• Emigreren of blijven

    Beiden waren naast wetenschapper literair auteur. Beiden waren Jood en publiceerden tot op hoge leeftijd. Beiden waren getekend door de oorlog en emigreerden naar een land waarvan ze het staatsburgerschap aannamen. Beiden schreven zowel in hun moedertaal als in die van hun nieuwe land. Er is ook een belangrijk verschil. De één emigreerde vrijwillig. De ander vluchtte. Voor mij zijn ze verbonden door vier woorden die dat verschil verwoorden.

    Leo Vroman (1915-2014) aanvaardde kort na de oorlog een baan als hematoloog in de VS. Hans Keilson (1919-2011) ontvluchtte in 1936 de opkomst van Hitler en vestigde zich in Nederland als psychiater. In Indian Summer dichtte Vroman over Nederland: ‘Men schrikt er van iedere lach / nabijheid verwarrend met haat. / Neen, zelfs tastend om heide en strand, / – en al sluit ik krampachtig de oren / om nog Hollandse stormen te horen – heb ik toch liever heimwee dan Holland’.

    Keilson publiceerde in 1987 in De Gids een essay over zijn eerste vijftig jaar in Nederland. De ondertitel ervan werd ook de titel van een bundeling van zijn gedachten en herinneringen die Van Gennep in 2012 uitgaf: Liever Holland dan heimwee.
    Natuurlijk dacht hij daarbij aan de uitspraak van Vroman. Hij was de eerste trouwens niet die diens dichtregels omdraaide. In 1961 verscheen Het leven is vurrukkulluk van Remco Campert. Daarin zegt Boelie op de vraag waarom hij uit Argentinië terug kwam: ‘Ik verlangde naar Holland. Liever Holland dan heimwee.’ En op 3 december 1973 schreef Frans Kellendonk uit Birmingham aan Jacques Dohmen een brief die hij afsloot met: ‘Mijn gedachten gaan uit naar U, mede-Bataven. Liever Holland dan heimwee. Hoezee!’ Maar dit zijn, met alle respect voor Campert en Kellendonk, luchtige woordspelingen die geen stempel op de Nederlandse Letteren drukken.

    Het was dan ook wat riskant van Keilson om in 1987 de wending nog eens te gebruiken. Toch schuurt hij bij hem wel. De grap van Campert en Kellendonk is totaal afwezig. Achter het gebruik door Keilson, die ook humoristisch kon zijn trouwens, zit teveel leed en deernis met het land dat hij verliet om alleen een frivool woordgrapje te lezen in zijn omkering van Vromans tekst. Hij was in staat anders te kijken naar Nederland, dat hij dankbaar was, omdat het oude land nog in zijn vezels zat. Daardoor kon hij in het stuk in De Gids de mooie zin schrijven: ‘Door de afstand kijkt men misschien met ‘vreemde’ ogen, maar door de vervreemding ziet men scherper.’
    Wat zou Keilson in de huidige jaren nog een scherp commentaar kunnen leveren op onze reacties op de komst van vluchtelingen? En, zo realiseer ik me bij herlezing van Vromans Indian Summer ineens: wat zag híj daar in de VS het Holland van nu al scherp in de regel ‘nabijheid verwarrend met haat’.

     

     

  • Het juiste moment

    Het eerste wat ik dacht toen bekend werd dat Arjen Fortuin zijn functie als literair recensent bij NRC neerlegde, was: wat knap van hem. Daarna dacht ik aan die keer dat iemand me vertelde over het lezen van de Slush Pile voor een grote uitgeverij. Mijn gesprekspartner bekende al het vertrouwen in de literatuur kwijt te raken – nee, niet alleen het vertrouwen, maar ook het plezier. De stapel werd in zijn ogen steeds groter, er kwam geen eind aan, het was alsmaar zoeken naar waarom ook dit manuscript weer net niet goed genoeg was. Hij werd er cynisch van.

    Cynisme is een stopteken, lijkt me. En dus stopte deze lezer met lezen. ‘Vrijwilligerswerk doe je voor jezelf,’ zei de dame van de intake. Dat is me altijd bijgebleven – zoals de meeste dingen die echt waar zijn je bijblijven. Vervolgens deelde ze me in op de Intensive Care, waar ik de rol van gastvrouw zou vervullen: ik had geen enkele medische kennis, ik wist alleen de weg naar de juiste units en de goede koffieautomaten.
    Ik was daar niet de enige, het ziekenhuis kende een heleboel vrijwilligers. Er waren er die zoveel mogelijk diensten draaiden, waar dan ook, geen afdeling was hen te gek. IC? Prima. Kinder-IC? Draai ik mijn hand niet voor om. Kinder-Oncologie? Geen enkel probleem. Ik werd maar nerveus van die types, hoe graag ik ook wilde geloven dat de mens liefst goed doet. Als je met het grootste gemak rondloopt op kinderoncologie, leek me dat niet gezond. Als je het aankunt, prima, maar als het je niets doet moet je wegwezen. Waarschijnlijk gaan filantropie en voyeurisme onvermijdelijk hand in hand. Is dat cynisch?

    Misschien is het moeilijk (ik moest gelijk aan Lord of the rings denken) om de beker van je lippen te trekken zodra je hebt geproefd van de macht, de invloed van je schijnbaar onmisbare betrokkenheid. Als recensent bij een van de grootste kranten van Nederland heb je invloed, als gastvrouw op een dramatische afdeling in het ziekenhuis ben je in staat mensen rustig binnen te laten komen, een uitvaartleider is degene die zorgt dat jij goed afscheid kunt nemen van je dierbare. Misschien is zo’n rol verslavend. Het andere is ook mogelijk: dat dergelijke beroepen en taken afstompen.

    Een leraar die een hekel krijgt aan zijn leerlingen? Vervroegd pensioen! Een kapper die zich ergert aan eenieder die voor een knipbeurt komt? Omscholen. Een mental coach die geen geduld meer kan opbrengen voor de zoekende zielen die zich bij hem of haar melden of een arts met minachting voor zijn patiënten? Help jezelf en vertrek.
    Ik heb begrepen dat er inmiddels uitgeverijen zijn die helemaal niet meer met de Slush Pile werken. Het duurde even, maar de manuscriptlezer leest weer voor eigen plezier. Mijn vader zit in de uitvaart. Wanneer moet hij daarmee stoppen: als het hem te veel wordt, of juist als het hem niets meer doet? Ik denk het laatste. Dat Arjen Fortuin de beker neerzet, getuigt van grote klasse.

     

     

  • Anarchie

    Ik had er een mailtje over ontvangen. Dat het dinsdag met de post bezorgd zou worden. Ik had me er maanden geleden – online – op geabonneerd zonder te weten wat het zou worden. Dat kwam door de namen die er aan verbonden waren en die andere tijden deden herleven. Maar vooral wakkerde het de weemoed aan, naar toen verschillende bladen nog een eigen stem hadden. Naar boekenbijlagen waar je het hele weekend mee deed. Toen het weekend nog zin had. Je las je het weekend in, beginnend op vrijdagavond, met de opinies en de boeken. Nu hap snap ik van alles wat mee via – het platgeslagen – socialmedia. Ik mis de boekbesprekingen zoals ze die in de London Review of Books nog kennen. Besprekingen waarin je verdwaalt, meegaat, verder graaft dan je zelf zou komen en daar dan een weekend of een week op teren kon. Waarin de kritieken je konden doen huiveren omdat je aspiraties had. Nu huivert niemand meer, is hooguit verongelijkt.

    voorpagina_nummer1Dinsdag viel het – met een lichte plof – op de mat, dubbelgevouwen, in cellofaan verpakt en veelbelovend. Het bracht een gevoel van sensatie teweeg. Alsof ik iets ongekends in handen had. En dat was ook zo want niet eerder werd in Nederland een krantje uitgeven door oud journalisten die een tegengeluid wilden laten horen. Die geen honorarium voor hun stukken ontvangen en schrijven over dingen waar ze plezier in hebben. Willekeur lijkt  een voorwaarde, anarchie het gevolg. Mijn grootvader was anarchist. Geen makkelijk man. Met bulderende stem schoof hij elke vorm van gezag opzij. In de oorlog kwam dat van pas. En ik stelde me opeens voor dat het zo gevoeld moest hebben als je in tijden van oorlog een verzetskrantje kreeg toegespeeld. Iets in handen te hebben dat tegen de keer in ging.

    Deze nieuwe krant ‘Dwars met een glimlach’ zal het helemaal hebben. Oh oh, die verwachtingen Een toon van bevrijding en woorden waardoor de moed voor even weer wordt opgevijzeld. Ik lees me van, woord van de redactie – over het hoe en waarom van deze krant – tot de achterpagina via het essay De comeback van het nepnieuws. Een stuk over peilingen en Petra van Alten interviewt Lucas Waagmeester – correspondent van de NOS en opvolger van Bram Vermeulen- in Turkije. Door de rubriek Achterwaarts heen naar Boeken. Korte stukken, ach, wat een korte stukken over boeken! Een stukje A.L. Snijders, een column van Dresselhuys met veel verongelijktheid. Ik lees, proef en keur en ben er nog niet over uit wat Argus – die alles ziet – me te bieden heeft. Als die boekenrubriek nu maar wat meer om het lijf had! Dan zou het in tegenwicht met de andere bijdragen, wel wat zijn. Vooreerst kom ik de week wel door op de bijdrage van Ingrid Hoogervorst – over de roman van Christophe Boltanski, interview van Van Alten, Snijders altijd en de rubriek Makkelijk praten.

     

     

     

     

  • Dozen vol boeken

    Pijnscheuten trekken door mijn schouders. In twee weken tijd vijf boekinkopen gedaan. Ik kocht kunstboeken in Hilversum, aan de rand van de stad, ik rook het bos en de hei. Ik kocht boeken in de Amsterdamse binnenstad, geschiedenis en literatuur. Aan de Kalkmarkt, in een van de oudste delen van de stad, stond ik zwetend boeken te sjouwen onder 17de eeuwse balken. Ik kocht boeken op twee redacties; Filosofie Magazine en New Scientist, ressorterend onder Veen Media. Ze moesten verhuizen naar Utrecht. Of ik even snel duizend boeken kan komen ophalen. In de Houthavens – een opgepimpte havenbuurt – in een sjiek en hip gebouw  waar ook Hugo Boss verblijft, heb ik een paar auto’s vol filosofieboeken en populair-wetenschappelijke edities opgekocht.

    Afgelopen weekend werd ik gebeld door Tommy Wieringa. Of ik zo spoedig mogelijk langs kon komen aan de Prinsengracht om de bibliotheek van zijn schoonvader te komen bekijken. Huis verkocht, moet dinsdag leeg. Schoonvader bleek de zoon te zijn van een van de naoorlogse burgemeesters van Amsterdam. Zondagochtend ging ik langs en zag honderden juridische boeken, boeken over de geschiedenis van Amsterdam, kunst- en architectuurboeken. Vooral de kunstboeken vond ik interessant. Ook kreeg ik een stapel boeken van de schrijver zelf mee. Meerdere exemplaren van dezelfde titel – vooral Caesarion – en een aantal luisterboeken. Bleek dat zijn schoonvader naar boekhandel Scheltema of Athenaeum toog om daar de boeken van Tommy op te kopen. Om hem te steunen. Gisteravond haalde ik de boeken op. Omdat ik de auto op een onjuiste plek had neergezet om in te laden, bleek oom agent een prentje uit te hebben geschreven. Ik hoorde de politiemotor de Leidsegracht opgaan toen ik de papieren ‘Aankondiging van strafbeschikking’ ontwaarde onder mijn ruitenwisser. Ai, boete van 90 euro.

    Vanochtend was ik bij een architect in ruste. Net binnen de ring in Amsterdam-Noord had hij met zijn vrouw een huis gevonden, komend uit de binnenstad waar geen enkele woning meer betaalbaar bleek. Ik vertelde dat ik hetzelfde had meegemaakt. Nadat ik met nieuwe eigenaren te maken kreeg die het predikaat ‘geldwolven’ met onverschrokken trots dragen, zocht ik naar nieuwe winkelruimte in de stad op een goede en betaalbare locatie. Dat bleek onmogelijk. Waarna ik de sprong  waagde over de ringweg naar het stadsdeel Nieuw-West/ Geuzenveld.
    Steeds meer binnenstedelingen kunnen geen nieuwe stap maken zonder een goed gevulde portemonnee. De internationalisering – multi-nationale bedrijven, winkelketens en dus ook veel expats – en een exploderend aantal toeristen – airbnb, local-goods-stores – veranderden de binnenstad in een onbetaalbaar paradijs. Zo ontstaan in de voorheen minder bedeelde stadswijken een nieuwe bevolkingslaag. De vooral import-Amsterdammers die – zoals ze voorheen de Jordaan bevolkten – nu ook naar de tuinbuurten trekken en een deel van de binnenstadse leefstijl meenemen.
    Genoeg overpeinzingen, nu weer aan de slag met de tientallen dozen met boeken die staan te wachten om te worden beschreven en te worden verkocht.

     

     

  • Kunst en critici

    Sommige kunstenaars zijn drama-queens. Ik denk aan kunstenaars als Caravaggio, Bernini, Rubens en natuurlijk Rembrandt. Vier grootmeesters van het Grote Verhaal, dat zij steevast met veel bombarie brengen. Een mooi voorbeeld is Rembrandts Mozes en de Tafelen der Wet. De profeet is net van de Sinaï afgedaald en treft het volk feestend bij het gouden kalf aan. Rembrandt schildert echter niets van dat alles, maar beperkt zich tot een teleurgestelde Mozes die op het punt staat uit frustratie de tien geboden aan gruzelementen te gooien. Een dramatisch schilderij. Rembrandt laat Mozes hoog boven zijn toeschouwers uittorenen, met de tien geboden nog hoger in zijn handen. Als aankondiging van dat wat verloren zal gaan.
    mozes_tafelen2_grtOok literair recensenten is dramatiek niet vreemd. Ze schuwen vaak het Grote Woord niet als ze de lezers hun literaire voorproeverij opdienen. Terecht, want zoals ik eerder op deze website schreef, ‘kunstkritiek is een serieuze zaak’. Arjen Fortuin was zo’n theatrale criticus. Hij schuwde het grote woord niet en schreef zelfs de Tien geboden voor de criticus, waarin hij de tafelen der literatuurkritiek samenvat. Gewoon, omdat je moet schrijven wat belangrijk is, wat goed en literatuur met een hoofdletter L is, en wat niet.

     

    Nu schrijf ik hier geen necrologie over Fortuin. Die is immers nog steeds onder ons. Maar toch spreek ik in de verleden tijd over hem omdat hij afgelopen week als criticus afscheid nam, met een afscheidsstuk waarin hij zich in de positieve zin des woord een ware drama-queen toont: “Als ik me alle verkochte exemplaren van Vijftig tinten grijs persoonlijk had aangetrokken, had ik jaren geleden mijn boekenkast al geruild voor een kist absint.” Fortuins stuk staat vol met dit soort pareltjes en leest als een literaire geloofsbelijdenis. Als een soort van Tien geboden voor de criticus van Arjen Fortuin 2.0. In die hoedanigheid verdient het uitgebreide citatie, zoals ook Rembrandt steeds wordt nagetekend.

    1. ‘De rol van literatuur in de bestsellerlijsten is marginaal, in de bombarie waarmee de grote titels worden aangekondigd is de recensie slechts een voetnoot.’
    2. ‘Soms weet je na twintig pagina’s zuchtend dat je er nog driehonderd door te worstelen hebt, de andere keer ontdek je hoe terecht langverwacht een boek is.’
    3. ‘Globaal genomen zijn er twee groepen schrijvers. De auteurs die me interesseren … en de schrijvers die me niet interesseren, … die kunnen beter door anderen worden besproken.’
    4. ‘In de literaire kritiek gaat het woord boven het getal – en alleen dat al is nog minstens veertig jaar het verdedigen waard.’
    5. ‘Critici moeten niet uitzoomen maar inzoomen.’
    6. ‘Elk onvergetelijk boek is op zijn eigen wijze onvergetelijk.’
    7. ‘De ruimte in de krant is beperkt, en de ruimte in het hoofd van de lezer trouwens ook.’
    8. ‘Een criticus moet soms een reclameman durven zijn: léés dat boek.’
    9. ‘Soms oordeelt een recensent ook zonder woorden, gewoon door te lezen tot het boek breekt.’
    10. ‘Een mens moet nooit zwijgen omdat niemand luistert. Je moet hooguit zwijgen als je niet genoeg meer te zeggen hebt.’

     

    Lees ook een eerdere column van Martin Lok hierover: Serieuze aangelegenheid

     

     

  • Verzin iets

    Meebewegen is gewenst maar laat je nooit verleiden tot dingen waarvan je het waarom niet kent. Beter is het de dingen te bevragen dan het bewandelen van betreden paden. Dus laat je niet verleiden tot uitstapjes die leuk of zinnig zouden zijn maar waar je zelf nooit een gedachte over hebt gehad. Vraag je af: ‘Waarom zou ik eigenlijk met dit  reisgezelschap gaan wandelen in de Savanne’ en je weet het niet? Ga dan niet. Droom je er sinds je jeugd al van de Savanne te willen doorgronden, zijn geologische waarden te verkennen, dan zeg ik: ‘Doen!’

     

    Het kan vervelend met je aflopen als je je leven laat afhangen van andermans keuzes, meegaat met de stroom omdat je geen alternatief hebt. Ik moest denken aan Martin, (Tin) in de roman De onderwaterzwemmer van P.F. Thomése. Dit boek drijft zogezegd op de gedachte dat als je niet voor jezelf staat, je nooit ergens de credits voor krijgt en in alles het nakijken hebt. Een boek dat als een waarschuwing in me is blijven resoneren; dat je leven niet gedicteerd kan worden door de ander. Waarbij ik weet dat het niet meevalt  als je een relatie hebt, want concessies zijn de drijvende kracht van een relatie.

     

    9789025444310-de-onderwaterzwemmer-l-LQ-fDan is het wat moeilijker grip te krijgen op de dingen omdat twee verschillende gedachten, zomaar een gedachte kan worden. Moeilijk, moeilijk, maar het gebeurt. Er zijn mensen die niet met een gezamenlijke gedachte, kunnen leven, niet samen kunnen leven maar het toch doen. Die blijven zich innerlijk verzetten maar gaan wel mee in wat er van ze verwacht wordt. Dat kan tot vervelende dingen leiden. Zoals Tin dus, die door zijn vader in een koude nacht van 1944 werd meegenomen voor een expeditie naar de overkant van de rivier. Met een bundeltje kleren op zijn hoofd die hij – en dat vind ik nogal veel gevraagd van zo’n jongen – droog moet houden terwijl hij naar de overkant van de rivier moet zwemmen. Naakt en het water is ijskoud.

     
    Zijn vader zwemt van hem weg, support hem op geen enkele wijze tijdens die overtocht. Tin van zijn kant, vraagt niets, roept niet om zijn vader, terwijl hij door angst overvallen maar zwemt en zwemt. Wanneer hij aankomt is er geen spoor van zijn vader. Dan verwijt Tin zichzelf dat hij iets niet heeft begrepen. Dat het zijn schuld is dat zijn vader is verdwenen. Zijn verdere leven wordt hierdoor bepaald. Hij wordt een man die bang is voor gedoe. Die angstvallig vermijdt eigenhandig in te grijpen. Doet hij dit voor een keer wel – tijdens een expeditie met zijn vrouw naar de binnenlanden van Afrika – wordt het een ramp.  Het is een, tot op het hilarische af, dramatisch verhaal en deed me bedenken dat je nooit zomaar moet meelopen – zelfs niet met je Lief – omdat je geen alternatief hebt. Verzin, verzin.

     

  • Interculturele dialoog

    We schrijven augustus 1977. Ik zat op de eerste rij bij een recital in de St. Annakerk in Brugge. Eén van de musici was de Spaans-Catalaanse viola da gamba-speler Jordi Savall. Het leek wel of hij alleen voor mij speelde, want hij keek mij veelvuldig aan. Ik voelde me vereerd, maar ook steeds meer opgelaten. Toch volg ik vanaf dat moment de carrière van deze grote musicus – die in 1991 doorbrak met de film Tous les matins du monde – met steeds meer bewondering. Zeker de laatste tijd, waarin hij bruggen bouwt tussen muziek uit oost en west, noord en zuid, joden, christenen en islamieten. Niet voor niets werd hij in 2008 door de Europese Unie benoemd tot ambassadeur van de interculturele dialoog.

    Eén van Savalls aandachtspunten is de Mozarabische kunst uit Spanje. Ook Louis Couperus heeft er stil bij gestaan en een roman geschreven over het Granada uit de 15de eeuw: De ongelukkige. Daarin staat een prachtige passage over wat het symbool van een veelal gelukkig samenleven tussen joden, christenen en moslims in Andalusië is: de Leeuwenhof in het Alhambra. Dat gaat zo: ‘De zuilen, de slanke, bloemgestengelde zuilen, zoo tenger en teêr en bros en broos, bloeiden naast elkaar op tot kelkachtige kapiteelen; de bogen zwollen breed en spitsten dan puntiglijk uit; de teedere architectuur, onwaarschijnlijk van tooverachtigheid, zelfs in het helle licht van dit zonnemorgenuur, lijnde en boogde tot het paleis van een peri; in het midden van het hofverschiet spuwden de betooverde leeuwen de stralen, spoot de hoogste straal òp uit het groote bekken en viel neêr tusschen de droomende bloemen, goudblank op zwanehalssteelen, de arums, die tusschen de fonteinewateren met hare langwerpige bladeren zich hieven of neêr vielen als bezielde wezens bloemwezens, smachtend en sierlijk, onder het azuur boven den hof.’

    Een paradijselijk tafereel, en dat wilde de Leeuwenhof ook uitstralen. Romantisch? Deels, wellicht. Net als het feit dat Alfonso el Sabio, die vanaf 1252 koning was van Castilië en Léon, behalve vrouwen ook moslims en joden als hofmusici in dienst had. Volgens de een was dit omdat de koning hun spel hoog achtte, volgens de ander niet meer dan een soort wapenstilstand omdat haat tegen joden en islamieten gewoon doorging. Net als nu.

    Gelukkig zijn er meer ensembles die net als El Sabio en Jordi Savall ‘altijd op zoek zijn naar intrigerende samenwerkingen met musici uit andere culturen’, zoals in het programma 2016-2017 van het Nederlands Blazers Ensemble viel te lezen. Een voorbeeld uit dat concertseizoen was het programma Stemmen uit het Oosten met Moshen Namjoo, de ‘Bob Dylan uit Iran’ en de Iraans-Nederlandse verhalenverteller Sahand Sahebdivani. Van de leider van het ensemble, hoboïst Bart Schneemann, hangt terecht in de Eregalerij van de eenentwintigste eeuw in de Amsterdamse Hermitage, een prachtig portret van Mariecke van der Linde. Ere wie ere toekomt! Jordi Savall, Alfonso el Sabio én Bart Schneemann.

     

     

  • Xenofobie reflex

    Boeken die ooit indruk op me maakten werden persoonlijkheden. Ze staan als raadgevers in mijn kast en er zijn maanden, zelfs jaren, dat ik ze geen aandacht geef. Maar dan is er ineens zo’n moment dat ze me brutaal aankijken.

    Het gebeurde me de afgelopen week. Ik had genoten van Ivanov van Hanna Bervoets waarna vanaf de planken wetenschapshistorie in mijn boekenkast ineens Evolutionair denken. De invloed van Darwin op ons wereldbeeld van Chris Buskes mijn aandacht trok. Ik had het boek een jaar of tien geleden gelezen en het had me toen geïmponeerd. Hoewel ik me het niet kon herinneren, zou Ivanov er toch beslist in besproken worden, dacht ik ineens. Maar in het namenregister ving ik bot. Ik sloeg het hoofdstuk over sociaal-darwinisme en eugenetica er voor de zekerheid nog op na, maar inderdaad: niets over de man die probeerde apen en mensen te kruisen om een tussenvorm van beiden te kweken.

    Het bladeren door dat hoofdstuk bezorgde me een reflectie op een vraag die mij evenzeer bezighield: wat zit er achter de angst in de ‘beschaafde’ wereld voor vluchtelingen? Of, in het geval van Trump: de angst voor elke inwoner van de door hem verdoemde moslimlanden? Ik lees bij Buskes: ‘Competitie en concurrentie vormen de sleutel tot de vooruitgang’, stelde Herbert Spencer, de uitvinder van de term ‘survival of the fittest’ halverwege de 19de eeuw: ‘Ondernemingen die niet zijn aangepast aan de harde eisen van de kapitalistische vrije markt sterven uit’. Spencers gedachten sloegen aan bij zakentycoons in Amerika, die dachten dat ‘concentratie van macht en rijkdom in de handen van enkele individuen essentieel was voor de vooruitgang van de natie’.

    Dit sociaal-darwinisme kreeg in de vroege 20ste eeuw een vervolg in de eugenetica, de waakzaamheid tegen degeneratie van de eigen soort. Het eigen territorium moest worden verdedigd tegen ‘biologisch meer actieve rassen’. Amerika kreeg daarom in 1924 de Immigration Restriction Act, die toestroom van inferieure mensen moest tegengaan. Tot zover Buskes.

    De decreten van Trump zijn volgens mij een nieuwe variant op die wet. Is dat niet een te snelle constatering? Trump werpt zich immers op als beschermer tegen terrorisme, niet tegen infectering van het eigen volk. Toch geloof ik dat de conclusie niet te gewaagd is: in dit heethoofd zijn de zakenman, die net als zijn 19de-eeuwse voorgangers gelooft dat zijn macht en rijkdom de natie moeten redden, en een territoriumdriftige Trump, die bang is voor vreemd bloed, verenigd.

     

     

  • Engagement

    Het is al weer even geleden dat Aafke Romeijn schrijvers opriep zich te mengen in het publieke debat. De vraag die haar stuk bij me opriep, sluimerde al langer: in hoeverre zijn kunstenaars het aan zichzelf en de wereld verplicht om zich uit te spreken over – dan wel actief in te grijpen in de huidige maatschappij en de problemen die onze tijd met zich meebrengt?
    Soms voel ik me ongemakkelijk. Aan de ene kant denk ik: moet ik ook niet eens wat zeggen – over vrouwenrechten, seksisme, armoede in de wereld of over politiek? Anderzijds ben ik zo ontzettend meningen-moe. Als ik wil nadenken over rassenkwesties – vrouwenonderdrukking of wat voor onderdrukking dan ook – neig ik naar fictie. Niemand kan beter over vrouwen- en rassenhaat schrijven dan Toni Morrisson, om maar iets te zeggen. Of zij in haar romans uit eigen ervaring put of verzint, doet er niet toe. Het probleem blijft net zo actueel. Verschuil ik me hiermee achter andermans woorden, ontduik ik mijn plicht?

    Uit nieuwsgierigheid nam ik Vrouwen schrijven niet met hun tieten mee uit de bibliotheek. Misschien was die nieuwsgierigheid niet helemaal zuiver, misschien was ik al een beetje voorbereid op een lekker potje hate-reading, zoals ik Not that kind of girl van Lena Dunham enkel las om bevestigd te zien dat Dunham een vrouw-zijn bespreekt waarbij ik mij niet thuis voel.
    Er stonden goede stukken in het Tietenboek, eerlijke teksten die niet alleen over een individuele pijn gingen, maar deze juist aangrepen om een groter probleem te illustreren. Ik was onder de indruk van Alma Mathijsen en Anke Laterveer. Zoals deze vrouwen zijn aangetast, zo ben ik dat nooit. Dus kan ik alleen zeggen: wat is dat erg, hoe kunnen we ervoor zorgen dat zoiets niet meer gebeurt? Mijn plek is niet vooraan de barricade, dat is hun plek, hun pijn en niet de mijne. Indien Mathijsen en Laterveer willen, dan kunnen zij die pijn en woede prima zelf verwoorden – blijkt al uit hun teksten.
    Niet schreeuwen over iets dat niet jouw pijn is, daar geloof ik heel sterk in. Daarom vond ik het stuk van eerder genoemde Romeijn, waarin zij ingaat op de reacties die Anke Laterveer over zich heen kreeg met haar #zeghet-campagne op Twitter, nogal ergerlijk. Romeijn heeft geen ongelijk, die reacties waren vreselijk, maar is het aan haar om daarover te schrijven? En is het aan mij om daar weer over te schrijven?

    (Vermoeide zucht)

    Armoede en schending van mensenrechten zijn ook niet direct mijn pijn, dus zwijg ik daar liever over. Maar als iedereen zijn mond houdt, hoe lossen we deze problemen dan op? Daar ben ik nog niet over uit. De mensen die de moed hebben om op de barricades te gaan staan, hebben mijn bewondering. En wanneer het tijd is om mijn plek vooraan in te nemen, zal ik dat doen. Tot die tijd beperk ik me tot zorgvuldige voorzichtigheid. Er zijn al genoeg meningen. En er is een heleboel leerzame fictie.

     

     

  • Er wacht een boek

    Wat is dat toch dat als ik me ergens op verheug – denk aan een boek lezen van een debutant waarvan je nogal wat verwacht zonder dat je beloofd is dat het een boek zal zijn naar je verwachting en weet je ook wel dat je een debutant alle credits moet geven en gewoon hupakee, boek openslaan en lezen –  er opeens dringender zaken zijn die om voorrang vragen. Eerst moest de ontbijtboel de afwasmachine in, het aanrecht schoongeveegd, waarbij ik opeens allerlei vlekken zag die me niet eerder waren opgevallen; donkergele vlekken van geknoeide kurkuma tijdens het koken, donkerbruine kringen van gemalen koffie en een ondefinieerbare viezigheid langs de randen, nog nooit zo’n smerig aanrecht gezien. Met een ijver die me zelden overvalt maar me een gevoel gaf van: kijk mij toch eens lekker bezig zijn, boende ik met schuursponsje en huishoudzeep het hele aanrecht. Daarna demonteerde ik het espressopotje, poetste de randen en binnenkantjes en verving ook maar even de korrelig geworden rubberen ring – dat we daar koffie uit gedronken hebben – en nam al poetsend meteen de gootsteen mee.

    Ondertussen lag er een boek op de keukentafel – strakke cover, beetje yingyang in donker en licht – en nou ja, het zag er geweldig uit. Maar ik moest eerst maar eens koffie zetten en riep naar de anderen in huis dat er koffie was – als ik me ergens op verheug word ik behoorlijk kletserig en sociaal, wil alles met iedereen delen, ondertussen roepend dat ze niet op me kunnen rekenen. Dat ik zo een boek ga lezen. Zo zaten we dan koffie te drinken toen Mijn Lief zei dat hij geen sokken kon vinden, waarop Zoon liet weten dat er wel een ‘teil vol’ van stond boven op de wasmachine. En omdat ik zo enthousiast was met alles omdat er een boek op me lag te wachten, riep ik: ‘Die ga ik wel even uitzoeken.’ Dus legde ik alle sokken naast elkaar op een rij en maakte er aannemelijke paren van. Een klus die tegenviel want na het vijfde setje was er geen match meer te maken met de overige dertig, maar ook Boring things verdienen de aandacht. Opgewekt toog ik naar beneden en was er klaar voor. Nadat iedereen de kamer verlaten had, nam ik het boek van tafel.

    Nu zeggen: “En ik las, en ik las, en las…”. Maar ten eerste houd ik niet van ‘puntje puntje’ teksten en ten tweede… is het wel waar. Vanaf het begin: “Boven slaapt de jongste. Alma brandt haar tong. Ze zet haar kop koffie neer en leunt met haar rug tegen het aanrecht. De laatste druppels chloorwater glijden vanuit haar nek naar beneden: ze heeft gezwommen en is net thuis. (…) Vandaag is het twee jaar geleden.”
    Ontrolt zich langzaam – en puntgaaf geschreven – een verhaal, een geschiedenis die prikkelt en kronkelt langs verschillende gebeurtenissen en achtergronden die elk op zijn tijd worden onthuld. Personages als herkenbare karakters, hoe klein hun rol ook is. En ik wist: Marijn Sikken beheerst het schrijven en weet hoe ze een roman moet construeren.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Dichter J.W. Oerlemans

    We kennen allemaal de grote namen Achterberg, Gerhardt, Bloem, Vasalis, Slauerhoff, noem ze maar op. Die moeten we lezen en blijven lezen, helemaal terecht. Mijn aandacht blijft toch vaker haken bij de wat onbekendere namen. Toen ik begon met studeren en echt begon met lezen, las ik juist de debuten van Nederlandse schrijvers in plaats van de grote Couperus, Reve of Haasse. Het antiquariaat waar ik wekelijks kwam, legde zelfs de nieuwste titels op de toonbank voor me klaar.

    Poëzie die me raakt is meestal de poëzie over afstand, nostalgie, het onbereikbare, de omgang met dat wat verdwenen is, het proberen te vangen van een moment. De dichter J.W. Oerlemans (1926-2011) is een dichter die al een jaar of 20 in mijn buurt verkeert, althans zijn woorden dan.

    Al werkend nemen wij, de antiquaren, veel boeken in onze handen die we vooral financieel en af en toe geestelijk waarderen. Die roman zet ik voor een tientje in de winkel en die dichtbundel neem ik even mee naar huis om te lezen. Zo ging dat ook met Oerlemans, tijdens zijn leven historicus. Ik kreeg zijn bundel In de neerslachtige polder en elders (Bert Bakker, 1976) onder ogen, las een gedicht en raakte geïntrigeerd door de sensitieve beschrijving van wat ons omringt en onze omgang met elkaar en de verglijdende tijd. Oerlemans dicht over het mogelijke, onzichtbaar nabije, het vervliegen van momenten en het langzame besef van verlies. Een van zijn mooiste gedichten vind ik ‘Sporen’:

    De drempel schittert nog van jouw voet
    er is nog vocht in de gang
    van jouw jas en iets van nevel
    is tegen de deur gebleven

    Zoals ik nu in het boek Complot tegen Amerika van Philip Roth een historische parabel lees van de politieke realiteit van nu – waar ik niet bepaald rustig van slaap – zo kom ik in de gedichten van Oerlemans gelukkig tot rust.

    Nou, nog eentje dan:

    Vannacht heeft zij de aarde getekend
    op de achterkant
    van een groot stuk wit papier
    er staan geen mensen op
    of andere dingen
    alleen de ademhaling van de aarde
    en het neerstorten
    van het licht.

    De zachte dimensie van het poëtische woord prefereer ik verre boven de harde realiteit van het politieke woord.

     

    Uit: Dichtbundel Balsem (Herik, 2000)

     

     

  • Zoektocht in marmer

    Sommige beelden zijn zo teer dat ze lijken weg te glijden. Zelfs als ze bijna twee meter hoog en uit het hardste marmer gehouwen zijn. Zodat je ze altijd wilt beschermen, omdat ze zo maar zouden kunnen vallen. Eén van de mooiste beelden in deze categorie is de Pietà Rondanini van Michelangelo. Veertien jaar werkte hij hieraan, tot de dood hem op 18 februari 1564 bezocht. Steeds zoekend naar de perfectie die hij wilde uitbeelden: de gestorven Christus in de armen van zijn moeder. Het was een moeizame zoektocht, die bij de dood van de beeldhouwer duidelijk nog niet ten einde was. Verschillende keren was hij op eerdere schreden teruggekeerd en had hij zijn Christus dieper in het marmeren blok gezocht. Steeds dieper.

    Michelangelo_pietà_rondaniniEen tot in perfectie uitgewerkte rechterarm – loshangend van het lichaam – getuigt nog van een verlaten zoektocht. Als in marmer gestold verdriet van de beeldhouwer die zich realiseerde dat hij afscheid moest nemen van deze Christus omdat in dieper marmer nog een andere Christus verscholen lag.
    Afscheid nemen kan enorm pijnlijk zijn. Vooral als het met afbraak gepaard gaat van een lichaam dat ooit krachtig was maar inmiddels door ziekte wordt verteerd. Het verslag van zo’n afscheid kan echter naast pijn ook troost bieden. Zoals blijkt uit Valt u al?, een fotoverslag van Milvia Luijendijk met fragmenten uit blogs van Jan Stoof, dat vertelt hoe Multiple Systeem Atropie Jan geleidelijk in zijn greep kreeg.

     

    De titel van het boek verwijst naar de vraag die een neurologe ooit aan Jan stelde om vast te stellen hoe ver de ziekte bij hem was voortgeschreden: “Valt u al?” Het blijkt één van de vele tekenen van het geleidelijke verval te zijn dat deze relatief onbekende ziekte veroorzaakt. Om meer bekendheid te genereren wilden Milvia en Jan hiervan verslag doen met dit aangrijpende boek als resultaat. Niet alleen aangrijpend omdat ik Jan persoonlijk kende, maar vooral omdat het pijn en troost zo dicht bij elkaar brengt. Pijn van de afbraak die normaal functioneren steeds meer in de weg stond. En troost van al het moois uit een leven dat bijna voorbij was. Dezelfde pijn en troost die ook te lezen was in de afscheidscolumns van Pieter Steinz. Valt u al? lijkt daar wel wat op, met dat verschil dat hier het beeld de boventoon voert. Zoals ook bij Michelangelo het beeld altijd op de voorgrond stond. Wat niet wegneemt dat hij ook prachtige gedichten schreef, over beeldhouwen, over liefde en over de essentie der dingen. Net als Jan overigens. Valt u al? sluit af met zo’n gedicht. Een gedicht dat net als Michelangelo’s Pietà Rondanini laat zien dat zoeken je altijd weer, met alle pijn en troost die erbij kan horen, dichter bij de kern brengt.

    Overal heb ik gezocht
    in vrienden
    in vrouwen

    in verre, vreemde landen
    in boeken
    En nergens was
    de eeuwige rust en vrede
    dan al die tijd al
    in mijzelf