• Op de plaats onrust

    Bijna iedereen in de boeken die ik bij me heb is onderweg. Sipko Melissen begeeft zich naar Norderney, nadat hij eerst in Venetië en Merano geprobeerd heeft Franz Kafka zo dicht op de huid te zitten, dat hij zich voor kan stellen hoe het geweest is om Franz Kafka te zijn. Gerda Dendooven stuurt twee naamloze personages, een vrouw en een man, met onbekende bestemming weg uit het leven dat ze leiden in de hoop dat ze elders rust vinden. Een psychiater die verdacht veel op António Lobo Antunes lijkt, laat tijdens een rit van de Algarve naar Lissabon zijn gedachten de vrije loop en belandt zo in zijn turbulente verleden. Alleen de man die zich verschanst heeft in een tuin verplaatst zich nauwelijks, al koestert hij een diepe wens die tuin – waar hij in een mum van tijd een zee van kan maken – te verlaten.

    Zelf zit ik inmiddels aan een tafeltje met uitzicht op een zuidelijke zee. Een meisje met rood haar en een streng knoflook om haar nek kijkt mij aan. Hoe, dat weet ik niet precies. Degene aan wie het tafeltje toebehoort waaraan ik zit te werken, associeerde haar blik ooit met onschuld en dapperheid. Ook dat meisje heeft overigens een hele reis achter de rug. Eerst maakte ze een grote sprong westwaarts. Daarna zakte ze af naar het zuiden.
    Mijn zitten is maar schijn: zonder dat iemand het ziet, spring ik van hot naar her. Door de tijd en door de ruimte. Ik orden het verleden van iemand die op haar beurt structuur aanbracht in het geschiedenis van twee anderen om vervolgens een roman te schrijven op basis van die geleende levens.

    Ik struin rond in hun echte levens, en in dat van de schrijfster voor, tijdens en na het schrijven van het boek. Wie mij ziet zitten, gelooft niet dat ik in amper een uur tijd het Duitse dorpje aandoe waar de vrouw die model stond voor een van de protagonisten in haar jeugd verschrikkelijk vernederd werd; me suf zoek naar de datum waarop de eerste zinnen op papier gezet werden – de schrijfster schreef toen nog met de hand – en tijdens een Frankfurter Buchmesse getuige ben van de avant-première van de roman die pas een paar weken later officieel ten doop zal worden gehouden.

    Het is vandaag de vijfde dag dat ik volstrekt niet vrijblijvend surf tussen toen, nu, hier en daar. De tegenwoordige tijd begint te dringen. Aan het eind van de week moet het materiaal overzichtelijk in mapjes zitten. Bovendien heb ik zin om zelf weer wat te schrijven. Ik wil literaire verbanden leggen tussen Fresh Up en Tabac en het over Kafka hebben. Kafka van wie we dankzij een fabulerende Nicole Krauss weten dat hij na 1924 nog lang en gelukkig leefde als tuinman in Palestina. Kafka die Sipko Melissen het hoofd op hol brengt.
    De dingen beginnen danig door elkaar te lopen. Het is tijd om naar huis te gaan. Laat het meisje met de rode vlechten en de streng knoflook maar een tijdje op iemand anders neerkijken.

     

    Ik ging op reis en nam mee:

    Tabac – Gerda Dendooven
    Reis naar het einde – António Lobo Antunes
    Tuin – Vincent van Meenen
    Kafka op Norderney: essays – Sipko Melissen

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Ritme

    Op het immens drukke plein voor het Amsterdamse Centraal Station loopt een lange heer met de klep van zijn pet voor zijn ogen getrokken. Als extra bescherming tegen de zon en wat al niet meer doet hij ook nog eens zijn hand voor de zijkant van zijn gezicht. Een fractie later haalt hij met een vuist uit naar mensen om zich heen. Daarbij maakt hij passen als stond hij in een boksring. Iedereen wijkt verschrikt uit en de man vervolgt zijn weg. Ik heb niet meer gekeken op wat voor manier.
    Een dag later kwam ik bij mij in de buurt een kleine man tegen met een aangelijnde al even kleine, witte poedel. Hij had een ouderwets transistorradiootje bij zich waaruit zachtjes vrolijke muziek klonk,

    muziek waar we veertig jaar geleden op dansten:
        een bas die vier maten herhaalt en herhaalt

    aldus Martin Reints in zijn bundel met gedichten en beschouwingen, Wildcamera.

    Later zat ik in de bus achter een mijnheer die de stang voor zich angstvallig omklemde, een aktetas op schoot stevig vasthield en heen en weer wiegde. Opeens viel het kwartje of kwam ik althans op het idee van wat het zou kúnnen betekenen, de boksende en wiegende man, mij ingegeven door een interview met de filosoof en psychiater Paul Moyaert.
    Moyaert zou de boksbewegingen van de lange heer ongetwijfeld beschrijven als een omgang met zijn waanzin, als het op zijn manier meedansen met het leven. En de muziek van de kleine man zou hij zien als diens wijze om met zíjn problemen om te gaan. Hij zou hem in ieder geval zien als iemand met autisme.

    Op grond van een gebeurtenis die Artur Japin beschrijft in zijn roman Vaslav denk ik verder. Kyra, de hoofdpersoon van dit boek, komt op een gegeven moment in contact met een jongen van een jaar of achttien die aan luchtdirigeren doet. En dat niet alleen, de jongen bracht zelf ook muziek voort, ‘inventief en eigenaardig, uit alle hoeken en gaten van zijn eigen lichaam.’ Hij zoemde en piepte, fluitte, trommelde en knarste ‘voor een publiek van zotten dat er niet van op- of omkeek.’
    Hieruit concludeer ik dat niet reageren ook voor ons, een publiek van zogenaamde ‘normalen’ op het drukke plein voor het Amsterdamse Centraal Station, na de eerste schrik, wellicht de beste reactie was.
    De oproep van beide mannen op straat, van de man in de bus en de jongen van achttien bij Japin is denk ik met Moyaert dan ook niet: ‘Help mij’, maar: Geef me de ruimte. ‘Die neuriënde, waggelende, wiebelende mensen proberen in hun ritme te komen. Dat is wat het is’ aldus Moyaert. Dat moeten wij niet verstoren.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Ook bezoekt zij regelmatig het concertgebouw waarbij zij in haar observaties het publiek niet vergeet  waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

     

     

  • Handreiking

    Onderzoeksnota’s zijn vaak geen vlot leesbare literatuur. Maar er zijn uitzonderingen. De Handreiking voor ondersteuning van Eritrese Nieuwkomers bij hun integratie is er een. Een nota van 67 pagina’s uit augustus van het Kennisplatform Integratie &Samenleving, een adviesorgaan voor overheden en hulporganisaties. Het bevat een plezierige hoeveelheid tips en ervaringen die in het hele land zijn opgedaan met vluchtelingen uit Eritrea. Maar de inleidende hoofdstukken zijn niet alleen interessant voor wie persoonlijk met Eritreeërs werkt. Ik las er onder andere in hoe belangrijk de plaats van het geloof is in het dagelijks leven (overheersend), hoe het onderwijs in elkaar steekt (pover) en hoe groot schaamte kan zijn en de geneigdheid tot toedekken van fouten. Maar wat kun je daarmee in de praktijk?

    Soms word ik er door in verlegenheid gebracht. De Eritreeërs die ik wat beter ken dan van een vluchtige groet, zijn op één hand te tellen. De meesten trekken zich terug in de eigen groep. En er is er maar één met wie ik regelmatig persoonlijk contact heb. Die appte mij kort geleden dat hij opnieuw was gezakt voor zijn inburgeringsexamen. Toen ik hem opzocht stond de tv op het NOS Journaal. Op de laptop lagen prints van taaloefeningen, vol gekliederd met invullingen en potloodstreepjes. IJver kan ik hem niet ontzeggen. Zijn lening van DUO was bijna op en hij had twee maanden om opnieuw examen te doen. Sinds ik een paar keer toetsen met hem heb doorgenomen, weet ik hoeveel moeite de lessen hem kosten. Hij is laaggeschoold en kan de examenvragen niet aan in de tijd die er voor staat. Nu komt daar nog de grotere druk van het geld bij. Hij vertelt dat hij wel eens lessen mist omdat de busreis ernaar toe te duur is. Ik kijk hem verwonderd aan omdat ik weet dat hij een ov-kaart heeft. ‘Ja’, zegt hij, ‘maar alleen voor het weekend’.

    Mijn verwondering groeit. Hij legt uit dat hij die keus heeft gemaakt om op zondag naar de diensten van zijn christelijk-orthodoxe kerk te kunnen. Die zijn in Eindhoven, een dik uur reizen heen en terug. Ik mompel iets over meerijden; over keuzes en zelfs dat hij de ov-kaart heeft om hier de weg gemakkelijker te vinden. Hij kijkt me glazig aan. Ik gun hem natuurlijk zijn geloof en weet intussen hoe die vieringen eruit zien en hoe belangrijk ze zijn voor hem en zijn landgenoten. Maar toch, is het nu niet even belangrijker om te zorgen dat je hier voet aan land krijgt? Hij is niet te vermurwen. Tegelijk kan ik niet boos op hem worden. Ik weet dat hij het Journaal niet expres heeft aangezet en die papieren niet met een bijbedoeling op zijn laptop heeft liggen. Niet omdat ik langs kom. Hij is echt gemotiveerd. Hij doet alles om Nederlands te leren. Maar wat moet ik ermee dat zijn geloofspraktijk zo’n hoge prioriteit heeft?

     


    Adri Altink recenseert voor LiterairNederland en heeft belangstelling voor (cultuur)geschiedenis. Hij werkt als vrijwilliger met vluchtelingen. Zijn ervaringen daarmee deelt hij in zijn columns.

  • Morbide experimenten

    Op internet stuit ik op de aankondiging van een debuutroman waarin, zo meldt de aantrekkelijk bedoelde flaptekst, hoofdpersoon met broertje onder meer morbide experimenten uitvoert met dieren. Toevallig is het in dezelfde week waarin ik een passage lees, ook in een debuut, over muizen die in benzine worden gedoopt en aangestoken. De hele week denk ik over die passage na: niet zozeer omdat het zo’n gruwelijk beeld is, maar vooral omdat ik me afvraag wat de functie ervan is.
    Is het belangrijk voor het plot? Nee. Voegt het toe aan een bepaalde sfeer, het decor van het boek? Misschien. Toch zie ik steeds het beeld voor me van een redacteur die de schrijver in de nek hijgt: je moet verder gaan, meer durven, harder zijn.
    Ondertussen denk ik aan Lize Spit – of nee, specifieker, aan het stuk dat Christophe Van Gerrewey over Het smelt schreef in De Gids. Hierin schrijft hij, na een opsomming van alle gruwelijkheden die in Spits debuut plaatsvinden: ‘Niets in dit boek heeft meer dan één functie, en de smerigheid moet maar één ding opleveren: aandacht.’

    Dat is stevige kritiek. Het smelt staat al maanden op mijn twijfellijstje: ik ben nieuwsgierig en vind het interessant om te lezen wat mijn collega-schrijvers en generatiegenoten uitbrengen. Tegelijkertijd is er dat, ja, het experiment, de dieren, de gruwel. Hoe bepaal je wat je wel en niet leest – en hoe bepaal je of je overwegingen daarin zuiver zijn?
    ‘Het is altijd rare dingen met seks of rare dingen met dieren,’ verzuchtte een andere schrijver laatst. En dus dacht ik aan Wij van Elvis Peeters, die opent met de verkrachting en verdrinking van een kat. De scène zegt niet zozeer iets over het plot, maar is een aankondiging, een waarschuwing wellicht: weet waar je aan begint. Vervolgens stapelen de morbide experimenten zich op. Als roman over de gevaren van verveling is hij zeker geslaagd, maar ook hier de vraag: had dit onderzoek anders uitgevoerd kunnen worden? Met, bijvoorbeeld, minder?

    Ik noem nog twee voorbeelden: The wasp factory van Iain Banks en The End of Alice van A.M. Homes. Waar Banks ieder detail, iedere wending, iedere brandende wesp of hond in dienst stelt van het verhaal, van de psyche van de verteller en die van de broer, lijkt het alsof Homes de hele tijd die stem in haar nek hoorde hijgen: dat ze meer moest durven, dat ze alle grenzen over moest. Wat is toch die fascinatie met, in dit geval, seksueel geweld tegen kinderen en daar zo plastisch mogelijk over schrijven?
    Na het zoveelste vervolg op de film Saw werd gesproken over ‘martelporno’: geweld om de heerlijkheid van dat geweld, alles in dienst van het shockeren, niet meer en minder. Doodbeu ben ik dat geshockeer.
    Natuurlijk weet ik niet hoe het zit met die experimenten in het aangekondigde debuut, of en wat de functie ervan is. Hopelijk schrijft Christophe Van Gerrewey er een stuk over. Tot die tijd zijn er nog genoeg andere romans die op me wachten.

     


    Marijn Sikken mijmert en schrijft over lezen, verhalen en literatuur. Ze zit in de redactie van de Optimist en  in 2013 studeerde ze af aan de Schrijversvakschool. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen begin dit jaar bij Uitgeverij Cossee.

     

     

  • Elsie

    Een boek kan zomaar aan betekenis winnen of verliezen door een achteloze opmerking van de schrijver. Dat de interpretatie van die opmerking zeer persoonlijk is, ligt voor de hand. Ik wil, en ik weet niet waarom, of het moet zijn dat ik zelf worstel met teksten, dat schrijven a hel of a job is. Als een schrijver achteloos opmerkt dat hij een boek, dat ik met bewondering heb gelezen, in exact 90 dagen geschreven heeft, is voor mij de romantiek eraf en daalt mijn waardering voor dat boek. Ja, beetje belachelijk eigenlijk. Maar goed, onlangs zag ik Jeanette Winterson op een stormachtige vrijdagavond. De wind joeg langs de ramen van de oude Lutherse kerk aan het Spui waar de trams met ijzeren regelmaat voorbij jengelden. Binnen was het cosy and warm. Winterson stond klein en felbesnaard onder het spreekgestoelte, de kerk was vol. Ze was het wel gewend, zei ze, kerkpubliek als gehoor.

    Als lagere schoolkind schreef ze al gepassioneerde diensten waarmee ze zelfs zieltjes won. Nu sprak ze van anarchie en van perfect days (even daarvoor had Lou Reeds Perfect day door de kerk geklonken). Ze sprak van moeders, echte en aangenomen en hoe ze in haar debuutroman, Sinaasappelen zijn niet de enige vruchten, Elsie erin had geschreven omdat ze iemand naast zich wilde. Ze liet het zich achteloos ontvallen. Haar woorden reikten, even achteloos, tot achterin de aula, waar ik met mijn rug tegen de muur zat. Zo simpel kan een verhaal dus aan inhoud winnen. Winterson bracht Elsie als een noodzakelijke aanwezigheid.  Ze had haar erin geschreven ‘because I needed some one next to me’. Alsof ze, schrijvende aan haar werktafel, om zich heen had gekeken, Elsie zag aankomen en haar mee nam haar verhaal in. De behoefte aan een hand om in te knijpen als het leven pijn doet. En ook had ze Elsie nodig om haar te laten zeggen ‘dat verhalen je hielpen om de wereld te begrijpen’.

    En om de sinaasappelen – het enige fruit dus dat haar moeder haar liet bezorgen toen de Jeanette uit het boek in het ziekenhuis lag – te delen met haar. Om met Elsie van de sinaasappelschillen een iglo te bouwen op de dekens van het ziekenhuisbed. Zonder Elsie zou het kind Jeanette in het boek in zichzelf gesloten zijn gebleven. Door dat ‘because I needed some one next to me’ zag ik de kwetsbaarheid van een schrijver die aan alle kanten uitstraalde ‘ik heb niemand nodig’. Later werd ze geïnterviewd maar ze verdroeg de vragen niet. Ze kapte af, zei dat het genoeg was, de interviewster fronste haar wenkbrauwen.  De schrijver had al zoveel gezegd het moest maar eens klaar zijn. Het was confronterend maar ze miste Elsie naast zich. En ach, missen we niet allemaal een Elsie die ons vorm en volume geeft?

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat nog wel even blijven. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

     

     

  • Een stom gedicht

    Het was in de Renaissance een van de meest geliefde bezigheden van Leonardo da Vinci en Michelangelo: een partijtje artistiek worstelen om te bepalen welke kunstvorm het belangrijkst was. Schilderkunst, beeldhouwkunst, of toch de poëzie? Waarbij de laatste geen hoge oogen gooide, ondanks de vaak geciteerde Simonides, die poëzie een sprekend schilderij en een schilderij een stom gedicht noemde. Maar dit kon niet voorkomen dat de poëzie het aflegde tegen de beeldende kunsten. Zoals bij Leonardo, die de schilderkunst de ‘moeilijkste wetenschap’ noemde, ‘die met de meeste waarachtigheid de werken der natuur kon weergeven’.
    Ik moest aan deze wedijver tussen de verschillende disciplines in de kunsten denken, toen ik tijdens beeldhouwles aan een nieuw project begon. Het zou nu eens niet de zoveelste vrouwenfiguur worden, maar een kudde nijlpaarden in het water. Ik had zo’n  in brons gegoten kudde in de etalage van een kunstgalerie zien staan en was meteen verkocht.

    Nu valt het ‘waarachtig weergeven van de natuur’ in de praktijk tegen. Althans in mijn geval. Zelfs een prachtige foto van een kudde badende nijlpaarden van Frans Lanting als inspiratiebron mocht niet baten. Ik kon de klei maar moeizaam in het keurslijf dwingen dat ik voor ogen had. Mijn gedachten dreven regelmatig af en ik begon mezelf af te vragen waarom in de beeldende kunst de natuur zo opgehemeld wordt en in de geschreven kunst niet. Want laten we wel wezen, waar in de beeldende kunst de natuur de hoofdrol kan opeisen, is dat in de literatuur haast nooit het geval. De IJsbeer van François Pompon of De bedreigde zwaan van Jan Asselijn kent in de literatuur geen evenknie. Natuurlijk komt ook in boeken natuur voor, maar altijd in een bijrol, als achtergrond voor het verhaal van deze of gene mens. Ja, zelfs als je denkt dat in een boek natuur de hoofdrol speelt, zoals in Waterschip Down van Richard Adams, Animal Farm van George Orwell of Barkskins van Annie Proulx, blijkt die literaire natuur vaak niet meer dan een vrijbrief om het toch weer over de mens te hebben, in al zijn onhebbelijkheden.

    Nee, in literatuur is de natuur altijd bijzaak, dus waarom zou ik me daar zo druk om maken? Kon ik toch niet beter weer een menselijke figuur gaan maken? Terwijl ik aan het einde van de les mijn eerste poging nog eens goed bekeek begon ik een beetje mee te voelen met Simonides. Mijn eerste beeldhouwpoging van een kudde nijlpaarden was niet verder gekomen dan een stom gedicht. Maar ik geef het nog niet op. Want de waarachtigheid in de natuur wil ik blijven zoeken. Volgende week is er weer een les. Eens kijken of ik dan wat poëzie uit de klei kan halen.

     

     

     

  • Een wandelaar

    Soms moet je tot middelen overgaan die je eerder wantrouwde. Niet alleen een goed boek scherpt de geest maar ook meer pit in het eten kan de boel wakker schudden. Dus voegde ik deze week een stukje gele peper, Madamme Jeannette aan de pompoensoep toe. En terwijl ik Madamme Jeanette erdoor roerde dacht ik aan mezelf als een wandelaar en fietser. Waar die gedachte vandaan kwam kan ik niet verklaren, maar met de gedachte kwam het besef dat het maanden geleden was dat ik verder had gewandeld dan naar de buurtsuper om de hoek en dat het weken geleden was dat ik had gefietst. Zo hield ik mezelf door een gedachte in stand. Na de soep sprong ik op de fiets en stopte pas in een stadje aan de IJssel waar ik me op een terrasje zette met Godin, held van Gustaaf Peek. Onderwijl noterend wat zoal om me heen gebeurde in een klein zwart (nee, geen moleskine) boekje.

    Op het vrijwel lege terras zaten een man en een vrouw met een glas bier voor zich. Beslist geen Tessa en Marius, het stel uit Godin, held. Dit echtpaar had zijn beste tijd gehad gezien hun zwijgzaamheid. ‘s Avonds was er in het stadje aan de IJssel niets te beleven, de straten waren verlaten. Je zag de verslagenheid van eeuwige pech op hun schouders rusten. Wel keken ze geregeld achterom, naar waar ik zat, en opzij naar het terras van een nabijgelegen eethuisje. Ik keek met ze mee naar dat naastgelegen eethuisje. Het was daar aanzienlijk drukker. En hé, er zat een uitgever uit Amsterdam. Het omgekeerde van wat Van der Laan in Zomergasten had benadrukt ging door me heen; kleine steden zijn ook van Amsterdammers. De uitgever zat aan een tafeltje met een oudere man met wit haar die wel wat weg had van de schrijver waarmee Adriaan van Dis ooit in de clinch lag in zijn programma ‘Hier is Adriaan van Dis’, maar dan een vriendelijker versie daarvan.

    Terug naar het echtpaar voor me. Ik schreef in het kleine boekje dat ze ‘zwijgend communiceerden’. Toen kwam de gedachte ontdekt te worden – zoals een zanger in het park of op een steiger al zingend ontdekt wordt – door een schrijver van een belendend terras. Dat het geluid van je pen over het papier en het gedreven ritme van het schrijven hem influisterde dat hier iets gebeurde wat niet onopgemerkt mocht blijven. Dat hij vroeg te mogen lezen wat je daar zoal opschreef want hij was een expert in het ontdekken van echte schrijvers. Ondertussen at de schrijver – die vertaler bleek van een bekend Russisch schrijver – van een zoutloos gerecht, zoals de serveerster zijn bestelling noemde. Ik dacht aan hoge bloeddruk en dat het beter is geen zoethoutthee te drinken al wilde ik hem daarvoor niet waarschuwen. De enige drank die de vertaler gebruikte was rode wijnsaus over zijn steak. Wellicht om er wat pit aan te geven.

     

     

  • Tesseltje

    Het is een kleine tentoonstelling in het Stedelijk Museum Alkmaar maar mijn fantasie ging meteen met me op de loop. Dichter bij Maria Tesselschade heet de expositie met ‘nieuwe vondsten van een bewogen leven’, zoals de ondertitel luidt (tot en met 29 oktober a.s.). Met z’n drieën lagen ze in ’t midden: een mooi schoentje, fragmenten van een door haar gegraveerd glas en een diamanten ring. Allemaal gevonden in de beerput van het perceel in Alkmaar waar Maria Tesselschade Roemer Visscher (1594-1649) na haar huwelijk woonde. De schok kwam op ’t laatst: een flintertje perkament met een tabulatuur, de muzieknotatie voor een tokkelinstrument.

    We weten dat Tesseltje cister speelde, een soort platte luit met frets en metalen snaren. Caesar van Everdingen maakte een schilderij van zo’n cister spelende vrouw, dat dateert uit dezelfde tijd als waarin Maria Tesselschade leefde. De vrouw die de cister bespeelt, heeft net zulke pronte blote borsten als de drie engelen onderaan het rugwerk van het orgel in de Grote Kerk van Alkmaar, die ook in dezelfde tijd werden gesneden. Zo rol je van ’t een in ’t ander. Het bijschrift bij het stukje perkament luidt: ‘Wellicht heeft zij deze compositie in haar huis in de Langestraat gespeeld.’ Ja, wie weet. Maar wat als ze dit stukje zelf zou hebben gecomponeerd? Dan ontstaat er pas een volledig beeld van een vrouwelijke uomo universale, een renaissance-vrouw die veel kende en kon.  Maria Tesselschade kwam uit de geletterde Amsterdamse familie Roemer Visscher en groeide op in een mooi gebouw aan de Geldersekade, waar een plaquette aan de buitenmuur aan herinnert. Ze graveerde glazen, dichtte, kon goed tekenen, borduren en zingen en speelde naast de cister nog meer muziekinstrumenten.

    Beroemde tijdgenoten zoals Vondel, Huygens en Barlaeus, waren onder indruk hiervan – en van haar uiterlijk. Waarom zou ze ook niet hebben gecomponeerd? Dat zou toch zomaar kunnen? Ik denk dat het dan een beetje in de stijl van Sweelinck zal zijn geweest, die ze ongetwijfeld in de Oude Kerk heeft gehoord, op een steenworp afstand van de Geldersekade. In deze kerk ligt zij ook begraven. Ik ben niet de eerste die zo lekker aan het fantaseren slaat; Ro van Oven schreef een meisjesroman over haar waaraan ik de titel van deze column ontleende: Tesseltje. Volgens een recensent in De residentiebode (1 december 1939) is de hoofdpersoon van dit boek een echte vrouw, ‘ondanks haar (voor dien tijd) vrije opvoeding.’ Want, meent de recensent van het Algemeen Handelsblad van een dag later, het levensverhaal geeft ‘onze jonge meisjes (…) een kijk op het huiselijk leven in vroeger dagen.’
    Ik denk dat – hoewel mijn bibliotheek het heeft en het ook nog antiquarisch is te verkrijgen – ik dit gedateerde boek maar niet ga lezen en liever verder droom aan de hand van een flintertje perkament dat zóveel oproept.

     

     

     

     

  • Jerry

    De nieuwe jongen in onze klas heette Jerry. We waren veel gewend, maar geen Jerry. Jerry was zwart, maar dat was niet het belangrijkste. Jerry kon zijn bovenste oogleden binnenstebuiten keren. Voor hem was dat een fluitje van een cent. Ons lukte het never nooit. Terwijl hij het vaak genoeg in slow motion voordeed. Jerry was ook degene die revolutionaire knikkertechnieken op het schoolplein introduceerde, waarvan ‘duimpje druk’ de meest ontwrichtende was. Er schoten heel wat duimen uit de kom voordat Jerry voor de eerste keer door één van ons op zijn discipline werd verslagen.

    Toen ik afgelopen zomer op het voormalige schoolplein stond – van school en plein ontbrak elk spoor, alles was gras – dacht ik geen moment aan Jerry, maar hij schoot me onmiddellijk te binnen toen Osei Kokote zijn opwachting maakte in Nieuwe jongen van Tracy Chevalier. Osei – [O-see-ie] – is diplomatenkind en gewend om steeds opnieuw te moeten beginnen. Hij is inmiddels toe aan zijn vierde school, in dit geval een witte in Washington. Op de eerste schooldag gebeurt er veel: hij valt in de smaak, en is ook meteen het middelpunt van een hetze. In no time is de klas in kampen verdeeld en eist de een na de ander een rol op in een complot met min of meer dodelijke afloop. Het lijkt wel een Shakesperiaans drama, en dat is het ook. Nieuwe jongen is Othello in een nieuwe jas.

    Tracy Chevalier is de vijfde schrijver die zich in het kader van The Hogarth Shakespeare aan een van Shakespeare’s toneelstukken waagt. Ook aan haar de schone taak om heel veel poppetjes een plek te geven. Want daar ontkom je niet aan als je Shakespeare her-vertelt. Als baas van het spul voelde hij zich verantwoordelijk voor zijn spelers. Daardoor zijn zijn stukken soms behoorlijk overbevolkt en niet altijd even functioneel ingewikkeld.
    Omdat ze haar opdracht goed begrepen heeft en Shakespeare recht wil doen, kan Tracy Chevalier niet anders dan kiezen voor een omgeving die meer dan één hoofdrol, een heleboel bijrollen en het nodige gedoe garandeert. Een school in tijden van racistisch turmoil is dan het ideale decor.

    Terug naar Jerry die, realiseer ik me nu, geen Jerry maar Albert heette. Er zat wel een Jerry op school, maar die had Molukse wortels (en een broertje: Tommy). Ook Albert wachtte een eerste schooldag, maar onze school was minder wit dan die van O-see-ie in Washington. Wij wisten allemaal wat het was om ergens anders opnieuw te moeten beginnen, al waren onze vaders geen diplomaten maar soldaten die met de regelmaat van de klok overgeplaatst werden. En toch keken we op van Albert, die godzijdank niet bang was. Hij moet geweten hebben dat hij met zijn binnenstebuiten oogleden en knikkervaardigheid troeven in handen had.

     

     

  • Kunst

    Op een van de laatste mooie avonden van augustus zat ik op de Place Général de Gaulle in Lille aan het bier toen uit de Rue Neuve het geluid aanzwol van trommelaars. Om de hoek verscheen een groep van ongeveer honderd betogers, bijna allemaal Afrikanen zo te zien. Ze scandeerden een leuze die ik niet goed verstond, maar het spandoek dat ze meedroegen maakte duidelijk dat ze clementie eisten voor migranten zonder papieren. Vrijwel meteen vroeg ik me weer af of de mensen die over hun hart zouden moeten strijken zich daar ook maar iets van gaan aantrekken. ‘Weer’, want eerder die dag had ik hetzelfde toen ik op het Kunstenfestival in Watou, in de brouwerij had gesteaan voor Ceinture à Munition van de Palestijnse migrant Taysir Batniji: een munitiegordel waarin alle kogels waren vervangen door scherp geslepen potloden. Het beeld van pen in plaats van wapen is vaker gebruikt, onder andere in spotprenten, maar toch raakte het me opnieuw. En juist die herkenning van dat beeld riep bij mij tegelijk machteloosheid op. Welke wapenhandelaar, terrorist of belligerente malloot wordt hierdoor tot bezinning gebracht?

    Ik herken mijn gedachten uit eerdere situaties. De prachtige novelle Al te luide eenzaamheid van Hrabal gaat over de papierpletter Haňt’a, die uit de bakken oud papier die in zijn kelder worden gestort alle wijze boeken redt. Hij heeft het gevoel dat hij zich, al lezend, ‘in het diepste hart van de waarheid’ bevindt. Stinkend naar het afval gaat hij elke avond naar huis, ‘maar ik ben één en al glimlach, want ik heb boeken in mijn aktetas waarvan ik verwacht dat ik daaruit ’s avonds iets over mezelf te weten zal komen wat ik nog niet weet’. Dat is de kracht van kunst, die ik herken. Maar bereikt die ook de lieden die het voor het zeggen hebben?

    In het kabinet Rutte I hakte Halbe Zijlstra, staatssecretaris van Destructie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zo met de botte bijl in op de kunsten dat hij voor mij de ultieme papierpletter is die ’s avonds naar huis gaat met een aktetas zónder boek, omdat hij zich er wel voor hoedt iets te weten te komen over zichzelf dat hij nog niet weet. Ik denk dat ik er niet ver naast zit als zijn vakliteratuur bestaat uit De Telegraaf en het clubkrantje van de VVD en dat hij tijdens zijn vakanties hooguit met een spannende detective vergetelheid zoekt. Zijlstra c.s. denken er nu nog steeds zo over. Maar er is hoop. De kracht van kunst is niet alleen wát ze te zeggen heeft, maar ook dat ze zich steeds weer opricht. In dezelfde novelle van Hrabal zegt Haňt’a dat alle boekverbrandingen tevergeefs zijn geweest: ‘als die boeken iets zinvols te melden hadden, dan kon je ze op de brandstapels in hun vuistje horen lachen, want een degelijk boek verwijst altijd ergens anders heen en naar buiten.’ Ga door, Batniji! Lees eens een boek, alle Zijlstra’s. Onderga kunst!

     

     

     

  • Hoop en leven

    Toen bekend werd dat schrijver Renate Dorrestein ernstig ziek is, was ik bezig in twee boeken. Het een, 99 stories of God van Joy Williams, is een bundel die precies doet wat het belooft: negenennegentig zeer korte verhalen, variërend van twee pagina’s tot twee regels, waarin het zoeken naar god is. Soms komt Hij letterlijk aan het woord, soms sluimert er iets op de achtergrond, de verhalen lezen als literaire ‘Waar is Wally’s’s. Zo bestaat er een verhaal alleen uit de zin, ‘When God abandoned the Aztecs, He turned their chocolate trees into mesquite’. Bijzonder is niet alleen het gebrek aan paginanummers, maar ook dat de titel onder het verhaal staat, waardoor het gelezen verhaal postuum een ander licht krijgt.
    Ondertussen las ik weer een Coupland. Waar ik dacht alles van hem te kennen, bleek dit bij nader inzien niet zo te zijn, wat voelde alsof verlate verjaardagscadeautjes een voor een binnenkwamen en geduldig wachtten tot ik ze uitpakte. Ik kocht Girlfriend in a coma in vertaling en lang na de laatste bladzijde dacht ik nog over het hysterische einde na. Misschien is dit boek Couplands meest religieuze roman, een uitspraak waar ik uiteraard voorzichtig mee moet zijn, maar het komt door het idee dat het leven, de ander, serieus genomen moet worden.

    Rudy Kousbroek, nog zo’n favoriet, geloofde heel stellig niet in God nadat hem duidelijk werd gemaakt dat dieren niet naar de hemel zouden gaan – een gedachtegang waar ik volledig in mee ga, al ga ik er vanuit al mijn vorige huisdieren na mijn overlijden weer te zien, evenals mijn oma’s, opa en iedereen die er niet meer is. Toch kreeg ik bij het lezen van Kousbroeks essays heel sterk het vermoeden van een religieus denker: iemand die erg aansloot bij de wezens en de wereld om hem heen. Is dat niet ook geloven, je verbonden voelen met dat wat – of hen die – je niet kunt verklaren?
    Dorrestein bleef maar in mijn hoofd zitten.

    Sommige schrijvers, zoals Grunberg en Houellebecq, werken vanuit een idee en alles staat in functie van dat idee. Anderen schrijven vanuit het personage. Stephen King bijvoorbeeld plaatst zijn personages in extreme omstandigheden en kijkt dan hoe ze reageren. Ook Renate Dorrestein is zo’n schrijver. Als vroege lezer kwam ik erachter dat de methode personage, om het zo maar even te noemen, mij het meest aanspreekt – misschien vanuit het idee dat het leven, de ander, serieus genomen moet worden. Dat laatste is iets waar Dorrestein, met of zonder gebruik van ironie in haar proza, in excelleert.
    Ik heb 99 stories nog niet uit, dagelijks lees ik enkele verhalen. Schrijft Williams vanuit het idee of vanuit haar personages? Ik weet het niet zeker, al sluit ik duidelijk ergens op aan. Met regelmaat blader ik terug, misschien zoek ik wat Dorrestein al blijkt te hebben gevonden. In een interview zegt ze: ‘Alle geloof is hoop, hoor.’ Hoe heetten die twee prachtige romans van haar ook alweer? O ja: Zolang er hoop is en is er leven.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Onzichtbaarheids-waanzin

    Vanuit het kleine kader onderaan de voorpagina van de krant keek de schrijver me aan. Licht ironisch glimlachend waarbij het scheef gehouden hoofd een koketterende onbezonnenheid suggereerde. Hij keek met een blik van, ‘kom maar op’ en ‘ik maal er niet om’. Met die houding kon ik me wel vereenzelvigen. Al zou er beweerd worden dat de boeken – die hij  schreef onder de naam waarmee hij in 1943 in het geboorteregister van Saviano werd ingeschreven – door zijn vrouw geschreven zouden zijn, dan zou hij dat noch bevestigen, noch ontkennen, zo zag hij eruit op dat fotootje ter grote van een pasfoto ; ‘Je mag zeggen wat je van me vindt, me de duimschroeven aandraaien (wat de uitgever een beetje deed met het plaatsen van dat fotootje met de tekst: De literaire sensatie uit Italië) maar het doet me niks.’

    Het is behoorlijk sensationeel om ontmaskerd te worden als schrijver van de succesvolle Napolitaanse romans. Maar wat, als je het wel bent. Waarom zou je het toegeven, je hele wereld die je rondom je andere zelf hebt opgebouwd, zal instorten. Dat wil je toch niet? Ik begrijp dat wel, van een eenmaal ingeslagen weg kom je nu eenmaal niet snel terug. Dat zit niet in onze natuur. En daarbij, wie heeft geen eigen pseudoleven? Nooit iets in je zak gestopt terwijl je bij een vriendje speelde, of een boek van je beste vriendin, dat ze zelf nog niet eens gelezen had ongevraagd geleend? Ik  heb wel eens, in een vlaag van onzichtbaarheidswaanzin, bij een uitgeverij een boek uit de kast getrokken en bij me gestoken. En dat je dan thuis niet weet wat je ermee aan moet, dat je het dan maar verdringt. Schrijvers en lezers zijn rare mensen.

    Dus als iemand al meer dan een decennia gelooft dat hij een vrouw is die boeken schrijft over twee vrouwen waarvan de lezer denkt dat het wel autobiografisch moet zijn, dan zou ik dat maar zo laten. Zelf wist je ook niet hoe dit zou aflopen, en van iets wat je niet weet, daar zeg je al gauw ‘nee’ tegen. Dus dan zeg je: Ik. Ben. Het. Niet. zoals de schrijver op het pasfotootje op de voorpagina van de krant. En dat geloof ik wel, dat je zegt die iemand niet te zijn, want je bent die persoon niet. Je deed maar wat in een vlaag van onzichtbaarheidswaanzin. En hoe je dit thuis nu weer moet verantwoorden.  Je vrouw, waartegen je tientallen keren hebt gezegd dat je geen weet hebt van geen enkel pseudoniem. Terwijl je volgens haar al je tijd in je werkkamer doorbracht maar de uitgever relatief weinig manuscripten van je ontving. Het zou zo gegaan kunnen zijn. En dan toch, blijf ontkennen. Niet toegeven dat je degene bent die je was. Een van de kenmerken van onzichtbaarheidswaanzin is dat je er heilig in gelooft dat niemand je in je bezigheden kan waarnemen. En dat wil je graag zou houden.