• Woeste krullen

     

    Op het perron van een klein station in het Oosten van het land stond ik op een vroege ochtend te wachten op de trein die me naar het Noorden zou brengen. Het stationnetje had twee perrons en was op mij na geheel verlaten. Ik voelde mij prima afgestemd op dit tijdstip, de stilte en mijn voornemen voor deze dag. Toen de trein binnenreed kwam een jongeman gehaast het perron op. Al lopende, tastte hij in de binnenzak van zijn lange jas. Stopte abrupt, liet zijn bruin leren tas tussen zijn voeten vallen en doorzocht alle zakken van elk kledingstuk dat hij droeg. De conducteur keek vanuit de openstaande treindeur naar de jongeman die nu steeds verwoeder, zijn tas doorzocht en begreep dat dit op niets zou uitlopen. Hij draaide aan de binnenkant van de deur een sleutel om waarna een schrille fluit klonk en de deuren van het treinstel zich sloten en vertrok.

    De jongeman, die een aantrekkelijke bos woeste krullen had, keerde zich met een ruk om en liep richting fietsenstalling. Onderweg mepte hij een prop papier in een prullenbak waarmee het leek alsof hij de stop uit een volgelopen waterbak had getrokken. Hij gaf de prullenbak er van langs: ‘Tjeesus (knal!). Die kuttekop (ram!). Heeft ze weer (knal!) mijn portemonnee (knal!) bij zich (ram!) gehouden. Ik had het nog zo gezegd (knal!).’ Omdat ik het zelf wel eens bij de hand had gehad, meende ik te begrijpen dat zijn vriendin zijn portemonnee voor de boodschappen had gebruikt en die niet terug in zijn jas had gestopt. En dat het niet de eerste keer was. De jongeman sloeg nog één keer met zijn tas (ram!) tegen de prullenbak en liep verder, zijn krullen nog woester dan daarvoor.

    Toen hij mij passeerde vroeg ik: ‘Gaat het?’
    ‘Ik hoop dat ik u niet geschokt heb’, verontschuldigde de woeste krullenbol zich en keek me daarbij aan alsof ik hem nu pas was opgevallen.
    ‘Oh nee hoor’, glimlachte ik. ‘Ik ben wel wat gewend, haha.’
    Maar dat was ik  helemaal niet. Mijn lief probeert wel eens woedend te zijn maar dat lijkt nergens op. We zijn daar niet zo goed in. ‘Maar in de loop der jaren heb ik toch wel wat oefeningen gedaan,’ vertelde ik hem, terwijl ik mijn ogen niet van zijn krullen kon afhouden.

    ‘Daar lijkt u me veel te aardig voor om in woede uit te barsten,’ zei de jongeman.
    Ik zei: ‘Ojee, dan heb je me nog nooit gezien bij het openen van een pakje Toscaanse vegaburgers die ik niet open krijg. Dan ontsteek ik van het ene op het andere moment in felle woede en voordat ik het weet trek ik een keukenmes uit de la. Die ik zonder pardon dwars door het  gesealde plastic van het onvermurwbare pakje steek en doorklief met één opwaartse beweging het strakgespannen plastic, als staat er een leven op het spel en met een woede, die stijgt als het water in de rivier na een lange winter, ruk ik de verpakking verder open met mijn handen om eindelijk die Toscaanse burgers te kunnen pakken.’
    Mijn trein reed het station binnen.  De woeste jongeman lachte waardoor hij nog aantrekkelijker werd en zei: ‘Waar zouden we zijn zonder woede.’
    ‘Ja, zei ik, ‘Je hebt gelijk, wat woede op zijn tijd houdt het vuur brandende,’ en stapte in terwijl de zon over het perron scheen. Op naar het Noorden, naar de schoonste lucht van het land.

     

     

     

  • Verkocht

     

    Ik stelde voor dat ik voor altijd thuis zou blijven. Ik zei: ‘Laat mij maar thuis blijven. Dan zal ik, in ruil daarvoor, de schappen in de voorraadkast en de kastjes boven het aanrecht steeds opnieuw ordenen en schoonmaken en de onderbroeken strijken. Daarna zal ik de aangekoekte pannen met staalwol schrobben, de zwarte aanslag uit de theepotten (vier in totaal) verwijderen en de tuin doe ik er ook wel bij. Al die dingen zal ik steeds opnieuw doen, net zo lang tot er een sereniteit ontstaat die jou bij thuiskomst weldadig omarmt. Die jou, wanneer je met vermoeide ledematen en een leeg hoofd thuiskomt, de rust geven die je nodig hebt. Je weet, ik houd niet van regelmaat en steeds dezelfde dingen moeten doen, maar als ik voor altijd thuis mag blijven: doe ik het gewoon. Ik zet de stoelen omgekeerd, met hun poten omhoog op tafel, pluk tussen duim en wijsvinger pluizen en andere huislijk vloervuil van elke poot afzonderlijk en luister naar programma’s waarin bijvoorbeeld K. Schippers aan het woord is. Die het heeft over voorbijgangers alsof het beroemdheden zijn. Dan ben ik verkocht. Tussendoor gooi ik een digitaal prullenbakje leeg, spoel het vaatdoekje uit en neem voor de derde maal de kastjes nog eens uit. Je ziet. Genoeg te doen.

    Een zwak voor iemand hebben is het mooiste wat je kan overkomen. Zaterdagochtend zat ik in bed met een kop koffie en Sir Edmund toen het gebeurde. Op pagina 16/17 werd ik getroffen door een jonge vrouw, die me met een niets verwachtende, wat waterige blik vanuit een blauw/witte achtergrond aankeek en zich, zo bleek uit het interview, op een punt in haar leven had bevonden tussen John Steinbeck en Michael Cunningham. Die tussen die twee schrijvers in, als twee entiteiten van het schrijverschap, haar eigen schrijverschap had uitgevonden. Ze nam me voor zich in omdat ze Van muizen en mensen van Steinbeck hield.

    Een paar dagen daarvoor had deze schrijfster, Roos van Rijswijk, op TIRADE.NU geblogd over een irritant geluid in het ventilatiesysteem van haar huis waardoor haar vriend en zijzelf ‘s nachts geen oog dicht deden. Ze sliep met siliconen oordopjes in:

    ‘s Ochtends vind ik die dopjes in mijn kruin, ze zijn knalroze en er nog moeilijker uit te krijgen dan kauwgom.

    Het was wachten op de ventilatieman die het euvel zou verhelpen. En passant blogt ze verder dat over twee dagen, op 10 februari haar debuutroman Onheilig, gepresenteerd zal worden.

    Een gebeurtenis die haast in het niet valt bij de mogelijke verlossing die ventilatieman kan brengen, desalniettemin heb ik ook daar zin in.

    Haar formulering van de dingen nam me voor haar in. En hoe ze op die prachtige foto van Jiri Buller, waar de natte winterkou vanaf straalt, haar handen plat op haar donkerblauwe gebreide muts legde, als om de muts op haar hoofd aan te drukken. Om de onschuld van die handen was ik weer verkocht. Vraag me niet wat het is. Vraag me alleen of ik voor altijd thuis zal blijven. Zodat ik Onheilig kan lezen. Tussendoor maak ik nog wel een aanrechtkastje schoon.

     

     

  • Tegen gewenning

    Vanmorgen schrok ik wakker uit een droom. Er stond een agent voor onze buitendeur met een mitrailleur in zijn handen. Wijdbeens, alsof hij daar voor eeuwig geplant was. Glurend door de brievenbus aanschouwde ik dit donkere silhouet in de ochtendschemer. Hij stond met de rug naar ons huis, onbeweeglijk maar aan de intensiteit van zijn aanwezigheid, was te zien dat hij zo onopvallend mogelijk de straat observeerde op verdachte bewegingen. Onze Marokkaanse buurvrouw liet uit schrik haar man via de achterdeur naar zijn werk gaan en de kinderen hield ze thuis van school. Dat is het mooie van dromen, dat je alles ziet wat je eigenlijk niet kan zien. Tegen mij fluisterde ze: ‘Er moet een tegenwicht komen, er moet een tegenwicht komen.’

    Ik draaide me op mijn rug en hoorde me zelf zeggen: ‘Ja, je hebt gelijk. Het is klaar nu.’ Maar ja, wat moet je. Om nog een actiegroep in het leven te roepen tegen ophangen van slachtvee, gebruik van afkortingen die rijmen op ‘Nee’ en ‘ermee’ (assertiviteits-trainingen uit de vorige eeuw hebben hun sporen nagelaten) en zwaarbewapende agenten op straat, zal niet werken. Een goeie existentialistische roman uit de tijd van Sartre en zijn tijdgenoten kan nog wel eens helpen de mens terug te werpen op zichzelf en zijn daden te overwegen. Maar het zijn geen boeken die je even tussen tussen neus en lippen door leest. In een tijd waar het ene beeld een nog heftiger volgende beeld oproept. We grossieren in overtroevende en angstaanjagende beelden en berichten. Een gewoon boek komt er niet meer aan te pas. Ik zou dan ook willen voorstellen om vaker de boekenkast te raadplegen. En voor wie die niet heeft, er een op te bouwen.

    Wie The walking dead kijkt, komt tot het verlichtende inzicht dat (écht) alles went. Hakgeluiden in zompig vlees, bloedrochelende keelgeluiden en hoofden afhakken van levende doden (jaja, levende doden), we knabbelen er gerust een blok chocolade bij weg. Je raakt zo gewend aan het inhakken op lichamen dat als je buurman op die wijze vermoord zou worden, je er niet van opkijkt. Ons gewenningspatroon kent geen grenzen. Een boek tegen gewenning is Van muizen en mensen van John Steinbeck.

    Het speelt tijdens de grote crisis, zoals wij die nu wereldwijd kennen, in de Verenigde Staten, jaren dertig. Mensen raakten op drift, op zoek naar een menswaardig bestaan. Twee dagloners, George en Lennie trekken van farm naar farm volgens een plan dat George bedacht heeft. Lennie is zwakzinnig en kent zijn eigen kracht niet. In zijn hartstocht drukt hij muizen, honden en zelfs mensen dood. Ze dromen van een eigen stukje grond met een boerderijtje en wat vee. Maar eerst moet er geld verdiend worden. Ze komen op een farm waarvan de boer nogal opvliegend is. De domheid van Lennie kan hij niet verdragen. En ramp oh ramp, Lennie wordt verliefd op de boerin. Na een handgemeen met de boerenzoon komt Lennie in grote moeilijkheden. Het einde zal ik niet verklappen, alleen dat het geen fraai einde is.

    Wel kan ik verklappen dat er een groot medeleven met de personages in dit verhaal zal zijn. Maar het medelijden met de doodgeknepen muisjes zal groter zijn.

     

     

  • Rode wijn en hagelslag

    Voor mij was het een geruststelling te weten dat migraine al bestaat zolang de mensheid bestaat. Mensen als Ceasar, Kant, Freud en J.J. Voskuil werden gegeseld door migraine aanvallen. Frida Vogels had waarschijnlijk ook last van migraineuze aanvallen als ze in haar dagboek schreef dat ze die dag niets had kunnen doen: in bed gelegen met een gevoel van algehele malaise en misselijkheid.

    Migraine kan zich als volgt openbaren: tegen het ochtendgloren wegzakken in een soort moeras waarna alles in een helder wit licht komt te staan. Op zich geen nare ervaring. Dan treden er duizelingen op (bed kiepert achterover) waar je misselijk van wordt. Even later trekt alle energie met een ongekende vaart naar het schedelpan op het gevaar af te barsten. Maar dat kan gelukkig niet, zegt Oliver Sacks in zijn boek Migraine (herziene druk 2008).

    Het boek bevindt zich al jaren zwervend door mijn huis. Door er geregeld in te lezen weet ik dat migraine min of meer te reguleren is. Ik kreeg er op de meest ongepaste tijden last van en heb het nu zo geregeld dat als het dan toch moet gebeuren dat in het weekend is. Hoe precies weet ik niet, maar wel dat het boek me daartoe heeft geïnspireerd.

    Ik pakte het er weer eens bij en bladerde er tussen de comateuze slaapjes wat doorheen. Het is een prachtig boek, ook wie geen migraine kent, moet dit lezen. Een bonte verzameling aan onderzoek, cases van verschillende neurologen uit alle tijden, er gaat een wereld voor je open. Zo blijkt dat de symptomen al in de tweede eeuw van onze tijd werden beschreven onder de naam heterocranie door de Griekse arts Aretaeus van Cappadocië:

    En in bepaalde gevallen doet het hele hoofd pijn, en de pijn bevindt zich soms rechts en soms links, of op het voorhoofd of de fontanel; (…) Dit wordt heterocranie genoemd, een ziekte die in geen enkel opzicht onschuldig is (…). Het veroorzaakt onbetamelijke en vreselijke symptomen (…) misselijkheid; galspuwen; ineenstorting van de patient (…) en het leven wordt een last. (…) de duisternis verzacht hun kwaal; noch kunnen zij het makkelijk verdragen iets plezierigs te horen of te zien.

    Duizenden jaren later is er niet veel veranderd aan de symptomen. Al lijken de omschrijvingen erger dan de kwaal in zijn geheel. Zoals met alles waar je tegen aan kijkt en niet zelf beleeft, lijkt het erger dan het is. Migraine is een Way of Living.

    Wat ik nergens heb gelezen, is dat je de avond voorafgaand aan een aanval een onbetamelijke lust krijgt in dingen waar je normaal gesproken zeer matig in bent. Zoals brood met roomboter en pure hagelslag en dat dan schrokkend naar binnen werkt. Het liefst als er niemand in de buurt is. Al kauwend knaagt er in mijn achterhoofd dan het besef dat ik de volgende dag door hoofdpijnen geplaagd zal worden. Waarom stop ik er dan niet mee? Ik heb Mijn Lief wel eens gevraagd er wat van te zeggen als het weer zover is. Maar bij nader inzien is het beter niet te dicht bij me in de buurt te komen. Het kan zijn dat ik bokkig mijn schouders op trek en onbeheerst ga grommen en grauwen, als moet ik iemand van mijn rug werpen. Een vriendin vertelde me dat ze de avond tevoren onbetamelijk veel rode wijn drinkt en gedichten reclameert alsof het haar dagelijkse werk is.

     

     

  • Op sterven na dood

    Als je niet oplet drijft het verleden ongemerkt uit beeld tot er niets van over blijft en neemt het heden het volledig van je over. Tot je door iets dat je ziet of hoort met dat verleden geconfronteerd wordt. Gistermorgen viel mijn oog op een kopje boven een kort bericht op de voorpagina van de Volkskrant. Ik las: ‘Vrij Nederland op sterven na dood.’ In werkelijkheid stond er: ‘Vrij Nederland gaat verder als maandblad.’ Door de schok had ik het bericht misvormd. Door de crue berichtgeving werd ik enkele decennia teruggeworpen in de tijd.

    In bed met een stapel kranten in een historisch pand in de binnenstad van Deventer waarvan mijn Lief en ik de verbouwing nooit helemaal voltooid kregen. Wanneer het cementstof was neergedaald en de kou door iets te enthousiast gesloopte tussenmuurtjes door het pand kroop en mijn Lief de kroeg om de hoek indook, was Vrij Nederland mijn baken.

    Met Bibeb, Dichters & Denkers, Boek van de maand, Nederlands proza, de stukjes van Rinus Ferdinandusse (die ik nooit helemaal begreep of gewoon geen geduld voor had), essays en veel, veel ruimte voor recensies. En op de achterkant het feuilleton Agnes, beslommeringen van een alleenstaande bijstandsmoeder met opgroeiende zoon, door Peter van Straaten. In mijn herinnering stonden er geen nieuws of opiniestukken in. Wat natuurlijk wel het geval was en ik zal er voor de vorm ook wel met mijn ogen overheen zijn gegaan, al staat me daar niets meer van bij.

    Boven in mijn werkkamer, die dit weekend als logeerkamer was gebruikt en er nogal aangedaan uitzag, trok ik een grote zwarte koffer onder mijn tafel vandaan en klikte de twee sloten open. Gravend door bergen correspondentie van vrienden en geliefden vond ik op de bodem twee dikke mappen met knipsels en vergeelde VN krantenbladen. Ik vond een recensie van Carel Peeters van De vriendschap, de tweede roman van Connie Palmen, 4 maart 1995. Peeters vond het boek een genadeloos filosofisch meisjesboek dat met niets te vergelijken was: ‘De roman ontwikkelt zich van meisjesboek tot filosofisch essay.’

    In de rubriek Ter zake, uit dezelfde editie een stuk over de taak van de openbare bibliotheken bij de verspreiding van literatuur. Het geval wilde dat de spraakmakende bundel De gevelreiniger en anderen van Arjen Duinker veel lovende recensies had ontvangen maar van de elfhonderd bibliotheken die Nederland toen rijk was, bestelden er maar elf een bundel! Het was een schande. De uitgever van Duinker, Maarten Asscher schreef een boze brief naar de directie van de NBD (Nederlandse Bibliothekendienst) waarin hij klaagde over het feit dat er van de meer commerciële literatuur altijd veel meer werd aangekocht. Een regelrechte schande voor de poëzie was het.

    Er stonden namen in waar ik toen nog nooit van gehoord had en ook later nooit meer iets van vernomen heb. Eendagsvliegen zoals Sammi Landweer die met de verhalenbundel Woestijn debuteerde. En op 3 februari 1990 besprak Frans de Rover De psychologie van de zwavel van Atte Jongstra, waarin feit en fictie een belangrijke rol spelen. In de serie Privé-domein was net Mijn leven door Alma Mahler-Werfel uitgekomen. Beide boeken staan nog steeds in mijn boekenkast en mijn heimwee naar de dagen dat literatuur er nog toe deed in de media, wordt meer en meer aangewakkerd.

    Maar hoe moet dat nu met de literatuur en zijn besprekingen nu VN, na een feestelijk gevierd 75 jarig bestaan op het punt staat te verdwijnen? Want maandelijks verschijnen nadat je decennia lang een wekelijkse gast was, wil zeggen dat je langzaam uit beeld verdwijnt.

     

     

     

  • Geluk in een draagdoek

    Ik was een paar weken in Londen om de tweeling van mijn oudste Zoon en zijn Liefste te bewonderen. Op zondagmiddag gingen we naar het park in London Fields. De baby’s in een draagdoek liepen we door de straten van Hackney. Ruziënde stemmen van een man en een vrouw, vlogen als vuurballen door een open raam de straat over. Het deerde ons niet. We hadden het over schuimende melk en hoe je daarmee figuren op koffie maakt. Alsof we al zo vaak op zondagmiddag met baby’s uit wandelden gingen.

    In het park trokken de draagdoeken de blikken van jonge vrouwen. Verlangen naar een kind lijkt op een zonnige zondagmiddag in een park vreselijk urgent. Een kind maken of een alternatief bedenken. Zoals: maak een schap in de keuken voor de koffiemolens die je in de loop der jaren hebt verzameld. En als dat klaar is, zoek naar wat anders tot blijk dat  het verlangen niet meer te ontwijken is. Grote kans dat je dan ook op een zonnige zondagmiddag bebuideld door een park loopt.
    Op de terugweg naar hun huis begon ik van louter geluk de namen van de straten te mompelen: Shrubland Road, Brownlow Road, Marlborough Road.

    Thuis legden we de slapende baby’s tussen ons in op de bank. Oogbollen schoten achter transparante oogleden heen en weer op zoek naar een opening om de wereld te zien. Piep en prut geluiden. Mondjes verstreken tot een intense treurigheid om dan ineens tot een perfect gevormde 0 te komen die overging in een gelukzalig glimlachen. Waarna een diepe frons, zoals alleen een baby fronsen kan, alles wegvaagde en je zegt: ‘Och, wat is er dan?’ En je noemt ze bij hun naam om ze te helpen dit leven in te komen. Je stelt je voor dat als je nog niets bent van jezelf, je wel een muts op wilt om te weten waar je hoofd is en sokken aan je voeten zodat je weet waar je begint en waar je ophoudt. Om niet af te zeilen naar het oneindige waar het huilen je nader.

    Zoon moest voor zijn werk een week op pad. Zijn Liefste en ik zouden het klaren. De kleintjes dronken gretig moedermelk, we voerden ze bij met flesjes, poedelden ze, zongen liedjes, vouwden steeds opnieuw de was en noemden ze bij hun naam. Dag en nacht. Wanneer ze ontroostbaar waren droegen we ze uren in onze armen of in een draagdoek. Onze taal beperkte zich tot een ‘Ochetoch’ en zongen rijmpjes als: ‘Hee hee / ga je mee / samen naar de zee.’ Waar we natuurlijk niet naar toegingen omdat we geen energie over hadden om waar dan ook nog naar toe te gaan. We waren moe en verwisselden de namen van de meisjes, maar dat vonden ze niet erg. Ze bleven stralen en fronsen en drinken en hun luiers volmaken en zich koesteren in onze omarmingen.

    John Berger schreef in zijn boek Ways of Seeing, ‘Seeing comes before words. The child looks and recognizes before it can speak’. En zo is het.

     

  • Feestje

    Afgelopen vrijdagavond stond ik in de rij voor de kassa bij de Hema op het centraal station Amsterdam. Ik kocht er een klein rood parapluutje want er werd regen en storm verwacht en dankte in gedachten Annie M.G. Schmidt en Fiep Westendorp voor de verhalen en tekeningen van de onvergetelijke Jip en Janneke die dit rode parapluutje hadden mogelijk gemaakt. Waarna ik via de Prins Hendrikkade en het Singel naar de Keizersgracht liep. In de Rode Hoed werd de biografie van Geert van Oorschot gepresenteerd en het zeventig jarig bestaan van de uitgeverij gevierd. De schrijver van de biografie, Arjen Fortuin – wiens naam overigens een dag later, halverwege een recensie van Aleid Truien, als een woord morph was overgegaan in Fontein. Wanneer een naam verkeerd geschreven staat, verdwijnt het referentiekader en ontstaat er een geheel nieuw personage waardoor je als lezer verward raakt. Telkens wanneer in de betreffende recensie de naam ‘Fontein’ opdook, keek ik snel naar de titelgegevens in de linkerkantlijn van het stuk om me ervan te vergewissen dat het wel degelijk om de Van Oorschot biografie van Fortuin ging. Ik denk dat iemand op de boekenredactie er ontzettend veel plezier aan heeft gehad het zo te laten.

    Op het feestje van Van Oorschot waren veel schrijvers en publicisten. Zo zag ik Joop Goudsblom, Elma Drayer, Stephan Enter en Willem Jan Otten met zijn vrouw Vonne van der Meer. Naast me zat een schrijfster die steeds langdurig op haar mobiel keek en luid rollend lachte, ook als er niets te lachen viel. Voor me zat een man die steeds onrustig en met licht uitpuilende ogen achterom of voorlangs zijn buurvrouw de rij afkeek, als zocht hij iemand. Tussentijds stak hij wel eens een vinger in zijn neus of lachte kort en hard met de lachers mee.

    Ken je de boeken van de schrijver dan ken je de schrijver en kent de schrijver jou. Haha, dat zou me wat moois zijn. Dus ik liet Eva, de vrouw van Maarten Biesheuvel die zelf thuis was gebleven, voorbij gaan zonder haar aan te klampen met de vraag hoe het met haar man ging. En dat ik zijn advies (wat hij me ooit in een droom gaf waarbij ook zij aanwezig was) had opgevolgd. En toen het afgelopen was en ik de zaal wilde verlaten, keek ik recht in de ogen van Minke Douwesz, die ik om haar schrijverschap bewonder. Ik wilde zeggen: ‘Hallo, hoe gaat het en wanneer verschijnt je nieuwe boek?’ En dat ik haar vorige boeken Strikt en Weg meerdere keren heb gelezen. Dat ik denk er zelfs weer aan toe te zijn ze opnieuw te gaan lezen. Dat het niet erg is dat er geen nieuw boek komt, dat wat ze geschreven heeft al zo mooi en veel is dat ik er in ieder geval mijn hele leven mee toe kan.

    Maar ja, ik zweeg en schuifelde de zaal uit naar de garderobe en toen naar buiten. Jip en Janneke pluutje onder mijn arm geklemd zette ik er de pas in om mijn trein te halen.

     

  • Een knappe jongen

    Ik was in de ban van het verhaal over de oude en koppige moeder en de ongeduldige schrijver in Ik kom terug van Adriaan van Dis en las elk moment dat ik even niets te doen had. Ik stond op het perron in Brummen en sloeg voor de drie minuten die mij restte tot de trein zou arriveren, het boek open en zat direct weer midden in die ongemakkelijke verwikkelingen tussen moeder en zoon. Vaag achter me hoorde ik een vrouwenstem zeggen: ‘Hee…, hallo? Hoe is het?’ Het was een vlotte herfstochtend, helder zonlicht streek over het perron terwijl de trein kwam binnenrijden. ‘Kees’, zei de man die iets verder op het perron stond en er niet oud maar ook niet jong uitzag. De vrouw was van het type vijftig is het nieuwe veertig dat ze met heel haar wezen had omarmd. ‘Jaja, natuurlijk. Kees, haha. Ik was het even kwijt, maar nee, natuurlijk Kees. Hoe is het?’ Hoewel Kees en de vrouw en ik door verschillende ingangen de trein binnen gingen, kwamen we in dezelfde coupe te zitten.

    Zo gauw ik had plaats genomen nam ik mijn boek weer ter hand. Ik was bij de scène dat Van Dis neerknielde in het toilet waar zijn moeder op de pot zat en er ogenschijnlijk niet meer zonder hulp vanaf kon komen. Niemand mocht haar helpen, iedere aanraking tussen haar en de personen die haar na stonden, was een onmogelijkheid. Door de cynische opmerkingen en botte genegenheid tussen moeder en zoon, zou je het boek bijna dichtslaan maar dan komt dus die scène die zo schrijnend stuntelig is en tegelijk zo vertederend. Hij knielt voor haar neer en, hij die nooit fysiek contact met haar zocht, raakt in een moment van overgave met zijn hand haar ontblote knie aan en vraagt of hij haar zal helpen. Zijn moeder schrikt en zegt zoiets als: ‘Ben je gek. Ik heb van niemand hulp nodig.’ En de schrijver weet weer waar zijn plaats is: ‘Hup jongen, in je mand.’

    Ondertussen spraken Kees en de vrouw op een toon met elkaar waarin de verrassing om het weerzien en de verbazing over wie ze geworden waren de boventoon voerden. Je kon er gewoon uit horen dat ze elkaar sinds de middelbare school niet meer gesproken hadden. Hun gebabbel kabbelde om me heen als ritselende bladeren die zacht door de wind beroerd werden. Mijn oren spitsten zich toen ik Kees hoorde zeggen, ‘En dan hebben we Ap nog.’ Ze waren duidelijk hun referentiekader aan het aftasten vanwaaruit ze ooit de wereld tegemoet gingen. ‘Ja,’ zei de vrouw van vijftig is het nieuwe veertig, ‘die was laatst nog op tv. Heb ik op internet nog terug gekeken. Leuk hoor. Vond het vroeger zo’n knappe jongen. Ik herkende hem niet meer.’

    ‘Ach ja,’ zei Kees die deed of hij dat van die knappe jongen niet gehoord had en verder ging met: ‘En hij werd geïnterviewd door die jongen uit Oeken.’
    ‘Wim Brands’, zei de vrouw van het nieuwe veertig. ‘Ja die,’ zei Kees. ‘Hij leek me wel gelukkig’ zei de vrouw weer en ik begreep dat ze het over Ap had. ‘Haha,’ lachte ze opeens, ‘hij is er in ieder geval wel mee bezig.’ Toen wist ik dat het Ap Dijksterhuis was die onlangs geïnterviewd werd in Brands met boeken over zijn nieuwe boek, Op naar geluk. De trein reed het station van Arnhem binnen en ik moest overstappen. Terwijl ik over het perron liep dacht ik aan jongens zoals Ap, Wim en Adriaan die, hoe ver ze het ook brengen in hun leven, voor altijd ‘die jongens’ blijven.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat wel zo houden. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Laat mij uw huis zien

    Laatst overkwam het me weer. Ik fietste naar de buurtwinkel en zag onderweg in een flits twee identieke schemerlampjes op een kast in een woonkamer staan. En zag ik dat goed, hadden ze een rechthoekig rieten kapje en stonden ze precies afgemeten ieder aan een kant van de kast? Ik raakte er door bevangen en keek achterom, er ontsnapte me zelfs een ‘ohoo’. Ik moest wel afstappen om van een afstand door het raam naar binnen te kunnen kijken. De lampjes waren duidelijk van het soort dat in geen enkel interieur past en dat je aanschaft op een dag dat het allemaal even niet mee zit. Dat kan nog wel eens voorkomen op een zaterdagochtend. Het gevoel dat er iets moet veranderen waardoor je leven een wending neemt maar dat je niet weet hoe. De aanschaf van twee identieke lampjes met een rieten kapje kan helpen. Lampjes die de rust uitstraalden van een twee-eenheid. Het was een huis waar geen plaats is voor boeken want dan waren die lampjes nooit aangeschaft.

    Een dag later, toen ik in de rij stond bij de apotheek om medicijnen voor Mijn kleine vriendin af te halen, werd ik betoverd door de handelingen van een apothekersassistent. Ze bevond zich in de open ruimte achter de balie waar de medicijnen worden bewaard. In een appelgroen bloesje, zoals al haar collega’s droegen, keek ze met een doktersrecept in haar hand geruisloos langs de plafondhoge kasten. Ze bestudeerde de etiketten op de laden, van boven naar beneden, keek weer op het recept in haar hand en trok een lade geruisloos open. Met kalme vingers ging ze licht ruisend en tastend door de open lade en haalde er een wit apothekersdoosjes uit. Waarna ze de la weer (geruisloos) dichtschoof en direct, maar ozo geruisloos met snelle blik en voor een laatste check, de gegevens op het doosje verifieerde met de gegevens op het doktersbriefje. Op geluidloze schoenen liep ze naar het andere gangpad waar ze het apothekersdoosje en het recept met een elastiekje omwikkelde en op een schap zette. Van onder dat schap pakte ze het volgende doktersbriefje en bewoog zich opnieuw geruisloos naar de kastwand.

    Ik zag hoe ze bij thuiskomst haar appelgroene bloesje voor een eenvoudig vestje verruilde en zich met een even eenvoudige maaltijd en het boek, waarop ze zich de hele dag had verheugd in verder te lezen, aan tafel zette. Ik wist zelfs zeker te weten dat het de nieuwste van Connie Palmen zou zijn. Ze leest namelijk alleen boeken van schrijvers die bij de DWDD verschijnen.

    En toen kreeg ik een lumineus idee. Ik moest daarbij aan een rubriek van Aaf Brandt Cortius van enkele jaren terug denken. Over de inhoud van een tas. Aan de hand daarvan kon zij de persoon beschrijven. Zo wist ze bijvoorbeeld dat iemand onzeker was (deo-stick) of goed georganiseerd (geen overbodige voorwerpen in tas). Ik zou dat zomaar kunnen doen over de inrichting van uw huis. En dan zal ik u vertellen welk boek u moet lezen om verder te komen met uw leven. Zoiets.

     

     

     

     

  • Je weet het nooit

    ‘Geluk is geld terugsturen’, stond in de krant. Twee broers, Msgane Zeray (17) en Fnan Tesfahans (10) uit Eritrea zijn gelukzoekers, al komt het idee niet van henzelf. Hun ouders, veeboeren in Eritrea, zonden hen naar Londen. Als ze daar werk vinden, moeten ze de zestienduizend euro die ze meekregen, eerst terugverdienen. De familie heeft in hen geïnvesteerd en verwacht dat ze een vaste bron van inkomsten zullen worden. De jongens hebben gelopen en gelopen tot de grond onder hun voeten verdween. Eerst door de woestijnen van Ethiopië en Soedan, daarna naar de kust van Libië en toen de benauwende reis in de buik van een schip naar Lampedusa. Zeven maanden zijn ze al onderweg. Als ze naar huis bellen drukt hun oudste broer hen op het hart hun familie niet te vergeten.

    Ik herinner me een zondagmiddag dat ik aan de rafelige rand van een omgeploegde akker stond. Ik was zeven, twee van mijn broers waren met mijn vader naar de bioscoop. Ik mocht niet mee, was boos en liep de straat uit, de dijk op. Ik liep tot niets me meer vertrouwd voorkwam, stilstond aan de rand van een akker waarvan de vette aardkluiten in de namiddagzon glommen. Ik wist opeens zeker dat aan het einde van dit omgeploegde land Duitsland lag. Duitsland leek zich altijd in de nabijheid van ons gezin op te houden. Het leek of ik het naar me toe kon halen, stapte op de brokken aarde en met moeite mijn evenwicht bewarend liep ik richting einder. Na een meter of tien kwam er een gevoel van verlatenheid over me heen die ik nooit eerder ervaren had. Ik voelde me los van alles, alleen. De donkere aarde, voor en achter me beangstigde me. Alsof ik met veel bravoure hoog in een klimrek was geklauterd, niet meer terug kon.

    Ik denk dat de vader van Fnan en Msgane voor ze op reis gingen met hun het plan heeft besproken. ‘Kijk’, zei de vader, ‘hier is voor ieder van jullie achtduizend euro. Daar moeten jullie de gidsen en het vervoer van betalen. Jullie moeten er eten voor kopen en een telefoon zodat jullie naar huis kunnen bellen, elke dag, vergeet dat niet.’ Hun moeder overstelpte hen met goede raad en welke kleding ze aan moesten, waar ze hun geld moesten verbergen en ‘elke dag bellen, vergeet dat niet’. Oudste broer ontvouwde de wereldkaart voor hen en wees met zijn vinger waar Eritrea lag en hoe ze naar Engeland konden komen. Het zag er op de kaart geruststellend overzichtelijk uit. De jongens geloofden het wel, ze wilden vertrekken. Ze kregen de kaart mee. Ze belden elke dag, alleen niet die dagen dat ze op de boot zaten, ziek waren, geen bereik hadden.

    Hoe verder weg van hun thuisland, hoe vager het plan werd. De broers wisten nog wat hun vader hen had voorgelegd, maar konden er niet meer bijkomen. Het was te ver alles, ze waren de intentie  kwijt. En je wordt bang, door de verhalen die je onderweg hoort, dat je in Duitsland, Zweden of Nederland (waar ligt dat?) zult aankomen. Je bent vooral bang dat angst je zal overvallen om alles wat je met het leven verbond en jouw bestaan tot jouw bestaan maakte, er niet meer is, niemand je meer kent. Dat je nooit meer grond onder je voeten zult voelen. Waar zijn we aan begonnen. Laten we terug gaan, of nee, eerst moeten we die zestienduizend euro terugverdienen. Als we dat gedaan hebben, dan gaan we terug.

     

     

  • Moederschap

    Het somberde nogal de laatste week. Donkere dagen in juli, dat red ik niet. Sombere gedachten rommelden door mijn hoofd en filterden zich uit tot er één idee bleef hangen waarvan ik dacht: hm, daar zit wat in. Ik dacht: moederschap is een onmogelijke opgave. En daar schrok ik nogal van.

    Op zulke dagen is het goed je boekenkast te herschikken. En wat bleek ik opeens een veelheid aan boeken te bezitten die de duistere kanten van het moederschap bevestigen. De moederkarakters in boeken zijn vaak schrikbarend  herkenbaar.
    Ik pak er willekeurig wat uit om te etaleren. De moeder in Julia Francks roman Rug aan rug heeft zonder twijfel haar moederschap niet aanvaard, ze is een on-moeder. Hoewel het zich afspeelt in de tijd na de Tweede Wereldoorlog en Duitsland in puin ligt, is ze niet te volgen in haar keuze voor de wederopbouw van haar land en daarbij haar twee kinderen aan hun lot overlaat. Het loopt dan ook niet goed af met die kinderen. Wel een mooi boek.

    Dan heb ik hier Beenderen van de onlangs (en te jong) overleden Zimbabwaanse schrijver Chenjerai Hove (1956). Het komt me nu wat bevreemdend voor maar ik las dit boek begin jaren negentig met grote aandacht toen ik zwanger was van mijn tweede dochter. Beenderen is een zeer intens verhaal over de zoektocht van de oude moeder Marita naar haar zoon die  omkwam in de vrijheidsstrijd toen Zimbabwe nog Rhodesië was. De zoektocht van Marita gaat via de herinneringen van degenen die hem gekend hebben. Deze moeder is tot grote offers in staat. Ach, ik zou zo’n Grootse moeder willen zijn, dacht ik toen.

    Wat zich op een inzichtelijke manier in de geest van een moeder afspeelt, is te lezen in De verborgen dochter van de Italiaanse schrijver Elena Ferrante. Ferrante weet het moederschap te schetsen als een drama in vele bedrijven. Als een gekmakend doolhof van emoties en schurende verwachtingen, waaraan je je  steeds weer verwond, als aan de braampjes van een glad stuk metaal. Ze schrijft over een jonge vrouw die twee dochters krijgt maar al snel besluit dat het moederschap haar niet ligt. Op een dag vertrekt ze en begint een nieuw leven, zonder kinderen. Er gaat een bepaalde dreiging uit van dit verhaal, van de weggelopen moeder. Ze voelt geen spijt of verdriet. Het gaat zelfs nog verder: ze kan de liefde tussen een jonge moeder en haar dochtertje, die ze ontmoet op het strand aan de Ionische kust, niet aanzien en stookt ertussen. Een verhaal waarvan je je als moeder wilt afkeren maar blijft er naar kijken. Dat verlangen de dingen achter je te laten, gewoon op stappen en aan een nieuw stuk beginnen. Ik ken dat wel. Maar ja.

     

     

  • Voor wie de morgen nooit meer aanloeit

    Ook als schrijvers zich niet meer onder de levenden bevinden, willen ze op onverwachte momenten nog wel eens opduiken. Hermans, die meer typemachines bezat dan hij boeken heeft geschreven, leeft voort in zijn typemachines die in de stad Gent in België een onderkomen vonden. Om de typemachines te kunnen onderhouden worden ze ter adoptie aangeboden, als waren het verweesde, in de steek gelaten kinderen die gevoed en onderwezen dienen te worden. Door er een te adopteren zou het zomaar kunnen dat je er beter door gaat schrijven, een beetje nihilistischer misschien, maar toch.

    In het weekend van 4 juli werd er een stille tocht gehouden ter nagedachtenis aan omgekomen Arubaan, door politie geweld. In het verslag van de tocht werd uit de mond van ene Mark Marugg opgetekend dat het een waardige optocht zou gaan worden, dat hij geen relschoppers tussen de aanwezigen zag. Toen schreef de verslaggever: ‘Marugg, achterneef van schrijver Tip, zou later gelijk krijgen.’

    Tip Marugg (1923-2006) is een schrijver van tenminste drie boeken. Hij leefde op de Caribische eilanden waar ook Mitch Henriquez vandaan kwam. De schrijver is al jaren dood. Mitch Henriquez pas enkele weken. Tip had geen weet van Mitch, toch kreeg hij een rol toebedeeld in de stille tocht ter nagedachtenis aan hem. Tip Marugg, die bij leven nog nooit in Nederland was geweest, was daar opeens aanwezig. Marugg was een kluizenaar die niets van roem wilde weten. Maar hij drong zich overduidelijk opeens aan de verslaggever op en hij moest hem er wel als oudoom en schrijver bijhalen tijdens die stille tocht. Het leek alsof het hele gebeuren, die stille tocht, door het noemen van zijn naam een bovenwindse waarde kreeg. Het lostrok van het alledaagse. Ook de woorden Justice For Mitch die in witte letters op zwarte T-shirts gedrukt stonden, kregen meer inhoud. Wat natuurlijk onzin is, maar toch: literatuur verbinden aan een dramatisch gegeven maakt het tot, tja toch wel tot literatuur. Mitch zou zo in één van de het leven tartende romans van Tip Marugg kunnen plaats nemen.

    Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was en Tip Marugg een alom bekend literair figuur was. Dat het de schrijver was die in 1988 met zijn boek De morgen loeit weer aan, genomineerd werd voor de AKO literatuurprijs. Een schrijver die, toen hij beroemd dreigde te worden, overwoog een bord in zijn tuin te zetten met: ‘Ik ben niet thuis’. Een schrijver die de drank het liefst had en zijn hondje Fonda noemde, naar Jane Fonda.

    Tip Marugg werd als oudoom van Mark Marugg,die meeliep in de stille tocht, meegenomen van station Moerdijk naar het Zuiderpark. Naar de plek waar het allemaal gebeurd was. Maar wie zou hem nu eigenlijk nog kennen, buiten het handjevol insiders van de Caribische literatuur. Wel stoer eigenlijk van die verslaggever. Laat de mensen zich maar afvragen wie Tip is. En wie Mitch is. Beiden met elkaar verbonden door een achterneef van Marugg. Tip en Mitch voor wie de morgen nooit meer aanloeit.