• Spijt

    De bladzijden zijn van flinterdun vezelrijk papier waar je bijna doorheen kunt kijken. Overal schemeren woorden door. En niet alleen woorden, ook de plaatjes zie je van tevoren aankomen. Die plaatjes hadden van de schrijver overigens niet gehoeven. De schrijver – die dit keer dichter is – gaf de voorkeur aan zo eenvoudig mogelijk. Alleen zijn tekst. Het gedicht dat hij voor zijn vrouw schreef. De plaatjes waren het idee van de uitgever. Hij wilde de zes grafisch vormgegeven werken van evenzovele kunstenaars.
    Dat ze de tekst niet domineren is te danken aan de manier waarop de woorden van de dichter gezet zijn. Aan het lettertype dat de uitgever koos. Aan het drukken zelf. De woorden hebben de ruimte en lijken in het papier gehamerd.

    Ik blader heel voorzichtig, hoewel het wel wat kan hebben. Het oogt kwetsbaarder dan het is. Alles komt me bekend voor. De aarden tinten. De tekst in blokken die over de bladzijden dansen. De beelden die weinig goeds voorspellen.
    Hier en daar lees ik regels, strofen. Wat de dichter bezielde weet ik niet. Op papier nadert het einde, terwijl alles net nog modder was. Als hij het leest, klinken de woorden kalm en berustend. Zelfs de laatste dertien: ‘One day my words may comfort you, as yours can never comfort me.’

    Next to Nothing van Paul Bowles. Ik pikte het er meteen uit, al had ik het nooit eerder in het echt gezien. Dat ik het ooit zelf in handen zou houden, had ik niet durven dromen. Daar leek het me te zeldzaam en te gewild voor. Paul Bowles heeft een cultstatus. Wie hem eenmaal in huis heeft, laat hem nooit meer gaan. Dat soort bewonderaars heeft hij. Ik ben er een van. En toch liet ik Next to Nothing liggen…

    Vond ik dat de boekhandelaar te veel vroeg? Absoluut niet. Er zijn er maar vijfhonderd van. Het is handwerk, in Kathmandu gemaakt. De prijs leek mij alleszins redelijk – een snelle check op internet bevestigde dat – maar het is wel veel geld voor één boek. Paul Bowles zelf maakte zich drie jaar na verschijnen zorgen over de prijs, en stuurde aan op een herdruk: ‘I thought it was time it had another edition, since the present one is now listed at $150, according to a rare-book catalogue I received a fortnight ago.’
    Wat zeker meespeelde, was dat ik niet op Next to Nothing voorbereid was. De mogelijkheid het te hebben, overviel me. Blijkbaar stond het in mijn ‘systeem’ als onbereikbaar geclassificeerd en had ik me al bij het ontbreken neergelegd.

    Maar ik wilde Next to Nothing wel! En toch kocht ik het – zelfs nadat ik het nog een keer uit het beschermende hoesje had gehaald en nog een keer, en daarna nog een keer, doorbladerde en alles dat in het voordeel van Paul Bowles en Next to Nothing sprak op een rijtje had gezet en hardop had uitgesproken – niet.
    Daar heb ik spijt van, heel veel spijt.

     

  • Ze kweekten lammetjes

    Ik verlang soms hevig naar iemand die zegt dat het allemaal wel meevalt. Dat schuldgevoel net zo nutteloos en overbodig is als ‘sorry buiten dienst’ op een streekvervoerbus zetten die zijn dienst erop heeft zitten. Iemand die me uitlegt hoe goed het is de dingen net even anders te bekijken. Iemand die me uit mijn  gewoontevorm lostrekt (nee, niet weken) om tot een alles omvattende vorm van begrip te komen. Niet het vage: ‘Jaja, ah oké, dus zo…’ dat me makkelijk afgaat, maar het begrijpen dat me sprakeloos maakt en waardoor ik terstond een lang weekend moet onderduiken, om al mijn aannames te herzien.

    Toen ik deze week, na maanden geroepen te hebben dat ik de strijk ging doen, daadwerkelijk de strijkbout ter hand nam, zette ik daar een podcast bij aan. ‘Nooit meer slapen’ met de Surinaamse schrijfster Cynthia Mc Leod. Terwijl ik boorden, mouwen en plooien in rokjes streek zei ze dingen als, dat Suriname, Suriname niet geworden was als er geen slavernij was geweest. Ze zei, dat je je achtergrond moet kennen om je toekomst te kunnen bepalen. ‘Alleen dan kan je verder.’ Ze zei ook – op een toon alsof ze het voor de zoveelste keer moest uitleggen – tegen Pieter van der Wielen, nadat hij gezegd had dat er Nederlanders zijn die zich schuldig voelen over de slavernijperiode: ‘Geen enkele Nederlander hoeft zich schuldig te voelen. Jij hebt het niet gedaan. Jij was er niet bij. Wij doen vandaag ook dingen die mensen over 200 jaar verschrikkelijk zullen vinden.’ Dit klonk zo waarachtig dat ik haar meteen geloofde.

    Ze deed er nog een schepje bovenop: ‘Denkt u meneer! Meneer wat denkt u, dat over tweehonderd jaar mensen nog vlees eten?’ Waarop ze direct haar eigen vraag beantwoordde: ‘Nee hoor, niemand eet vlees over 200 jaar. Dan zijn kippen en lammetjes lieve vriendjes, als huisdier. Gaan ze over ons zeggen: Weet je (op zachte toon alsof ze een sprookje vertelt) wat die mensen toen deden. Ze kweekten die lieve lammetjes en hadden slachthuizen en dan kon je bij de slager dat vlees zien hangen en dan wees je aan wat je wilde hebben en dan kocht je het en thuis at je het op.’

    Het klonk als een voorspelling gedaan door iemand die de geschiedenis kent en weet hoe de toekomst eruit ziet. Ik geloofde haar, voelde opluchting en was stiekem blij omdat ik geen vlees at. Dat ik niet zo iemand was die bij de slager een stuk vlees haalde om thuis op te eten. Toen wist ik dat er ten tijde van de slavernij ook Hollanders moeten zijn geweest die het niet eens waren met de slavernij, dat die zich er ongemakkelijk bij voelden. Zoals ik me ongemakkelijk voel bij die hele vleesindustrie maar tegelijkertijd niet in staat ben daar een einde aan te maken. Dat daar tijd voor nodig is. En dat we daarbij de boeken van zo’n wijze vrouw als Cynthia McLeod kunnen gebruiken. Lezen dus.

     

    Podcast ‘Nooit meer slapen’: Cynthia McLeod.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over de ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Stilte

    Moge het altijd stil in ons zijn
    het diepste contact met ons zelf
    vindt in stilte plaats

    Ver van pijn en geweld
    waar vrede heerst
    liefde, wijsheid, stilte

    Deze laatste twee strofes van het gedicht ‘Stilte’ dat Simon Vinkenoog schreef als Dichter des Vaderlands ad interim, droeg hij op 4 mei 2004 voor de KRO-microfoon voor. Hij had in die tijd, samen met Edith Ringnalda, een tuinhuis genaamd Eden op Buitenzorg in Vogeldorp (Amsterdam). Vogeldorp is vanaf 1997 een monument en Buitenzorg bestaat dit jaar honderd jaar. Volgens iemand die wel eens op dit terrein is geweest, waart Vinkenoogs geest er nog steeds rond. Ik moet er geregeld aan denken als ik één keer in de week aan de overkant van de straat meedoe aan een meditatie voor de vrede. Maar dat niet alleen, ook aan een uitspraak van Leo van der Lek, mijn oud-hoboleraar en destijds althoboïst van het (toen nog niet Koninklijk) Concertgebouworkest.

    Hij zei eens dat stilte de mooiste muziek is. Ik dacht dat ik hem snapte. Tot het moment dat ik in de prachtige fotofilm Ascent van Fiona Tan, die ik een uurtje na een meditatie zag. Na enkele stills van oorlogsgeweld valt opeens een oorverdovende stilte. Zo moet het geweest zijn nadat de bommen op Hiroshima en Nagasaki waren gevallen. Tot het moment dat in Caribisch gebied de ene orkaan de andere opvolgde, en je met recht kunt spreken van ‘stilte voor de storm.’ Tijdens een meditatie is het nooit zo stil als na de bommen of voor een storm; je registreert het geluid van een kraan die open wordt gedraaid, van een rolluik dat wordt opgehaald en van een auto die start. Aangename, vertrouwde geluiden die je met beide benen op de grond houden.
    Geluiden die doen denken aan wat de meditatief aangelegde Amerikaanse componist John Cage a silent piece noemde: 4’33”. Een musicus zit op straat achter een piano zonder ook maar een toets aan te raken. Je hoort geen muziek, maar verkeersgeluiden, gekuch, voetgeschuifel van de toehoorders.

    Ik snap inmiddels Van der Lek wat minder en Cage wat meer. En ben David Van Reybrouck en Thomas d’Ansembourg dankbaar voor hun boekje Vrede kun je leren. Alle criticasters ten spijt die al dat mediteren voor vrede maar naïef vinden, omdat er geen aandacht zou zijn voor ‘complexe politiek-maatschappelijke en economisch-culturele structuren.’ Het is niet gemakkelijk, stilzitten. Dat heb ik ondertussen wel geleerd. Het maakt je bewust hoe geweld ook in jezelf zit én wat je daaraan kan doen. Een klein begin, maar toch.
    Misschien is het wel gewoon zo: dat vredesactivisme en meditatie twee kanten van dezelfde medaille zijn. Zoals geluid en stilte niet zonder elkaar kunnen om te worden ervaren.

     

     

  • Boekwinkelen

    Jammer genoeg was er niemand bij toen ik na jaren zoeken een exemplaar van A Little Original Sin: the Life and Work of Jane Bowles van Millicent Dillon op de kop tikte. Ook toen ik de eerste druk van Nathan Sid van Adriaan van Dis verwierf, waren daar geen getuigen bij. Jammer, want het waren memorabele momenten. De blijdschap en de voldoening moeten in beide gevallen van mijn gezicht af te lezen zijn geweest. Van opluchting was geen sprake: ik wist in beide gevallen zeker dat ik ooit zou vinden. Dat rotsvaste vertrouwen in het toeval van de markt maakt dat ik, terwijl anderen steeds meer gebruikmaken van webwinkeltjes, de voorkeur blijf geven aan struinen met een zekere kans van slagen. De vraag is hoe lang ik dat nog vol kan houden.

    Twee weken geleden zocht ik voor het eerst heel bewust mijn toevlucht tot de digitale boekenhandel. Ik had mijn zinnen gezet op James Ensor: een biografie van Eric Min. Toen de zoveelste boekhandelaar nee verkocht en een ervaren antiquaar bekende het boek nog nooit in handen te hebben gehad, vreesde ik echter het ergste.
    Een eerste online verkenning maakte duidelijk dat het wel eens heel lang zou kunnen duren voordat ik deze Ensor ergens spontaan tegen het lijf zou lopen. Wilde ik het boek binnen afzienbare tijd in mijn bezit krijgen, dan moest ik het toeval een handje helpen. Er zat niets anders op dan mijn principes opzij te zetten en boekwinkeltjes.nl te raadplegen.

    Wat ik me op dat moment realiseerde, was dat het uitblijven van zoekresultaten definitiever zou zijn dan het niet aantreffen van een boek in een winkel of een kraam. Een beetje antiquariaat zet zijn aanbod immers op een verzamelsite. Digitaal nul op het rekest krijgen, zou betekenen dat ik de biografie beter uit mijn hoofd kon zetten. Ik stak mijn kop in het zand en keek elke dag een keer of tien.
    Tot mijn verbazing heb ik al na vier dagen beet. Waar de dagen ervoor nog ‘geen resultaten voor deze zoekopdracht’ verscheen, popt een exemplaar van James Ensor: een biografie op. De verkopende partij blijkt zelfs een oude bekende. Ik maak mijn belangstelling voor het boek kenbaar en schrijf dat hij zich de moeite van het opsturen kan besparen: ‘Ik kom het wel halen als ik volgende week in de stad ben.’

    Vijf dagen later word ik hartelijk ontvangen in zijn gloednieuwe winkel in de Zwolse Papenstraat. We drinken koffie en halen herinneringen op aan de keren dat ik een krakende trap beklom en eenmaal boven oog in oog stond met deze boekverkoper.
    Terwijl James Ensor inmiddels klaarligt bij de kassa snuffel ik. Trek hier en daar een boek uit een kast, maar zet ze bijna allemaal weer terug. Alleen James Joyce van Italo Svevo en Wir sind Utopia / El Greco malt den Großinquisitor  van Stefan Andres (vanwege de tweede novelle) mogen met Ensor mee naar huis.
    Vinden zonder op zoek te zijn: dat kan alleen in een boekwinkel van steen en bloed.

  • Papieren vluchtelingen

    De vluchtelingenstromen en migratiebewegingen over de hele wereld zijn zichtbaar in de kunst van de laatste jaren. Al snel nadat in 2015 vloten gammele bootjes de Middellandse Zee en eindeloze drommen ontheemden op Griekse en Italiaanse eilanden dagelijks de journaals vulden, confronteerden theatermensen, musici, filmers, schrijvers, zangers en beeldend kunstenaars hun publiek met onontkoombare vragen. Ik was er vaak van onder de indruk, maar voelde ook argwaan. Werd soms niet al te gemakzuchtig meegelift op een actualiteit die veel publiek trekt? Misbruikt een enkele kunstenaar de migratiecrisis om zichzelf en zijn werk in de kijker te zetten? Maar: ik ben zelf ook niet afwezig in mijn manier van kijken. ‘Beauty is in the eye of the beholder’, inderdaad. ‘History’ ook.

    De afgelopen zomer bezocht ik in Den Bosch de installatie Uncertain Journey van de Japanse Chiharu Shiota. Een overrompelende ervaring, die verbeeldt hoe we als individuen, waar ook ter wereld, uiteindelijk aan dezelfde levensdraden hangen. Bloedrode. Ik weet niet zeker of de bootjes waaruit ze omhoog rijzen verwijzen naar de massale volksbewegingen van deze jaren, maar voor mij voelde het wel zo. Enkele weken daarna stond ik op de expositie Paper Art in Apeldoorn voor een landkaart van Zuid-Amerika, samengesteld uit honderden uiterst dunne papieren draadjes. Aan de wand ertegenover een stoet mensen die met dezelfde techniek was uitgebeeld. Ik heb niet veel met papierkunst: knap; wat een eindeloos geduld; zoiets denk ik vaak. Tot ik zag dat deze werken, getiteld Uncertain routes (bijna net zo als het werk van Shiota) en Via dolorosa, zoveel meer waren dan knappe weefsels. Maakster Miriam Londoño, een Colombiaanse migrante, laat thema en artistiek medium samenvallen. Ineens herkende ik in die eindeloze tere draden van papierpulp de kwetsbaarheid van vluchtelingen.

    Maar er gebeurde nog iets. Is het alleen mijn persoonlijke betrokkenheid bij vluchtelingen die maakt dat het onderwerp zo onontkoombaar is? Het lijkt me overal waar ik kijk en luister voor de voeten te worden geworpen. Zouden anderen dat ook zo ervaren? Is het geen hype, die overtrekt? Die vraag kwam bij me op omdat ik in de dagen tussen de exposities het boek Europeana (uit 2011) van Patrik Ourednik las. Een bijna impressionistische ideeëngeschiedenis van de 20ste eeuw. Ourednik laat alle interpretaties aan de lezer over door alleen nevenschikkende zinnen te gebruiken (ze beginnen bijna allemaal met ‘En…’), maar toch ga je zelf verbanden leggen. Ik was er een beetje van ondersteboven. En toch liep de schrijver een deukje op toen er, staande voor die Via dolorosa, ineens door me heen flitste: Ourednik besteedt geen woord aan vluchtelingen. En ik herinnerde me het verzet tegen noodopvang voor Syriërs in de afgelopen jaren, toen hun aantal nog lang niet de omvang had bereikt van die uit het voormalige Joegoslavië in de vroege jaren ’90. Waren we die alweer vergeten? Waren ze bij Ourednik in 2001 alweer ‘weg’? Zijn 2015 en 2016 over tien jaar weer ‘weg’? Een hiaat in ‘the eye of the beholder?’

     

     

  • Deelpret

    Mijn stiefzoon, vijftien en stoer, ontdekt Stephen King. Nadat hij eerst Joyland uit de bibliotheek haalde en in een ruk uitlas, vermaakt hij zich inmiddels met twee romans die King onder het pseudoniem Richard Bachman schreef: Rage en The Long Walk. Dat zijn toevallig mijn favorieten. Ondertussen volgen we Under the Dome, waarvan ik begin dit jaar de vuistdikke roman las, en beginnen we aan de miniserie It, zodat we de versie uit mijn geboortejaar kunnen vergelijken met de nieuwe verfilming, nu in de bioscoop. En daarna, ik heb gretig een lijstje samengesteld, wachten onder meer The Green Mile, Shawshank Redemption, The Shining en Carrie. Natuurlijk hoop ik de jongen eerst en vooral aan de boeken te krijgen, maar samen alle verfilmingen bekijken heeft ook wel iets.

    Als iemand iets leest, kijkt of luistert dat jij hem of haar aanraadde, is dat net zo precair als wanneer je iemand je lievelingsmop vertelt. Je begint te vertellen en moet halverwege al zo hard lachen dat de ander er niets meer van verstaat en met opgetrokken wenkbrauwen wacht tot het voorbij is – de verwachting, niet voor niets een onuitgepakte teleurstelling, is zo groot dat het alleen nog maar kan tegenvallen. Hoe vaak heb ik niet mijn allerfavorietste liedje voor iemand opgezet die niet eens zijn of haar best deed om te verhullen dat het niet overkwam? Sinds ik besloot alleen boeken cadeau te doen die ik zelf goed vind, zit ik nooit meer om een cadeau-idee verlegen, maar als de ontvanger het dan niets vind, is dat extra jammer. Ik moet mijn enthousiasme temperen voor het de jongen weerhoudt de dingen die ik aanreik helemaal te omarmen.

    Over Stephen King is het makkelijk zeggen dat het een platte schrijver is, want ergens heeft het idee postgevat dat schrijvers van spannende verhalen zich niet bezighouden met taal, een idee zo hardnekkig als hoofdluis in een peuterspeelzaal – dit terwijl King uiterst zorgvuldig met stijl omspringt. Zijn timing is precies, zijn herhalingen bezwerend en zijn werk zit vol schitterende details. Vaak denk ik zomaar terug aan het stierenmasker uit Rose Madden, of aan Churchill, de kat in Pet Sematary – of aan vieze kussentjes.
    ‘Wat ik zo goed vond, is dat stukje over dat meisje met het lange haar.’
    Mijn stiefzoon kijkt me aan, Rage ligt opengeslagen op schoot.
    ‘Halverwege het begin.’ Ik wijs op het boek. ‘Charlie loopt door de gang naar zijn klaslokaal en passeert een meisje met een pokdalig gezicht. Als ze elkaar voorbij zijn, draait hij zich om en denkt: ja hoor, van achter had het Miss World kunnen zijn.’
    ‘Dat je dat onthoudt.’
    Natuurlijk onthoud ik zoiets, die observatie zegt immers alles over Charlies karakter. Daarin zit Kings kunnen. Maar dat zeg ik niet tegen de puber, die laat ik rustig verder lezen. Er is iets moois gaande: dankzij een van mijn lievelingsschrijvers zie ik in huis een lezer geboren worden. Ik plof naast hem op de bank met mijn eigen King: It. Benieuwd wat hij daar straks van vindt.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Huishouden

    Met de vakantie was ook gelijk de zomer voorbij. De regen stroomde als hield god een douchekop recht tegen de keukenramen. Vrouwelijke stormen raasden over de aardbol en de koffie was op. Voor elke kop koffie draaien we hier gebrande koffiebonen knerpend door een aftands, maar zeer goed werkend rood koffiemolentje heen. De geur die vrijkomt als de bonen vermalen worden tussen het ijzeren maalsysteem, is een opwekkend begin van de dag. De winkel – waar we de koffiebonen van betrekken – ligt 9 km van ons huis. Radeloos ben ik als mijn ochtendritueel is verstoord. Mijn kop bleef zeuren om koffie. Ik bladerde door de krant waarmee ik een vorm van controle probeer uit te oefenen op de dag. Het moet wel overzichtelijk blijven, dus lees ik niet alles. Het was donker, en die regen… niets kon me in beweging brengen.

    Of het moest zijn dat Irma flink had huisgehouden op Sint Maarten. Vrouwen heten goed te zijn in huishouden, maar het moet niet te gek worden. Ik kan ook behoorlijk huishouden, dan blijft niets dan de houtkachel en het keukenblok op zijn plaats. Als je flink aan het huishouden bent, vergeet je de tijd en denk je niet aan anderen. Ik las: ‘Het wreedste monster dat Sint Maarten ooit passeerde.’ Ik vond dat nogal een overdreven aangezette toon die de krant aansloeg. Irma had er geen weet van wat ze aanrichtte. Een orkaan met een naam communiceert beter dan ze bij hun coördinaten te noemen bedachten ze lang geleden. Eerst waren dat alleen vrouwennamen; Catharina, Maria, Nora, Irma, er bestaat een procedure voor hoe ze tot naamgeving komen en dat is dan meestal voor een jaar of zes. Feministen vonden het onzin dat alleen vrouwen brengers van slecht weer zouden zijn, waarna ook mannen dit mochten doen. Nu wordt ene José vanavond verwacht op Sint Maarten. Voor zover bekend komt hij langs waardoor er ‘van enige verplaatsingen’ niets terecht zal komen.

    Met mij was ondertussen geen huis te houden. Hadden we ook nog afgesproken een tijdje geen wijn in huis te halen (wie heeft dat bedacht!?). Gewoon om te kijken of het leven er leuker op wordt. Wijn drinken blijkt net als die zak chips; ligt ie binnen handbereik eet je de hele zak leeg, is het er niet, taal je er niet naar. Tot vandaag dus. De regen kletterde, de poezen, nog in zomerstand dus gewend in de tuin te zijn, draaiden jammerend om me heen. Ik had zo’n zin in een koel glas wijn. Stiekem gaf ik Mijn lief de schuld van het ontbreken daarvan. Hij had ermee ingestemd (wat hij nooit eerder deed) om voor een periode geen fles wijn in huis te halen. In gedachten ging ik er al op uit. Maar de straat stond blank en de gootsteen borrelde een teveel aan water omhoog. Nee, ik bleef maar binnen en voelde me een onberekenbare vrouw, gelijk Irma.

     

     

     

  • Lezen zonder last en ruggespraak

    Het kan geen kwaad als ik af en toe duidelijke leesafspraken met mezelf maak. Doe ik dat niet, dan loopt een boek dat onverdeelde aandacht verdient het risico dat het gezelschap van verwante titels moet dulden. Voor de duidelijkheid: ik ben geen lezer die meer dan één boek tegelijk leest. Ik kan alleen de verleiding moeilijk weerstaan als het ene boek het andere uit de kast lokt.
    Omdat ik de bui al zag hangen, sprak ik mezelf streng toe voordat ik in De haas en de regenboog van Paul Claes begon. Onder het mom van ‘deze roman moet voor zich spreken’ verbood ik mezelf ook maar één boek van of over Arthur Rimbaud uit de kast trekken.

    De haas en de regenboog gaat over de Londense periode van de dichters Arthur Rimbaud (de regenboog) en Paul Verlaine (de haas). Zij onderhielden een vriendschap met homo-erotische trekken die met een knal eindigde. Verlaine schoot Rimbaud in zijn arm, werd veroordeeld (niet vanwege het schieten, maar vanwege de tegennatuurlijke aard van zijn omgang met de minderjarige Rimbaud) en belandde in de gevangenis. Het kwam tussen de twee nooit meer helemaal goed.
    De feiten zijn mij bekend sinds ik in 2004 op de tentoonstelling Arthur Rimbaud (1854-1891). Een seizoen in de hel in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel de processtukken inzag. Ik zou me tijdens het lezen tot die feiten en wat weetjes beperken en voor de rest vertrouwen op wat literatuur zoal vermag.

    Ik weet niet meer precies vanaf welke bladzijde ik excuses begon te verzinnen om op mijn voornemen terug te kunnen komen, maar na verloop van tijd wilde ik toch weten waar in deze historische roman de werkelijkheid ophoudt en de verbeelding begint. (Het viel vervolgens helemaal niet mee de betreffende periode in Arthur Rimbaud, de biografie van Enid Starkie, te traceren).
    Door al die strofen die Paul Claes citeert, kreeg ik bovendien heel veel zin in Rimbaud zelf, en zo zat ik nog voordat ik De haas en de regenboog goed en wel uit had al met Een seizoen in de hel – het prozagedicht dat bij verschijnen een experiment heette te zijn, maar tegenwoordig een meesterwerk gevonden wordt – op schoot.

    Paul Claes heeft Een seizoen in de hel vertaald en met veel kennis van zaken geannoteerd, maar wel zo gedetailleerd dat het nog maar voor één uitleg vatbaar lijkt. Die aantekeningen sloeg ik over. Ondanks De haas en de regenboog hoopte ik Een seizoen in de hel redelijk blanco te kunnen herlezen.
    Dat lukt natuurlijk niet, want de roman van Paul Claes leest als één lange voetnoot bij het prozagedicht van Rimbaud. Nu ik net heb gezien en gehoord dat Arthur Rimbaud en Paul Verlaine in Londen allesbehalve liefdevol samenleefden, en gelezen hoe radicaal Rimbaud brak met literaire conventies en in Een seizoen in de hel alles op alles zette, kan ik onmogelijk doen alsof dit boek niets te maken heeft met het leven van de negentienjarige die het schreef. Ik is niet altijd een ander.

     

     

  • Boekenkeuze

    Kun je op basis van iemands voorliefde voor een bepaald schilderij voorspellen welk boek hij graag leest? Deze vraag spookte door mijn hoofd toen ik het boek voor de ‘heerenleeschclub’ aan het lezen was. Een fascinerend boek, dat na elke pagina meer doet denken aan een favoriet schilderij van één van de leesclubgenoten, een echte bibliofiel. Altijd door boeken omringd en scharrelt wekelijks rond in zijn favoriete boekhandels, op zoek naar mooie boeken, waarbij hij een aantal duidelijk voorliefdes heeft. Net als in de schilderkunst. Een groter fan dan hij van Jeroen Bosch-fan, is er niet. Hij bezocht onlangs niet alleen de grote tentoonstelling in Den Bosch, maar trok daarna ook nog tweemaal naar Madrid, voor een kleine tentoonstelling in het Escoriaal, een grote in het Prado, om tot slot nogmaals naar het Zuiden af te reizen om de drie doeken uit Venetië ter plaatse te bewonderen. Kortom, een fan in hart en nieren. Op het idolate af.

    Deze leesvriend had zich in de leesclub hard gemaakt voor Machten der Duisternis, de vertaling van Anthonie Burgess’ Earthly Powers. Dat zouden wij de eerstvolgende keer maar moeten bespreken, zo bepleitte hij fervent. Nu wijzen de voorkeuren in de club vaak uiteen en is de boekkeuze altijd wel een dingetje. Machten der Duisternis is met zijn 750 pagina’s nou niet een boek dat je even tussen de bedrijven door leest. Bovendien wordt de vaak bejubelde openingszin ‘Het was de middag van mijn eenentachtigste verjaardag en ik lag in bed met mijn schandknaap toen Ali meldde dat de aartsbisschop me was komen opzoeken‘ niet door iedereen op waarde geschat. Dus de keuze voor Burgess was geen vanzelfsprekende, maar hij kwam (gelukkig) wel door de selectie heen. Met als gevolg dat ik nu ben ondergedompeld in de wereld van Kenneth Toomey, de gewezen homoseksuele schrijver die de aartsbisschop van Malta moet helpen don Carlo Campanati, de latere paus Gregorius XVII, heilig te laten verklaren.

    Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik het na die openingszin best lastig vond om mijn draai te vinden in Toomey’s wereld. Maar het lezen wordt steeds plezieriger, waarbij het gekke is dat ik bij iedere pagina die ik vorder meer aan Jeroen Bosch moet denken. Want net als Bosch’ schilderij is Machten der Duisternis een aaneenschakeling van verschillende lusten, die net zo vrolijk en beeldend worden opgediend als op de Tuin der Lusten. Zodat het lezen van al die kleine en grote ondeugden in Machten der Duisternis enorm lijken op het genieten van de details op dat geweldige altaarstuk van Jeroen Bosch. Waarbij ik er steeds meer van overtuigd raak dat je op basis van iemands voorliefde voor een schilderij, inderdaad kunt voorspellen welk boek hij leuk vindt.

     

     

  • Fladderen

    Opeens was er sprake van het hart. Ik wist dat ik er een had maar stond er nooit bij stil, zoals je er ook niet bij stil staat dat er een slot in je voordeur zit dat je dagelijks moeiteloos doorgang verschaft. Tot het slot weigert, dan besef je pas dat er een mechaniek in de deur zit. Mijn hart begon met een licht rondfladderen als van een vleermuis, onrustig in het wilde weg.  Lastige dingen gaan soms, als je er geen aandacht aan besteedt, vanzelf voorbij. Ik sliep er een nachtje over, en nog een. Ik had dingen te doen. Toen gedroeg het zich als een duif met plompe vleugelslag die zich met roffelend vertoon wilde bevrijden. Ik wist niet beter dan het toe te spreken, als was het een zeurend kind dat om aandacht vroeg.

    Dat ik de tijd nog rekte met, ‘Wacht, wacht, ik ben zo klaar. Laat me dit even afmaken, en nog even dit. Nog vijf minuutjes,’ was vanuit een geloven dat er niets aan de hand was. Maar het gefladder verhevigde, kroop tot in mijn keel omhoog. Ik wist, als ik nu mijn mond zou openen, het eruit zou vliegen. En ik mompelde, met opeen geklemde lippen, ‘Jaja, wat is er dan. Kom eens hier. Zullen we wat lezen?’ Ik pakte Over reizen, rust en rendieren van Jenny Diski. Een reisboek over thuisblijven. Een rustgevend boek waarin Diski zichzelf onderzoekt, reizend over innerlijke grenzen. Ze vindt bijvoorbeeld dat ze lui is en gaat wandelen (en stopt er weer mee). Ze schrijft over vallen (waar ze goed in is), over schuilhouden (waarin ze me overtreft) en over leegte waarover ze schrijft: ‘Ik kan maar heel moeilijk geloven dat er iets onder mijn huid zit. Ik beschouw mijn lichaam als het omhulsel: dat wat ik kan zien en kan kleden.’ Precies, zo zag ik het ook!

    Tot het fladderen begon en er een dokter aan mijn bed stond dat niet het mijne was en me uitleg gaf over het eigengereide gefladder in mijn borstkas. Hij zei iets dat klonk als epibreren. Ik moest lachen, en misschien leek het dat ik hem uitlachte maar het was omdat ik aan iets zou lijden dat geen betekenis heeft, wist hij dat niet? Carmiggelt verzon dit niet bestaande werkwoord in de jaren vijftig en gebruikte het in een column waarin hij door een gemeentefunctionaris aan het lijntje werd gehouden. Als hij voor de zoveelste keer aan het loket komt om een persoonlijk document af te halen en het nog niet klaar ligt, en de beambte ook niet meer weet wat hij zeggen moet, excuseert hij zich door te zeggen dat het document nog geëpibreerd moet worden.
    ‘Ach zo,’ zei Carmiggelt, en droop af. Toen hij buiten stond, dacht hij, ‘Epibreren’. Wat is dat eigenlijk?

    Het was geen epibreren maar ‘fibrilleren’ wat de dokter zei. ‘Ah’, zei ik en knikte meteen begrijpend, ‘Fibrilleren van de boezem.’ Hoewel het me even betekenisloos voorkwam als het epibreren van een document.

     

     

  • Adembenemend moment

    Patricia Werner Leanse en Yve du Bois hebben er een handje van: de kunst om ergens, op of nabij de gulden snede van een film, de kwintessens ervan tot uitdrukking te brengen. Ook in hun recente filmportret van de Nederlandse componiste Marjo Tal (1915-2006) gebeurt dat. De komende weken wordt het, met nog twee andere portretten, in Amsterdam vertoond. Een clown in de Parijse straten loopt opeens, haast elegant, door het beeld, achtervolgd door een politieagent. Het heeft alles en niets met Tal te maken, die onder meer teksten van Jacques Prévert (een van mijn lievelingsdichters) op muziek zette: een combinatie van humor, ernst en symboliek. Zoals diens A Paris.

    Het adembenemende moment doet denken aan dat plekje op een schilderij van Sam Drukker waar de verf dun  is aangebracht: Een dunne huid heet dan ook  een boek over zijn werk. Tijdens de Biënnale Heilige Driehoek, van 16 september tot en met 22 oktober in Oosterhout, zal ik daar eens op letten. Drukker zelf vergelijkt het in dat  boek met een prachtige passage uit een cantate van Joh. Seb. Bach: ‘Het summum zijn (…) die momentjes waar je bij het luisteren op wacht.’
    Ik moest, toen ik dit las, denken aan het openingskoor uit de cantate BWV 8, Liebster Gott, wenn werd ich sterben in een uitvoering onder leiding van Gustav Leonhardt. Op een gegeven moment houdt traverso-speler Frans Brüggen – een doodsklokje imiterend – even in, een ‘Luftpause’ alvorens hij verder speelt; een adembenemend moment, telkens weer wanneer ik ernaar luister. Het is zoiets als iemand die soepel de noten van een toonladder achter elkaar doorspeelt, en even, voor hij de laatste noot inzet stokt, niet omdat hij emotioneel wordt, maar omdat hij dat gevoel wil overbrengen, hetgeen je met Adriaan van Dis (in een recent interview) kunt vergelijken ‘met een timmerman die een zwaluwstaartje wil maken dat ontroert. Als hij tijdens het maken ervan tranen in zijn ogen krijgt, slaat hij op zijn duim. Ik moet dus als een koele architect te werk gaan’, zoals Brüggen speelt.

    Niet alleen in de film van Werner Leanse en Du Bois, een schilderij van Drukker of een cantate van Bach komen die adembenemende momenten voor, ook bij het lezen van gedichten – juist in gedichten – lichten ze op: een adembenemend moment, op of nabij de gulden snede van een gedicht. Lloyd Haft heeft er een handje van in zijn bewerking van de Psalmen. Een regel als ‘Er is een zien: een vrede’ tegen het midden van Psalm 12 bijvoorbeeld.
    Het is zoals op een blaadje van een oude Loesje-scheurkalender eens stond te lezen: ‘Leven draait niet om ademhalen maar om de adembenemende momenten.’ Het blaadje staat in een lijstje op een plank in een van mijn boekenkasten; wel een toepasselijk citaat lijkt me voor iemand die astma heeft en leeft bij adembenemende momenten in films, gedichten, schilderijen en muziek. Een moment waarop je je adem even inhoudt en je hart een sprongetje maakt.

     

     

  • Overleden tijdens lezen van dit boek

    De man of vrouw die op 15 juli 1977 Hebdomeros van Giorgio de Chirico kocht of kreeg, wachtte daarna nog bijna anderhalf jaar voordat hij of zij in het boek begon. Dat maak ik op uit wat er geschreven staat op de franse titelpagina van de Nederlandse vertaling uit 1973 die ik gisteren op het Waterlooplein kocht: ‘de Chirico overleden / nov. 1978. / tijdens lezen / van dit boek.’
    Het was weliswaar de naam van de schrijver die mijn aandacht trok, maar het waren deze slordig geschreven woorden die mij over de streep trokken. Dat het boek maar één euro kostte, speelde geen rol.

    Giorgio de Chirico… Schilder die op zijn vroege doeken de leegte alle ruimte gaf. Zo ben ik naar hem gaan kijken sinds Niet verder vertellen van K. Schippers. Dat hij ook schreef, was ik blijkbaar even vergeten. Vandaar mijn ingetogen aha-erlebnisje, waar overigens niemand aanstoot aan nam.
    Die De Chirico overviel met zijn dood een lezer. Een lezer die door de verkopende partij middels een zwart balkje onherkenbaar is gemaakt, maar gezien het handschrift denk ik dat hij een zij is.
    Waarom liet zij Hebdomeros anderhalf jaar ongelezen in de kast staan of op een stapel liggen? En wat maakte dat ze er uitgerekend vlak voor de dood van De Chirico in begon? Zag ze zijn werk hangen en herinnerde ze zich toen dat ze dat boek gekocht had nadat ze hem al eerder ergens zien hangen?

    Ik vraag me af of ze wist wat haar te wachten stond. Hebdomeros is geen gewoon boek, ook al oogt het als een roman (maar dan een zonder dialogen). Hebdomeros (‘hoe zei u dat hij heette?’) is een man met opvattingen, die zich op een geheel eigen wijze door de wereld beweegt. Hij onderscheidt morele en immorele spijzen; kan het goed vinden met rolgordijnen en twijfelt niet aan het bestaan van centauren (maar dat kun je hém niet kwalijk nemen: zijn schepper werd geboren in Volos en daar komen centauren heel veel voor).
    Echte actie ontbreekt en gedreven door een plot wordt Hebdomeros ook niet. Daar kijkt tegenwoordig niemand meer van op, maar in 1929 was het boek van De Chirico ‘apart’. Behalve voor wie geloofde in surrealisme en metafysica.

    Was de anonieme eigenaresse van Hebdomeros al zo ver dat ze ook iets kon vinden van de roman op het moment dat De Chirico stierf? Onduidelijk is of ze Hebdomeros uitgelezen heeft. Misschien belandde het boek van schrik wel weer in de kast om er vervolgens nooit meer uit te komen. Het zal je ook maar gebeuren dat de schrijver van het boek dat op je nachtkastje ligt de geest geeft. Ook al is die schrijver op dat moment negentig.
    Dat brengt me op de vraag hoe en waarom deze Hebdomeros op het Waterlooplein belandde. Wat is er gebeurd met de vrouw die ‘de Chirico overleden / nov. 1978. / tijdens lezen van / dit boek.’ het vermelden waard vond?