• Aanrijtijd

    Terwijl ik me in Londen verbaasde over het geringe aantal boekwinkeltjes dat er nog over is op Charing Cross Road, verscheen hier De daad bij het woord, het rapport waarin de Raad voor Cultuur – het wettelijke adviesorgaan van de regering en het parlement op het terrein van kunst, cultuur en media – de letteren- en bibliotheeksector onder de loep neemt.
    Voor de Raad voor Cultuur is het belang van geletterdheid de leidraad, maar de Raad ziet in zijn aanbevelingen de letteren niet louter als een vorm van toegepaste kunst. Naast de maatschappelijke waarde stelt hij de artistieke én economische waarde van de sector aan de orde.

    ‘Zorg dat iedere Nederlander onbelemmerd toegang heeft tot de culturele producten van de letterensector’ is de derde van de vier ‘overkoepelende aanbevelingen’ die de Raad doet. Om dat te bereiken is een fijnmazig netwerk van boekhandels en bibliotheken noodzakelijk. De Raad stelt zich daarbij het volgende voor: ‘De “aanrijtijd” tot boekhandels en bibliotheken zou nergens in Nederland groter mogen zijn dan de aanrijtijd tot een bakker of supermarkt. Kennis, informatie en de schone letteren vormen net zo goed een eerste levensbehoefte: voedsel voor de geest.’
    Een Raad voor Cultuur heeft makkelijk praten. Hij hoeft alleen maar te inventariseren, te analyseren en te adviseren. Knelpunten oplossen laat hij aan anderen over, al heeft hij wel ideeën over de richting waarin die gezocht moet worden. In het geval van de spreiding van boekhandels krijgen gemeenten een duidelijke opdracht: ‘Onderzoek in overleg met retail-brancheorganisaties hoe winkels met een cultureel profiel zich gemakkelijker zouden kunnen vestigen binnen stedelijke winkelgebieden.’

    De opdracht van de Raad voor Cultuur aan gemeenten veronderstelt dat het gemeenten iets kan schelen welke winkels zich waar vestigen. Dat zij het belang van een pluriform aanbod inzien en er wat voor over hebben om ‘winkels met een cultureel profiel’ in de gelegenheid te stellen zich op prominente – dus dure – plekken te vestigen. Dat zij vervolgens bereid zijn hun bestuurlijke invloed aan te wenden om een ondernemingsklimaat te scheppen waarin ook het culturele midden- en kleinbedrijf dat niet in staat is om marktconforme huurprijzen te betalen gedijt.

    Dat Charing Cross Road niet langer dé boekenstraat van Londen is, heeft met het gebrek aan een gemeentelijk winkellocatiebeleid te maken. De meeste winkels waren gevestigd op de begane grond van panden die eigendom waren van een woningbouwvereniging. Boekverkopers betaalden een huur ver onder de marktwaarde van de op een A-locatie gelegen panden.
    Toen de eigenaar van de panden de huurprijs fors wilde verhogen, kwamen de boekverkopers in verzet. Ze beriepen zich op hun toegevoegde waarde voor de buurt. Ze vonden weliswaar gehoor bij hun achterban, maar trokken toch aan het kortste eind.
    Het verhogen van de huur was het begin van het einde van wat ‘Charing Cross Road’ zo lang geweest was: een mekka voor boek(ver)kopers. De recessie deed de rest.

     

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Die ene zin, de plotselinge stilte

    Vrienden van mij zagen onlangs in het National Theatre in Londen een voorstelling van Shakespeares Macbeth (begin mei live in enkele Nederlandse bioscopen te zien). Hierin was, mailden ze, ‘een hoop geschreeuw (…), zelfs een echte disco’ te horen en te zien geweest. Het komt me bekend voor, het hard-harder-hardst toneelspel en af en toe ook het luid-luider-luidst muziek maken. Toch zit daar vaak een pareltje tussen dat alles min of meer goed maakt.

    Zoals laatst in het Amsterdamse Concertgebouw. Daar trad een pianokwartet op, drie Israëliërs en een Rus. Ze speelden onder meer het Pianokwartet opus 30 van Ernst Chausson, hard. Vooral hard, de klep van de vleugel wijd open. Dan, tegen het einde van het tweede deel, gebeurt het, Très calme. De primarius (aanvoerder) speelde drie dalende tonen, meer was het niet. Net voor de laatste noot hield hij even in, liet een Luftpause vallen. Dát deed het hem, want de kleine ‘secunde’ (interval tussen twee diatonisch opeenvolgende tonen en een toonbeeld van droefheid) werkt als een snik. Dat benadrukte op een prachtige, subtiele wijze het melancholieke karakter van het langzame deel. Het beklijfde. Ik weet: het is een foefje, maar als je het op het juiste moment op de juiste plaats toepast, mist het zijn uitwerking niet.

    Het is als met verzamelbundels poëzie. Het kan natuurlijk niet dat alles wat daarin is opgenomen je aanspreekt, het zijn enkele gedichten, soms zelfs maar een enkele zin die je hart een sprongetje doen maken. Neem de bundel Alle gedichten tot dusver van Kees Ouwens (520 pagina’s) en de zin:

    En de vonk valt waar de lamp wordt ontstoken

    Ik kan er uren over nadenken. Of de verzamelbundel Altijd weer dit leven, van Pieter Boskma (376 pagina’s) met onder meer een royale keuze uit de mooie bundel Het zingende doek & De Geheime Gedichten, maar ook prachtige zinnen als:

    knielen de wolken
    die mij op het hoogste punt
    brengen en daar achterlaten.

    Hoeveel gedichten, zo niet zinnen, zal ik straks niet aantreffen in Man met hoed, de bundel gedichten uit 2005-2017 van Lieke Marsman (192 pagina’s, ze worden steeds dunner) die op mijn verlanglijstje staat?
    Ik realiseer me dat de twee voorbeelden, van Ouwens en Boskma, met elkaar te maken hebben. Daarom zou ik willen concluderen dat het verdriet bij Chausson, de vreugde bij de gedichten en vooral de losse zinnen en fragmenten van Ouwens en Boskma elkaars keerzijde vormen. Sterker nog, dat ze allemaal – om met de filosoof Ben Schomakers in een recent boek Het begin van de melancholie te spreken – een mogelijke toegang verschaffen tot ‘wie de mens is.’Ook omdat ik geleerd heb nooit in algemene zin te zeggen ‘dát is mooi’ liever: ‘tot wie ík ben’.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

  • Wiegend naar het einde

    Als in een boek iets geschreven staat waar je later, exact zoals beschreven staat onderdeel van wordt, dan is dat boek nooit meer hetzelfde en wordt literatuur een intense beleving.

    Er was de begrafenis van F. Starik.

    Zijn gedichten en poëtische vertellingen zijn miniatuurtjes. Zijn voordrachten overweldigend. De eerste keer hoorde ik hem voordragen in Pakhuis de Zwijger tijdens ‘De Langste Dag’ (2010). Een voordracht-marathon waarmee de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) zijn tienjarig bestaan vierde. Levende dichters brachten dode dichters tot leven door hun werk voor te dragen, een avond lang, tot diep in de nacht. Starik deed Willem Kloos. Hij declameerde gematigd en ingehouden vanachter het spreekgestoelte de eerste gedichten, sterk articulerend, met raspend keelgeluid. Een van de laatste gedichten, (alsof hij eindelijk de boeien had losgegooid, het anker gehesen en vaart kon maken) kwam sputterend en schreeuwend naar buiten. Zo krachtig dat ik er voor terugdeinsde, als door een golfslag op het strand gesmeten. Een dichter waar je niet omheen kon.

    Toen was er opeens zijn uitvaart. De kleine kapel van begraafplaats Sint Barbara stroomde vol. We stonden langs de muren opgesteld, er kon geen mens meer bij. Starik had ooit beschreven hoe zijn uitvaart eruit moest zien, vertelde zijn uitgever Jasper Henderson, hij las het stukje voor. Daarin stond de wens op een speciaal nummer van Virgin Prunes te worden binnengedragen, aan de bezoekers het verzoek met de dragers mee te bewegen op de maat van de muziek.

    Deze week las ik Moeder doen, waarin de dichter nog zo verschrikkelijk in beweging is, zorgend voor zijn moeder en zijn vissen. Daar kwam ik hetzelfde stukje tegen.

    ‘Bij het binnenrijden van de kist klinkt het nummer van The Virgin Prunes, van …If I Die, I Die (…). De mensen zitten al in de aula. Dan klinkt het nummer op, de deuren van de aula gaan open, ik maak mijn laatste entree. De baar met mijn kist erop wordt naar voren gerold, vier stokoude dragers, liefst met karpatenkop, stampen hard op de trage maat van de muziek, voet voor voet, stukje naar voren, rukje naar achter, alsof de dode tegenstribbelt, (…).
    Het zou natuurlijk aardig zijn als jullie, mijn hooggeëerd publiek, de dragers spontaan te hulp zouden schieten door op de maat van de muziek mee te stampen. (…)’

    De kist werd gedragen door zes mannen (niet stokoud, geen karpatenkoppen) die na twee stappen vooruit er een weer terug stapten. Wij, de aanwezigen, stonden allen op en stampten met onze voeten op de kerkvloer op het trage ritme van de muziek. Een dreun als van neerkomende paukenslagen trok door de kapel. Vijf jaar voor zijn werkelijke verscheiden, beschreven in dat ontroerend eerlijke boekje Moeder doen. Toen ik het teruglas, zat ik in die tekst, beleefde wat daar beschreven stond.We stampten met onze voeten op de plaats, links – rechts, minutenlang wiegden we F. Starik naar zijn eindbestemming. Dat hij nog lang moge leven in zijn boeken.

     

    Opname van De Langste Dag (2010).


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag, heeft een OV kortingskaart.

  • Eerlijke broodwinning

    Volgens Raymond van de Klundert – alias: Kluun – hoeft een schrijver van werk dat te weinig opbrengt om ervan te kunnen leven zich niet te schamen voor een ‘bijbaantje’. Iedereen moet immers werken voor de kost. Hij zelf ook. Ondanks verkoopcijfers waar de meeste collega’s slechts van kunnen dromen, klust Kluun vanwege drie studerende dochters regelmatig bij.
    Kluun heeft dan ook een hekel aan schrijvers die keer op keer hun hand ophouden bij het Letterenfonds zonder een gebaar te maken richting de lezer. Aan schrijvers die zich boven elke (economische) wet verheven voelen en zichzelf als een geschenk van God aan de samenleving beschouwen.

    Kort nadat ik dit Kluun had horen zeggen – hij nam tijdens Woordnacht deel aan Het Grote Gelddebat – las ik in Dagelijks werk: een schrijversleven hoe bevoorrecht Renate Dorrestein zich voelt, dat zij tot een generatie schrijvers behoort die kan leven van de pen. Dat ze niet zoals de schrijvers voor en na haar ook nog een ander beroep moet uitoefenen om het hoofd financieel boven water te houden. Waarbij aangetekend moet worden dat Renate Dorrestein pas na het verschijnen van haar tiende roman de baan die ze had op durfde te zeggen. Voor het werk dat ze tot die tijd deed, had ze overigens ook een pen nodig: ze was redacteur bij het toen nog feministische tijdschrift Opzij.

    Er zijn maar weinig schrijvers die zoveel boeken verkopen dat zij op hun royalty’s kunnen rusten. Wie geen bestseller schrijft, verdient omgerekend per uur minder dan het minimumloon.
    Een schrijver is echter niet alleen afhankelijk van de verkoop van zijn boeken. Wie naam gemaakt heeft, kan – zonder zichzelf of het ambt te verloochenen – zijn talent ook op andere manieren te gelde maken. Hij kan optreden/lezingen geven, columns schrijven, deelnemen aan discussies of (gast)docent worden.
    Daar moet hij dan wel naar behoren voor betaald worden. Hij wordt immers aangesproken op zijn specifieke kwaliteiten, en doet doorgaans al heel veel gratis en voor niets – interviews, fotoshoots, signeersessies – om zijn werk aan de man te brengen.

    De meeste van deze ‘bijbaantjes’ zijn van een andere orde dan de werkzaamheden waarmee Kluun de studies van zijn dochters bekostigt. Kluun is behalve schrijver ook bekende Nederlander. Dat is zijn keuze en daar plukt hij vruchten van. Ook financiële.
    Andere auteurs verkiezen de relatieve anonimiteit die in hun ogen bij het schrijverschap hoort, zijn selectief in het aannemen van opdrachten en doen – soms meer dan eens – een beroep op het Letterenfonds voor een werkbeurs. Als ze schrijver genoeg bevonden worden, honoreert het Fonds hun aanvraag.

    Schrijvers die een beurs aanvragen hoeven zich niet te schamen. Die beurzen zijn er om de Nederlandse literatuur recht te doen. Wie van toegevoegde waarde is, heeft er in zekere zin recht op. Maar Kluun heeft gelijk als hij schrijvers hekelt die er bij voorbaat van uitgaan dat zij door het Fonds ondersteund zullen worden en niet eens meer de moeite nemen hun huis te verlaten om geld te verdienen. Alleen hele groten verdienen levenslang een beschermde status. Van de rest mag niet alleen gevraagd worden dat zij zich keer op keer bewijzen, maar ook dat zij hun publiek welwillend tegemoet treden. Ook in levenden lijve.

     

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Gedachteloos wit zijn

    Ik zag de film I Am Not Your Negro van Raoul Peck over schrijver en activist James Baldwin (1924-1987). Voor de documentaire gebruikte Peck filmbeelden van rassenrellen uit de jaren zestig en teksten uit Baldwins (onvoltooide) memoires, Remember This House. De film werd laatst op tv uitgezonden en hoewel ik zwaar onder de indruk was toen ik de film een jaar geleden in het filmhuis in Utrecht zag en iedereen aanraadde te gaan kijken, heb ik niet voor een tweede keer gekeken. Ik was er nog steeds niet over uit wat de film met me had gedaan. De verbijstering over het opzettelijke geweld. De schaamte die ik voelde, de onmacht, en de tranen, zomaar. Het was niet als in klassieke films zoals The Mockingbird waarin de zwarte man de verkrachter of moordenaar is – ook als hij het niet heeft gedaan – en waarbij je als kijker vurig hoopt dat er (eindelijk…, er moet toch…, is er niemand die…) gerechtigheid komt. In deze film wordt niet geacteerd, de emoties zijn echt.

    In Amerika heeft de film veel losgemaakt. Peck zegt daarover in een interview met de VPRO: ‘Je kan deze film niet zien en daarna nog zeggen dat je van niets wist.’ Dat is wat me dwars zit. Dat ik het niet wist. Dat ik er gedachteloos aan voorbij was gegaan. Nu, door het samenvallen van de teksten van Baldwin met de gemonteerde beelden uit de jaren zestig van rassendiscriminatie en de schijnbaar gepermitteerde moorden van politieagenten op zwarte mensen in het heden, zag ik de verbanden. Ik had geen idee hoe hardnekkig en diepgeworteld racisme is.

    In de documentaire spreekt Robert Kennedy, midden jaren zestig, de profetische woorden dat wellicht over 40 jaar een neger tot president gekozen kan worden. ‘Jah’, juicht het in je. ‘Tenminste een iemand die goed bezig is.’ Het leek zelfs zijn verdienste dat Obama werkelijk zo’n 40 jaar later president van Amerika werd. Dan hoor je (stem van Samuel L. Jackson) Baldwins reactie daarop: ‘Bobby Kennedy only got here yesterday and now he’s already on his way to the presidency. We’ve been here for four hundred years and now he tells us that maybe in forty years, if you’re good, we may let you become president.’

    Je slikt, en je slikt nog eens en schaamt je omdat ik reageerde vanuit zwart-wit-tegenstellingen. En dit statement van Kennedy was toch een stap in de goede richting?

    De World Press Photo van 1957 laat de 15 jarige zwarte scholiere Dorothy Counts zien op haar eerste dag op een witte school in Noord-Carolina. Ze wordt omstuwd door uitjouwende en haar bespugende witte schoolkinderen aangemoedigd door hun ouders. Sommigen dragen protestborden: ‘We wont go to school with Negroes’. Dorothy gaat rechtop maar houdt haar hoofd iets scheef, als om eventuele klappen af te weren. Achter haar rollen schoolkinderen en enkele volwassenen bijna over elkaar heen van het (uit)lachen.  Baldwin was in Europa toen hij de foto zag. Hij voelde zich beschaamd: ‘Some one of us should have been there with her!’

    Nu weet ik dat het de sluiers zijn waarachter ik me gedachteloos ophield, die bij het zien van deze documentaire zijn weggevallen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over boeken als steunpilaren van het dagelijkse leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Culturele toe-eigening, maar dan anders

    Op 11 april 1947 scheepte mijn moeder in Amsterdam in op het MS Oranje voor haar passage naar Indië. Van die reis deed zij verslag. Ze maakte er een verhaal van in de vorm van een dagboek. Dat verhaal zit keurig uitgetypt in een plakboek, verlucht met onderweg gemaakte foto’s, menukaarten en nog wat parafernalia die helpen bij het koesteren van eerste indrukken.
    Dat verhaal over haar eerste zeereis schreef ze vooral voor zichzelf. Slechts weinigen zullen er weet van gehad hebben. Misschien liet ze het haar collega’s lezen: de andere Marva’s aan boord die net als zij onderweg waren naar Batavia dat twee jaar lang hun standplaats zou zijn. Of het thuisfront ooit kennis nam van haar wederwaardigheden aan boord en tijdens het passagieren…

    Wanneer ik haar verhaal voor het eerst mocht lezen, weet ik niet meer. Ik weet nu wel dat ik toen nog niet oud, wijs en belezen genoeg was om te doorgronden wat er tussen de regels stond. Ik was me er ook nog niet van bewust hoe veel er van mijn moeder in dat verhaal zit. Ik weet alleen nog dat ik af en toe schrok van haar nogal boude uitspraken en ongenuanceerde opvattingen.
    In plaats van mijn moeder vragen te stellen – in eerste instantie kwam dat niet in me op, daarna was het te laat om er nog op terug te komen – las ik me haar verleden in. Probeerde ik via de literatuur vat op mijn moeder te krijgen. Ook op de avontuurlijke moeder die ik nooit gekend heb.
    Ik dacht dat de sleutel in Indië lag. Het Indië van Louis Couperus, Maria Dermoût en Hella Haasse, maar De stille kracht, Oeroeg en De tienduizend dingen brachten mij niet nader tot mijn moeder. Hun band met dat land was inniger. Zij waren er geworteld, mijn moeder was maar een passant.

    Toen mijn moeder op 1 mei 1947 voet aan wal zette in Batavia was van een idyllisch Indië geen sprake meer. Tempo doeloe was voorgoed voorbij. Er braken andere tijden aan. Die geschiedenis werd bij ons thuis niet opgerakeld. Wat mijn moeder – en de man die mijn vader werd: ze ontmoette hem daar en trouwde ter plekke – in Indië moest, is een vraag die ik mezelf met enige regelmaat stel.
    Ik kan het haar niet meer vragen, en troost mezelf met de gedachte dat zij hoe dan ook een ontwijkend antwoord zou hebben gegeven.

    Indië is voor mij altijd het land van anderen gebleven. Ik ben er niet geboren en ook niet gemaakt, maar mijn ouders voelden zich er ooit thuis. Dat rechtvaardigt dat ik me via de literatuur nog altijd een pad naar hun verleden probeer te banen. En dat ik plaatjes kijk in Een passage naar Indië van Rudy Kousbroek in de hoop dat die over de woorden van mijn moeder schuiven.
    Dat ik me tijdens al dat gelees af en toe het kleine zusje waan van Nathan Sid is een milde vorm van culturele toe-eigening die volgens mij geen kwaad kan.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Mozart als troost

    Als ik  boos ben, draai ik bij voorkeur een van de zes symfonieën Wq. 182 van Carl Ph. E. Bach. Op moeilijke momenten is het altijd weer de muziek van Mozart die me in balans brengt – en daarin sta ik niet alleen. Neem dit gedicht van de Vlaamse dichter en journalist Jozef L. De Belder:

    Een vogeltje uit morgenrood.
    Mijn lief, met haar twee borstjes bloot.
    Maar ook de dood.

    De rode aardbei en het brood.
    Een vriend en trouwe tochtgenoot.
    Maar ook de dood.

    Een blauwe zee met witte boot.
    Mozarts sonate in D groot.
    Mijn lief, haar lippen en haar schoot.
    Het morgenrood, het avondrood.
    Maar ook de dood.

    Het is raden om welke sonate het gaat, maar laten we voor D gr.t. voor ’t gemak het C gr.t. van het pianoconcert nr. 21 KV 467 invullen, omdat we op die manier uitkomen bij het prachtige essay – een verhaal haast – dat de Georgische roman- en toneelschrijver Lasha Bugadze inzond in het kader van RCO meets Europe, waarvan de winnaar in 2019 bekend zal worden gemaakt. Bugadze gooit wat mij betreft hoge ogen en het zou niet de eerste prijs zijn die hij in de wacht zou slepen!
    Bugadze beschrijft dat hij nog voor zijn geboorte, ‘in Mama’s buik’, al luisterde naar dit concert. Later vertelde zijn vader hem over Mozarts Don Giovanni. Muziek die de harde tijd onder de Russische bezetting verzachtte, waar ‘morgenrood’ een andere betekenis had dan bij De Belder. De muziek van Mozart kan er dus voor zorgen dat bepaalde gevoelens naar de achtergrond worden gedrukt.

    Dat gold  ook voor Mozart zelf; in de tijd dat hoge heren de baas over hem wilden spelen – geen communisten, zoals bij Bugadze, maar de adel of de kerk. Mozart wilde in vrijheid kunnen werken,  om in muziek te kunnen vatten wat hem bezighield.
    Het verhaal van Bugadze voert op die manier naar een ander essay over het hoofdthema in leven en muziek van Mozart, op de website van Theo Witvliet, ‘Bevrijding en benauwdheid’. Witvliet citeert Nikolaus Harnoncourt die stelde dat Mozarts muziek ‘de gehele volheid van het menselijk leven van de diepste smart tot de hoogste vreugde omvatte.’
    In dienst van bisschop Colloredo, waar Mozart zowel concertmeester als hof organist was, had hij volgens Witvliet ‘in letterlijke en figuurlijke zin geen enkele speelruimte (…). Zijn zoete wraakgevoelens jegens de hoge heren (…) sublimeert hij in Figaro’s aria Se vuol ballare, signor contino, als je wilt dansen, heer graafje …’

    Temidden van de boze buitenwereld voelden Bugadze en Mozart zich alleen in het schrijven of luisteren naar muziek werkelijk vrij. Bugadze begreep het al ‘als foetus van acht maanden, nog veilig in Mama’s buik.’

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Bizarre verhalen

    Ik vond een debuutbundel met bizarre verhalen. Droomkeuken (1996) van Hiske Dibbets oogde als een damesroman wat me een aanbeveling leek om te gaan lezen. Ik ken een roman van haar, De gifmengster (2006), waarvan de vaart waarmee het verhaal werd verteld en de onverwachte wendingen in het verhaal, me zijn bijgebleven. Het gaat over de onverwachte dood van een vrouw en hoe de dochter in haar moeders verleden duikt. Er zit een verdachte Rus in en veel verhaallijnen waarvan er enkele naar het einde toe wat in de lucht bleven hangen. Waardoor het toch wat vaag bleef. Aan haar debuut had ik nooit gedacht, tot ik het tegenkwam bij antiquariaat Kok in Amsterdam. Tien verhalen waarin menselijke eigenschappen als jaloezie en hebzucht de boventoon voeren.

    Alle verhalen zijn even bizar en uitdagend als een puber die constant doet wat je niet verwacht. Er is het verhaal van Frank Jansen, die wegloopt bij zijn vrouw en zijn naam verandert in Wim Smit. Tijdens zijn reis naar Moskou, (hier kwam Rusland dus ook al voor) komen er herinneringen aan zijn vrouw naar boven. Die keer dat ze in Parijs schuilden in een portiek voor de regen. Hoe zij dicht tegen hem aan ging staan en hij van puur geluk iemand een klap verkoopt. ‘En jawel, je schedel werd gekraakt als een walnoot en je hersenpan gelicht. (…) Je moest een daad stellen (…) je zag een voorbijganger naderen. In een reflex haalde je uit met de paraplu. De man kreeg een harde klap op zijn hoofd, (…) strompelde weg.’

    Iets wat ik niet zag aankomen, gelijk de man die de klap op zijn hoofd kreeg. En als je dan vermoedt dat daar de huwelijkse problemen mee begonnen zijn: ‘buitensporig gedrag van de man’, zit je verkeerd. Want de vrouw reageert als volgt: ‘[ze] gierde het uit. Ze kromp ineen van de pret en gooide haar hoofd naar achteren. Ze riep: “Hou op ik kan niet meer. Ik doe het in mijn broek.”’
    Verhalen waarvan je uit je doen raakt maar die ook zeer vermakelijk zijn. Ze vertonen een overeenkomst met de verhalen uit de debuutbundel Nestvlieders (2012), van Merijn de Boer. Een ster in het schrijven van absurdistische verhalen. In beide bundels is er het grensoverschrijdende gedrag van wat betamelijk is of in de lijn der verwachtingen ligt. Al gaat De Boer verder dan Dibbets; is zijn fantasie onbeteugelder. Maar beiden lijken een zeker genoegen te scheppen in het beschrijven van het ongewone.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Kleine biografische exercitie

    Zij wel. Denk ik als ik in De uitreis van Virginia Woolf (vertaling: Barbara de Lange) lees dat Clarissa Dalloway in Lissabon het graf van Henry Fielding bezocht (en er een heldendaad verricht):

    ‘Ze had onder meer een foto van het graf van Fielding genomen en een vogeltje bevrijd dat door een of andere schurk was gevangen, “want er kan geen denken aan zijn dat er iets in een kooi zit waar Engelsen zijn begraven”, stond er in het dagboek.’

    Zelf kwam ik niet verder dan het hek dat uitzicht bood op het bordje dat naar het graf van Fielding wijst.
    Tegen de tijd dat ik het om de hoek gelegen Casa Fernando Pessoa verliet, was de Cemitério Inglês gesloten.

    Ik wilde het aanvankelijk laten bij die foto van dat bordje, maar vroeg me ondertussen toch af of die zin in haar debuutroman ergens op gebaseerd is. Een kleine biografische exercitie in mijn boekenkast leverde het nodige op.
    Het was Virginia Woolf zelf – al heette ze toen nog Virginia Stephen – die het vogeltje bevrijdde. Ze maakte er op 7 april 1905 melding van in haar dagboek:

    ‘In the afternoon we went to the English Cemetry, on a hill – by the gardens. This is a most lovely place, sweet with flowers, & so hot & shady & green that we stayed there a long time. We let loose a caged bird that was singing by Fieldings tomb – pious act!’

    In een brief aan Violet Dickinson, gedateerd 10 april 1905, noemt Virginia Woolf het bezoek dat ze samen met haar broer Adrian bracht aan de tombe van Fielding ook. Van een bevrijd vogeltje is in die brief geen sprake:

    ‘We went up to the English Cemetry and saw [Henry] Fieldings tomb!’

    Biograaf James King vindt in Virginia Woolf vooral het vogeltje het vermelden waard:

    ‘At Lisbon they let loose a caged bird that was singing by Fielding’s tomb.’

    Dat Mrs. Dalloway ook in het door Louise DeSalvo gereconstrueerde Melymbrosia – een ‘oerversie’ van The Voyage Out – op de Engelse begraafplaats in Lissabon belandt:

    ‘She photographed Fielding’s grave, and let loose a small bird, which some ruffian had trapped, “because one hated to think of any thing in a cage, where English people lie buried.”’

    heeft in het kader van mijn biografische exercitie geen toegevoegde waarde.

    Goed, die zin in De uitreis is dus letterlijk uit het leven van Virginia Woolf gegrepen. Dat is leuk om te weten en nog leuker om aan te tonen, maar van grote literaire waarde is deze constatering natuurlijk niet. In het grote geheel is het een minor detail. Zoals ook het feit dat Virginia in 1905 een (boot)reis met haar broer Adrian maakte van ondergeschikt belang is, hoewel dat haar ongetwijfeld geholpen heeft bij het schrijven.
    Dat The Voyage Out tot op het bot autobiografisch is – maar op een andere, en voor Virginia Woolf  minder beschadigende, manier dan Melymbrosia – blijkt niet uit dit sprokkelwerk. Om die conclusie te kunnen trekken, is diepgravend onderzoek nodig. Onderzoek dat jammer genoeg al door een ander gedaan is.

     

    Foto: Ingang van de Cemitério Inglês in Lissabon. De pijl wijst de weg naar het graf van Henry Fielding: English writer and playwright © Liliane Waanders



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

     

  • Herlezen van een debuut

    Een boek herlees ik als het iets bij me teweeg heeft gebracht, zoals Cirkel in het gras van Oek de Jong, Wacht tot het voorjaar Bandine van John Fante, of Strikt van Minke Douwesz. Veel boeken hebben aan een eerste lezing genoeg, romans met een plot die je wegleest als eet je een doos bonbons leeg. Boeken die de boekenkast niet halen. Dan zijn er de boeken die met een zekere overtuiging in de kast worden gezet. Waaronder debuten die nieuwsgierig maken naar een volgend boek. Niet zelden blijft dat volgende boek uit en zul je nooit weten hoe een debutant zich in zijn schrijverschap ontwikkeld heeft. Die boeken blijven vereenzaamd in de kast staan, zoals Moorddiner van Mohana van den Kroonenberg en De smaak van ijzer van Elisabeth van Nimwegen.

    Van De smaak van ijzer herinner ik me dat ik het goed geschreven vond en dat de onderlinge relaties nogal fysiek en intiem waren. Met Moorddiner, een verhalenbundel, had ik moeite met ‘iets’ ongrijpbaars in de verhalen. Het ging er nogal zwaar aan toe in Moorddiner. Verhalen die je na lezing een verloren gevoel geven, toch was het dat schurende wat me intrigeerde. Ik moet het nog eens lezen, alleen al om te kijken of er in mij iets veranderd is waardoor ik er nu wel uit kan halen wat er beslist in zit.

    Maar eerst herlas ik De smaak van ijzer, een coming of age-roman over twee studentes aan de toneelopleiding in Maastricht. Bij herlezing bleek dit naast een coming of age, ook een ware #MeToo- roman te zijn. Er komt een regiedocent in voor die zich vanuit zijn positie nogal bruut aan hen vergrijpt. De overheersing van man-vrouw, docent-leerling verhoudingen die in deze kleine roman schuilt, was me bij eerste lezing volledig ontgaan. Ik had het gelezen zoals ik ooit De negerhut van oom Tom had gelezen; wat daar aan mensenleed in voorkwam nam ik aan voor wat het was; een verhaalgegeven en van de werkelijkheid had ik geen idee.

    Daar had de #MeToo beweging van het afgelopen jaar verandering in gebracht waardoor deze roman opeens aan inhoud had gewonnen. Ik dacht: ‘Dat niemand dit boek onder de aandacht heeft gebracht! Hier staat het allemaal in.’ Het overrompelende van docent naar student, hoe afhankelijkheid werkt; het werd me door deze roman opeens haarfijn duidelijk.
    Vooral in de toneelwereld waar alles ‘moet kunnen’, waar je hele hebben en houden tentoon gesteld moet worden (anders kan je opstappen) en grenzen van mijn en dijn vervagen. Het is vooral de tegenkracht die de vertelster ontwikkelt waarbij de betekenis van de titel – De smaak van ijzer – op verrassende wijze verklaard wordt. Lees dit boek, en had ik al gezegd dat het zeer goed geschreven is?

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Ottoturm


    Zowel binnen- als buitendijks kan je fietsen naar Greetsiel. Waar je in deze streek ook naar binnenstapt, een café, een ijssalon of bibliotheek, altijd hangt er een kalender met een foto van de roodgele vuurtoren op de dijk bij Pilsum. En niet alleen op kalenders. Op stropdassen, wijzerplaten van polshorloges en op het briefpapier van de plaatselijke overheid. Nu ik vlakbij die toren sta, geen kunst maar kitsch, verbaas ik me over de drukte hier. Dat ding is ronduit lelijk. Ik fietste net buitendijks, genoot van de kleuren van de kwelders, dan weer groen grijs dan weer tinten geel, stopte bij een informatiebord, las dat dit een beschermd natuurgebied is en dat hier de ‘Strandaster mit ihre Untermieter’ goed gedijd. Het woord ‘Untermieter’ leidde me even af. Ik dacht aan ‘onderverhuur’, maar bedoeld wordt de kevers die zich tegoed doen aan de wortels van de aster.

    En ineens zie ik hem in de verte staan: de Ottoturm, genoemd naar de Duitse komiek Otto Waalkes die in deze streek zijn film Der Ausserfriesische maakte. In zijn aanwezigheid werd hier het eerste burgerlijk huwelijk gesloten.
    Jonge stelletjes maken selfies. Een moeder dirigeert, in een mengvorm van Duits en Turks, haar zoon en zijn vriendin in de richting van de toren. Zij gebaart en roept dat ze hun hoofden dichtbij elkaar moeten houden, voor de jongeman lijkt dit niet vanzelfsprekend. De Ottoturm precies achter hen. Ja, stilstaan nu, commandeert ze. Aan haar gebaren zie ik wie er straks in dat huwelijk de baas wordt.
    Direct daarna telefoneert het meisje, naar een vriendin vermoed ik, en vertelt opgewonden wat er zonet gebeurd is. Ooit ging je, ook in Duitsland denk ik,  naar het stadhuis voor ondertrouw, dat was al een klein feestje. Nu lijkt een foto bij de Ottoturm het wettige bewijs. Overigens is het hier niet altijd vreugde en geluk. In een aflevering van de krimi Tatort beroofde boven op de toren de hoofdverdachte zich van het leven.

    Het haventje van Greetsiel – wat is het druk hier, ‘Seniorenportion € 6,50’ lees ik op een bord bij een overvol restaurant – ligt prachtig aan een inham van een grote baai. In de verte de golvende bochten van de dijken. Tot aan de haven loopt een steile dijk waarop twee mannen vol overgave aan het werk zijn met een elektrische grasmaaier. De magere man die de grasmaaier duwt en trekt, beweegt zich springerig en nerveus, vergeet geen enkel stukje gras. Hij schreeuwt paniekerig tegen een forse man die met een dik touw voorkomt dat de grasmaaier uit zichzelf de dijk afrijdt. Een scene uit een film van Buster Keaton.

    Op de terugweg zie ik de kerk van Groothuusen liggen. Vanaf de provincie Groningen tot aan het noorden van de Baltische zee lijken de kerken op elkaar. Het interieur van deze kerk doet me denken aan die op het eiland Farö, waarachter de cineast Ingmar Bergman en zijn vrouw Ingrid begraven liggen.
    Een vrouw speelt op het orgel. Als ze stopt applaudisseer ik, ze draait zich om en vraagt waar ik vandaan kom. ‘Die Niederlände,’ roep ik. Ze steekt haar duim omhoog. ‘Mein mann ist auch ein Niederländer.’ Ze zegt dat ze nog niet perfect speelt en dat ze nu gaat oefenen op ‘Jesus bleibt meine Freude’ van Bach, dat wordt vaak gespeeld aan het begin van de dienst. Ze zet in. Ik herken het gelijk en neurie mee. Al voor de tweede keer op deze reis voel ik me thuis in een kerk.


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

    foto’s: Anneke van Kroonenburg

     

  • Tati Tati, Tati Tati

    Het is een hele kunst om van een boek een film te maken. Bovendien is het behoorlijk ondankbaar werk, want bijna altijd is het boek beter. Dat vinden degenen die het boek gelezen hebben, van wie velen zich niet of onvoldoende realiseren dat een film andere eisen aan een verhaal stelt dan een boek.
    ‘Het boek is beter’ zegt niet noodzakelijk iets over de kwaliteit van een film. Het betekent vaak of misschien wel vooral dat er tijdens het lezen in het hoofd van een lezer heel andere beelden oppopten.

    Over (de kwaliteit van) een boek geschreven op basis van een film, hoor je zelden iemand. Dat is niet zo gek, want literair gezien stellen verboekte films meestal niet veel voor.
    Dat is jammer, maar niet erg. Het boek hoeft in dit geval niet beter te zijn dan de film. Anders dan een boekverfilming is een novelisatie een bijproduct. Een manier om nog wat extra geld te verdienen.
    Geld gaf dan ook de doorslag toen uitgever Gallimard Jacques Tati eind jaren vijftig voorstelde om Les vacances de M. Hulot en Mon oncle in boekvorm te laten verschijnen.
    Tati schreef de boeken overigens niet zelf. Dat deed Jean-Claude Carrière. De begeleidende tekeningen van Pierre Étaix – die betrokken was bij het maken van de films – zouden aan het storyboard ontleend kunnen zijn. Zo letterlijk zijn ze.

    Monsieur Hulot op vakantie lag vroeger op het nachtkastje naast het bed van mijn moeder. Of ze het ooit gelezen heeft, betwijfel ik. Dat Jacques Tati aan haar besteed was, kan ik me namelijk niet voorstellen. Toch lag dat boek daar, en het lag er lang genoeg om de kop van Tati – hij is Hulot – voor altijd in mijn hoofd te prenten. Maar op een dag was het weg. Het exemplaar in mijn boekenkast, kocht ik op een boekenmarkt.
    Dat Oom Hulot ook bestaat weet ik dankzij Ann Meskens – die ook van Jacques Tati houdt en daar heel filosofisch over kan schrijven: Tati en Jacques Tati: een kwestie van kijken. Ik zocht er lang naar. Deze week had ik beet.

    Dat Jean-Claude Carrière in Monsieur Hulot op vakantie een verteller introduceert om van losse scènes een verhaal te maken, ergerde me. Waarschijnlijk omdat de badgast die deze rol toebedeeld krijgt, zich onbeschaamd een oordeel aanmatigt over Hulot.
    Tijdens het lezen van Oom Hulot realiseer ik me het belang van een verteller, en vooral dat die nergens in de films van Tati nadrukkelijk aanwezig is. Oom Hulot kan die verteller goed gebruiken: neefje Gérard vertolkt het ongenoegen over de wijze waarop mensen moderniteiten omarmen directer dan Tati in zijn film.

    Er is iets dat me in beide bewerkingen tegenstaat: Jacques Tati was een perfectionist met heel veel oog voor details. Elk beeld en elk geluid klopt en spreekt voor zich, maar je ziet het of je ziet het niet. Jean-Claude Carrière bezondigt zich aan het benadrukken van details en het uitleggen van grappen. Misschien moet dat omdat het anders op papier niet overkomt, maar voor de goede verstaander van Tati is dat (een) doodzonde. Doe mij Mon oncle maar.

     

    Illustraties: tekening van Pierre Étaix uit Oom Hulot; screenshot uit Mon oncle



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.