkelijkheid te laveren, is zeer interessant.

    Het mooiste essay is van Lucas Hüsgen, die de Koreaanse koning Yonsangun en zijn poëzie op neutrale en nieuwsgierige wijze bekijkt. Het leven van een mens is als dauw op bloemen:
    Veel tijd om het te ontmoeten is er niet.

    Deze regels hebben wat mij betreft wel zeggingskracht, ook al zijn ze van een Koreaanse klootzak rond 1500.
    Buiten het themagedeelte van deze aflevering vallen vooral het essay van Bas Groes op, die op vrolijke en kritische wijze de debutantenproductie in de Nederlandse literatuur van 2005 en 2006 bekritiseert, en de nieuwe serie over Belgische jonge fotografen, door curator Inge Henneman geselecteerd. De mooie foto’s van Daniel Sannwald, afgedrukt op hoge kwaliteit papier, bestendigen DWB’s imago van cross-over cultureel tijdschrift.

    DWB
    jaargang 153, februari 2008, nummer 1. Diclit. Van Nero tot Mao
    Patrick Bassant, Literair Vlaanderen.

     

  • De pianoman, Bernlef

    Iemand die zwijgt, is verdacht

    Het begin van het Boekenweekgeschenk De pianoman van Bernlef is een beetje clichématig voor wie in het noorden van het land woont. De mensen zijn daar nogal stug en zwijgzaam. Zeker de vader en moeder van Thomas Boender, die pas op zijn vierde zijn eerste woordjes zegt: ‘Honger. Koek.’ Zijn ontwikkeling blijft nogal achter en de uit de Randstad afkomstige juf Jenny Vreeland ontfermt zich over hem. Bij haar leert hij pianospelen en hij leert om niet over zichzelf te praten in de derde persoon. Hij leert ‘ik’ zeggen.

    Licht autistisch dat kind, zou je als nuchtere diagnose kunnen stellen. Maar bij Bernlef leven de personages op als er juist iets met ze is. De meeste mensen kennen wel het boek Hersenschimmen, waarin de hoofdpersoon langzamerhand zijn geheugen kwijtraakt, maar dit geschenk doet vooral denken aan Boy, waarin een doofstomme jongen een hoofdrol speelt en De onzichtbare jongen waarin een van de personages eerst de unieke gave bezit om alles te onthouden (en ook zomaar kan pianospelen nadat hij het één keer gezien heeft) en uiteindelijk gek wordt.

    Thomas weet dat hij als zwijgzame buiten de groep staat, ook later als hij verplicht moet werken van zijn vader, en hij weet ook al vroeg dat hij anders dan anderen is door zijn seksuele geaardheid. Uiteindelijk besluit hij met wat opgespaard geld de wereld in te trekken en via Amsterdam waar hij een meisje ontmoet dat een levend standbeeld speelt, gaan ze samen naar Parijs en nog veel later trekt hij met haar verder naar Engeland waar hij alleen en berooid achterblijft. Vanaf dat moment zwijgt hij.

    En opeens herinner je je weer dat vreemde krantenbericht van een paar jaar geleden: een onbekende, zwijgende man was opgenomen in een Britse inrichting en het enige wat hij deed om te communiceren was pianospelen. Zo gaat het in De pianoman ook verder en dat is licht teleurstellend omdat het verhaal zo dicht bij de werkelijkheid blijft. Of misschien moet dat anders worden geformuleerd: je wordt als lezer uit de fictie getrokken door die oude krantenberichten.

    Bernlef heeft een intrigerend geval genomen dat de publiciteit heeft gehaald en daar zijn eigen verhaal aan gekoppeld. Hij maakt inzichtelijk waarom iemand besluit te zwijgen. Daar heeft hij geen trucs bij nodig: zijn stijl is zoals altijd sober en onopgesmukt. Tussen de regels door ontwikkelen de karakters zich, haast terloops. Dat levert geen literair vuurwerk op, maar de romans en verhalen van Bernlef zitten vaak knapper in elkaar dan men bij eerste lezing denkt.

    Bij deze schrijver zie je meestal meer dan alleen de ontwikkeling van de hoofdpersoon: je ziet ook hoe anderen reageren op iemand die afwijkt van de groep. In die zin is De pianoman ook interessant, want blijkbaar verklaren wij iemand die niet reageert op woorden bij voorbaat voor gek. Iemand die zwijgt, is verdacht. Dat zegt iets over de macht die woorden hebben in maatschappij die bol staat van de communicatie. Een mooi geschenk derhalve.

    Coen Peppelenbos

    Bernlef, De pianoman. CPNB, 92 blz. Bij besteding van €11,50 gratis verkrijgbaar in de boekhandel tijdens de Boekenweek.

  • De liefde dus, Joke J. Hermsen

    De lovegame van Belle van Zuylen tijdens de zomer van 1785: feiten, fictie en feminisme.

    In haar tweede roman, ‘Tweeduister’ (2000) borduurde schrijfster en filosofe Joke J. Hermsen (1961) in prozavorm voort op de levens van de auteurs Virginia Woolf en T.S. Eliot en op dat van hoofdpersoon Billy Pryor uit de ‘Regeneration Trilogy’ van Pat Barker. Ondanks een toelichtende inleiding en een uitgebreide bronverwijzing, werd het vermengen van feiten en fictie door de critici not done gevonden. Vreemd. Als het een ‘what if’ scenario betreft, zoals Philip Roths’ ‘Het Complot tegen Amerika’ , dan wordt het er juist om bejubeld. Dat Joke Hermsen zich niet al te veel heeft aangetrokken van deze kritiek siert haar. In haar nieuwste roman ‘De liefde dus’ kiest ze wederom voor deze vorm en op meeslepende wijze beschrijft ze hoe het de Nederlandse schrijfster Belle van Zuylen (1740 ? 1805) in de zomer van 1785 vergaan zou kunnen zijn. Een duistere periode in het leven van de achttiende-eeuwse schrijfster en feministe waarover in de archieven nauwelijks iets te vinden is.
    In die zomer ontvlucht de dan vierenveertig jarige Belle van Zuylen haar thuishaven het Zwitserse Colombier. Zij woont daar samen met haar sympathieke maar weinig boeiende echtgenoot Charles de Charriere en zijn twee ongetrouwde zusters. De saaiheid vliegt de opstandige Belle naar de keel, maar dat is niet de voornaamste reden van haar vertrek. Sinds ze verlaten is door haar geliefde Charles Jean-Samuel d’Apples voelt ze zich depressief en kampt ze met vage lichamelijke klachten. Dat hun relatie geen stand kon houden is evident: zij is een getrouwde vrouw die ouder is dan hij. Daar komt bij dat hij op het punt staat te trouwen met een voor hem uitgekozen vrouw.
    Belle hoopt dat de verkwikkende baden van kuuroord Payerne haar leed zullen verzachten, maar een gebroken hart laat zich niet gemakkelijk helen. Ze gaat zich alleen maar ellendiger voelen en besluit naar Parijs te reizen om ‘wonderdokter’ Cagliostro te bezoeken. Deze graaf Guiseppe Balsamo (1743 ? 1795), zoals hij ook bekend staat, is vrijmetselaar en houdt zich met occulte zaken bezig. Velen zien in hem een charlatan, maar aan het Franse hof is hij populair. Belle knapt enorm op van hun gesprekken. Hij daagt haar uit en confronteert haar met zaken die ze eigenlijk niet onder ogen wil zien. Ze spreken over de onoverzichtelijke wisselwerking tussen gevoel en verstand, over de verschillen en overeenkomsten tussen hartstocht en liefde en over de sterke invloed van de geest op het lichaam. Onderwerpen die op het breukvlak van de Verlichting en de Romantiek, een periode waar Belle van Zuylen in Nederland de belichaming van was, een grote rol spelen.
    Het verhaal wordt verteld tegen de achtergrond van de strijd tussen de patriotten en orangisten in Nederland en de naderende Franse Revolutie. De turbulentie op politiek en maatschappelijk gebied en de vernieuwingen die de Verlichting met zich meebrengt lijken samen te komen in Belle van Zuylen. Voor een ontwikkelde, intelligente en multi-getalenteerde vrouw is het in die tijd moeilijk haar overactieve verstand in harmonie te brengen met een sterk ontwikkeld gevoelsleven.
    Joke Hermsen heeft voor een gedurfde verteltechniek gekozen waarin een geconstrueerd verhaal, brieven, dagboeken en de totstandkoming van Belle van Zuylens roman ‘Caliste’ elkaar afwisselen. De personages worden geïntroduceerd door een briefwisseling, die op strategische plekken elders in het boek een vervolg krijgen. Hierdoor wordt de lezer een adempauze gegund waarin de verhaallijnen samenvallen en waarin tevens een tijdsbeeld geschetst wordt. Een van de briefwisselingen is die tussen Belle van Zuylen en tijdgenote Betje Wolff.
    Daarnaast kiest Joke Hermsen voor een weergave van Belle’s dagboeken waarvan de inhoud op ingenieuze wijze samenvalt met een verslag van de overtocht van Jean-Samuel d’Apples naar Amerika. Dit is een meesterlijke vondst. Hij heeft haar drie schriften cadeau gedaan: een witte, een blauwe en een rode. Volgens Belle staan die kleuren voor de Amerikaanse vlag, het trotse banier van het beloofde land van toen. De lezer kan er echter ook de Nederlandse en Franse driekleur in zien. De kleuren van de Nederlandse Belle die niet kon aarden in haar eigen land en meer tot haar recht kwam in Frankrijk. Belle beschrijft haar diepste zielenroerselen in deze schriften, die later via een omweg d’Apples onder ogen komen.
    Voor degenen die bekend zijn met het werk en leven van Belle van Zuylen, kan ‘De liefde dus’ alleen maar een welkome aanvulling zijn. Het is verrassend en spannend en de diepe innerlijke beschouwingen van Belle zijn met veel precisie en schoonheid beschreven. Joke Hermsen moet heel dicht bij haar hoofdpersoon staan, dat kan niet anders. Ook is het een feministisch boek. De rol van de vrouw krijgt veel aandacht en het is interessant dat juist een man, Cagliostro, een lans voor vrouwen in het algemeen breekt en daardoor Belle de ruimte geeft voor zelfreflectie. Daarnaast is ‘De Liefde dus’ een goede introductie op het werk van Belle van Zuylen. Wie haar nog niet kende, wil na het lezen van dit gefictioneerde levensverhaal beslist meer van haar weten. Het vermengen van feiten en fictie heeft ook in deze roman van Joke Hermsen goed uitgepakt. In het nawoord schrijft ze een interessante toelichting en op haar website, zie onderaan, staat aanvullende achtergrondinformatie.
    Virginia Woolf hield zich in 1927 al bezig met het thema feiten en fictie. Het verbinden van ‘het graniet van de historische werkelijkheid’ met de ‘ongrijpbare regenboog van de ziel van het historische personage’ kan volgens Woolf alleen maar plaatsvinden als de biograaf over artistieke gaven beschikt. Veertig jaar later, in 1966, bracht de Franse literatuurwetenschapster Julia Kristeva het begrip ‘intertekstualiteit’ onder de aandacht. Kort gezegd houdt dat in dat bestaande (historische) teksten op creatieve wijze verwerkt worden in nieuw materiaal. Elke tekst absorbeert en transformeert een andere tekst, waaraan de lezer door zijn of haar waarneming ook nog eens een persoonlijke betekenis geeft. ‘De wereld is een tekst’, is een bekende uitspraak van Kristeva, die weer naadloos aansluit op wat schrijfster Hella Haasse eens gezegd heeft: ‘Alles wat neergeschreven is, bestaat.’
    Belle van Zuylen is in 1805 overleden en werd begraven op het kerkhof in Colombier. Inmiddels is er op deze plek een tennisbaan aangelegd. Onze eerste grote feministische schrijfster ligt dus onder het gravel en moet stuiterende ballen en stampende sportschoenen verduren. Echter, zij heeft dan wel niet het graf dat zij verdient, dankzij Joke Hermsen is er nu een waardig eerbetoon in de vorm van een liefdevol boek, geheel geschreven in de stijl van Belle van Zuylen zelf. Een lovegame dus.
    Meer informatie over ‘De liefde dus’ staat op de website van de schrijfster. Ook is daar een documentaire te zien over de reis die zij gemaakt heeft naar de plekken in Zwitserland waar Belle van Zuylen gewoond heeft. Zeer de moeite waard: www.jokehermsen.nl

    Pauline van der Lans
    De liefde dus ? Joke J. Hermsen
    De Arbeiderspers 2008
    Al het werk van Joke Hermsen wordt uitgegeven door de Arbeiderspers.

  • Koetsier Herfst, Charlotte Mutsaers

    Veertien jaar na haar overweldigend goede roman Rachels rokje, en negen jaar na haar laatste verhalenbundel Zeepijn, ligt er weer een roman van Charlotte Mutsaers in de winkel. Een stevige pil, 461 pagina’s, een roman waar ze naar eigen zeggen zeven jaar aan heeft gewerkt. En met resultaat. De twee delen zijn genaamd ‘Use your illusion’ I & II, twee albumtitels van Guns ’n Roses die Mutsaers al bij verschijnen in 1991 met veel instemming zal hebben genoteerd, om ze ooit nog eens te gebruiken. Ze zijn hier uitstekend op hun plaats.

    Mutsaers’ hoofdpersonage is dit keer een man, de succesvolle Nederlandse schrijver Maurice Maillot, die na de succesvolle roman Zomerchloor een writer’s block heeft opgelopen en ook in de rest van zijn leven vastgelopen is. Hij heeft een ongelukkig huwelijk achter de rug, en het hem dierbaarste wezen op aarde ? zijn kat, is overleden. Hij sluit zich op in zijn huis, totdat hij op een dag besluit dat het zo niet langer kan. In het Vondelpark vindt hij een mobiele telefoon en met dit wondertje van de techniek weet hij zijn leven weer een beetje op gang te krijgen. De leus van Nokia is niet voor niets ‘connecting people’, meent hij. Door te fantaseren over de eigenares van de telefoon krijgt hij zijn libido weer vlot getrokken, hij ontmoet een man in een restaurant die hem weer aan het voorzichtig schrijven krijgt (waarin hij besluit dat hij de verbeelding nu aan de kant schuift en alleen nog te vertellen over wat hij echt meegemaakt heeft), hij bemachtigt een nieuw huisdier in de vorm van de poedel Slava en uiteindelijk ontmoet hij ook de liefde van zijn leven.
    Dat is een nogal fanatieke dierenliefhebster die lid is van het Lobster Liberation Front, en Maurice voor hun wittebroodsweken meesleurt naar Oostende, waar nogal wat kreeften schreeuwen om bevrijding, voordat ze op vreselijke wijze levend worden gekookt. Maurice voelt hier sympathie voor, aangezien zijn biologische ouders ook ooit opgekomen zijn voor een levend gekookt dier, in dit geval een circusnijlpaard. Hij zweert zijn voorliefde voor steaks af, wordt onder lichte dwang van zijn aanstaande (een drammerig en manipulatief kreng, maar dat lijkt Maurice niet te beseffen) vegetariër en steunt haar in haar door vis- en vleeseters als ‘terroristisch’ bestempelde werk.

    In het eerste deel vliegen de vreemde en speelse gebeurtenissen de lezer om de oren, dit is Mutsaers op haar best. De lichte toon die contrasteert met sommige gebeurtenissen, het vleugje moralisme ? zeker waar het dierenmishandeling betreft, is aanwezig, Maurice die als een verliefde puber onbevangen bidt tot Jorma Ollila, de CEO van Nokia, of verwachtingsvol masturbeert met de telefoon als fetisj, is onvergetelijk. In het tweede deel neemt het tempo af en wordt de relatie tussen Dora en Maurice bestendigd en uitgediept, wat soms nogal dweperige passages oplevert (ja, nu weet ik wel dat vis eten eigenlijk moord is, ja, nu weet ik wel dat je zielsverliefd bent), maar meer dan genoeg memorabele momenten biedt: Dora die een volleerd champagnekenner blijkt te zijn tijdens de plasseks en de geheimzinnige maar mooie passage op de Amandine, de laatste Oostendse IJslandvaarder.

    Het vreemde van Mutsaers’ besmettelijk vrolijke vertelstijl, is dat je haar volstrekt ridicule ontwikkelingen in het verhaal probleemloos vergeeft. Ik kan er de vinger niet op leggen, maar bepaalde gebeurtenissen zijn volstrekt ongeloofwaardig en bij veel andere schrijvers zou ik geërgerd zijn door deze inconsequenties, slordigheden of weeffouten. Bij Mutsaers is het bijvoorbeeld veel minder erg dat een nationaal bekende schrijver in het Vondelpark een collega buiten westen gooit met een mobiele telefoon, vervolgens het poedeltje van het nichtje van die collega steelt en verder niet meer wordt geconfronteerd met die daden. Noch komt het nichtje de hond ophalen bij de dief, noch komt de collega verhaal halen, of heeft hij aangifte gedaan bij de politie. Normaal gesproken zou ik dat een slordig of niet afgewerkt verhaallijntje vinden, maar Mutsaers weet het toch zo te brengen dat je ver meegaat in de gedachte dat de afwikkeling voor de rest van het verhaal waarschijnlijk niet van belang is. Of zoals Dora het verwoordt: ‘het leven is de literatuur niet, hè? Het leven hangt van toeval aan elkaar.’ Dus als Maurice besluit alleen nog maar over de werkelijkheid te schrijven, dan is er gelukkig altijd nog een trapje hoger de superieure schrijfster Charlotte Mutsaers, die genadeloos haar illusion blijft gebruiken.

    Charlotte Mutsaers, Koetsier herfst. Amsterdam, De Bezige Bij 2008 € 22,50

    Patrick Bassant ? Literair Vlaanderen

  • Lege handen, Katharina Hacker

    Dolende dertigers

    Zo nu en dan wordt de Nederlandse literaire markt verrijkt met een juweeltje van onze Oosterburen. Er wordt in Duitsland wel veel gepubliceerd, maar er wordt helaas niet bar veel in het Nederlands vertaald. Gelukkig geldt dat niet voor ‘Die Habenichtse’ van Katharina Hacker (1967). Een roman over dolende dertigers, die in 2006 de Deutsche Buchpreis won en die sinds kort in onze boekwinkels ligt onder de titel ‘Lege Handen’.
    Jakob heeft, na een onenightstand tien jaar geleden, altijd op Isabelle gewacht. Zij daarentegen, is besluitelozer. Ze had een verhouding met vriendin Alexa, en met collega Andras kwam een relatie niet van de grond. Het feit dat ze maar niet tot de aanschaf van een paar nieuwe schoenen over kan gaan, tekent haar doelloze gedraal in haar onsamenhangende bestaan. Haar baan als grafisch ontwerpster is haar houvast, maar ze doet het werk niet echt met verve. Isabelle loopt nergens warm voor. Als Jakob haar ten huwelijk vraagt zegt ze ja, en ze vertrekt met hem naar Londen.

    Jakob heeft de mazzel dat hij op 11 september 2001 zijn afspraak in het New Yorkse World Trade Center afgezegd heeft. In plaats van hem komt er een collega om het leven, en is Jakob de enige kandidaat voor een promotieplek in Londen. Hij is als advocaat gespecialiseerd in eigendomsrecht en houdt zich bezig met restitutiekwesties: het terugbezorgen van bezittingen aan de rechtmatige eigenaren. In Londen raakt hij mateloos gefascineerd door zijn directeur, de oudere homoseksuele dandy Bentham.
    Bij het kiezen van een woning is Jakobs oog min of meer toevallig gevallen op een huis in de wijk Camden in Noord-Londen. Terwijl hij zich door zijn werk laat opslurpen, zit Isabelle veel thuis, waar zij werkt aan illustraties voor een kinderboek. Vreemde geluiden uit het buurhuis lijken afkomstig te zijn van een ruziënd echtpaar dat het pand van een vermogend familielid heeft geërfd. Wat Isabelle eerst nog afdoet als storend burengerucht, wordt allengs erger en ze wordt geconfronteerd met Dave en Sara die zwaar door hun ouders verwaarloosd en mishandeld worden. Enkele huizen verderop woont Jim, een notoire drugsdealer. Ook hij hoort niet in deze buurt thuis, maar bewoont tijdelijk het huis van een kennis. Het kat-en-muisspelletje tussen Isabelle en Jim is gebaseerd op verveling en agressie. Hij zit vast in de raderen van het criminele circuit, zij blijft doelloos zoeken naar iets wat ze zelf niet onder woorden kan brengen.
    In elk hoofdstuk staat een ander personage centraal. De verhalen van Dave, Sara, Jim, Isabelle, Jakob en Andras wisselen elkaar af. Binnen de hoofdstukken wisselen de perspectieven soms wanneer twee personen met elkaar in contact komen.

    Erg interessant is de manier waarop de verschillende generaties worden neergezet. De dertigers leven in de huidige welvaart. Dat maakt van hen geen slechte mensen, maar ze zijn wel gemakzuchtig, doelloos, egocentrisch en zoekende. De diepgang komt van de oudere generatie. De jood Bentham (Bentheim) geeft Jakob in een sterke scène een college over het recht van de joden op hun panden die tijdens de Tweede Wereldoorlog door anderen ingenomen zijn. Ook krijgt Jakob via hem inzicht in dieper verdriet als Bentham hem vertelt over zijn overleden geliefde. De kinderen Dave en Sara groeien in nare omstandigheden op. Hen staat niets dan ellende te wachten. En zo blijven we elkaar generatie op generatie met treurige erfenissen opzadelen waar geen restitutierecht een gunstige wending aan kan geven.
    Een ander boeiend gegeven is de achtergrond waartegen het verhaal verteld wordt. Na 11 september 2001 staat de westerse wereld op zijn achterste benen met als tragisch hoogtepunt de oorlog tegen Irak vanwege vermeend bezit van chemische wapens. De angst voor aanslagen is in Londen alomtegenwoordig en zelfs de lethargische Isabelle begint batterijen, dekens, kaarsen en blikvoedsel te hamsteren. De sfeer is broeierig en warm. Isabelle doolt door de Londense straten, overgeleverd aan haar eigen gedachten en fantasieën. Dit is een impliciete verwijzing naar Virginia Woolf. De manier waarop Isabelle door Londen dwaalt en zich door haar eigen mijmeringen laat meeslepen, zijn in de stream of conciousnes-stijl geschreven waar Woolf zo beroemd mee geworden is.
    Katharina Hacker verwijst sterk naar Virginia Woolf (1882 ? 1941). In het boek wordt een paar keer gewag gemaakt van een te ondernemen wandeling naar Kew Gardens. Een plek waar Woolf graag kwam en waar ze een mooi verhaal over geschreven heeft (‘Street Haunting’, Pocket Pinguin 44). Verder raadt een collega Jakob aan de roman ‘Jacob’s Room’ (1922) te lezen. Een boek over de adolescent Jacob die, samen met zijn vrienden, in de beginjaren van de vorige eeuw tot een ‘lost generation’ behoorde. Zijn onbekommerde leven werd verstoord door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De goed verstaander ziet hierin de parallellen met Hackers eigen roman.
    De schrijfster verplaatst de stijl van haar illustere voorgangster naar de tijd van nu. In een sterke geëngageerde roman vol zoekende personen zet ze een rauw verhaal neer dat je laat nadenken over de harde tijd waarin we leven. Een tijd waarin iedereen met zichzelf bezig is. Maar of het nu het misdadige gekonkel van Jim is, de carrièrezucht van Jakob of de overlevingsdrang van de kleine Sara, iedereen wil maar één ding: liefdevolle aandacht.

    Pauline van der Lans

    Katharina Hacker ? Lege Handen
    Vertaling Ineke Lenting

    Uitgeverij Meulenhoff 2007

  • Vrouwland, Rachida Lamrabet

    Vlaanderen is lang achtergesteld op het gebied van nieuwe literatuur.
    Zoals dit er nu staat, is het een belachelijke uitspraak, dus dat zal ik even nuanceren.
    Er is niets mis met de vooruitstrevende positie van Vlaamse schrijvers binnen de Nederlandstalige literatuur. Er zijn genoeg romanvernieuwers geweest die sinds de jaren ’60 van de twintigste eeuw hun stempel hebben weten te drukken (denk aan auteurs als Ivo Michiel, Daniël Robberechts en Gust Gils). Er zijn ook auteurs geweest die probleemloos hun Nederlandse collega’s in tranen achterlieten (Hugo Claus en Louis Paul Boon). Er zijn nog steeds schrijvers die trots vooraan de voorhoede van de moderne literatuur marcheren (Peter Verhelst, Pol Hoste, Saskia de Coster). Maar om de een of andere reden is er in Vlaanderen nog geen belangrijke auteur van oorspronkelijk buitenlandse afkomst gesignaleerd. Nederland is verrijkt met auteurs als Rodhan Al Galidi, Abdelkader Benali en Hafid Bouazza en daar is ook Het huis van de moskee van Kader Abdolah verkozen tot één-na-beste roman aller tijden. Nu is het natuurlijk een volstrekt irrelevant gegeven waar die schrijvers oorspronkelijk vandaan komen of waar hun familiewortels liggen, en al net zo irrelevant waar ze nu wonen en welke nationaliteit ze nu hebben. De een overweegt naar België te verhuizen (Al Galidi) en de ander wordt pisnijdig als men hem als allochtone schrijver probeert aan te spreken (Bouazza ? een van de weinige levende schrijvers die de complete Van Dale uit zijn hoofd kent). Ze schrijven in het Nederlands, en daarop moeten ze worden beoordeeld en daarom moeten ze wel/niet worden gelezen.

    Je zou daarom kunnen argumenteren dat het eerste boek van de juriste Rachida Lamrabet weer een aanvulling is op de Nederlandstalige literatuur en punt uit. Toch is het echt een heuglijk feit dat Vlaanderen na jaren stinkjaloers kijken naar de Nederlandse-talenten-met-een-vreemde-achternaam, eindelijk een auteur heeft gekregen om zelf te omarmen. Of de auteur dat nu wil of niet, ze neemt wel degelijk een unieke positie in, in een land waar het benepen nationalisme en de tunnelvisie de actualiteit bepalen.

    Vrouwland is een verhaal dat gebouwd is om verschillen. Verschillen tussen Marokko en Europa, verschillen tussen mannen en vrouwen, verschillen tussen traditionele islam en het kapitalistische en egoïstische Westen. Ondanks het feit dat de personages aanvankelijk nogal schematisch overkomen (de ruimdenkende Europese man, de carrièrejagende vrijgevochten vrouw, haar in de criminaliteit wegzakkende broer, de flierefluiter die zich ingraaft in het geloof, de gelukszoeker en de hardwerkende gastarbeider), weet Lamrabet gaandeweg het boek een steeds aangrijpender en overtuigender verhaal te vertellen. Een vrouw die zich bewust is van haar kwaliteiten en niet bereid is zich in de webben van haar familie te laten spinnen, geeft in een lichtzinnige bui, tijdens een vakantie in het land van haar ouders, het ja-woord aan een jongen. Zodra ze het dorp verlaat, is ze die belofte vergeten, maar de smoorverliefde jongen verdrinkt in een poging haar in Europa te zoeken. De vrouw is ondertussen hard bezig een politiek carrière op te bouwen en schenkt er aanvankelijk weinig aandacht aan. Het land van herkomst blijft echter aan haar trekken: zowel haar familieleden als kennissen van die jongen trekken haar terug naar Marokko en naar een poëtisch slot van de roman.

    Vrouwland is een beheerst verteld verhaal, zonder wilde uitbarstingen en zonder woeste stilistische uithalen. Nergens wordt de roman een pamflet; er wordt niet gekozen voor de vrijheid van het Westen of de sterke familiewaarden van het Zuiden, voor de carrière noch voor de traditie. Er worden wel klauwen uitgestoken naar de opportunistische manier waarop het Westen omgaat met politici van allochtone afkomt (goed als stemmentrekker; daarna parkeren in een schaduwfunctie) en de Marokkaanse rigiditeit (een vrouw alleen kan daar geen hotelkamer boeken en liever niet zonder djellaba naar de markt), maar het boek veroordeelt niet. Het laat de lezer de keuze, en die keuzes zijn complex.
    Dit is niet een boek dat stelling neemt tegen iets, maar nuanceert. Een boek dat je laat nadenken over alle verschillen waar vrijgevochten Westerlingen en traditiegerichte (ex-)Marokkanen mee te maken hebben. Een boek waar iedereen die bereid is enige denkkracht in de huidige maatschappij te steken, dus iets aan heeft. En iedereen die een gevoelig boek wil lezen zonder de sentimentaliteit van een Vliegeraar. En iedereen die nieuwsgierig is naar nieuw Vlaams talent. Of schrijvende juristen. Of wat voor etiket je ook op deze veelbelovende schrijfster wil plakken.

    Rachida Lamrabet, Vrouwland, Amsterdam/Antwerpen, Meulenhoff/Manteau 2007

    Patrick Bassant ? Literair Vlaanderen

  • Poppy Shakespeare, Clare Allen

    De Engelse geestelijke gezondheidszorg op de korrel

    Met haar debuutroman Poppy Shakespeare geeft de Engelse schrijfster Clare Allen (Liverpool, 1970) de lezer een inkijkje in de Engelse geestelijke gezondsheidszorg. Allen heeft zelf een verblijf van tien jaar in een psychiatrische instelling achter de rug en maakte als ervaringsdeskunige van haar memoires een gefictionaliseerd verhaal. Om uit de psychiatrie te geraken volgde ze, op aanraden van haar sociaal assitente, een cursus creatief schrijven aan de East Anglia Universiteit te London. Het werd een verbluffende en verrassende kritische satire op een leefwereld die zo zijn eigen wetten heeft en zijn eigen opvattingen heeft over wat ‘abnormaal zijn’ is. De rode draad door het verhaal is de vrije meningsuiting en meer bepaald de discrepantie tussen de ervaring en de expressie van een mening.
    Het verhaal wordt verteld vanuit een verteller, de psychiatrische patiënte N., en speelt zich af in een psychiatrisch instelling, Abaddon, in het noorden van Londen. Deze N. krijgt de opdracht om een nieuweling, Poppy Shakespeare, wegwijs te maken in het reilen en zeilen binnen deze instelling. Architecturaal ziet de Abaddon eruit als een torengebouw met acht verdiepingen die dienst doen als een hiërarchisch uitdrukking van het niveau van ‘gek zijn’. Hoe hoger men daar verblijft, hoe gekker men is. Helemaal beneden, op het gelijksvloers, heeft men de dagpatiënten, van één tot zeven zitten de geïnterneerden en op de achtste verdieping zitten de finaal maatschappelijk afgeschrevenen. De patïenten op het gelijkvloers zijn specialisten in het roken van sigaretten en hebben er een streefdoel van gemaakt om niet uit de instelling ontslagen te worden, om zo psychisch labiel mogelijk over te komen. De norm is zo abnormaal en zo krankzinnig mogelijk zijn.
    Wie daar niet wil aan meedoen is Poppy Shakespeare. Na mee te hebben gedaan aan een persoonlijkheidstest ten behoeve van een sollicitatie werd ze doorverwezen naar het Abaddon. Ze doet er dan ook alles aan om ontslagen te worden, maar dat verloopt niet van een leien dak want ze doet zich te veel als normaal voor in de ogen van het personeel en volgens de normen binnen Abaddon. Ze krijgt echter hulp van N. en ze hoopt dat een advocaat haar kan helpen, dat hij haar psychische gezondheid kan bewijzen. Maar daar wringt ook het schoentje en het doet ietwat Kafkaïaans aan: de verhoopte advocaat kan pas voor haar pleiten als ze officieel gek wordt verklaard (dan pas krijgt ze een uitkering en kan ze hem betalen). Van ironie gesproken. Clare Allen slaagt erin om de lezer verschillende visies over ‘gek zijn’ te laten doordringen. De opvattingen over ‘normaal zijn’ zijn immers (sub)cultureel bepaald en dat wordt ook met mondjesmaat aangebracht.
    Een groot deel van het verhaal speelt zich af in de gemeenschappelijke ruimte op het gelijkvloers, bij de dagverblijvers die hopen op een langer verblijf. De satirische beschrijvingen daarvan hebben veel weg van een romaneske Big Brother-vertoning. De meeste patiënten zijn volledig op zichzelf betrokken, hebben geen werk, geen huis, geen sociaal netwerk buiten de muren, slikken vele pillen wat hen ook achterdochtig maakt. Zo denken sommigen dat ze in Big Brother meedoen omdat er een doorkijkspiegel in de gespreksruimte hangt. Wanneer er dan stelselmatig iemand vertrekt, denken de patiënten dat die dan weggestemd is door het publiek.
    Poppy Shakespeare is een aangenaam te lezen boek met bijzonder veel levensecht gemaakte psychiatrische patiënten. Ze is erin geslaagd om een ernstige thematiek met veel ironie, humor en absurditeiten te beschrijven. Het is een manier om de werkelijkheid te representeren, maar na het lezen blijft er bij deze lezer toch een zeker wrang nagevoel heersen. Het is vooral jammer dat de wegen terug naar de buitenwereld geblokkeerd geraken door een aantal verankerde structuren en commerciële motieven. En als we de prognoses voor de toekomst mogen geloven, wordt het er niet beter op. Meer mensen zullen de druk van de ratrace niet meer aankunnen, waardoor de vlucht uit de realiteit voor hen de beste oplossing. Allen schrijft nu maandelijks een artikel voor de Guardian over de gezondheidszorg en ze werkt aan een tweede boek. Voor een als ‘psychiatrisch’ omschreven patiënte schrijft ze echter wel niet te gek.

    Poppy Shakespeare
    , Clare Allen, Uitgeverij Meulenhoff

    Geert Beernaert

  • Held, Saskia De Coster

    Iets meer dan een jaar na haar goed ontvangen derde, Eeuwige roem, ligt er weer een nieuw boek van De Coster in de winkel.

    In het eerste deel neemt een meisje met een eetstoornis een autistische jongen op sleeptouw om middels een logisch doorgevoerd maar volstrekt absurd plan een doof-stom-blinde jongen weer te leren praten. Zo samengevat lijkt het idioot, maar De Coster weet die idiotie binnen de leefwereld van de personages zo volstrekt rationeel te brengen, dat je als lezer er probleemloos in meegaat en het rariteitenkabinet als logisch accepteert. Als de personages Lien en Marcus een cavia een bamibal voeren omdat hij altijd maar vieze korrels krijgt en daarom niets zegt, dan accepteer je direct daarop de redenering dat het mogelijk moet zijn woorden uit dat beestje los te knippen. En als Lien en Marcus ter verantwoording worden geroepen door de schooldirectrice, leef je met ze mee als die vreselijke vrouw alle pogingen tot uitleg genadeloos opzij schuift.
    In het tweede deel van de novelle, dat zich twintig jaar later afspeelt, gaat Lien, inmiddels journalist, op zoek naar iemand die haar vroegere vijand-en-tegelijk-bloedbroeder wel eens zou kunnen zijn. Hier neemt het tempo iets af en krijgt de novelle een wat hoger soortelijk gewicht. De confrontatie tussen de twee wordt uitgesteld, maar dan komt alles in een mooie apotheose bij elkaar: de kracht van het vertellen van verhalen, de macht van woorden, de haat/liefderelatie, de niet-waarneembare verschillen tussen de waanzin van oorlog en een naderend orgasme en zelfs een halfmystieke eenwording van twee zielen.

    Ook in eerdere boeken is er sprake van een tegenstelling tussen twee figuren die op de een of andere manier tot elkaar veroordeeld zijn. In haar debuut Vrije val waren dat Charlotte en Atlantis, die samen op een schip worden gezet als onderdeel van een experiment of een straf en die elkaars lichamelijke afwijkingen gebruiken om voedsel te vangen. In Jeuk zijn dat kroonprins Carl en zijn bastaardbroer Boris, waarbij Boris vooral leeft om zijn broer te haten en te vernietigen. In Eeuwige Roem zijn dat Julie en Babs, die elkaar bij tijd en wijlen tegenkomen en hoewel ze absolute tegenpolen zijn, elkaar als een spiegelbeeld in de gaten houden en zelfs een heftige amourette beleven. In Held tenslotte, is het dus de aanwezigheid van een sullige en ‘gestoorde’ klasgenoot Marcus die de hoofdpersoon Lien, zelf een eenzaam ‘watje,’ de kans geeft zich te profileren en hem mee te slepen in haar plannen. Van zijn motieven komen we weinig te weten, maar het feit dat hij steeds achter haar aan blijft lopen en alleen met haar een klein beetje contact kan maken, wijst er toch op dat ook hij zich wat meer compleet voelt als hij in de buurt van Lien is.

    Ook bekend uit eerder werk is het meisje dat zich haar hele kindertijd feilloos weet te herinneren. Zo weet Lien nog wat haar vader tegen haar zei toen ze vlak na haar geboorte zonder moeder het huis betraden. En ook hebben we al eerder kennisgemaakt met pratende voorwerpen, in die boek vertegenwoordigd door de mevrouw van de gps, een nieuwsgierige bemoeial die Lien niet alleen kan laten en liever wijsgerige observaties rondstrooit dan de weg te wijzen.

    In haar vierde boek in zes jaar, geschreven in de schrijversflat op het Spui in Amsterdam, toont De Coster zich wederom een eigenwijze schrijfster met een geweldige stijl. In deze fijne novelle herkennen we thema’s uit eerder werk en laten we ons weer meeslepen door het hoge tempo, de geharnaste zinnen en de ijzeren logica van de personages. Je hebt het in anderhalf uur uit, maar het blijft nog dagen door je hoofd spoken.

    Saskia De Coster, Held, Amsterdam uitg. Prometheus, € 14,95

    Patrick Bassant ? Literair Vlaanderen

  • Petropolis, Anya Ulinich

    ‘Fuck’ is een flexibel woord

    In de roman ‘Petropolis’, is hoofdpersoon Sasja Goldberg een liefhebster van Dostojevski’s ‘De Idioot’. Waarschijnlijk is dat tevens de literaire voorkeur van de auteur, want Anya Ulinich (1973) gaat, net als in het boek van de grote Russische schrijver, uit van het goede van de mens. Evenals Dostojevski zet ze behoorlijk absurde karakters neer. Vooral in Sasja, de in Siberië wonende negroïde puber van joodse komaf, komt dit tot uitdrukking. Haar bedillerige moeder, Loebov, kan er ook wat van, om maar te zwijgen van haar lamlendige vader Victor, die naar Amerika vertrekt en daar een nieuw gezin sticht. Waar is de psychoanalyse als je haar nodig hebt? Niet in het ijzig koude Siberische dorp Asbest 2, zoveel is duidelijk.
    In deze noordoosthoek van het Rusland van 1997 is de glasnost nog maar mondjesmaat doorgedrongen. Er is vrijheid, maar alles ademt nog de sfeer van het communisme. Deel één van het boek handelt over de veertienjarige Sasja. Ze zit op middelbare school nummer 13, woont in district 3 van Asbest 2 en volgt een avondcursus in gebouw ‘Na het eten’ in district 7. Ze wordt verliefd op een mislukte kunstenaar, die op een vuilnisbelt woont. Eindelijk is er eens iemand lief voor haar, maar het op goed geluk af en toe twee anticonceptiepillen innemen kan niet voorkomen dat ze zwanger raakt.
    Loebov grijpt in. Dit is niet het leven dat ze voor haar dochter voor ogen had. Voor Sasja geen armoede, viezigheid en kou. Voor Sasja geen schaarse maaltijden die in een grote pan worden aangestampt met de in cellofaan verpakte ‘Volledige Biografie’ van Nikolaj Gogol. Haar Sasja is een kunstenares en via slinkse wegen meldt ze haar aan op de kunstacademie, het Repinlyceum, waar dochterlief al snel door de mand valt. Baby Nadja houdt Loebov voor zichzelf.
    In deel twee trekt Sasja haar eigen plan. Ze is inmiddels zestien, maar doet zich ouder voor. Via een speeddate-sessie van relatiebemiddelingsbureau ‘Kupids Klub’ wordt ze, onder het toeziend oog van Dostojevski, aan een Amerikaan met albasten tanden gekoppeld. Haar leven in Arizona wordt gevuld met obligate seks en magnetronmaaltijden en al snel vraagt ze zich af of ze er, afgezien van het betere klimaat en de poster van Jim Morrison, eigenlijk wel op vooruit gegaan is. No way. Ze pakt haar koffers en vertrekt naar Chigago.
    Ze komt in deel drie als dienstmeisje bij rijke joodse Amerikanen terecht, waar de vrouw des huizes haar als ‘troeteljodin’ opvoert tijdens protserige benefietavonden onder de naam ‘Operatie Exodus’. Of ze nu in Asbest 2 woont, in Arizona of in Chigago: de benauwenis verstikt haar als een vochtige deken. Weer kan ze geen kant op. De redding komt van de zwaar gehandicapte zoon Jake. Een verbitterde spastische jongen, die gevangen zit in zijn eigen lichaam. Hij begrijpt maar al te goed dat Sasja wil ontsnappen en helpt haar aan het adres van Victor.
    De teleurstelling is groot als Sasja haar verhaaltjes vertellende vader terugziet als uitgezakte nietsnut die haar bestaan ontkent. Met hulp van zijn nieuwe vrouw bouwt ze een eigen leven op en wordt ze een echte Amerikaanse met een baan en een flat. Van haar gespaarde geld brengt ze een bezoek aan Asbest 2. Het laatste deel van het boek zet sprongen in de tijd, en vertelt hoe het weerzien tussen Loebov, Sasja en Nadja verloopt. Ook maakt Sasja een keuze tussen Rusland en Amerika, en laat ze eindelijk de liefde toe in haar leven.
    Schrijfster en Ruslandkenner Sylvia Witteman roept ons op de boekcover toe dat het om een ‘humoristisch meesterwerk’ gaat. Een leuk lokkertje en er staan zeker grappige scènes in. Als je een laag dieper te kijkt dan schuurt en schrijnt het. Daar zien we de kille leegte in het dagelijks leven in Rusland en de emotionele armoede van Amerika. De Amerikaanse succescartoon ‘Beavis and Butthead’ wordt dan wel in het Russisch nagesynchroniseerd, maar echt blij word je niet van het feit dat deze lethargische pubers ook al tot voormalig Oostblok zijn doorgedrongen.
    Het boek is geschreven vanuit Sasja’s perspectief. Diepere emoties legt ze vast in ooit te versturen brieven aan dochtertje Nadja. Ook worden op deze wijze gebeurtenissen samengevat. Deze vertelstructuur keert op belangrijke momenten terug. Een situatie wordt via een brief aan Nadja ingeleid, gevolgd door een dialoog en eindigt op beschrijvende toon.
    Ulinich hanteert een alwetende verteller om de levensgeschiedenissen van Victor en Loebov neer te zetten. Loebov vergelijkt de ooit zo prachtige stad Petrograd (later Leningrad en nu Sint Petersburg) met het zieltogende Asbest 2. Zie wat er aan levensloze bagger ontstaat na verwoesting. Een postapocalyptisch oord, zou de joods Russiche dichter Osip Mandelstam (1891-1938) zeggen. Waarna Loebov in gedachten zijn gedicht ‘Petropolis’ reciteert. Een gedicht uit de bundel ‘Tristia’, niet voor niets, zo zal blijken, het lijfboek van Victor.
    Ulinich besteedt veel aandacht aan de groten uit haar moederland. Blijft ze wat de Amerikanen betreft, met een loffelijke uitzondering voor Jim Morrison, steken bij ‘Beavis and Butthead’ en ‘Saturday Night Live’, de Russen kunnen niet stuk. Extra aandacht is er voor Vladimir Nabokov (1899 ? 1977), net als Anya Ulinich en Sasja Goldberg een Rus die voet aan de grond kreeg in Amerika. Zijn autobiografie ‘Speak, Memory’, waarin een idyllische wereld verstoord wordt, speelt een belangrijke rol. Als Sasja op een cruciaal moment bijna lijfelijk ervaart dat de personages haar een boodschap sturen, neemt ze een belangrijke beslissing.
    Anya Ulinich en Sasja Goldberg hebben veel gemeen. De schrijfster is op haar zeventiende van Rusland naar Amerika verhuisd en Sasja’s verbazing zal in veel gevallen die van haar zijn geweest zijn. Als je de armoede van het noordoosten van Rusland gewend bent, kun je je niet voorstellen dat er voorgesneden brood bestaat. En gratis plastic tasjes! Pizzabezorgers! En dan die vrijheid van de Engelse taal! Wat is ‘fuck’ eigenlijk een flexibel woord! Je kunt het te pas en te onpas gebruiken.
    Ook de op haar eigen belangstelling gebaseerde kunstenaarsambities van Sasja komen aan bod. Anya Ulinich is van huis uit kunstenares en heeft het boek speels geïllustreerd. De verwijzing naar de beroemde Russische schilder Ilja Jefimovitsj Repin (1844-1930) is veelzeggend.
    ‘Petropolis’ is een toegankelijke roman die op twee manieren gelezen kan worden. Enerzijds is het een ontwikkelingsroman van een meisje dat zich losmaakt van haar overbezorgde moeder om ‘the American dream’ na te jagen. Anderzijds geeft het een beeld van de Oost-West verhoudingen na Perestrojka. Humoristisch is dat zeker niet, eerder is het zó pijnlijk karikaturaal, dat je je serieus afvraagt op welk continent je beter af bent. Kijkend naar deze diepere laag, in combinatie met de aandacht die Ulinich geeft aan de Russische literatuurgeschiedenis, heeft Witteman wel gelijk als ze ‘Petropolis’ een meesterwerk noemt.

    Pauline van der Lans

    Anya Ulinich ? Petropolis
    De Arbeiderspers 2007
    Vertaling: Dennis Keesmaat
    www.anyaulinich.com

  • en roman van aan elkaar geprate novelles

    Toen Marc Dutroux in juni 2004 veroordeeld werd tot levenslang wegens onder andere het ontvoeren, misbruiken en vermoorden van diverse meisjes, kwam er een officieel eind aan een verwarrende periode. Verdwenen kinderen, massa hysterie, de klucht rond Dutroux’ ontsnapping, complottheorieën en een politieapparaat dat volledig in z’n hemd stond: beschamende Belgische toestanden die de ziel van het land ingrijpend hebben aangetast. Twee jaar later werden de meisjes Nathalie en Stacy na twee weken intensief zoeken vermoord teruggevonden, en ook in 2006 schoot een racistische puber in Antwerpen de allochtone Oulematou Niangadou en haar oppaskindje Luna dood.

    Sporen van deze gebeurtenissen hebben hun weg naar de Vlaamse literatuur gevonden. Voorbeelden hiervan zijn Walter van den Broeck, Verdwaalde post (1998), Jeroen Olyslaegers, Open gelijk een mond (1999), Koen Peeters, Acacialaan (2001) en Tom Lanoyes Monster-trilogie (1997-2002). Nu is Kristien Hemmerechts’ nieuwe roman verschenen, met de overduidelijke titel In het land van Dutroux. Wat weet zij na al die jaren toe te voegen aan de zaak-Dutroux en de manier waarop daar in literatuur op gereageerd wordt?

    Het boek is opgebouwd uit vijf delen. In elk deel staat een personage centraal dat zijdelings of direct met de andere personages verbonden blijkt. Zo is er de dochter van een garagehouder die zich aan zijn dochters vergrepen heeft, een man die verdacht wordt van de moord op een vrouw die meeliep in de Witte Mars, een pensionhoudster die haar scheiding aan het verwerken is, de dochter van bovengenoemde Witte Mars-vrouw, en een kunstschilder die alles van een afstand probeert in ogenschouw te nemen. Voorts zien we nog een getraumatiseerde zus, een depressieve carrièrevrouw met een hekel aan alle mannen, een tiran van een vader, een moeder met een lastige puberzoon, een liefdeloze vrouw die alleen ‘rauwe, onversneden seks’ zoekt, een voyeuristische Chinees, een man die zijn vrouw verlaat voor de kokkin, een legertje halfzussen etc. Dit rariteitenkabinet zou dan een doorsnee van de Vlaamse bevolking moeten zijn. Dan is het erger met België gesteld dan ik dacht, want aan werkelijk alle personages zit wel een steekje los. Het land van Dutroux wordt bevolkt door gevaarlijke gekken en getraumatiseerde slachtoffers. En allemaal worstelen ze op hun eigen manier met liefde, voor hun kinderen, hun ouders of hun partners.

    Een van de personages zegt: ‘België moet Dutroux dankbaar zijn. (…) Dankzij hem kan iedereen een wit gewaad aantrekken dat de witte staat van zijn ziel weerspiegelt.’ (p.302) En dat is precies wat er niet gebeurt. Het is juist andersom: dankzij Dutroux worden alle rotte plekken op ieders ziel zichtbaar. En iedereen probeert met zichzelf in het reine te komen, in dit boek overigens vervelend vaak door ‘de’ man, die natuurlijk dichtbij Dutroux staat, aan te vallen. Een kleine bloemlezing: “‘Ik ben blij, Aline, dat je eindelijk begrijpt dat vrouwen alleen op vrouwen kunnen rekenen.’” (p.376) “‘Jullie zijn allemaal hetzelfde,’ roep ik terwijl ik hem met mijn knie probeer te schoppen. ‘Jullie denken maar aan één ding!’” (p.175) en “Ze is een vreemd, kil en vijandig wezen; ze is de dochter van haar vader.” (p.163)

    Hemmerechts neemt de lezer aan het handje. En als ze vreest dat het te moeilijk wordt, neemt ze haar toevlucht tot twee mooie stijlmiddelen: de uitleg of de herhaling. Eerst de uitleg. Het lijkt niet de bedoeling te zijn dat de lezer zelf na hoeft te denken of wellicht iets verkeerd zou kunnen interpreteren. Dus krijgt de lezer alles op een presenteerblaadje aangeboden: “…stopt er een zwarte DS met Nederlandse nummerplaten voor de garage. Een zwarte godin: DS, déesse, godin.” (p.36) of “Het [pension] heet Algera. Aline en Gerard, Al-gera.” (p.100).
    Om de gebeurtenissen duidelijk te maken, kan het soms ook handig zijn bepaalde mededelingen herhaaldelijk te doen, in de hoop dat er iets bij de lezer blijft hangen. Dan lezen we passages als: “Ze hield van hen omdat ze niet van mij kon houden. Ik was te hard. Te onvoorspelbaar en te hard. Ze had het geprobeerd, maar het lukte niet. Niemand kon van mij houden. Ik was een harde. Een bikkelharde.” (p.205) of deze aan duidelijkheid niets te wensen overlatende dialoog:
    “‘Ik weet het niet. Ze is gisteren niet thuisgekomen.’
    ‘Waarom niet?’
    ‘Dat weet ik niet.’
    ‘Hoe weet ge dat niet?’
    ‘Ik weet het niet.’
    ‘Is ze niet naar de Witte mars geweest?’
    ‘Ja, ze is naar de Witte mars geweest.’
    ‘En ze is niet thuisgekomen?’
    ‘Nee, ze is niet thuisgekomen.’” (p.228-229)
    Nog een staaltje dialoogkunst: “‘Laat hem daar staan, Ben. Hij staat daar goed, Ben. Er hangt zand aan de wielen, Ben.’” (p.352) Let wel: dit is niet gericht tot een kind, maar tot een volwassen man.
    Als Hemmerechts afdaalt in de beweegredenen van een man, dan komen er onzinredeneringen uit als: “Ze brengt hem geen ongeluk. Ze brengt hem geluk én ongeluk.” En “niet voor zichzelf, maar voor Ana Lucía. En ook voor zichzelf.” (beide p.374)

    In het land van Dutroux is een eendimensionaal boek geworden (of eigenlijk enkele aan elkaar geprate novelles), in een door overbodigheden en herhalingen gekenmerkte vertelstijl, met her en der slordige fouten (zo wordt Hans Van Themsche gespeld als Van Temsche) met een ongeloofwaardig hoog percentage verknipte lieden, zonder interessante duiding van de gebeurtenissen die de aanleiding vormden voor de titel.
    Waarom niet geschreven hoe men in dat land van Dutroux aankijkt tegen periode ná Dutroux, wat er veranderd is in de omgang met de zaak rond Van Themsche of Nathalie en Stacy, hoe men omgaat met de collectieve schuldgevoelens over kindermisbruik en rechts-extremisme, om het even wat, iets wat deze roman uit zou tillen boven het gedoe van een paar individuele getroebleerde Belgen.

     

     

     

  • In de beste familie, Rachel Cusk

    De tijden van weleer keren nooit meer terug

    Even denk je in ‘Brideshead Revisited’ van Evelyn Waugh beland te zijn, om je vervolgens af te vragen of je misschien te maken hebt met een van de Oxfordromans van Iris Murdoch. Niets is minder waar. Wel is de Engelse schrijfster Rachel Cusk (1967), met behoud van haar eigen stijl, in haar nieuwste boek ‘In de beste Familie’, schatplichtig gebleven aan haar illustere voorgangers.

    De eenvoudige twintiger Michael is volledig in de ban van de aristocratische familie van zijn studiegenoot Adam Hanbury. Als hij in het begin van het boek door hen wordt uitgenodigd voor een groot zomerfeest in het weelderige Somerset, kijkt hij zijn ogen uit. Hij heeft het idee eindelijk tot zijn recht te komen in hun warme, indrukwekkende landhuis ‘Egypt’.
    Hij wordt meteen verliefd op de feeërieke Caris, de zus van Adam. Pater familias Paul, een flamboyante macho met twee vrouwen, een ondefinieerbare kinderschaar en een schapenfarm, intrigeert hem mateloos.

    Zestien jaar later zit Michael muurvast in een huwelijk met de labiele en vermoeide Rebecca, waarbij hun autistische zoontje Hamish symbool lijkt te staan voor het gebrek aan communicatie tussen beide echtelieden. Als Michael op een haar na aan de dood ontsnapt, omdat het balkon van zijn huis naar beneden stort, belt hij zijn oude vriend Adam, die inmiddels bouwkundig ingenieur is. Adam nodigt hem uit om naar ‘Egypt’ te komen, omdat hij hulp nodig heeft met de kudde drachtige ooien. Michael realiseert zich dat zijn balkon wel even kan wachten, omdat er meer fundamenten in zijn leven aan vernieuwing toe zijn, en stemt toe. Waar zal hij meer in het reine met zichzelf kunnen komen dan bij de wereldse Hanbury’s?

    Op ‘Egypt’ aangekomen is er niets meer dat doet herinneren aan de dagen van toen. Vader Paul ligt met prostaatkanker in het ziekenhuis, de vrouwen leven in onmin met elkaar, de frêle Caris is een onverzorgde rebel geworden, het landhuis staat op instorten en het schapenbedrijf levert geen cent meer op. Ook Adam is niet meer de losbol van vroeger: hij woont met zijn redderende vrouw en twee kinderen in een nieuwbouwwijk.

    Terwijl Michael nadenkt over zijn leven en zijn huwelijk, merkt hij dat er achter de idyllische façade van de Hanbury’s een gistende brij ligt, die elk moment als een lava over de heuvels van Somerset kan uitgulpen. De schrijfster zet dit sterk aan door een stel tirannieke honden ten tonele te voeren, die volledig door het lint gaan tijdens de afwezigheid van hun baasje Paul. Een explosie is onontkoombaar. Het fragment uit Tjechov’s ‘Kersentuin’ waar Rachel Cusk in het begin van haar boek aan refereert, geeft het al aan: hoe je ook vasthoudt aan rijkdom en traditie, de tijden van weleer keren nooit meer terug.

    In het fragment van Tsjechov wordt een jongeman aangesproken. In hem kunnen we Michael ontdekken. Hij is de verteller in ‘In de beste Familie’ en zet zijn eigen zielenroerselen af tegen de door hem waargenomen teloorgang van de rijke Hanbury’s. Michael is advocaat, en zijn taal is hier en daar gezwollen. Zijn denktrant is zakelijk en observerend. In de groepsdiscussies tussen de Hanbury’s lijkt hij de spil te zijn. In plaats van met elkaar in gesprek te gaan, richten de ruziezoekers steeds het woord tot hem.

    Hoewel alle personen sterk neergezet worden, springen Paul en Caris er uit. Zij staan lijnrecht tegenover elkaar. Paul is een krachtige, gespierde man met markante trekken. Hij lijkt zichzelf als een menselijke godheid te zien, een ‘nefer neter’, uit het oude Egypte. Hij zwaait de scepter over zijn ‘Egypt’ en kijkt neerbuigend op de anderen neer, waarbij vooral de goddeloze drie-eenheid vrouwen, nichten en joden het moet ontgelden.
    In het verhaal is hij de alom aanwezige afwezige. Met zijn penis in het verband ligt hij in een ziekenhuisbed en de scène waarin hij fulmineert over de achttiende-eeuwse feministe Mary Wollstonecraft, is sterk.

    Caris staat voor het tegendeel van Paul. Het schattige meisje van vroeger is uitgegroeid tot een onzekere slons die in een vrouwencommune woont. Ze voelt zich stelselmatig onderdrukt door het patriarchaat van haar ouderlijk huis. Haar vader had liever een zoon willen hebben, ze werd geslagen door Adam en haar moeder zag haar als rivale. Op haar zestiende liep ze van huis weg, om zestien jaar later vol verwijten terug te keren.

    De man-vrouw verhoudingen spelen een grote rol in het boek. Niet alleen via de personages van Caris en Paul, maar ook in de beschrijvingen van het gezinsleven. Rachel Cusk heeft ook in haar eerdere boeken veel over het ouderschap geschreven. Er is constant een strijd tussen de seksen gaande. Het bijzondere van ‘In de beste Familie’ is, dat het een pleidooi is voor vrouwenemancipatie en sterke feministische trekken vertoont, maar dat het verhaal door de ogen van een man beschreven wordt. Een aardige man bovendien. Michael is een redelijk soft type die zelf bewust aan ‘soulsearching’doet. Hij snapt er alleen geen moer van, van vrouwen.

    Als hij aan het eind van het boek naar huis terugkeert, wordt hij onder vuur genomen door Rebecca en haar vriendin Charlie. In het conflict dat tussen hen drieën ontstaat, is weergaloos mooi beschreven hoe Michael vastzit in zijn onbegrip. Hij observeert de twee vrouwen en zou in hun sfeer op willen gaan. Er ontstaat een vergelijkbare situatie met zestien jaar geleden waarin hij, aangedreven door aanbidding, deelgenoot wilde worden van de Hanbury’s clan. Zijn adoratie maakt dat hij als toeschouwer van een schilderij, verwoede pogingen doet in de lijst te stappen om zo onderdeel te worden van het geobserveerde. Maar hij blijft hoe dan ook buitenstaander.

    ‘In de beste Familie’ is te lezen als pageturner, een lekkere roman over persoonlijke zoektochten en familieruzies. Degene die moeite doet, zal echter veel lagen ontdekken. De symboliek van ‘Egypt’ bijvoorbeeld, het autistische kind, de loeiende bevallende ooien, de hellehonden. Ook de verwijzingen naar Tsjechov en Wollstonecraft geven het boek extra cachet. Misschien levert het zelfs op dat je blij kunt zijn met je eigen familie. Of dat je juist gerustgesteld bent, omdat je niet de enige bent die participeert in zo’n gistende brij…

    Pauline van der Lans

    Rachel Cusk ? In de beste Familie
    De Bezige Bij

  • Wat is de Wat, Dave Eggers

    Dit boek is volgens de titelpagina zowel een roman als een autobiografie van Valentino Achak Deng, een Soedanese vluchteling. In diens voorwoord wordt dit uitgelegd: hij heeft zijn levensverhaal aan Eggers verteld, en die heeft er een roman van gemaakt. Het boek is dus gebaseerd op de belevenissen van Valentino, maar veel passages zijn wat verfraaid en Valentino heeft niet noodzakelijk alles meegemaakt wat de Valentino in het boek beleeft.
    Een zekere mate van wantrouwen is dan wel op zijn plaats. Een boek is fictie, en dan is het niet relevant wat er echt gebeurd is, of een boek bevat een (auto-)biografie en dan is verdichting en verfraaiing niets anders dan geschiedvervalsing. Als een boek van twee walletjes wil eten, weet je niet precies wat je ermee aan moet.
    In de praktijk blijkt Eggers zijn boek echter goed onder controle te hebben. De vraag wat er allemaal echt met Valentino is gebeurd, wordt overtuigend als overbodig terzijde geschoven. Het gaat er namelijk niet zozeer om wat één individuele Soedanese vluchteling beleefd heeft, maar wat de tienduizenden Lost boys is overkomen, en Valentino fungeert als spreekbuis voor deze hele groep, een groep die anders geen stem heeft of bijna niet wordt gehoord. Zo’n 25 jaar burgeroorlog in Soedan heeft miljoenen mensen gedood of op de vlucht gejaagd. De overlevenden zitten soms tientallen jaren in vluchtelingenkampen over de grenzen, in Kenia en Ethiopië. Mondjesmaat worden zij als politiek vluchteling toegelaten tot andere landen, en een flinke groep is uiteindelijk in de Verenigde Staten terecht gekomen.
    Ik zal hier niet herhalen wat Valentino Achek Deng en zijn lotgenoten hebben meegemaakt. Dat wordt in de bijna 500 pagina’s uitgebreid verteld, en het bevat veel te veel ellende voor een mens. Je begint bijna te hopen dat Eggers de helft heeft verzonnen om zijn boek zwaarder te maken, dan is het Valentino tenminste niet echt overkomen, maar je vreest dat dat niet het geval is.

    Het is de kracht van Eggers dat hij dit topzware leven heeft verteld in een beheerste stijl, en dat hij van de hoofdpersoon niet een door wraak en verdriet verscheurd wrak heeft gemaakt. Gegeven de gebeurtenissen heeft hij daar wel alle reden toe, maar dat zou een ongenuanceerd en vervelend boek hebben opgeleverd. Eggers (en Valentino) zijn na jarenlang onderzoek naar buiten gekomen met een eerlijk document over de gevolgen van de burgeroorlog tussen de regeringslegers en de rebellen, waar de burgers tussen vermorzeld worden. Het getuigt van geduld en eerlijk engagement om zo’n boek te schrijven, zo gedetailleerd verslag te doen van een exemplarisch Soedanees jongensleven. En dat bijna zonder vervelende vingertjes naar de lezer, zonder een belerend toontje aan te slaan. Hij toont wat er is gebeurd, zo goed als zonder opsmuk. Het is dan aan de lezer daar verder consequenties aan te verbinden, om zelf de ogen open te houden en na te denken over wat hij net gelezen heeft.

    Toch moet me wel iets van het hart over de door Eggers gekozen romanvorm. Hij heeft zo veel te vertellen over Valentino dat het onmogelijk is dat in een fatsoenlijke roman te proppen. Eggers heeft voor de optie van een raamvertelling gekozen, en laat Valentino over zijn leven vertellen tegen de mensen die hij tegenkomt. Meestal is dat niet hardop, maar richt Valentino zijn monologen in stilte tot de mensen om hem heen. Er is een flinterdun raamvertellinkje, een overval in Valentino’s eigen huis in Atlanta en het ziekenhuisbezoek daarna, dat aan het begin van elk hoofdstuk de kop opsteekt. Dat geeft Eggers de mogelijkheid het personage tientallen pagina’s te laten vertellen tegen de overvallers, hun kind of de nachtportier van het hospitaal. Zo wordt de overval een enorm slepende zaak die keer op keer opgerakeld wordt, en daardoor belangrijker lijkt dan de ervaringen van de Lost boys.
    Op de laatste pagina richt de hoofdpersoon zich opeens tot een ‘jij’, tot de lezer dus. Bijna alsof hij bang is na 474 pagina’s zijn hele levensverhaal te hebben verteld aan alles en iedereen, het contact verloren te hebben met de enige persoon die ook gehoord heeft wat hij te vertellen had, namelijk de lezer. De laatste regels van het boek:
    “I will tell stories to people who will listen and to people who don’t want to listen, to people who seek me out and to those who run. All the while I will know that you are there. How can I pretend that you do not exist? It would be almost as impossible as you pretending that I do not exist.”
    Die ‘you’ heeft net zijn hele verhaal gelezen en zal niet snel geneigd zijn Valentino’s bestaan te ontkennen. Maar in de laatste regels blijkt de hoofdpersoon bang te zijn het wederzijdse contact ? waar niet echt sprake van was ? te verliezen. Deze directe adressering komt uit het niets vallen en komt geforceerd en verwrongen over.
    De gebeurtenissen spreken voor zich en zijn uitstekend verteld, in een heldere stijl met sprankjes humor tussen de vreselijke gebeurtenissen door. Door de raamvertelling en het nogal pathetische en zwaar aangezette eind, komt het wat scheefgegroeid over. Als Eggers gekozen had voor de vorm van een al dan niet lichtjes gefictionaliseerde biografie, dan had hij die rare waterhoofdconstructie niet nodig gehad.
    Dat is het enige minpuntje aan dit verder overtuigende document over een van de grootste humanitaire rampen van de laatste eeuw.

    Patrick Bassant

    Dave Eggers, What Is the What, Hamish Hamilton 2006. Vertaald als: Dave Eggers, Wat is de wat, Rothschild & Bach 2007, Vertaling: Wim Scherpenisse en Gerda Baardman