• Proeve van hardop denken

    Op de snijtafel ligt een gedicht van Chr. J. van Geel uit de bundel Onverzamelde gedichten.

    Ik spreek vanuit een donker bos
    waarin geen boom, geen tak, geen knop,
    waarin onstaan tot brandhout wordt
    gehakt, door niemand ooit gezien.

    Zag u het meteen? Er staat geen ‘ontstaan’ maar ‘on*staan’. Lastig. Moderne poëzie is bij uitstek het genre waarin je heel moeilijk kunt vaststellen of iets een toevallige druk- of taalfout is dan wel opzet. Toch is mijn eerste indruk dat het een drukfout moet zijn. We doen gewoon alsof die T er wel staat, elke regel bevat dan vier jamben.

    Maar wat is de betekenis als we ‘ontstaan’ lezen, dus mét T? Hoe kun je een abstractie als ‘ontstaan’ verbinden met zoiets concreets als ‘hakken’? Bij de woorden ‘bos’, ‘boom’ en ‘tak’ is dat geen probleem, die dingen laten zich inderdaad hakken. Maar ‘ontstaan’? Dat heb je met ‘onstaan’, zonder T, natuurlijk net zo goed. Dat woord bestaat niet eens.

    Wacht even: ‘door niemand ooit gezien’, dat kán natuurlijk op ‘ontstaan’ slaan. Wordt hier dan iets piepkleins in de kiem gesmoord, een allereerste aanvang? Maar ‘door niemand ooit gezien’ kan net zo goed op ‘brandhout’ slaan, of op de mededeling dat het bos ‘donker’ is. Hier schieten we dus niet mee op. Trouwens, hoe lang kun je eigenlijk bij bomen spreken van ‘ontstaan’? Is een eikje van drie meter een eik die nog steeds aan het ontstaan is? Een woudreus in wording? Maar ho: er staat juist ‘geen boom’.

    Nee, de lezing ‘ontstaan’ brengt ons niet verder. Als we ‘onstaan’ accepteren, gewoon zoals het er staat, dan verschuift het woordaccent en komt de klemtoon te liggen op ‘on’, net als bij ‘onzin’, ‘onbegrip’, ‘onrechtvaardig’ en zo. Maar daarmee raakt het metrum van slag. Wacht even… ‘van slag’, past dat niet uitstekend bij ‘hakken’? Jawel, bij een eigenaardigheid in de vorm van een gedicht moet de lezer alert zijn op een corresponderend element in  de betekenis. ‘Iconiciteit’ heet dat: ‘Pietje kan niet spellen, alles schrijft hij faudt’, dat idee. Dus hier hebben we misschien zo’n geval van iconiciteit: waar gehakt wordt, valt het metrum om.

    Grappig trouwens dat er geen werkwoorden zijn met het voorvoegsel ‘on-’, alleen andere woordsoorten. Het wordt bij werkwoorden meteen ‘ont-’. Nooit beseft. Maar let op, dat betekent in veel gevallen iets totaal anders dan het ‘on-’  in woorden als ‘onzin’. Denk maar aan ‘ontwaken’, ‘ontspringen’, ‘ontvangen’. Daarin betekent ‘ont-’ zoiets als ‘beginnen met’, net als in ‘ontstaan’ dus. Natuurlijk bestaan er zat werkwoorden waarin het wél hetzelfde betekent als ‘on-’, bij voorbeeld ‘ontdekken’, ‘ontvouwen’, ‘ontmannen’. Daarin is sprake van het opheffen van de betekenis van het hoofdwoord dat op het voorvoegsel volgt: ‘onbegrip’ is juist geen begrip en ‘ontdekken’ is ‘blootleggen’. Moeten we ‘onstaan’, zonder T, dan maar opvatten als het tegenovergestelde van ‘ontstaan’? ‘Beginnen met’ tegenover ‘teniet doen’?

    Hee, ‘ontstaan’ wordt door menigeen uitgesproken als ‘onstaan’, zonder de eerste T, let er maar eens op. Zo’n opeenstapeling van medeklinkers als NTST, dat bekt nu eenmaal niet lekker. Heel goed mogelijk dat Van Geel dat is opgevallen en dat hij geboeid werd door het verschijnsel dat je bij het uitspreken van dit woord eigenlijk het tegenovergestelde zegt. Twee voor de prijs van één als het ware: begin en einde, geboorte en dood, samen in één woord. Zoals je ‘vernielen’ kunt verstaan terwijl iemand ‘vernieuwen’ zegt. Misschien hebben we hier de kiemcel van het gedicht te pakken, de zandkorrel in de oester waaromheen de parel zich heeft gevormd.

    Wat ook denkbaar is: ‘onstaan’ is zijn leven begónnen als drukfout en daarna door Van Geel als zinvolle variant geaccepteerd. Over zulk dichterlijk opportunisme heeft Cees Buddingh’ het gedicht ‘Zo zijn ze wel’ geschreven:

    Auden schreef in ‘Journey to Iceland’:
    “and the poets have names for the sea”

    Het ging naar de drukker, die ervan maakte:
    “and the ports have names for the sea”

    Zo staat het nu in alle boekjes:

    dichters zijn dankbare mensen

    Verder. Wat heeft het spreken van ‘ik’ te maken met de rest van het gedicht? En wat betekent ‘Ik spreek vanuit een donker bos’ eigenlijk?

    Let op, die eerste zin is ambigu. Je kunt hem opvatten als een incidentele mededeling: ‘Luisteraar, ik bevind me in een bos en daar vandaan richt ik nu het woord tot u om u te vertellen dat …’. Een beetje zoals een verslaggever dat zou doen. Je kunt de zinsnede echter ook in algemene zin opvatten: ‘Altijd als ik spreek komen mijn woorden uit dat bos waar ik me in bevind…’.

    In de eerste interpretatie van regel 1 heeft de inhoud van het gedicht betrekking op het bos en wat daar volgens de spreker aan de hand is, en in de tweede lezing heeft de inhoud betrekking op het spreken. Die tweede lezing wordt nog versterkt doordat het hele gedicht één enkele volzin is. Syntactisch zit hij eenvoudig in elkaar: onderwerp – gezegde – bepaling. De bepaling begint bij ‘vanuit’ en bevat op zijn beurt weer verschillende beknopte zinnen die iets vertellen over het bos. Even kijken: óf de bepaling slaat op het onderwerp, dus op ‘ik’, dat is dus de spreker, óf hij gaat over het gezegde: het spreken.

    Gek beeld eigenlijk: ‘spreken vanuit een bos’. Staat daar iemand met een megafoon? We kennen natuurlijk uitdrukkingen als ‘Ik spreek vanuit de veronderstelling dat…’ en ‘hij sprak ons moed in vanuit de verwachting dat…’.

    In dit soort formuleringen betekent ‘spreken vanuit’ zoiets als ‘spreken op grond van dit of dat uitgangspunt’, spreken dus waarin wordt voortgebouwd op een premisse. Er is als het ware een fundament gelegd waarop, retorisch of logisch, wordt voortgebouwd. Nog ruimer geformuleerd: er is een bodem en er is iets wat daaruit voortkomt.

    Geeft de dichter ons hier een beeld van zijn innerlijk? Gaat het om de voedingsbodem van het dichterschap? Het poëtische magma, waarin van alles ontstaat en weer onstaat, de brandstof van het dichterlijke vuur, waarvan de vlammen oplaaien naar het bewustzijn. Van Geel gaat aan de slag, hij warmt zich aan het vuur, hij neigt zijn oor naar vreemde stemmen en noteert elke variant die bij hem opkomt. De dichterziel als composthoop; het dichterschap als dienstbaarheid; dichten als ambacht. Denk aan de etymologie van ‘poëet’ (maker) en ‘troubadour’ (vinder).

    Hoe kunnen we het gedicht parafraseren? Misschien zo: ‘Mijn poëzie ontspruit aan een mij onbekende bron, waar ik mij aan moet overgeven.’ Hm, ik zou er mijn hand niet voor in het vuur durven steken. Een andere lezing zou kunnen luiden: ‘De dichter is spreekbuis voor een stem die niet de zijne is.’

    We weten nog steeds niet of ‘onstaan’ een drukfout is. Maar mocht dat zo zijn, dan is het een fout die vrucht draagt, want hij zet de lezer aan het denken en voegt mogelijk een betekenis toe aan de mogelijke interpretaties. Iets gaat kapot en draagt vrucht – ook dat is misschien het onderwerp van dit gedicht. In de woorden van Leonard Cohen: ‘There is a crack in everything, that’s how the light gets in.’

     

     

  • Kunst aan de keukentafel

    Vorige week zondagochtend liep ik met mijn 9-jarige dochter het Rijksmuseum in om de tentoonstelling van Hercules Segers (1589/1590-1633/1640) te gaan bekijken. Bleek het net te zijn afgelopen! Ach, er is nog genoeg te zien, zei mijn dochter. En dat is ook zo. Toch moest ik even mijn teleurstelling verbijten, om daarna hand in hand met dochterlief naar de Nachtwacht door te lopen. ‘Die wil ik nog een keer zien hoor, pap.’ En de andere Rembrandts en Van Goghs. Snel voordat de Chinezen komen, zeiden we tegen elkaar. Ik had me wel erg op Segers verheugd, al een paar maanden eigenlijk. Tja, dan had ik dus eerder moeten gaan. Gebeurt wel vaker helaas. Om het passieve enthousiasme om te zetten in een actie, ergens daar tussenin strand ik vaak.

    Zo liep ik ook de expositie van Jan  Weissenbruch (1822-1880) in het Teylers Museum te Haarlem mis. Kwam ik achter toen een collega vertelde dat ze nog net de laatste dag ervan hadden kunnen meepikken. En ze hadden ook nog het laatste gebonden exemplaar van de tentoonstellingscatalogus kunnen aanschaffen aldaar. Wat fijn is het dan om als antiquaar dan een paar dagen later alsnog de catalogus met schilderijen en aquarellen van deze Vermeer van de 19de eeuw tijdens een inkoop aan te treffen. Wel in paperback, maar toch, fijn. En, jeuh, in de stapels boeken ook een catalogus van Het Rembrandthuis over Hercules Segers, de schepper van de minimale landschappen en zijn invloed op andere kunstenaars. Het boek staat vol kunstwerken die geënt zijn op de vroege meester en zelfs met regelrechte verwijzingen  naar de beroemde rotslandschappen, de hangende bomen met sliertige takken die de etsen en schilderijen bevolken. In de kunst van Segers zijn weinig mensen te bekennen. Alsof Segers op een andere planeet dan de onze vertoefde.

    Ook Rembrandt was een vroege fan van Segers’ monochrome werk. Hij kocht een aantal werken van Segers, die ook nog een IMG_0585vriend werd. Ik moest denken aan de prachtige, weemoedige novelle over het leven van Segers: De bergreis van Theun de Vries (Querido, 1998). Waar je bij Weissenbruch baadt in het licht van een mooie zomerse dag vol menselijke activiteit aan de rivierbedding, zo word je bij Segers een vaal, vuil, leeg berglandschap in gezogen. Twee kunstenaars, twee gemoedstoestanden. Prettig om tussen die twee heen en weer te pendelen met een paar bewegingen van handen en ogen, zittend aan de keukentafel thuis, met een op zijn huiswerk zwoegende zoon naast me. Dat is weer het mooie aan boeken: de wereld gevangen tussen twee kaften. Er staat nog een expositie op de verlanglijst: Tinguely in het Stedelijk Museum Amsterdam. Daar ga ik zeker naar toe!

     

     

  • De voyeur

    Ik keek naar vier badende vrouwen en voelde me een voyeur. Eentje wreef onder water over haar knieën, terwijl een ander zichzelf afsponsde. Ik genoot. Twee andere vrouwen leken in gesprek, en op de achtergrond keuvelden aan de rand van het zwembad nog eens vier andere vrouwen. Een laatste vrouw bracht op een dienblad de handdoeken. Ik schrok wakker uit mijn overpeinzingen en deed een stap achteruit. Mijn ogen gleden nog even over het kleine, geschilderde paneeltje voor me. Ik was overdonderd. Wat kon die sir Lawrence Alma-Tadema schilderen. Deze voyeuristische ervaring overkwam me enkele weken terug in Leeuwarden, bij de prachtige overzichtstentoonstelling van sir Lawrence Alma-Tadema. Meer dan honderd werken zag ik er, waaronder zijn verbeelding van een klassiek Romeinse badhuis. Alles leek uit het leven gegrepen te zijn, ook al was het allemaal verzonnen. Ontsproten aan Alma-Tadema’s brein, maar met behulp van zijn fijnschilderkunstige penseelvoering zo goed uitgebeeld dat het lijkt alsof je naar de realiteit kijkt.

    Toen ik een paar dagen geleden genoot van een dagje welness moest ik hier weer aan denken. Mijn setting was weliswaar minder extravagant dan Alma-Tadema’s “Een bad”, met minder marmer en tattoos in plaats van fresco’s. Maar verder waren er verbazingwekkend veel overeenkomsten. Het deed me deugd maar ook een beetje pijn, omdat het me op een ongemakkelijk waarheid wees: alles wat ik doe is al eens gedaan. Niets is nieuw. We herbeleven in ons leven datgene dat anderen voor ons al ontelbare keren gedaan hebben. Met een lichte frustratie sloeg ik het boek dat ik aan het lezen was weer open. ‘My theme is memory’, las ik, ‘that winged host that soared about me one grey morning of war-time’. Ook in dit boek stond blijkbaar dat wat reeds eerder gebeurd was centraal. Maar het bleek voor Charles Ryder, de hoofdpersoon en verteller van Brideshead Revisited van Evelyn Waugh, geen frustratie op te leveren, maar juist houvast. ‘For we possess nothing certainly except the past’.

    Hoe verder ik las des te meer ik me bewust werd van de parallel tussen Alma-Tadema en Charles Ryder. Beiden leefden in Engelse adellijke kringen een leven van voorbije grandeur, waarin hun huizen Huizen waren en hun vakanties een Grand Tour. En beiden waren succesvol schilder. Met natuurlijk dat verschil dat de één een persoon van vlees en bloed was, die werkelijk bestond en meer dan honderd schilderijen schilderde die ik kon bewonderen, en de ander een verzonnen romanfiguur, waarover ik weliswaar kon lezen, maar die nooit zo tastbaar kon worden als Alma-Tadema’s schilderijen. Alhoewel. Ik dompelde me weer onder in de wereld van Charles Ryder en gaf me over aan zijn liefde voor Lady Julia Flyte. Ze kwamen onder de geweldige fijnschrijverige penvoering van Evelyn Waugh tot leven. Als twee geliefden in een schilderij van sir Lawrence Alma-Tadema. Opnieuw voelde ik me een voyeur.

     

  • Running mate

    Zing bid huil lach en bewonder. Mijn lief zit spinnend achter een spinnewiel en luistert naar de sprookjes van Godfried Bomans en ik vond een nieuwe liefde. Zo kunnen de dingen die onmogelijk lijken zomaar samenvallen. Ik moet het er eigenlijk maar gelijk in knallen: ik ben verliefd op Elizabeth Warren! Trump vindt haar een’ verschrikkelijk mens’ wat aangeeft hoe geweldig ze is. Gewoon om het feit dat iedereen van wie Trump zegt dat ze verschrikkelijk zijn, Fake nieuws verspreiden, hun werk doen binnen de maatstaven die daarover afgesproken zijn. Wie zich daar niet aan houdt, maakt er een zooi van en schuift  de dingen naar het randje van de afgrond.

    Maar daar was Elizabeth Warren, de liberaal Democratische senator van Michigan en een klasse apart als debater. Warren die de tot Secretaris voor Onderwijs voorgedragen miljardair Betsy DeVos ( zus van Erik Prince, geheim adviseur voor het Trump-team op intellegentie zaken, wat daar de inhoud ook van moge zijn)  doorzaagde over haar kennis in- en ervaring met de baan die haar te wachten staat.

    Zo doortastend en goed opgebouwd. Alsof je naar een toneelstuk kijkt, Warren in de rol (met verve gespeeld) die van de hoed en de rand weet. Met een goed doorwrochte tekst waarin elk woord zijn doel nooit mist. Al moet ze haar vraag soms herhalen omdat de antwoorden te fluffy en ontwijkend zijn. Betsy DeVos als tegenspeler, die zonder tekst het toneel is op geschoven en het op een haperend improviseren zet. Alsof Warren een kind bevraagd, de tijd dringt en de waarheid moet boven tafel komen om aan te kunnen tonen of iemand capabel is of niet voor de taak waar een natie afhankelijk van zal worden.

    Ik keek het filmpje keer op keer terug. De wijn smaakte er nog beter door, ik voelde me gevleugeld (door de wijn en haar optreden), wilde haar haren strelen en dacht: ‘Ha, we zullen ze eens wat laten zien.’ Al moet ik mijn rol hierin nog verzinnen. Ik keek en zag opnieuw hoe ze geen  geduld heeft voor flauwekul. Hoe ze sneller spreekt en meer tongstruikelende woorden dan Matthijs van Nieuwkerk gebruikt. Ik kijk naar haar mooie slanke handen die af en toe vloeiend maar beheerst meebewegen als ze spreekt. Haar mooie mond die ik zou willen zoenen na elk woord dat over haar lippen komt.
    En ik verzin, dat als ze voor het presidentschap was gegaan, ik haar running mate was geworden. Nou ja, als je verliefd bent slaat je hoofd op hol. Zing bid huil lach  (kijk hier hoe ze het doet) en bewonder.
    En Mijn lief luistert nog steeds naar Bomans, over de Koning die niet dood wilde en laat het spinnewiel draaien terwijl een fijne draad tussen zijn vingers verschijnt en de koffie pruttelt. Dat laatste verzin ik maar de rest is waar en ook dat ik iemand die spinnen kan, bewonder.

     

     

     

  • Het vogelconcert

    Een van de bijschriften bij een schilderij van Melchior de Hondecoeter – op de tentoonstelling Hollandse meesters uit Boedapest in het Haarlemse Frans Halsmuseum – bracht Het vogelconcert van deze schilder uit de Gouden Eeuw in mijn herinnering. Een uil, wiens bril van de neus is gevallen, zit met één poot dirigerend boven op een stuk bladmuziek. Allerlei vogels om hem heen tjilpen en fluiten dat het een lieve lust is. Of krassen, want de meeste zijn kraaiachtigen, of stoten ‘kukeleku’ uit. Een beetje de geluiden die Max Porter omschrijft in een kort hoofdstukje over de naar Crow, van Ted Hughes gemodelleerde vogel in zijn debuut Verdriet is het ding met veren. Crow in vertaling van Saskia van der Lingen:

    Kop naar de grond, waggel, scharrel.
        Kop naar de grond, fladder op, dwarrel.
        Kijk op. ‘ALARM. HARDE, SCHORRE EN
            VERONTWAARDIGHDE KRASGELUIDEN’
            (Vogelgids van Europa, blz. 330).
    Kop naar de grond, kroonkurk, krabbel.

        Kop naar de grond, afvoerput, zwabber.
        Hij zou een hoop van me kunnen leren.
        Daarom ben ik hier.

    De uil bij De Hondecoeter staat – verwijzend naar Aesopus De uil en de vogels – voor de wijze die waarschuwt voor de gevaren van mistletoe, die lijm produceert, en vlas, waar vangnetten van  gemaakt worden. Allebei niet fijn voor een vogel. Maar ze luisteren niet.
    Het is gissen welke melodie de schilder heeft afgebeeld. Ook een boekje als Music in paintings of the Low Countries in the 16th and 17th centuries van mijn oud-docent Pieter Fischer geeft geen uitsluitsel. Pieter Goderie vermoedde naar aanleiding van een tentoonstelling van het schilderij in museum Sypesteyn (2012), dat de melodie links wel eens een Gregoriaanse melodie zou kunnen zijn, en die aan de rechterkant wellicht een strijdlied ‘of gewoon een schunnig lied.’

    Dat brengt mij bij de schrijfster Zadie Smith, die de huidige burgers, de vogels zeg maar, eens met een complex muziekstuk vergeleek, complexer dan bij de meester uit de Gouden Eeuw. Een dirigent, de uil zeg maar, kan besluiten een bepaalde melodische lijn uit te laten komen en een andere meer op de achtergrond te houden. Het probleem is alleen dat melodieën die aan strijdliederen of schunnige liedjes doen denken, nu de boventoon voeren. Degene die zich een fijnere melodie weten te herinneren (bijvoorbeeld een Gregoriaanse, zoals links op het doek van De Hondecoeter), zou volgens Smith moeten proberen deze te spelen of te zingen en andere vogels aansporen om mee te doen.

    Een wijze les. Op z’n minst even wijs als die van Aesopus.

     

     

  • De jaagster

    De afgelopen week ben ik gefascineerd geraakt door het fenomeen de jacht. Niet uit mezelf, alhoewel ik door de landschappelijke context, altijd wel romantische noties bij het jagen heb. Toch – door mijn vroeg-volwassen geworden pacifisme, begonnen in de jaren ’80 – waren wapens en alles wat daarmee te maken heeft, geweld, oorlog, wapenhandel, en zo voorts, niet bepaald iets waar ik affiniteit mee kreeg. Dat werd flink op de proef gesteld door het boek Buit. Een jachtjaar (2016) door Pauline de Bok. Nomen est omen. De schrijfster lijkt een voorliefde voor morbide onderwerpen te hebben. Ze schreef eerder al over doodsberichten en begraafplaatsen. En over ontheemden. Ik begrijp haar fascinatie wel. En dus ook de stap die ze vorig jaar zette om een jaar lang te verblijven in haar omgebouwde koeienstal in het voormalige Oost-Duitsland.

    Samen met haar man, Boom (!) geheten, komt ze al jaren op deze plek. Maar nu wil ze er alle seizoenen meemaken. En ook als jager, met jagersakte op zak. Het boek is een verslag van een langzaam vergroeien met deze nieuwe omgeving – natuur, wild, weer, Duitsers, jagers – al merkt De Bok dat ze een buitenstaander zal blijven. En toch is dit wat ze wil. Een mooi, maar ook wel weer wrang existentieel principe. De outsider die niet anders kan zijn dan dat, maar toch ook zoekt naar aansluiting bij een inheemse gemeenschap. De schrijfster heeft zelfs de vluchtelingen uit Syrië door de velden van Mecklenburg-Vorpommern zien lopen. De buitenstaander die nog meer ontheemde mensen voorbij ziet trekken. En vlakbij haar onderkomen en haar jachtgebied lag de grens tussen Oost- en West-Duitsland. Ook al heeft De Bok zich vrijwillig teruggetrokken uit het stadse, drukke leven, nieuwe en oude sporen van de geschiedenis lopen om haar heen.

    Ik zag een paar maanden terug op televisie ster-kok Jamie Oliver zichzelf de opdracht geven om zelf een dier te doden dat hij zelf zou villen, slachten, bereiden en opeten. Hij sneed de keel van de geit met zichtbaar afgrijzen door. Maar, stelde hij, wat is er puurder en oprechter en natuurlijker dan dit? Ook Pauline de Bok vertelt in geuren en kleuren over de regels en de verschillende methodes van de jacht. Het aanzitten, schieten, slachten (ontweiden) en bereiden van het dier. De drijfjacht. Het jagen om te eten en het jagen om de wildstand te beheersen. En ook de aarzelingen en overpeinzingen die een modern mens – net als ik onthecht van de natuur en haar wetten, balend van een kapotte laptop, snel naar Berlijn! – heeft als het aankomt op deze essentiële zaken van leven en dood. Fascinerend. Snel haar roman De jaagster (2014) bestellen en lezen.

     

     

  • Geen slecht mens

    Meteen na onze binnenkomst barst de man naast mij uit in een waterval van woorden. Hij vindt het bar weer. Het schaadt zijn werk. Hij was loodgieter, zo verneem ik, maar sinds het bedrijf van zijn baas failliet ging, is hij voor zichzelf begonnen. Als klusjesman. Dan heb je het niet gemakkelijk met al die regels, legt hij ongevraagd uit. En dan is er nog de hebzucht van de banken. Het is allemaal de schuld van onze slappe regeerders. Zijn verhaal dijt uit, zonder dat ik er tussen kan komen, naar de wereldproblemen: ‘Ik voorspel dat we over drie jaar weer een wereldoorlog hebben.’ Het wordt tijd voor een sterke man, ook in Nederland, vindt hij: ‘Inderdaad: Wilders.’

    Ik krijg steeds meer last van plaatsvervangende schaamte vanwege de plek waar ik me bevind. Mijn vrouw en ik zijn op kraamvisite bij een Syrisch gezin dat sinds een jaar in ons dorp woont. Waarom tref ik uitgerekend hier deze man met zijn tirade. Quasi-grappend zeg ik hem dat het me verbaast dat hij hier op de bank zit. ‘Je weet toch dat Wilders niks moet hebben van die vluchtelingen binnen onze landsgrenzen?’ probeer ik. ‘Ja, dat klopt. Maar dit zijn heel vriendelijke mensen.’ Hij blijkt een paar huizen verder in de straat te wonen.
    Wijzend op de puberzoon van het gezin zegt hij: ‘Ik ga hem gitaar leren spelen, hè!’ Hij grijpt het instrument van achter onze zitplek en tokkelt een eind weg. De zoon, die zijn pasgeboren zusje de fles zit te geven – een boekje van Nijntje voor hem op tafel als bescheiden begin van Nederlands boekenbezit – grinnikt terug. ‘Ik heb de gitaar over en hij mag hem hebben. Maar je gaat wel leren spelen, hè. ’Na een kwartier stapt hij op, bij het weggaan nog altijd pratend.

    ‘Sorry’, zegt de vrouw lachend tegen ons: ‘ik had gezegd dat jullie kwamen, maar hij blijft altijd zo lang hangen.’
    ‘Ik schrok een beetje van hem’, reageer ik. ‘Die mond staat niet stil. En wat hij te zeggen heeft is wat meer Nederlanders over vluchtelingen denken. Krijgen jullie daar geen onbehaaglijk gevoel van?’
    Ze lacht nu breeduit en wuift het weg. ‘Hij is heel aardig, hoor. Hij helpt ons vaak.’
    Na een uurtje knuffelen met de baby en praten over rituelen rond een geboorte gaan we naar huis. Daar kijken we met een lichte ontroering terug op de klusjesman: iemand die luidruchtig zijn angsten probeert te bezweren. Een kleine machteloze man tegenover de boze dreigende buitenwereld. Maar geen slecht mens.

     

     

     

  • Het onderzoek

    Van het een op het andere moment – ik bedoel zonder dat er een voornemen, actief besluit of zelfs maar een gedachte aan voorafging (hoewel mijn ambassadeurschap bij de J.M.A. Biesheuvelprijs zeker, zij het onbewust, een rol zal hebben gespeeld) – stort ik me weer op de verhalen. Zo las ik My mother’s dream van Alice Munro. Van Munro kende ik alleen The bear came over the mountain, wat ik prachtig vond. My mother’s dream kwam minder binnen: te plat en te direct, besloot ik tijdens het lezen, te veel een op een overgedragen informatie, tot ik de laatste zin las en direct weer opnieuw kon beginnen.
    Ook las ik Three early stories van J.D. Salinger. Deze verhalen waren, zo blijkt uit het nawoord van Auke Hulst, niet bedoeld voor herpublicatie. Had ik, als het nawoord een voorwoord was geweest en deze informatie me eerder was toegekomen, de verhalen ook gelezen? Het is misschien ijdel om te denken van niet.

    Salinger was tijdens het schrijven van deze drie verhalen een stuk jonger, hij was nog in de groei, dat is te zien – zoals die enorme kiem van talent evengoed al aanwezig was, vooral in Once a week won’t kill you. De vraag is of deze uitgave de mythe omtrent Salinger compleet maakt of juist uitholt, alsof de gewaande god een halfgod blijkt – of, erger nog, een mens. Waarom dan toch deze verhalen opnieuw uitbrengen. Voor de volledigheid?
    In het interview met VPROBoeken presentatoren Carolina Lo Galbo en Jeroen van Kan noemt die laatste het gevaar van een auteur in één keer, of achter elkaar tot je nemen. Het risico van overkill en verveling is mij bekend, toch las ik vrij vlot na Het jasje van Luis Martin de verhalenbundel waarmee Gilles van der Loo debuteerde: Hier sneeuwt het nooit. Niet alle verhalen hierin zijn even sterk (in welke bundel wel?), maar de schrijver was duidelijk vastbesloten allerlei registers open te trekken en dat leverde een kleurrijke bundel op. Belangrijker nog is dat Van der Loo al in zijn debuut zijn materiaal heeft gevonden. De verhalen met de thema’s die ik herken uit Het jasje van Luis Martin – de charismatische maar ongrijpbare vriend, de afwezige vader – vind ik het sterkst.

    Betekent dit dat Van der Loo zich herhaalt? Allerminst. Hij doet denken aan David Vann, wiens roman Caribou Island volgde op de verhalenbundel Legend of a suicide. Ook in deze boeken is er sprake van grote themaoverlap (namelijk: zelfmoord). Vann wist, net als Van der Loo, al vroeg wat zijn gereedschap was en waar het lag. Het is niet zozeer dat de korte verhalen van beide schrijvers toewerken naar hun romans, eerder juist dat ze met andere middelen dezelfde kern opzoeken. Het een staat dus niet in dienst van het ander, maar dient allemaal ter volledigheid van ‘Het Onderzoek’ van hun schrijven. Hiermee bedienen zowel Vann als Van der Loo de grote als de kleine eters – zoals J.D. Salinger zich van indrukwekkende veelzijdigheid bewees. Dat is bovenmenselijk knap.

     

     

  • Adil uit Basra

    Adil, heet hij, en komt uit Irak. Er werd op het raam geklopt en toen ik vanachter mijn pc naar buiten keek, zag ik hem staan, baseballpet op, fiets aan de hand. Hij wenkte me en toen ik de deur ontgrendelde gaf hij me een hand en zei me zijn naam. Op zachte toon vertelde hij zijn verhaal. Hij was uitgeprocedeerd en vanuit Eindhoven was hij op weg naar Ter Apel, het centrale meldpunt voor asielzoekers, waar hij een slaapplaats zocht. Een treinkaartje kostte ongeveer 25 euro, zei hij. Ik twijfelde eigenlijk geen moment, misschien één moment, maar zijn zachtaardig voorkomen en ongelooflijk goede Engels, deed me besluiten deze man te geloven. ‘I will give you the money for the train ticket,‘ zei ik. Toen hoorde ik mezelf ook nog zeggen: ‘Would you like to have a coffee?’ Dat vond hij aardig van me en besloot op mijn uitnodiging in te gaan.

    Boven aangekomen, gingen we aan de eettafel zitten. Mijn vriendin Sophie maakte koffie. Ik was nieuwsgierig naar zijn verhaal en zoals altijd denk ik, als het over vluchtelingen gaat: deze mensen help je gewoon en je staat voor ze open. Dat kan ook door een luisterend oor te zijn of ze iets te geven waardoor ze weer verder kunnen, in dit geval ook echt, door naar Ter Apel. Zijn moeder en zus verblijven in Denemarken en hadden 9000 dollar betaald aan mensensmokkelaars in Aman, Jordanië, om ze naar Europa te krijgen. Hij had hun huizen verkocht in Basra waar ze vlakbij elkaar woonden en zodoende konden ze vluchten. Adil vertelde dat je niet weet naar welk land je gaat als je hebt betaald, dat bepalen de smokkelaars en het vliegveldpersoneel aldaar.

    Adil landde dus op Schiphol. Hij werd opgenomen in de asielprocedure en 15 uur ondervraagd. Hij zei dat hij te aardig was geweest door eerlijk te vertellen dat hij niet levensgevaarlijk bedreigd werd maar dat hij uit voorzorg zijn familie op een veiligere plek wilde hebben. Zijn vader was daarvoor gestorven en nu moest hij als enige zoon over zijn familie waken. En door de waarheid te vertellen, kreeg hij drieënhalf jaar later geen verblijfstatus. Nu moet Adil dus binnen afzienbare tijd het land uit. Waarheen, dat weet hij nog niet, Nederland mag hem niet terugsturen naar Irak. Zijn advocaat adviseerde hem naar Roemenië te gaan. Daar maakt hij mogelijk nog kans om in een procedure te komen waardoor hij weer een paar maanden in Europa kan blijven. Uiteindelijk wil Adil terug naar Irak, over anderhalf jaar, als er nieuwe mensen aan de macht zijn waar hij meer vertrouwen in heeft. Om weer wiskundeleraar te kunnen zijn in Basra.

    Toen moest hij ineens weg. De fiets terugbrengen die hij geleend had en hij was al te laat nu eigenlijk. We omhelsden elkaar en hij vroeg om een e-mailadres. Wie weet horen we wat van hem. Het liefst met goed nieuws uit Basra: ‘Adil is thuis en veilig.’

     

     

  • Verbindende literatuur

    Dit jaar is het honderd jaar geleden dat het tijdschrift en de gelijknamige Nederlandse kunststroming De Stijl het levenslicht zag. Het tijdschrift had een enorme impact, die tot vandaag de dag en tot ver buiten onze landsgrenzen voerde. Met als onbetwist stijlicoon de Rietveldstoel van Gerrit Rietveld, een ietwat oncomfortabel ogende, oorspronkelijk ongeverfde houten stoel. Maar dat oncomfortabele was volgens Rietveld geen probleem: ‘Zitten is een werkwoord, als je moe bent ga je maar liggen.’ Een sales-pitch die potentiële kopers niet echt overtuigde; de verkoop van de stoel kwam pas op gang toen Rietveld zijn stoel in de primaire kleuren schilderde die hij had afgekeken van schilder Bart van der Leck. Kleuren die de stoel zouden verankeren in ons, nee, in het Europese culturele DNA. Het is dan ook logisch dat de vorig jaar overleden Pieter Steinz de Rietveldstoel heeft opgenomen in zijn illustere overzicht van ‘de kunst die ons continent bindt’. Samen met onder andere de klassieke Griekse vaas, gotische kathedraal, Déesse van Citroën en Ulysses van James Joyce. Allemaal Made in Europe, een inzicht dat volgens Steinz een welkom tegengif is voor de continentale verdeeldheid die zo alomtegenwoordig lijkt te zijn.

    Een prachtig tegengif dat ik graag tot me neem, ook al is die continentale binding niet nieuw voor mij. Zeker in literair opzicht, wat weer duidelijk bleek toen ik eind 2016 de balans opmaakte van mijn lezerij dat jaar. Ik had alleen Europese ,of beter gezegd West-Europese boeken gelezen, een enkel uitstapje naar het Oosten daargelaten. De tweeëntwintig boeken die ik had gelezen kwamen uit slechts zes landen: Duitsland, Engeland, Frankrijk, Italië, Nederland en Rusland. Blijkbaar hadden deze landen mij in 2016 alles te bieden wat mijn lezershart begeerde. Ik kon dan ook, om een oude stadsgenoot van me te parafraseren, eigenlijk maar tot één conclusie komen: ‘zoo ik ièts ben, ben ik een Europeaan’.

    Maar alhoewel ik in 2016 literair gezien verre van een globetrotter ben geweest verveelde ik me geen moment. Ik las soms een kleinood van nipt honderd pagina’s, maar ook uitschieters met een tienvoudige omvang. Waaronder prachtige boeken, over moeders (Nederland en Engeland), de Tweede Wereldoorlog (Frankrijk en Duistland), de ondoorgrondelijkheid én onvermijdelijkheid van een volksaard (Rusland en Italië), die diepe indruk op me maakten. Allemaal ‘Made in Europe’ dus.

    Toch knaagt het licht aan mij. Is die Europese eenkennigheid niet te beperkt? Moet ik niet weer eens voorzichtig over de grenzen van ons continent gaan kijken? Philip Roth misschien, of Gabriel García Márquez of Kobo Abe? Of misschien iets van een hedendaagse Amerikaanse, Afrikaanse of Aziatische auteur? Het zou mijn wereld vast verruimen. Maar als ik dan mijn ogen laat glijden over De bekeerlinge van Hertmans, dat ik nu aan het lezen ben, besef ik dat ik daar nog niet aan toe ben. Ik dompel me weer onder en geniet van een ongemakkelijke mengeling van kruistochten, pogroms en een verboden liefde. Het verhaal zelf is niet het mooiste dat ons continent heeft voortgebracht, maar de roman scoort daarbij wel hoge ogen. Europeser dan dit kan een boek bijna niet zijn.

     

  • Sombermansochtend

    De atmosferische stilte van nieuwjaarsdag kwam me zo blanco voor als de ongereptheid van een pasgeboren baby. Na het obsessieve lijstjes afwerken (niet gelukt), de goede voornemens (lijstjes voorkomen) en gedreven huis opschonen, lijkt de boel gedaan en af. Maar bij het wakker worden komt het besef dat ‘iets’ nooit ‘af’ is. Wat bij mij het verlammende gevoel, ‘is het dan nooit klaar’ teweeg brengt. De lege drankflessen op de keukenvloer, halfvolle glazen in de vensterbank, een schaal aangevreten oliebollen als aangeschoten wild koud en stijf op het aanrecht. Bij uitstek een Sombermans-ochtend. Een nieuw jaar in beweging brengen is het moeilijkst wat er is. Liefst kruip ik voor een week in de voorraadkast, om zo alle plichtplegingen die een nieuw jaar met zich meebrengt, te ontduiken. Als de telefoon gaat, roep ik: ‘Ik ben er niet!’

    Tot Mijn lief op de vierde dag van dit jaar ingreep. Ik moest er weer eens uit, zei hij, en we togen naar de Kringloopwinkel. Daar gaf hij me een grote rieten tas, stopte me wat geld toe en zei: ‘Ga maar, ik zie je straks in de koffiecorner.’ En ik ging. Beklom de zevenentwintig treden naar de boekenafdeling en wist dat het goed zou komen. Direct bovenaan links wachtten de kasten me op. Alsof ik de boeken scande, ingesteld op ja, op wat eigenlijk, liet ik mijn ogen langs de boekruggen gaan. Vanzelf springt dan een titel of naam naar me toe en die moet ik hebben. Meer kan ik er niet over zeggen. Bij de C was het al raak. CaMu, alle columns uit 2001, mooi exemplaar. Voor wie Campert spaart moet alles waar hij in voorkomt verzamelen, en legde het op de bodem van mijn tas. Bij de D maakte mijn hart een sprongetje. Daar stond E.L. Doctorows Ragtime. Ik voelde me als een visser die een onverwacht soort vis naar boven haalt maar er wel altijd van droomde die te zullen vangen. Gelezen in de jaren zeventig en de zin: ‘Het toeval wilde dat het onverwachte bezoek van Houdini de coïtus van Vader en Moeder had onderbroken.’, zette voor mij de fascinerende toon voor heel het boek.

    Dan zie ik Strikt van Minke Douwesz die ik al heb maar de zendeling in mij wil ook wat. Verder o.a. nog Eelke de Jongs Alle verhalen (niet te missen) en als laatste pik ik Pieter Waterdrinkers Een Hollandse romance (2003) eruit. Op twitter uitte hij zijn (bittere) teleurstelling over het niet vermelden van zijn boek Poubelle, op het beste boekenlijstje van het jaar in het NRC. Hij werd bozer en bozer en tweette daarover. Wilde nooit meer in het NRC besproken worden. Hij stond in de kast van 1 europrijs boeken, het voelde als een vondeling die niemand meer wil omdat ie te oud is of een te grote mond heeft. Ik streek over mijn hart. Het paste nog net in de tas die ik, naar één kant overhellend door het gewicht, met me meezeulde naar de koffiecorner. Gelukkig nieuwjaar!

     

     

  • Stoorzenders

    Het is makkelijk om cynisch te doen over hoe mensen reageren op het overlijden van sterren. Ook ik ben niet onschuldig: de hysterische berichten over het overlijden van het ene na het andere muzikale kanon irriteren me, de wedstrijd om het hardst schreeuwen hoe vreselijk 2016 was vind ik dodelijk vermoeiend. Tegelijkertijd snap ik het mechanisme heel goed, ik doe het zelf ook. Op de radio klinkt het nieuws van Richard Adams’ overlijden, ik hoor het tijdens de Top2000. Direct wordt er een stukje uit Bright Eyes gedraaid, de door Art Garfunkel gecomponeerde soundtrack van Watership Down – u weet wel, de wereldberoemde, nachtmerrieachtige verfilming van Adams’ bekendste boek. Het gaat bij de berichtgeving over zijn overlijden op de radio dus niet zozeer om Adams zelf, maar om de ‘oorwurm’ die zijn roman opleverde. Dat stoort me: ik vind het een prachtig nummer, een geweldige film, Adams een briljante schrijver die zoveel meer was dan alleen die schrijver van dat konijnenverhaal.

    Er is nog een boek van zijn hand verfilmd, The Plague Dogs. Jaren geleden stuitte ik op de titel in een blog over de meest duistere tekenfilms ooit gemaakt. Ik zocht de film op, bestelde het boek en inderdaad: het verhaal over Rowf en Snitter, twee honden die uit een dierproevencentrum ontsnappen en worden opgejaagd omdat buurtbewoners bang zijn dat ze de pest bij zich dragen, is een van de zwaarste dingen die ik ooit tegenkwam. Adams was niet vies van moralisme, bij zowel Watership Down als The Plague Dogs ligt het er behoorlijk dik bovenop allemaal. De pas verschenen film I, Daniel Blake is ook zo’n recht-in-je-gezicht-voorbeeld: vanaf de eerste minuut is al duidelijk hoe het gaat aflopen en de achterliggende gedachte wordt vet en met uitroeptekens in het gezicht van de kijker gesmeerd. Wegkijken is geen optie. Het werkt uitstekend.

    Dat geldt ook voor de verhalen van Richard Adams en voor de verfilmingen ervan. In een tijd waarin kunst zo subtiel mogelijk moet zijn, alles tussen de regels moet gebeuren en ‘moraal’ een vies woord is, vond ik het heel inspirerend om werk tegen te komen dat volledig in dienst staat van wat de maker ermee wil zeggen – zeker als die boodschap zo urgent is. Richard Adams werd 92 jaar, een mooie leeftijd voor een inspirerend schrijver. Ik zal er geen traan om laten, maar het raakt me wel. Daar is makkelijk cynisch over te doen. Maar waarom zou ik? Misschien voelen we ons graag verbonden met de wereldberoemden, of met het drama, misschien hangen we onze kleine levens graag op aan dat van de groten. Is dat erg? Ik weet het niet. Wie zegt wanneer een reactie oprecht is – of terecht? Wanneer eigen je je een dood toe en wanneer overtreed je daarmee de regels? Wie bepaalt die regels eigenlijk? Muzikanten eer je door naar hun muziek te luisteren, acteurs door het (her)zien van hun mooiste films, schrijvers eer je door te lezen. Ik pak The Plague Dogs uit de kast en wapen me voor wat komen gaat.