• What’s in a name

    Vanmorgen liep ik een boekhandel binnen. Ik had geen paraplu nodig, of leesbril. Ik zocht een boek. Dat kon gelukkig in deze boekhandel. Het winkeltje lag aan een rustige winkelstraat waar, op het uitwaaierende geroep van voorbij fietsende scholieren en het rammelen van de winkeldeur die ik opentrok, verder niets te horen was. Bij binnenkomst stond daar als een blok de toonbank, vol papierwerk, boekjes, boeken, folders en een hoge kassa. Links lag de winkel als een open boek voor me. Boeken aan mijn voeten en boven mijn hoofd. Daartussen een smal pad dat langs boeken voerde die op kuithoogte lagen. Achter me een hoog opgetaste boekentafel. Rustig aan nu. Denk, denk om de rugzak. Draai met beleid en stoot nergens tegen aan. Bukken om, naar zal blijken, de zesde druk van Sylvia Plath’s De glazen stolp, naar me toe te halen.

    Vanuit een nis onder de trap die zich halverwege de winkel bevindt, klinkt een goedemorgen. En of ik het vinden kan. ‘Jaja, neenee’, zeg ik en sla het boek van Plath open. De boekhandelaar treedt uit zijn nis naar voren. Een echte boekhandelaar, beetje raar haar, plat op zijn hoofd, bril op zijn neus, niets bijzonders. ‘En, vraag ik, bent u blij dat het doek voor Polare gevallen is?’ Gelijk ik de naam uitspreek wordt er in mijn hoofd een gitaar aangeslagen. ‘Kreeg u zoiets als: eigen schuld dikke bult en ik had het wel gedacht?’ ‘Tjsa’, zei de boekhandelaar die een echte romanticus bleek: ‘die groots opgezette boekhandels kijken naar kopers maar vergeten de lezers. Deze stad kent geen Polare’, vervolgde de boekhandelaar grijnzend. Een hese stem zong in mijn hoofd: ‘Volare oho, cantaré oho ho ho’. Ik kon er niets aan doen. Zo gauw ik Polare hoor, denk of een vestiging binnenloop, gaan de Gipsy Kings los in mijn hoofd. Niet dat het er iets mee te maken heeft. Die opzwepende vurigheid bezat Polare helemaal niet. What’s in a name? In die van Polare dus niets. Echte boekenwinkels varen wel onder namen als Someren & Ten Bosch, Lovink, Nawijn & Polak, Athenaeum, Schimmelpennink. En daar staat dan Boekhandel voor, of achter. Weet je gelijk waar je aan toe bent.
    Ik stond nog met De glazen stolp in mijn handen en las de eerste zin die een hoop in me losmaakte:

    ‘Het was een merkwaardige snikhete zomer, de zomer dat ze de Rosenbergs elektrocuteerden, en ik was in New York, en wist niet wat ik er deed.’ De hitte was voelbaar, blote voeten over smeltende teerwegen en de dreiging van het onbevattelijke. En dat je dan niet weet wat je daar doet. Maar ook niet weg gaat. Bij de kassa zei de boekhandelaar, nog steeds grijnzend: ‘Een klant vertelde me laatst dat als hij bij Polare rondliep, hij subiet niet meer wist wat hij er deed. Merkwaardig niet?’ Volare, oho, cantaré oho ho ho, ging het in mijn hoofd terwijl ik toekeek hoe de boekhandelaar het boek met papier omwikkelde en vakkundig dichtplakte.

     

  • De getergde dichter

    Laat ik het hebben over een vergeten stad waar een getergde dichter woont (die liever muzikant was), die op een scooter zijn reisfobie tracht te overwinnen en van dit alles poëzie maakt. En over de groupie in mij die achter de getergde dichter aansurft tijdens zijn tour langs virtuele podia. Geen sex, drugs & rock ‘n’ roll groupie die steevast eindigt in de porno-industrie (volgens wikipedia) maar de eigentijdse. Surfend van blog naar blog waar de bundel Ademhalen onder de maan van hand tot hand ging en nu in enigszins beduimelde staat bij mij op tafel ligt. De sporen van bewondering en teleurstelling zijn gelegd, het oordeel is geveld.

    Als bundel werd het werk van de getergde dichter vergeleken met de uitstraling van een gemeentefolder of juist geprezen om dat ene gedicht dat nu net niet van de getergde dichter zelf was. Een ander prees zijn bundel als perfect waarna het verwijt (waarom niet eerder zo gedicht, was de getergde dichter soms te lui, te ongeduldig geweest?) direct toesloeg. En ach, de getergde dichter werd steeds getergder en zoals het een goed dichter betaamt schreeuwde hij met opeengeperste lippen: ‘Jullie begrijpen er helemaal niets van, laat me met rust’. Maar toen hij zijn lippen van elkaar deed en zijn mond opende kwam daar het verraderlijk vage: ‘Waarschijnlijk zit er wel wat in je kritiek’.

    Als groupie ter plaatse had ik hem een flinke borrel geschonken en hem het zelfvertrouwen van een klassiek dichter laten ervaren. Wat dit dan ook mag inhouden, zeker is dat aan ondermijnende kritiek, hoe licht ook, niet werd toegeven. De dichter hoeft niemand te vriend te houden. Een getergde dichter moet een beetje sarren en stoken. Dat is goed voor het vuur.

    De getergde dichter schreef een bundel vereenzamende en tevreden makende poëzie. Tevredenheid en eenzaamheid  gaan hand in hand, een fijn koppel. In eenzaamheid kan de groupie in mij een volstrekt tevreden staat van zijn bereiken. Daar komt geen drugs & rock ‘n’ roll aan te pas. Poëzie waarover een dergelijk fijn sluier van vervreemding ligt dat eenzaamheid zich des te sterker laat gelden, is mij genoeg. Dat is  niet dramatisch. De poëzie van de getergde dichter is aan de werkelijkheid ontleend en daar bevindt zich geen drama in. Zijn werkelijkheid gaat zo diep als hij nodig heeft om te (over)leven. Elke bundel steeds moeilijker te doorgronden. Waar vanuit een haast meditatief schrijven de schrijnende zaken des levens belicht worden; waar doen we het  voor en wat is het doel van dit al.

    Dan wordt het tergender. De bundel wordt geprezen om het gedicht dat niet door de getergde dichter zelf is geschreven maar vertaald. Dat doet denken aan een scène uit het liedje ‘De eerste klant’ van Wim Sonneveld. Over twee geliefden die een winkel
    beginnen maar geen klandizie oogsten. Toen ze ten einde raad waren en hun liefde verbleekte, ‘Toen kwam er een meisje naar binnen/ Een briefje van tien in haar hand/ Die vroeg of de baas dat kon wis’len/ En dat was hun enigste klant.’ De groentewinkel gebruikt als wisselkantoor en de bundel van de getergde dichter als doorgeefluik van een andere dichter.

    Tragisch het lot van de getergde dichter in zijn vergeten stad die verlangd naar (…) roken op bankjes met lotgenoten, roken / wat ik maar tussen vloeipapier kan krijgen, roken / tot elke gedachte is verdampt (…) Je bent zo moe. De wereld is groot / en vol geheimen. Het nest is het beste./ Pas op want ik blijf.’
    Waarmee de reisfobie gesublimeerd wordt en ik, als groupie hem vanachter mijn tafel op de voet zal volgen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

     

     

  • Superieur gemopper van een nietig mens

    In het tweede deel van De kaart en het gebied wandelt Michel Houellebecq zijn eigen roman binnen. De manier waarop hij zichzelf introduceert, is een knipoog naar glossy interviews waarin ‘de mens achter de beroemdheid’ gretig wordt uitvergroot:

    ‘Hij belde aan, wachtte een halve minuut en de auteur van Elementaire deeltjes kwam opendoen, op pantoffels, gekleed in een ribfluwelen broek en een comfortable kamerjasje van ongebleekte wol. Hij nam Jed lang en nadenkend op en richtte zijn blik toen op het gazon met een mijmerende, droefgeestige uitdrukking die hem leek aan te kleven.’

    Houellebecq beschrijft zijn romanversie als een schurftige, eenzame man met een drankprobleem. Die introductie van zichzelf binnen het kader van een roman roept associaties op met Summertime, de quasi-biografie van Coetzee waarin hij een kritisch beeld van zijn overleden zelf laat schetsen. Maar waar Coetzee’s zelfportret adembenemend menselijk is, lijkt Houellebecq in eerste instantie vooral een lange neus naar de wereld – de Franse media in het bijzonder- te maken.

    ‘De wereld heeft genoeg van mij. En ik al evenzeer van haar’. Dit citaat van de dichter Charles d’Orléans koos Houellebecq als motto voor zijn boek. Het laat aan duidelijkheid weinig te wensen over.

    In De kaart en het gebied  heeft de kunstenaar Jed Martin bekendheid verworven met een fotoserie van Michelinkaarten. ‘De kaart is interessanter dan het gebied’, was de titel van de bijbehorende tentoonstelling. Inmiddels werkt hij al geruime tijd aan een serie geschilderde beroepsportretten. In deze fase van zijn leven waarin hij worstelt met zijn laatste werk, (Damien Hirst en Jeff Koons verdelen onderling de kunstmarkt), zijn combiketel en zijn herinneringen, vraagt Martin de schrijver Michel Houellebecq een inleiding bij zijn catalogus te schrijven.

    Hun eerste ontmoeting vindt plaats in Ierland waar de schrijver op dat moment woont.  Na een avond in zijn gezelschap te hebben doorgebracht, besluit Martin een portret van Houellebecq te schilderen. Wanneer hij de schrijver een paar maanden later opzoekt met een fles dure wijn, treft hij ‘de auteur van Weerbaarheid’ in een zekere staat van verwaarlozing aan:

    ‘”Eén fles maar?” vroeg de auteur van Het streven naar geluk, terwijl hij zijn nek strekte naar het etiket. Hij stonk een beetje, maar minder dan een lijk; het had al met al slechter kunnen gaan.’

    Na de tentoonstelling die hem puissant rijk heeft gemaakt, gaat Martin nog één keer bij de schrijver langs, dit keer om hem zijn portret te overhandigen. Houellebecq is inmiddels teruggekeerd naar Frankrijk en heeft zijn intrek genomen in het huis op het Franse platteland waar hij zijn kinderjaren heeft doorgebracht.

    Zoals Martin al voorvoelt, is het hun laatste ontmoeting. Niet lang daarna zal de schrijver bruut aan zijn einde komen en samen met zijn hond Plato gefileerd tot kleine stukjes vlees als Action Painting op de vloer van zijn huiskamer door de plaatselijke gendarmerie worden aangetroffen. Jed Martin stopt met schilderen en richt zich in de laatste jaren van zijn leven op het filmen van afgedankte computermoederborden.

    Deze schrale plot lijkt niet meer dan een alibi voor de schrijver om uitgebreid te fulmineren en te filosoferen. Die schraalheid betreft ook de geschakeerdheid van de (mannelijke) personages die de roman bevolken. Zonder uitzondering zijn het opzichtige pendanten van de schrijver: bordkartonnen Houellebecqjes die zich mensen- en relatiemoe uit de wereld hebben teruggetrokken.

    Maar steeds als de eenkleurigheid van zijn personages gaat tegenstaan, volgt er weer een onverwachte geestigheid die veel goedmaakt. ‘Ik ben teruggevallen… Ik ben qua charcuterie helemaal teruggevallen.’ laat hij Houellebecq ergens sip constateren.

    Wat mij wel voor de mannen van Houellebecq inneemt, is hun eeuwige geaarzel dat zelden gaat over hoe zij zouden moeten handelen, maar altijd over wat zij zouden mogen verwachten van het leven. Toch mept Houellebecq ons keer op keer weg bij zijn personages. Steeds wanneer een karakter al te menselijke trekken vertoont, volgt er weer een ironisch, afstand scheppend intermezzo. Iemand ziet de siliconenborsten van zijn vrouw als haar grootste kwaliteit. Er wordt superieur gejammerd over een lievelingsparka die niet meer in productie is. De arts van de euthanasiekliniek die Houellebecqs vader heeft geholpen, krijgt een muilpeer en de commissaris die belast is met het onderzoek naar de moord op de schrijver, betreedt de plaats delict uiteraard op Maigreteske wijze:

    ‘Zodra hij het portier van de Safrane opendeed begreep Jasselin dat hij voor een van de ergste momenten van zijn loopbaan stond. Op een paar passen van het hek zat luitenant Ferber lethargisch met zijn hoofd tussen zijn handen in het gras, volmaakt onbeweeglijk.’

    (…)

    ‘Langzaam, als een jongen die straf krijgt, keek Ferber op en wierp hem een klaaglijke, verbitterde blik toe.

    “Is het zo erg?” vroeg Jasselin zacht.

    “Nog erger. Erger kun je je niet voorstellen. Degene die dit heeft gedaan…zou niet mogen bestaan. Hij zou van de aardbodem moeten worden weggevaagd.”

    “We krijgen hem wel, Christian. We krijgen ze altijd.”‘

    Op de grafsteen van de vermoorde schrijver staat de afbeelding van een möbiusband. Het is alsof de auteur van Platform wil benadrukken dat we in ons leven ogenschijnlijk ergens naar toe gaan, maar dat aan het eind van onze rit de weg die we bewandelen gewoon de andere zijde blijkt te zijn van het pad waar we ooit begonnen.

    Dit duizeligmakende principe vlecht Houellebecq met steeds weer andere ballorige vondsten door zijn verhaal. Zo laat hij de schrijver aan het eind van zijn leven weer slapen in zijn oude kinderbed, en blijkt zijn doodskist een kinderkist van slechts 1.20m lang. Door zijn gefileerde toestand is hij ‘niet meer dan een klein, compact hoopje van veel geringere omvang dan een normaal menselijk lijk.’

    De kaart is interessanter dan het gebied. Kunst is belangwekkender dan de mens. Houellebecq kan er met zijn bladzijdenlange uitweidingen over kunst en zijn gemopper op de nietigheid van de mens geen genoeg van krijgen om dit te benadrukken. Tegelijkertijd ondermijnt hij met zijn geschmier, zijn treiterige cursiveringen en wikipedia-feitjes voortdurend het gewicht van zijn werk.

    ‘Ik denk dat ik het wel zo’n beetje gehad heb met de wereld als verhaal- de wereld van romans en films, de wereld van muziek ook. Ik interesseer me alleen nog maar voor de wereld als nevenschikking – de wereld van de poezie, van de schilderkunst’, verzucht de schrijver vlak voor zijn dood. Misschien is De kaart en het gebied niets anders dan de bewuste onttakeling van een roman.