• Serieuze aangelegenheid

    Kunstkritiek is een serieuze aangelegenheid, of het nu gaat over beeldende kunst of literatuur. Je matigt je een oordeel aan over het bloed, zweet en tranen van een ander, wat mag en goed is. Maar wat je niet lichtzinnig moet doen. Daar mag je dus best een beetje over nadenken. Dat is wat Charles Baudelaire (1821-1867), dichter, essayist en misschien wel bekendste kunstcriticus van zijn tijd, ook deed.

    Volgens Baudelaire wordt goede kritiek ‘geboren in de baarmoeder van de kunst’. Een stellingname waaraan ik denken moest toen ik vorige week een masterclass recenseren volgde. Literair criticus Arjen Fortuin vertelde hier over de ‘Tien geboden voor de criticus’, die hij een paar jaar geleden als literair-kritische gimmick heeft opgesteld. Met een knipoog weliswaar, om het al te overmatig serieuze eraf te halen, maar desalniettemin met een ondertoon die net zo serieus is als de kunstkritiek zelf. Dat blijkt al direct uit het eerste gebod: ‘Gij zult onderscheiden wat kunst is en wat niet.’ Alsof je de echo van Baudelaire hoort. En de toon is meteen gezet. Of je nu positief of negatief bent; kritiek moet altijd gaan over iets dat ertoe doet. Dat het waard is besproken te worden. Anders hoeft het niet in de krant of op de website van LiterairNederland gepubliceerd te worden.

    In zijn achtste gebod stelt Fortuin dat een literair criticus in de eerste plaats zelf ook goed moet schrijven, omdat anders niemand gelooft dat je kunt lezen. Je moet de lezer bij de kladden grijpen, zoals Baudelaire dat natuurlijk als geen ander kon. Met een duidelijk eigen visie, authentiek en prachtig geformuleerd: ‘De ware schilder is de schilder die het leven van alledag zijn heldhaftige kant weet af te dwingen, die ons met zijn verf of zijn tekenstift leert bevatten hoe groots en poëtisch wij zijn met onze stropdassen en laklaarzen.’ Waarbij dat ‘leven van alledag’ voor Baudelaire overigens cruciaal was. Hij vond dat kunstenaars zich moeten uitdrukken in een (beeld)taal die de tijd waarin ze leven spiegelt. En dat de moderne tijd waarin hij zelf leefde, met al zijn veranderingen en industrialisatie, vroeg om een nieuwe techniek, die de luchtigheid van het moment beter zou vastleggen dan de traditionele kunst deed. Een wens die een aantal jaren later door de impressionisten zou worden ingewilligd.

    Deze relatie tussen kunstcriticus Baudelaire en de kunstenaars om hem heen illustreert ook dat goede kritiek niet alleen de lezer beroert, maar ook de maker van het kunstwerk zelf. En het is een perfect voorbeeld dat goede kunstkritiek ook bijdraagt aan de ontwikkeling van de kunst. Omdat een goede kritiek als het ware een betekenis toevoegt aan een boek of schilderij, die de schrijver of schilder er misschien niet heeft ingelegd, maar die wel door de criticus gezien wordt. Wat mag, mits je het goed beargumenteert. Want kunstkritiek is een serieuze aangelegenheid.

     

     

  • Zaken om te overdenken

    Wat je moet doen als het je teveel wordt. Pak een boek van een schrijver die als enige ambitie heeft een verhaal te willen vertellen. Een schrijver die met woorden een beeld schetst zoals een schilder een glooiend landschap opzet met daarin een stervende zwaan of een ingezakte schuur. Het is het beeld van de vergankelijkheid dat troost biedt. Verhalen waarin je wordt meegevoerd en toch op veilige afstand blijft, scheppen ruimte voor beschouwingen. Natalia Ginzburg (ik weet het) is zo iemand, en Updike en Steinbeck (ook al vaker over gehad) en Sherwood Anderson. In zijn verhalen in Winesburg, Ohio doen de mensen wat ze moeten doen. Een man een man een woord een woord. Zoiets.

    Ergens schrijft Anderson over vier broers die als ‘bezetenen’ werken en op zaterdagmiddag naar het dorp gaan. Waar ze in een winkel rond een kachel gaan staan en min of meer praten met andere boeren. ‘Ze hadden overalls aan en in de winter droegen ze daar zware jassen overheen die vol modder zaten. De handen die ze naar de gloed van de kachel uitstrekten waren rood en gekloofd. Praten viel hen niet gemakkelijk, daarom zwegen ze meestal.’ Een meesterlijk beeld waar ik uren naar kan kijken. Naar die kachel, waaromheen gestaan wordt. Ik zie een niet al te grote ruimte met een vloer van uitgesleten planken en een grote kachel waar mannen met stugge haren en ongemakkelijke lijven om heen staan. Die drinken en roken en van zich af spugen. Dan krijg ik ook zin om van me af te spugen. Het leek me zo op te luchten om van je af te kunnen spugen zonder te hoeven denken aan hoe de vloer daardoor bevuild zal worden. Wie dat dan weer schoon moet maken.

    Van de week had ik het boodschappen doen steeds uitgesteld. Dat krijg je als alles je teveel is, dan vertoon je uitstelgedrag. Ik moest het doen met een restje yoghurt, wat droge crackers en Sherwood Anderson. Lezen is altijd een goede reden voor wat dan ook. Ik ritste tussendoor met scheurend geluid stroken papier van de ongelezen kranten en stopte die in de kachel. Dat kan. Dat je een dag voor de kachel doorbrengt met de gebroeders Bentley, die alle vier sneuvelden in de Burgeroorlog. Tot overmaat van ramp overleed ook hun moeder nog. En de vader kon het niet meer aan en verwaarloosde de boerderij. Toen moest de jongste zoon Jesse, die in de stad studeerde, naar huis komen en de zaak overnemen. En door hem loopt het allemaal niet goed af. ‘Jesse Bentley was een fanaticus. Hij was in de verkeerde tijd en op de verkeerde plaats geboren, daar leed hij onder en liet hij anderen onder lijden.’ Zijn vrouw stierf in het kraambed. Jesse haalde er zijn schouders over op en werd een man die in een stoel zijn zaken overdacht. Ach, dat leek me ook wel wat. In een stoel zitten en mijn zaken overdenken en alles aan me voorbij laten gaan.

     

     

  • Twee geboortes, twee verhalen

    Hoe gaan we om met keuzes van vluchtelingen die tussen ons zijn komen wonen? Bij mij in de buurt woont een gezin uit Damascus. Man, vrouw en twee puberkinderen. Ze vluchtten in 2015 naar Turkije. Vandaar trok de man door Europa en kwam in Nederland terecht. Na een jaar kreeg hij een verblijfstatus en kon hij zijn vrouw en kinderen laten overkomen. Dat ging moeizaam. Twee keer werd zij met haar kinderen in Turkije weer teruggestuurd naar het opvangcentrum omdat de papieren niet in orde zouden zijn. De derde keer, het was inmiddels mei 2016, konden ze wel het land uit. De man heeft me al een paar keer zijn filmpje laten zien van hun weerzien in Nederland nadat ze een jaar van elkaar gescheiden waren.

    Ik heb bewondering voor ze. Ze zijn een voorbeeld van bereidheid tot integratie. Ze zochten, al voor de inburgeringscursus begon, hulp om Nederlands te leren. En de man zocht en vond vrijwilligerswerk, in het besef dat hij zijn nieuwe land het best leert kennen door zich onder de bevolking te begeven. Twee maanden na hun vestiging hier was de vrouw zwanger. Ik schrok er een beetje van. Mijn hemel. Heb je na zo’n barre tijd niet alle energie nodig om je hier in je nieuwe land te settelen? Toch is het, als je alle ratio loslaat, zeer voorstelbaar hoe hun emotionele ontmoeting zoals ik die op het filmpje had gezien, in bed een hartstochtelijk en euforisch vervolg zal hebben gekregen waarvoor een nieuwe geboorte het symbool mocht worden. Mag ik het dan onverstandig vinden? Ik ga straks ieder geval op kraamvisite.

    Rond dezelfde tijd hoorde ik van een andere familie, gevlucht uit Eritrea. De vrouw was al zwanger toen ze het land verliet. Ik ken het gezin niet persoonlijk, maar ik ontmoet af en toe wel hun taalcoach. Het echtpaar spreekt alleen Tigrinya, de taal van hun geboortestreek. Ze leren moeizaam Nederlands, vertelde ze. Daardoor voelt het echtpaar zich geremd om contact te zoeken met andere straatbewoners, allemaal Nederlanders. Een paar maanden geleden kregen zij hun eerste kind. De taalcoach had een idee: we maken geboortekaartjes en stoppen die bij alle buren in de brievenbus en is er een leuke aanleiding om kennis te maken. Maar na het kaartje bleef het stil. Er werd niet aan de deur gebeld. Er kwamen geen cadeautjes. Er kwam zelfs geen felicitatiekaartje. Twee geboortes. Twee verhalen.

     

     

  • Koudwatervrees

    Wat ik heb geleerd sinds ik bijhoud wat ik lees (titel en datum van uitlezen noteer ik in een krakkemikkig schriftje) is dat mijn leeslijst zich in beperkte mate laat afdwingen. Boeken die ik uit de bieb heb gehaald, die ik heb gereserveerd of waarvoor ik speciaal naar andere filialen ben gefietst, blijven treurig onaangeroerd op mijn bureau liggen. Romans die ik cadeaus kreeg, sommige al enkele verjaardagen terug, verliezen ongelezen hun nieuwigheid.
    Van tijd tot tijd test ik het water. Ik open Mijn heldere afgrond van Christian Wiman, ervan overtuigd dat het nu gaat lukken. Nu ga ik het lezen. Te koud – al bij het eerste contact begin ik te rillen. En ik weet zeker dat ik dit boek wil lezen, dat het me zal helpen. Maar natuurlijk, zodra je verwacht dat een boek je gaat helpen, doet het allesbehalve dat. Ik bedoel maar dat verwachtingen onuitgepakte teleurstellingen zijn (krom hier gerust uw tenen, doe ik ook).

    Ondertussen worstel ik al weken met de nieuwste Don Delillo, ook een verjaardagscadeau dat nog even op zich liet wachten: twaalf boeken las ik sinds ik de roman eind augustus kreeg.
    Er valt veel te genieten in Nulpunt. Een man die met zijn liefde mee de dood in wil, besluit daar toch vanaf te zien, worstelt, komt erop terug. Zijn zoon kijkt toe, zit met eigen vragen en gedachten. Wat komt er na de dood? Wie ben je na de dood? Middenin de roman, flarden uit een hiernamaals in een monoloog die nog duisterder is dan die van Addie Bundren in Faulkners As I lay dying.
    Toch zijn er steeds momenten waarop ik afhaak. Dat begint met een oorwurm op de achterflap: ‘…zijn zoon, die met volle teugen van het leven geniet.’ Als er iets is wat de zoon naar mijn idee niet doet, is dat het wel. Hij is eerder afwachtend, kijkt en denkt vooral, het duurt lang voor hij ergens toe komt. Is dat genieten? Is dat leven? Hoogstens in passieve vorm.
    Ook de dialogen zorgen voor gedachten die ik tijdens het lezen liever niet heb. ‘Romanpersonages leuteren niet,’ zei Renate Dorrestein eens. Maar wat de personages in Nulpunt doen, is wel het andere uiterste. Hoe vader en zoon elkaar in gesprek aanvullen, ontwijken, bijna afsnoeven in taal, hoe de mensen van de Convergentie zoveel zeggen dat het bijna niets meer is, dat ze alleen nog maar taal oreren, is dat de manier van converseren die Kees Fens bedoelde in zijn essay ‘Over de kunst van het gesprek?’ Misschien is het een kunst waarvan ik de schoonheid niet begrijp. Misschien lees ik de roman op het verkeerde moment.

    Wat lees ik na Delillo? Mijn heldere afgrond ligt nog altijd te wachten op mijn bureau. Af en toe pak ik het op, raak ik het aan, open ik het. Ik test het water. De temperatuur is vanzelf goed. Tot die tijd is het boek onderdeel van een stapel die me soms beangstigt, maar meestal verheugt. En verheugen is, godzijdank, iets anders dan verwachten.

     

    Foto: Sterre Meurs

     

  • Leesclub 2

    Elke club heeft zijn gemeenschappelijke ding. Bij voetbal is dat de bal en bij een leesclub het boek. Om met dat gemeenschappelijke ding (de bal, het boek) als groep om te gaan is een hele kunst. Na zo’n tien boeken die we lazen en bespraken was er deze keer iets van een ontdekkingstocht naar de structuur van een boek en de motieven van de schrijver ontstaan. We zaten met zijn zessen, (vrouwen, waarvan ik nog steeds niet weet welke naam bij wie hoort en zij mijn naam ook vergeten zijn), rond de tafel in die zeer goede boekenhandel in Arnhem. Dat van die namen stoorde ons niet. Belangrijker was het boek voor ons op tafel. Dit keer was het Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt. Waarvan werd gezegd dat het zijn meest autobiografische roman was. En dat maakte het nogal delicaat.

    We vonden unaniem dat alles zo goed opgeschreven was (met uitroepteken) dat, als je het las, dacht: ‘Wat staat dat daar fijn beschreven.’ We hadden de complexiteit van gevoelens en gedachten, waar de Thomas in het boek zeer aan lijdt, nog nooit zo goed beschreven zien staan. We gingen onszelf er in sommige opzichten beter door begrijpen. Door die complexe dingen heen zagen we een man die geen geluk verdragen kon. Dat kwam, zoals zijn moeder hem eens zei: ‘Dat het geluk naar hem toekwam. Hij hoefde er niets voor te doen.’

    Ook bleek dat we allemaal en afzonderlijk van elkaar, bij dezelfde passage eruit geslingerd waren. Het boek was niet chronologisch opgebouwd, we sprongen van de ene naar de andere gebeurtenis, maar soit. Het was een mooi geschreven boek. Op bladzijde 145 raakten we er dan toch uit. De Thomas in het boek werd door een crimineel opgesloten in een leegstaand winkelpand. Waar een Laura aanwezig is. We hadden ieder voor zich op zeker moment zoiets geroepen als: Huhhh?’ Er waren veel namen van vriendinnen voorbij gekomen maar geen Laura. We bladerden terug naar een aanknopingspunt. We zaagden door over de betekenis van dit stuk dat ons zo vervreemdde van het boek. Iemand haalde er een recensent bij die had gezegd dat dit stuk een stijlbreuk was, dat het er niet inpaste. We waren geneigd mee te knikken tot iemand riep: ‘Maar er hing toch een affiche van Kafka in de wc van dat pand waar hij opgesloten zat.’

    ‘Aha’, wacht eens even,’ riepen we. En bladerden ons het boek weer in naar die betreffende passage. Er ging ons plots een licht op. ‘Het proces’. Natuurlijk. Het was een absurdistische gebeurtenis die als zo zijnde bedoeld was. En opeens bewogen we heen en weer in het verhaal van zijn leven op het punt wat wel een scharnierpunt genoemd wordt. Het was een hele beleving. En al hadden er twijfels geklonken of zijn huidige relatie zou standhouden –  omdat de man het geluk niet zoekt – wisten we opeens klip en klaar dat dit boek één grote liefdesverklaring was aan zijn vriendin Aimee.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over boeken en de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Iets om nooit te vergeten

    ‘Vrouw Garrigue slaakte een kreet en als antwoord zette de harmonika buiten het op een draf’, schrijft Henk Romijn Meijer in zijn roman Mijn naam is Garrigue. Een omschrijving die mij terugbracht naar een cursus in 2000, over de joodse godsdienstfilosoof Martin Buber, bij de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden.

    De docent had als onderdeel ‘Klezmer als chassidische uiting’ opgevoerd, waarbij hij zelf accordeon speelde. Ik zal het nooit vergeten. Hij kwam langzaam op gang en begon steeds sneller te spelen. Misschien wilde hij in extase raken, wie zal het zeggen. Zijn hoofd bewoog steeds sneller mee op de muziek. Een beetje eng vond ik het. Wat zou er gebeuren als hij letterlijk en figuurlijk over z’n toeren raakte?

    Zoiets als bij de Tacoma Narrows Bridge gebeurde? Bij bepaalde windkracht begon de brug te deinen. Toen het op een dag echt stormde, ging het wegdek golven. Steeds heviger en door zijn eigen beweging nog meer aangewakkerd dan door de storm zelf. Zorgwekkend. Uiteindelijk stortte de brug in. Zou de accordeonist ook instorten als ’t te gek werd?

    De dansers van tarantella’s hebben er wat op gevonden. De achtergrond van de tarantella is een fabel uit Zuid-Italië. Men geloofde (ten onrechte, schijnt) dat de beet van een tarantula-spin erg giftig was, en dat het slachtoffer er alleen vanaf kon komen door net zo lang en opzwepend te dansen tot (het was meestal een vrouw) ze instortte.
    Als je op YouTube tarantella dansende vrouwen (en mannen) opzoekt, valt op dat ruim voor het moment suprême de danser(es) wordt afgelost door iemand uit de groep die eromheen staat.

    Je kunt hier twee dingen uit afleiden: dat het er niet om gaat dat een danser, of musicus, in extase raakt en/of dreigt in te storten. En als het eerste wel voorkomt, zoals ik eens meemaakte tijdens een concert door klavecinist Gustav Leonhardt in Leeuwarden, en de musicus dit louter ten dienste van de muziek en de luisteraars weet aan te wenden, dan gebeurt er iets om nooit te vergeten.

    En dan realiseer  ik me opeens dat het niet alleen eng was, die accordeonist tijdens die cursus, maar wat vooral indruk maakte, was dat hij zo eenzaam overkwam. Zoals hij daar zat in het midden , en niet te midden van zijn gehoor. Hij maakte er geen deel vanuit, had geen contact met ons. Vooral dát voelde niet goed.

    Ik ben benieuwd wat de toehoorders zullen ervaren bij de concerten die tenor Marco Beasley deze maand samen met een luitist en gitarist in het land gaat geven. Op het programma staan enkele tarantella’s …

     

     

  • Herkenning in de kunst

    Gezien door de ogen van deze tijd lijkt de strijd tussen de kunsten in de Renaissance, de paragone, een ordinaire ruzie tussen alfamannetjes. Maar dan wel een tussen de crème de la crème van de artistieke alfamannetjes, met als hoogtepunt de schermutselingen tussen Leonardo da Vinci en Michelangelo Buonarroti. Waarbij de eerste de schilderkunst boven de beeldhouwkunst stelde, vanwege het intellect dat nodig is om een voorstelling geloofwaardig in het platte vlak uit te beelden, en de tweede de beeldhouwkunst, omdat de drie dimensionaliteit van beelden de werkelijkheid veel dichter zou benaderen.

    Afgelopen zaterdag toonde Wim Pijbes zich in het Gemeentemuseum in Den Haag een ware volgeling van Michelangelo. Hij bekende bij de opening van de tentoonstelling ‘Van Rodin tot Bourgeois; Sculptuur in de 20ste eeuw’, dat voor hem beeldhouwkunst absoluut op nummer 1 staat, omdat je je er als mens zo mooi toe kunt verhouden. En dat blijkt voor Pijbes een cruciaal element van kunst te zijn. Hij vindt dat je je als toeschouwer moet kunnen vereenzelvigen met de kunst die je aanschouwt. Iets dat hij onderstreepte door beeldend kunstenaar Antony Gormley (1950) aan te halen: ‘kunst gaat tegenwoordig niet meer over macht en prestige, maar over participatie’. Voor Pijbes is er geen betere kunstvorm om in te participeren dan beeldhouwkunst, omdat die bijna altijd over mensen gaat. Of je er nu vlak voor staat, er omheen cirkelt of een beeld vanuit de verte aanschouwt; je herkent jezelf altijd onmiddellijk in een beeld. Een stelling die je nu in het Gemeentemuseum kunt toetsen met en weergaloos overzicht van topbeelden uit de twintigste eeuw.

    Als beeldhouwkunst de ultieme participatieve vorm van beeldende kunst is, dan is muziek dat misschien wel voor literatuur. Muziek is immers een literaire vorm die je meer nog dan romans of poëzie tot deelname uitnodigt. Luidkeels meezingend of zachtjes neuriënd. Op de fiets, als je aan het koken bent, of onder de douche. Zingen kan je altijd en overal.

    In het licht van Gormley’s stelling is het dan ook niet meer dan logisch dat de Nobelprijs voor de literatuur eindelijk eens aan een songwriter is toegekend. Want als ook literatuur tegenwoordig draait om participatie, dan is het tijd dat die prijs naar het gezongen woord gaat, de meest participatieve literaire kunstvorm. Ook al omdat je niet kunt ontkennen dat er geweldig goede, literair hoogstaande songteksten zijn, waaronder die van Bob Dylan, die tot de absolute top van het muzikale woord horen. Daar zijn vriend en vijand het wel over eens.

    Dus waarom is er dan zoveel rumoer sinds bekend werd dat Dylan met de hoogste eer ging strijken? Is dat omdat Gormley’s stelling toch niet opgaat voor de literatuur? Dat macht en prestige daar nog immer voorop staan? Of omdat velen het gedrukte woord intelligenter vinden dan het gezongen woord? Zoals Leonardo de schilderkunst hoger achtte dan de beeldhouwkunst? Als dat zo is dan hoop ik dat er snel een Michelangelo uit de muziek opstaat.

     

     

  • Onthullingen

    Laatst vertelde een bekend schrijver op de radio dat zijn nieuwste boek ontstaan was uit verveling tijdens de zomervakantie. Hij had al zijn boeken uit, e-reader kapot. Toen herinnerde hij zich een anekdote over een filmactrice. Hij wilde eens kijken of hij daar geen verhaaltje van kon maken. En dat kon hij. De schrijver die altijd met uitgebreide schema’s werkte had binnen ‘No time’ 90 bladzijden geschreven. En het was goed ook, vond zijn vrouw. Het boek in kwestie lag in al zijn nieuwigheid op me te wachten, in zijn aantrekkelijke oranje cover waarop een vitale naakte vrouw in het luchtledige zweefde. Al luisterend naar hoe het in zijn werk was gegaan met dit boek, werd ik een soort ontluistering van de dingen gewaar. Een boek bevat geheimen waarvan zelfs de schrijver niet altijd weet hoe ze erin zijn gekomen.

    Of dat niet genoeg was, werd vorige week de identiteit onthuld achter schrijver Elena Ferrante. Twintig jaar geheimhouding naar de knoppen. Ik heb de boeken gelezen en houd van de visie die ze haar personages heeft meegegeven. Of de schrijver het allemaal zelf beleefd of verzonnen heeft, het maakte me niet uit. Nu is dat opeens een ding geworden: mag een schrijver zich een cultuur toe-eigenen waar ze zelf geen deel van uitmaakt? Dat Ferrante een pseudoniem was, maakte de mythe compleet. Als lezer hoefde je nergens rekening mee te houden, er was alleen het verhaal dat voor je lag. Alleen voor jou.

    Net als Frida Vogels, van De harde kern en later haar Dagboeken, die zich ook nooit inliet met de media. Toen Vogels in 1994 de Libris Literatuurprijs kreeg, kwam ze die niet zelf in ontvangst nemen. Als Ferrante de Nobelprijs voor de literatuur had gewonnen, zou ze die ook niet zelf in ontvangst hebben genomen. Daar ben ik van overtuigd. Ze leefde, net als Vogels in de beschutting van haar werk. En dat werd hogelijk gewaardeerd want het siert de schrijver die zich niet op zijn kunsten laat voorstaan. En wat het mooie is, een schrijver die niet bekend is in de media is helemaal voor jou alleen, je hoeft haar met niemand te delen. Nou ja, zo voelde dat dan.

    Nu vroeg iemand me laatst of ik het was die wekelijks deze stukjes schrijft. Ze keek me daarbij, met grote, licht bollende ogen, verwachtingsvol aan. Het intimideerde me nogal. Alleen al omdat zij dacht dat ik het zou  kunnen zijn: een stukjesschrijver. Ik heb wel iets beters te doen, dacht ik. Maar zei niets omdat ik het ergens wel grappig vond. Maar ook ergerde het me dat ze niet kon bedenken dat ik echt wel wat anders te doen heb dan stukjes, die columns genoemd worden, te schrijven. Al was ik het wel  zou ik het niet zeggen.

    Waar ik nu vurig op hoop, is dat nooit, maar dan ook nooit iemand het in zijn hoofd zal halen te onderzoeken wie het meisje is, dat Campert eens ‘op een tramhalte zag’.

     

     

  • Minder streng

    Onlangs las ik het boek Hoe lees ik? van Lidewijde Paris. Met, volgens de ondertitel, ‘inspirerende voorbeelden uit de literatuur.’ Dat laatste is niets teveel gezegd! Die kreeg ik in één moeite door cadeau.

    Eén van die voorbeelden was wat Paris: een ‘schitterend verhaal’ noemt, uit Hier wonen ook mensen van Rob van Essen. Ik ken de auteur van naam, maar kan me niet herinneren iets van hem te hebben gelezen. Die kans was er nu.
    Paris behandelt het verhaal ‘Terug naar huis’ in het kader van het thema ‘Metaforen.’ Er zit een grote metafoor in dit verhaal, ‘zo groot dat je hem niet ziet’ zegt zij. Het draait daarbij om een radiogesprek dat één van de hoofdpersonen, Daniël op een ochtend had gehoord. Daarin was een mevrouw aan het woord geweest die Bach met Mozart vergeleek. Bach was volgens haar te perfect en ze wilde van Mozart gaan houden.  De mevrouw op de radio vertelde over Bach dat ze ‘de laatste tijd het idee had dat die muziek iets miste, nee, dat die muziek haar buitensloot omdat hij zo perfect was dat hij ook wel zonder luisteraars kon.’

    Hier zit wat in, want ook Wikipedia stelt: ‘de vraag of de Kunst der Fuge ook daadwerkelijk voor uitvoering bestemd was en niet een illustratie was van wat mogelijk is op het gebied van contrapunt (…).’ Er zijn musicologen die volgens Wikipedia het stuk gortdroog en academisch vinden klinken. Kort geleden hoorde ik een prachtige uitvoering van delen uit Bachs Musicalisches Opfer. Gespeeld door Els Biesemans op het orgel van de Grote of St. Bavokerk in Haarlem. Ik kon het eerlijk gezegd op sommige momenten niet helemaal droog houden. Dus een vraagteken is zeker op z’n plaats.

    Maar Mozart, ja, dat is andere koek. Diens muziek is volgens de mevrouw in het verhaal van Van Essen ‘minder streng, menselijker, ze had het idee dat Mozart haar goed zou kunnen doen, ze zou er een ander mens door kunnen worden, vrijer, meer in evenwicht met haar omgeving.’
    Imperfecter misschien ook, omdat hij dwars tegen de regels in, als een thema eigenlijk vier maten zou moeten zijn, er doodleuk een maat aan toevoegt. Ik mag die recalcitrantie wel.

    Maar die mevrouw slaagde er niet in tot Mozart door te dringen, om ervan te houden. Hoe ze ook haar best deed. Voor mij staat de imperfectere Mozart ook voor imperfecte momenten in het leven wanneer zijn muziek mij toeviel, als troost. Telkens weer was, en is het Mozart. Misschien lukt het die mevrouw eens, als Van Essen haar als personage weer terug laat komen in een ander verhaal, gelijk Peter Terrin in zijn roman De bewaker met Renée uit Post mortem doet.

     

     

  • Deukje

    Soms word je zo meegesleept door de maalstroom aan berichten en beelden dat je met verbazing aanhoort dat iemand niet in ‘het schema’ past. Het overkwam me vorige week. Ik was in gesprek met een groepje statushouders, waaronder een jonge Syriër die ik zeer bewonder. Hij is amper twee jaar in Nederland en spreekt haast perfect Nederlands, ook in grammaticale zin. Hij is ambitieus op zoek naar werk in de telecommunicatie, een baan die hij ook in Syrië had. Hij steekt de handen uit de mouwen om zich klaar te stomen voor de Nederlandse arbeidsmarkt, niet alleen door de taal te leren, maar ook door ervaring op te doen als vrijwilliger in zijn sector. Hij heeft zich elke luxe ontzegd om zo de voorwaarden te kunnen scheppen kansrijk te zijn. Zo behaalde hij, levend van een uitkering, zijn rijbewijs. Een vereiste in zijn vakgebied, weet hij.

    Al pratend daarover kwamen we op de ontberingen in de rubberen bootjes van Turkije naar Griekenland. ‘Zo ben ik niet gekomen’, zei hij corrigerend. Hij bleek bij een groot internationaal bedrijf te hebben gewerkt met vestigingen in verschillende landen in Zuid-Europa en het Midden-Oosten. Hij was als Arabisch en Engels sprekende gestationeerd in Griekenland, voor de buitenlandse contacten van zijn bedrijf aldaar, toen de burgeroorlog uitbrak. Op verzoek van zijn werkgever keerde hij terug en raakte kort daarna verzeild in de strijd om Aleppo, waar hij geboren was en woonde. Omdat hij gedwongen dreigde te worden in het leger van Assad te vechten tegen zijn eigen stad, vluchtte hij.
    Maar niet over zee. Hij had de ‘luxe’ dat hij via zijn internationale werkgever naar Europa kon. Per vliegtuig. Gewoon met een uitreisvisum. Hoe blij ik daarover ook was voor hem, hij drukte toch een klein deukje in mijn beeld van ‘de’ Syriërs die hier worden opgevangen.

    Hij vertelde over de toestand in Aleppo en hoe hij op de hoogte blijft. Het nieuws op Nederlandse of buitenlandse zenders volgt hij nauwelijks. Ook niet op Al Jazeera of el Arabia, die hij wel kan ontvangen. In amper tien minuten slaagde hij er in om mijn laatste restje vertrouwen in de berichtgeving die we dagelijks voorgeschoteld krijgen onder druk te zetten met een verhaal over beeldmanipulatie en propaganda waarvan ik me half bewust was.
    Zelf blijft hij op de hoogte door contacten met zijn familie via telefoon, Whatsapp en Facebook. Velen van hen wonen in Idlib en Aleppo en doen hem verslag vanuit de brandhaarden zelf.

    Zijn verhaal deed me sterk denken aan Het zijn net mensen van Joris Luyendijk. Een boek dat je moet lezen als je wilt weten hoe ons nieuws over het Midden-Oosten wordt gemaakt. Dit geldt ook voor Syrië.

     

     

  • Ezelsoortjes

    Onze voorouder was een holenmens.’
    Ik ben nog maar net in Thigmofiel van Midas Dekkers begonnen of ik kan mijn geluk niet op: iemand heeft aantekeningen gemaakt. Stevige haken zijn met stomp potlood op het papier gezet, ze omarmen complete alinea’s. Echt lezen doe ik nauwelijks meer, vanaf de eerste potloodstreek die ik tegenkom ben ik alleen nog bezig met de vraag: wat maakt dit citaat zo bijzonder? Door het hele boek zijn lappen tekst gemarkeerd.

    Een van de redenen waarom ik graag boeken uit de bieb leen en gratis boekenstalletjes leegroof, zijn de fysieke sporen van vorige lezers. Ezelsoortjes en andere vouwen ontroeren me, opdrachten en aantekeningen in de kantlijn maken me nieuwsgierig.
    Onlangs las ik een boek van Douwe Draaisma over ziektegeschiedenissen. In het hoofdstuk over het syndroom van Clérembaut (ook bekend als erotomanie) schreef iemand twee keer het woord ‘vrouwenhaat’, een keer zelfs met uitroepteken. Ik zag het voor me: een vrouw, misschien pezig, in elk geval woedend, aan tafel met het boek voor zich opengeslagen – die vreselijke mannen ook! Woest kraste ze haar commentaar in de kantlijn. Dat zou ze leren. Toen een vriendin een brief vond in een tweedehands boek, brak ze wekenlang het hoofd over de liefde tussen gever en ontvanger van dat boek. Ik blijf me intussen afvragen wie Douwe Draaisma vóór mij leende, wie die haakjes in Midas Dekker zette (en waarom). Alles wil ik over hen weten.

    Natuurlijk maak ik zelf ook aantekeningen. Ik kijk naar wat ik zoal aanstreepte in The picture of Dorian Gray: ‘I choose my friends for their good looks, my acquaintances for their good characters, and my enemies for their good intellect. A man cannot be too careful in the choice of his enemies.’ Het blijken dezelfde soort oneliners die ik ook in andere verhalen van het een op het andere moment irritant ben gaan vinden. Halverwege de roman stoppen de aantekeningen abrupt.
    Ik pak een ander boek uit de kast – een van mijn favorieten, het doet er niet toe welke. Ooit gaf ik deze roman aan een liefde met de opdracht de honderd woorden erin te vinden die over mij gingen. Hij vond ze snel, te snel, volgens hem had een ezelsoortje me verraden. Ik leerde:
    1) een boek met een opdracht geef je cadeau en leen je niet uit;
    2) opdrachten hebben alleen zin bij echte lezers (en ware liefdes);
    3) mijn leven is geen film en ook geen boek.
    Als ik de juiste pagina opzoek, blijkt het ezelsoortje er inderdaad te zitten. Ik vouw het stevig naar binnen en zet de roman terug in de kast, tevreden met het fysieke spoor dat ik erin achterlaat.

     

    Foto: Sterre Meurs

     

     

  • Een dichter op straat

    In mij schuilt een lafaard. Het was dinsdagavond en donker. Het was niet echt laat maar ook niet vroeg meer. Een tijdstip waarop er niet zoveel gebeurt op straat. Een soort interbellum in de tijd. In de straatjes die de Nieuwezijds Kolk met de Keizersgracht verbinden liet een man twee honden uit. Een vrouw met een krat vol oude broden voorop  de fiets slingerde langs me heen. Bij het oversteken van de Herengracht liep er opeens een rijzige gestalte voor me uit. Een vrouw in het wit. Een witte lange jas, een witte broek en op witte schoenen die zich met moeite leken te verplaatsen, alsof er lood in zat. De lange panden van haar jas wapperden achter haar aan terwijl ze licht gebogen, als torste ze de zwaarte van de wereld op haar rug, voortbewoog. Een zwartleren rugzakje zat als een groot insect op haar rug gekleefd. De dunne draagbanden staken als voelsprieten vanaf het midden tot over haar schouders naar voren en onder haar armen door weer terug. Ik kwam van de Rode Hoed waar een groot dichter zijn dundrukmoment had gehad en dacht te begrijpen dat deze vrouw, ook bij de Rode hoed vandaan kwam. Ik ben nogal gauw geneigd te denken dat ik weet waar iemand heen gaat of vandaan komt. Ik ben een groot fantast in het diepst van mijn ziel.

    De vrouw was fan van de grootste dichter van het land. Zonder bedenkingen had ze de zwaarte van een herfstavond getrotseerd. Nu was ze op weg naar huis, zich afvragend wat haar bezield had. Ik dacht, ik blijf wel achter haar. Als ze de weg niet meer weet zal ik vragen: ‘Moet u ook naar het station?’  En als iemand haar lastig viel, wat niet eens zo’n vreemde optie was, dan zou ik haar te hulp komen. Ik had een grote schoudertas over mijn schouder hangen. De dingen die erin zaten, (een boekje met harde kaft en puntige hoeken, een gevulde waterfles, een flinke sleutelbos) maakten de tas zwaar genoeg om iemand bewusteloos te kunnen slaan. Wanneer dit dan gedaan was, zou ik de vrouw bij de arm nemen en haar de eerste de beste tram induwen. Alle tramwegen gaan tenslotte naar het centraal station.

    Ik ging sneller lopen. Toen ik ter hoogte van haar kwam, zag ik opeens dat het Judith Herzberg was. En ik wilde zeggen: ‘Dag mevrouw Herzberg. Mag ik u zeggen hoeveel ik van uw gedichten houd?’ Maar passeerde haar woordeloos. Aan de Nieuwezijds Kolk stonden we even naast elkaar.  En weer wilde ik zeggen: ‘Dag mevrouw Herzberg. Ik heb uw werk zo lief.’  Maar ik stak over en zij bleef staan. Haar tram arriveerde eerder dan de mijne. Ik voelde me laf om de herinnering die ik haar ontzegd had. Dat ze nooit zou kunnen zeggen: ‘Geen enkele recensie heeft mij zo gelukkig gemaakt als die keer dat een volslagen vreemde mij op straat aansprak en zei dat ze mijn werk zo lief had.’