• Waar is Parijs gebleven?

    Onder de grond ken ik de stad op mijn duimpje. Ik weet dat Châtelet-Les Halles het eerste station is na Gare du Nord, en dat daarna Saint-Michel – Notre-Dame, Luxembourg, Port-Royal en Denfert-Rochereau volgen. Allemaal bestemmingen die het bezoeken waard zijn, maar ik moet verder. Bovengronds volgen er nog 21 veel minder tot de verbeelding sprekende stations voordat ik in de voorstad waar ik moet zijn uitstap, het station aan de achterkant verlaat, bij de acacia’s linksaf sla en na een kort venijnig klimmetje mijn bestemming bereik.
    De keren dat ik echt in Parijs ben geweest, zijn op de vingers van één hand te tellen. Maar dan reken ik die keer dat ik een houten poppenhuis door het 6e arrondissement zeulde niet mee.

    Ik ken Parijs dus niet goed, wil ik maar zeggen. Dat zou geen bezwaar zijn als ik het Parijs van horen zeggen maar herkende. Dan zou ik er mijn weg wel vinden. Maar dat herkennen, valt niet mee. Hoewel het decor bekend oogt, gaat er achter de gevels inmiddels een andere stad schuil. Ik zoek tevergeefs naar het Parijs dat uit boeken en beelden tot mij kwam. Naar de culturele metropool die als een magneet werkte op bohemiens en jetset, en naar de andere kant. De frivole kant die voor ophef en vertier, en ook voor overlast zorgde. De zelfkant, waar het canaille geur gaf aan de stad.
    Die tweeledige stad lijkt definitief verdwenen. Veel van wat Parijs maakte tot de stad die ze was, is letterlijk, figuurlijk en moedwillig onder het plaveisel verdwenen. Planologie maakte korte metten met het organisch gegroeide stratenplan. Door Hausmanns herinrichtingsideeën werden hele groepen inwoners naar voorsteden verbannen. Waarna een deel van die voorsteden veranderde in beruchte banlieues.

    Gelukkig hebben we de boeken nog. Dat Ernest Hemingway zich in Parijs is een feest niet altijd aan de waarheid hield – zo arm als hij zich voordeed was hij bijvoorbeeld niet, doet aan zijn ontmoetingen met Gertrude Stein, Scott Fitzgerald en Ezra Pound, en aan de roaring twenties niets af. Dat de pleisterplaatsen van de subculturen die in Het andere Parijs door Luc Sante zo liefdevol beschreven worden, tegenwoordig toeristische attracties zijn, weerhoudt mij er niet van ze te bezoeken.

    Ik wil Parijs gewoon heel graag beter leren kennen, en vraag me af welke strategie ik de volgende keer dat ik er ben zal volgen. Flaneren zoals Adriaan van Dis dat in de voetsporen van vele voorgangers deed, of à la Georges Perec gewoon ergens gaan zitten, om me heen kijken en in me opnemen wie ik zie en wat er gebeurt.
    Voor beide valt iets te zeggen. Flanerend ben ik min of meer degene die de route en het tempo bepaalt; vastgepind op één plek ben ik in alle opzichten overgeleverd aan het toeval. Welke keuze ik ook maak: het zal mijn kijken naar Parijs beïnvloeden, en daarmee ook het beeld bepalen.
    Voorlopig voel ik het meest voor de methode Perec (al denk ik dat flaneren effectiever is). De vraag is dan wel welk terras of bankje zich het beste leent voor mijn ontdekkingstocht. Suggesties zijn welkom.

     

    Voor de gelegenheid (her)las ik:

    Onder het zink: un abécédaire de Paris – Adriaan van Dis
    Parijs is een feest – Ernest Hemingway (vertaling: Arie Storm)
    Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs – Georges Perec (vertaling: Kiki Coumans)
    Zazie in de metro – Raymond Queneau (vertaling: Jenny Tuin)
    Het andere Parijs
    – Luc Sante (vertaling: Hans E. van Riemsdijk)

     

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Venetië, Oostende, Heraklion, Rotterdam en Brussel.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Tweede-boekvloek

    Veel van mijn gesprekken met jonge schrijvers (het is even schakelen, want hoewel ik mezelf niet langer als jong-jong beschouw, ben ik wel degelijk schrijver – toch zit ik niet in die hoedanigheid tegenover iemand aan tafel) zijn zoektochten naar het verhaal. Vaak is het het eerste verhaal dat iemand wil vertellen, het eerste Grote Verhaal. Er is geëxperimenteerd, gegroeid, het een en ander gewonnen en/of gepubliceerd, er is misschien gestudeerd, en nu komt het Echte Werk. Een boek! Waarover moet het gaan? Soms komt er een verhaal uit iets dat van henzelf is, soms komt een idee voort uit een fascinatie, soms is er zelfs nog geen idee.
    Je zou kunnen zeggen dat zo’n gesprek dan te vroeg komt, is er al iets om over te praten? Maar er is altijd iets om over te praten en soms komt er tijdens de koffie zomaar iets naar boven: de jonge schrijver gaat met aantekeningen en een paar zorgvuldig uitgekozen boeken naar huis. Geduldig wacht ik af. 

     Dat het Tweede Verhaal nog zoveel moeilijker is, blijkt uit wat we de tweede-boekvloek zijn gaan noemen. Iemand is gedebuteerd, misschien met iets dat een hoog autobiografisch gehalte heeft (er is vaak het verwijt dat de debuten van onze tijd het papieren resultaat zijn van een verwerkte jeugd/trauma – dat er te weinig wordt verzonnen, een verwijt dat de compositie, structuur, de selectie van het materiaal en de manier waarop dat in een fictie wordt gegoten overboord zet), en dan? Heeft hij of zij nog meer te vertellen – is hij of zei, om Rilke maar te parafraseren, een scheppend kunstenaar?
    In een recensie las ik dat iedereen een boek in zich heeft (…) en dat de betreffende debutant er waarschijnlijk niet nog een zal schrijven, maar: ‘Misschien is het beter één keer raak te schieten dan een carrière lang liflafjes te publiceren.”

    Ik denk aan Eminem, die onlangs, voor het eerst sinds 2003, een concert in Nederland gaf. Destijds, in de Amsterdam Arena, was ik erbij. Het was mijn eerste concert en ik vond het magisch, wat hij met woorden deed. Jarenlang riepen critici: wat gebeurt er als Marshall Mathers is uitgeschreven over zijn jeugd, zijn trauma’s – wat blijft er dan over? Genoeg, kennelijk, want hij schrijft en rapt gewoon door. Hij nam de tijd voor nieuw werk. Misschien zorgde dat ervoor dat hij niet dichtsloeg. 

    Want soms komt dat werk niet. Ik ken er genoeg, die worstelen met het vervolg, zichzelf gek maken met verwachtingen. Ooit kende ik bovendien een meisje met heel duidelijk een verhaal – en, belangrijker, een ontkiemend talent. Daar bleef het bij, het kwam er niet uit. Een ander zei: ‘Toen ik eenmaal dingen kon gaan maken, sloeg ik dicht’. Als deze twee nog schrijven, dan is het niet voor de buitenwereld bestemd. Daar zit geen schande in. Je weet pas hoeveel verhalen je in je hebt zodra je je kladblok/laptop openklapt en begint. Wie dat te lezen zal krijgen, is op dat moment niet zo belangrijk. 

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • De faxen van Mizee

    Verwarde geesten hebben baat bij goede literatuur. Liever geen therapeutische boeken of levenslessenliteratuur. Beter een oprechte stem die zichzelf niet spaart, zoals in het tweedelige ‘Faxen aan Ger’ van Nicolien Mizee, daar leer je wat van. Dikke boekwerken met ‘verslavend proza’ – vermeld de achterflap – wat gewoon waar is. Met het eerste deel De kennismaking kon ik al amper stoppen met lezen. Uit dit tweede boek De porseleinkast, kan ik niet meer wegblijven. Dus doe ik of ik niets anders te doen heb en lig een hele dag op bed met Mizee. Wat ook wel weer toepasselijk is, als je de wereld van Mizee een beetje kent. Lezen over iemand die nergens geschikt voor is, overal buiten valt en als ze ergens aan meedoet, bang is door de mand te vallen. Wie kent dat niet, roept het in mij. In De porseleinkast is de toon urgenter en dwingender dan in het eerste boek. Mizee stopt na vijf jaar les, met scenarioschrijven maar blijft faxen versturen aan haar docent.

    Wat maakt het zo verslavend, vraag ik me af wanneer ik terugkom van het toilet en het boek weer naar me toetrek. De stukken in het tweede boek zijn diepgravender, onderzoekender. Dat onderzoekende boeit mateloos. Mizee schrijft om haar angsten te bestrijden. Vooral de angst om afgewezen te worden maakt haar het leven ondragelijk. Ze bekent in een fax, dat ze pas vrijuit heeft leren schrijven, ‘toen het een middel werd om Ger te veroveren’. Ze ontdekt dat als de echt belangrijke dingen een terzijde worden, ze binnen je bereik komen. Ger is ‘bereikbaar geworden. Nu het leven nog dat ze voor zich ziet en het maar niet wil worden.  ‘de enige manier om het leven tot een terzijde te maken, was door je op God te richten.’
    Haar eerste boek Voor God en de sociale dienst (2000) vindt zijn ontstaansgeschiedenis in deze faxen aan Ger.

    Mizee schrijft zich met deze faxen – als waadt zij door aanzuigende moerasgronden – een weg naar haar schrijverschap. Haar mededelingen in de faxen worden naar het eind toe meer prozaverhalen. Over haar jeugd, dilemma’s die in de familiesfeer spelen en aandoenlijke beschrijvingen van haar vijfjarige nichtje Bio die (net als Mizee) in een volstrekt eigen wereld leeft.
    Ze schrijft  hoe ze als vijftienjarige gedichten van Vroman uit haar hoofd leert, hem een brief schrijft. Waarop Vroman terugschrijft, een gedicht aan haar opdraagt. Ze schreef hem nog twee keer en hij haar ook. Toen hield ze er opeens mee op. ‘Ik denk dat ik mezelf niet goed genoeg vond. Wat had ik nou te geven?’

    Dezelfde onzekerheid uit haar jeugd, brengt haar in haar faxentijd nog tot wanhoop: ‘Ger, waarom ga je eigenlijk met me om? Wat heb ik je te bieden?’ Maar nu schrijft ze door. In die intens geschreven faxen die haar, tegen alle verwachtingen in, een uitweg boden.
    Nu dacht ik zo dat iedereen die de zwaarte van de huidige  tijd niet verdraagt, eens begint te schrijven naar een te bewonderen persoon, of anders dit boek gaat lezen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Heraklion, een in de tijd gestolde stad

    Megálo Kástro
    in naam: een onneembare vesting

    Met deze zin begint een van de scènes in mijn monoloog Er zijn. Toen ik er geboren werd, had Megálo Kástro – Grote Vesting – de muren die in die naam besloten liggen niet meer nodig. Arabieren, Byzantijnen, Venetianen en Turken hielden er in de loop van de geschiedenis huis. Daarna volgde een korte periode van autonomie, maar in het jaar dat ik in de Odis Monis Kardiotissis ter wereld kwam, hoorden stad (Heraklion) en eiland (Kreta) al weer vijftig jaar bij Griekenland.

    Heraklion. Ik ben er geboren, maar kreeg niet de kans er op te groeien. Ik verliet Kreta toen ik een paar maanden oud was en keerde er pas 38 jaar later terug. Zogenaamd als toerist. Met mijn korte broek en bergschoenen hield ik iedereen op afstand.
    De stad duldde mijn omtrekkende bewegingen en voelde hoe ik mij tot haar probeerde te verhouden.
    Ik liep rond, stelde me voor hoe het geweest zou zijn ‘als’, en hoorde er zo toch een beetje bij.
    Na acht dagen verliet ik mijn geboortegrond. In het holst van de nacht kwam ik thuis en eenmaal in slaap droomde ik dat ik een gier was. Een lammergier. Ik had er daar één zien zweven toen ik op de binnenplaats van een klein klooster het eiland in me zat op te nemen.

    Acht dagen is niet genoeg om het stratenplan, de geschiedenis en Heraklion te doorgronden. Acht dagen is net genoeg voor een eerste indruk. Ondanks dat waande ik me onmiddellijk weer daar toen Nikos Kazantzakis – net als ik in Heraklion geboren – me alle hoeken van Grote Vesting liet zien in zijn roman Kapitein Michalis. Terwijl zijn roman in een ver verleden speelt, verbeeldde ik me dat ik precies wist achter welke deuren plannen gesmeed werden en waar de een of de ander zich zat te verbijten. Ik had genoeg gammele panden gezien die in aanmerking kwamen.
    Dat Vita Sackville-West mij in Challenge een imaginair Heraklion voorschotelt, had ik tijdens het lezen ook meteen in de gaten. Haar Heraklion is veel te mondain. Maar wat wil je, ze nam niet de moeite om ter plekke poolshoogte te nemen. Zij verkoos de Mediterranee boven de Levant.

    Dat zij ter hoogte van Heraklion eilanden voor de kust situeert die zich willen losmaken van Kreta, is geografisch gezien onzin, maar het streven naar onafhankelijkheid is een terugkerend thema in de Kretenzische geschiedenis.
    Daar weet Nikos Kazantzakis alles van. In Kapitein Michalis veegt hij een aantal Kretenzische opstanden op één hoop. Het gaat hem niet om de historische loop der dingen. In zijn roman laat hij zien dat Kreta en Grote Vesting in de loop der eeuwen hebben geleden onder de diverse overheersers en dat behoorlijk zat zijn.

    Iedereen heeft recht op haar of zijn beeld van een stad. Het Heraklion dat ik koester, is in de tijd gestold. Dat zij een verleden, heden en toekomst heeft, zegt mij niet zo veel. Die drie dimensies van tijd vloeien voor mij naadloos in elkaar over, en ik loop er hoe dan ook altijd achter de feiten aan.

     

    Voor de gelegenheid (her)las ik:

    Kapitein Michalis (Vrijheid of dood)
    – Nikos Kazantzakis (vertaling: Hero Hokwerda)
    Challenge – Vita Sackville-West

     

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Venetië, Oostende, Parijs , Rotterdam en Brussel.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Een mysterie

    Op een zomerse woensdag ging ik naar het lunchpauzeconcert in het Amsterdamse Concertgebouw, waar het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Daniele Gatti samen met sopraan Eva-Maria Westbroek het slotgezang van Brünnhilde (uit de Götterdämmerung) van Wagner uitvoerde.
    De recensent van dagblad Trouw schreef na het concert van diezelfde avond, dat het ‘”Schlussgesang”, dat ze hier voor de allereerste keer zong, haar werkelijk paste als een handschoen [met] een orkest dat op de toppen van zijn kunnen speelde’.
    Dat over die handschoen parachuteerde mij naar de tentoonstelling ‘Rendez-vous met Frans Hals’ in het Frans Hals Museum in Haarlem.

    Ik moest denken aan het doek Portret van een dame met handschoenen van Frans Hals en hoorde het prachtige, korte verhaal dat Gerdien Verschoor er, speciaal voor deze tentoonstelling, bij schreef. Die dame van Frans Hals werd voor mij opeens Brünnhilde, bevrijd uit de maliënkolder waarmee ze was vergroeid, zoals die dame was vergroeid met haar handschoenen. Ook de ik-figuur in het verhaal van Gerdien Verschoor, Maurizio Canari XXIII, telg uit een Venetiaanse familie van handschoenenmakers, hielden die handschoenen in zijn greep. Hij wilde het mysterie achterhalen: hoe had Frans Hals die handschoenen zó kunnen schilderen? Maar de handschoenen gaven hun geheim niet prijs en dat maakte Maurizio onrustig. Koste wat kost wilde hij het geheim vatten, het mysterie ontdekken. Een mysterie dat er misschien in gelegen was, dat de handschoenen  nog niet af waren, ‘niet helemaal gepolijst: aan de ringvinger kleefden nog wat schilfers’.

    Maurrizio Canari reist van Venetië naar Haarlem, deels op de fiets (O, die buitenlanders, denk ik dan. Door zomers Nederland zwabberend op de fiets!). In het museum snijdt hij op een onbewaakt moment de handschoenen uit het schilderij en neemt ze mee naar Italië. Dan volgt de teleurstelling: ‘En gek, dat het me toch nog verraste: ze waren zo hard en zo koud als het allerhardste en allerkoudste marmer dat ik ooit had aangeraakt’. Hij probeert ze na te maken, die handschoenen, ‘maar in mijn beweging, in die onbewaakte fractie van een seconde, rukten de marmeren handen zich los. Vingers vlogen door de ruimte. De handschoenen van Frans Hals spatten op de vloer in stukken uiteen.’

    Later maakt Canari opnieuw de reis naar Haarlem. De scherven van de losgesneden handschoenen naast zich op de bijrijdersplaats of onder de snelbinders van de fiets. Hij legt ze in een bagagekluisje in het Frans Hals Museum. Het was hem niet gelukt het raadsel aan de handschoenen te ontfutselen. De betovering was verbroken, letterlijk gebroken, en de sleutel van het kluisje (fantaseer ik erbij) raakt zoek.
    Nooit doen, zoiets. Laat het mysterie het mysterie. Probeer het niet te vatten, laat staan na te bootsen, want dat lukt toch niet. Hooguit kun je proberen het onaffe – in dit geval van de handschoenen – in je verbeelding aan te vullen. Dát is wat beeldende kunst, maar ook literatuur en muziek van je vragen. En dat is meer dan genoeg.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Ook bezoekt zij regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Bij de tempelpoort

    Het waren de weken dat de brieven van het Letterenfonds verstuurd zouden worden en al mijn jonge schrijvende collega’s nagelbijtend bij de brievenbus zaten te wachten, behalve S., die niet wist dat het fonds via de post communiceerde.
    ‘Een brief,’ sms’te ze, ‘dat meen je niet. Zit ik voor niks de hele tijd mijn telefoon in de gaten te houden en mijn mail te checken.’
    In de brieven zou te lezen zijn of het Letterenfonds ons geld wilde geven om een tweede of derde boek te schrijven, of dat we veroordeeld waren of bleven tot broodjes bakken, huizen schoonmaken, biertjes tappen of scripties nakijken. Mijn eigen baan bij de universiteit zou per 1 augustus ophouden en mijn plan, plan A, was om daarna van de subsidie van het Letterenfonds te gaan leven. Plan B bestond nog niet.

    Begin juli zou het besluit worden genomen. Omdat mijn eigen brievenbus tijdelijk niet binnen handbereik was, had ik de huispostbode de instructie gegeven een brief met het logo van het Letterenfonds direct te openen en een foto van de inhoud aan me te appen. Op 3 juli trad ik op met twee dichters die ook een aanvraag hadden ingediend. Hun postbode was al geweest, de brieven waren nog niet gekomen. Op 8 juli had ik afgesproken met S. om ons geluk of ons verdriet over de uitslag te verdrinken op een terras. De brieven waren nog niet gekomen. Op 11 juli sms’te ik haar: ‘Nu vind ik het niet leuk meer.’ Ze schreef terug: ‘Als die brief nu nog komt stuur ik hem ongeopend terug. Ze houden dat geld maar.’

    Op 13 juli was ik bij mijn ouders om ze te helpen inpakken voor hun verhuizing van het provinciedorp terug naar de grote stad. In een doos met vergeelde papieren vond ik een briefje met een citaat van Kahlil Gibran: ‘Arbeid is zichtbaar gemaakte liefde. En als gij niet met liefde arbeiden kunt en enkel met tegenzin, dan is het beter uw arbeid op te geven en te gaan zitten bij de tempelpoort om aalmoezen in ontvangst te nemen van hen, die vol blijdschap arbeiden.’
    Als mezelf serieus nemende schrijver zou ik natuurlijk moeten vinden dat schrijven ook arbeid is, dat het tijd en vakmanschap vergt en dat je er ‘keihard’ voor moet werken om iets goeds te schrijven. Maar eerlijk gezegd vind ik verhalen en gedichten schrijven toch niet erg op arbeid lijken, al kan het wel verschrikkelijk moeilijk en vervelend zijn. Broodjes bakken, scripties nakijken, officiële brieven opstellen en ze op tijd versturen, dat is pas arbeid. En voor de zoveelste keer mijn telefoon controlerend zag ik mezelf bij een virtuele tempelpoort zitten, wachtend op een aalmoes van de vol blijdschap arbeidende beleidsmedewerkers van het Letterenfonds.

    Het verlossende bericht kwam een paar uur later, niet van de huispostbode, maar van mijn uitgever, ook al zo’n vol blijdschap arbeidende uitdeler van aalmoezen aan schrijvers die geen broodjes meer willen bakken. De uitslag van de subsidieaanvraag had hem eerder bereikt dan mij. Het was goed nieuws. Ik kon aan het werk.

     

     


    Gastcolumnist Gerda Blees schrijft tot september tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Hoe verdwaal je

    Ik was in Den Haag en haalde mijn jongste kleinzoon van school. De school lag in de buurt van de Gerrit Kasteinstraat, ik kwam op de fiets vanuit Mariahoeve. Ik peddelde vrolijk over de fietspaden, stak de juiste kruispunten over en nam de goede afslagen. Tot ik ergens de verkeerde nam. De bocht naar links leidde stadswaards terwijl ik richting zee moest, de zee lag rechts. Tot zover mijn geografische inschattingen. Ik minderde vaart, reed een bruggetje over. Hoe lang moet je een eenmaal ingeslagen pad blijven volgen om te weten dat je fout zit? Bij een bord met Landgoed Clingendael stopte ik.

    Het was een rustige weg. Ik was een enkele hardloper gepasseerd, een man met een fototoestel en zag nu een auto op me toe rijden, waarin een man en een vrouw. Zouden ze het aan me zien dat ik hier niet hoorde, de weg kwijt was? Mijn blik kruiste de blik van de vrouw die op de bijrijdersplaats zat. We hadden elkaar zeker toe geknikt (waarna de weg vrij was om mijn verdwaald zijn te bekennen) als ik mijn blik niet snel weer had afgewend. Ik moest een kind van school halen. Ik wist ook niet waarnaar te vragen: ‘Euh, ik ben verkeerd gereden… zoek een pad door de duinen… euh…, Duinzigt…? Ik fietste terug. Concentreer je, probeer te herinneren hoe je de vorige keer bent gereden. Van A naar B, hoe moeilijk kan dat zijn.

    Misschien was me ooit een aanwijzing (dat huis met de drie voorportalen, daar linksaf) gegeven. Maar die had ik dan niet opgeslagen. Net als de vader in Waar gaat die vrolijke trein naar toe van Sandro Veronesi. Alleen om de titel al een aantrekkelijk boek. Vrolijk is het verhaal overigens alleen voor de lezer, die zich bij tijden handenwrijvend vermaakt over hoe de relatie tussen vader en zoon wordt uitgespeeld. De vader (een look-a-like van Robert Mitchum) is voor de zoveelste keer failliet en heeft zijn (brave) zoon nodig om vanuit Zwitserland een aanzienlijk bedrag dat buiten het faillissement viel, Italië binnen te smokkelen. Die vader, die zijn zaakjes altijd op orde heeft (ook zijn faillissementen), raakt verdwaald rond het flatgebouw van zijn zoon als hij een wandelingetje maakt.

    ‘Je had de gashouder kunnen noemen.’ zei de voorzichtige zoon tegen zijn vader. ‘Welke gashouder?”, riposteert de vader. ‘Daar heb ik over geschreven in mijn brief, je zei dat je hem gelezen had. Vanuit mijn huis zie je de gashouder.’ reageert de zoon nu licht verontwaardigd. ‘Ja, natuurlijk.’ veinst de vader verstrooidheid.
    Maar, voegt hij eraan toe: ‘Ik was niet echt verdwaald, ik dacht alleen maar dat ik verdwaald was. Als ik door was gelopen zonder na te denken zou ik linea recta bij je huis zijn uitgekomen.’
    Dus overtuigde ik mezelf dat ik niet verdwaald was, ik moest gewoon de weg richting zee volgen dan zou ik er vanzelf wel komen.  Want je bent pas verdwaald als je denkt dat je verdwaald bent.

     


    Inge Meijer (een pseudoniem) schrijft over boeken als steunpilaren in haar dagelijkse bestaan en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

     

  • Miskend talent

    Dat De blinde uil van Sadegh Hedayat een (Perzisch) meesterwerk is, heeft niet iedereen tijdens het lezen onmiddellijk in de gaten. Sommige lezers geloven domweg niet wat ze lezen (of kunnen zich er niets bij voorstellen), andere vinden het verhaal te zwart en zwaarmoedig om ervan te genieten.
    Lezers die na eerste lezing nog niet doorhebben hoe bijzonder De blinde uil is, doen er goed aan de roman nog een keer, maar dan horizontaal, te lezen. Horizontaal lezen, kent u die uitdrukking niet? Wie een roman horizontaal leest, betrekt het leven van de schrijver, de rest van zijn oeuvre, maar ook schrijvers door wie de auteur beïnvloed is en schrijvers die door een auteur beïnvloed zijn bij het lezen van de roman. Door die brede context begint een lezer beter te begrijpen wat hij leest en wint een werk aan betekenis.

    Ook Alexander Reeuwijk – Schwob*-ambassadeur van De blinde uil – had na zijn eerste kennismaking met de roman van Sadegh Hedayat behoefte aan duiding, vertelde hij voor aanvang van de screening van Naked Solitude: A View of the Life of Sadegh Hedayat. Na het boek al horizontaal te hebben herlezen, hoopte hij het na het zien van de documentaire nog beter te begrijpen en op waarde te kunnen schatten. Waarop hij plaatsnam om samen met de aanwezige anderen naar Naked Solitude te kijken.

    Na de screening volgde een Q&A met de regisseur en daarna had niemand het meer over De blinde uil. Het ging alleen nog maar over regisseur Moslem Mansouri en de manier waarop hij de beeldvorming over Sadegh Hedayat  positief probeert te beïnvloeden. Alles in Naked Solitude staat in het teken van het oppoetsen van het imago van de schrijver die volgens Mansouri ten onrechte te boek staat als ‘suïcidaal, depressieve pessimist en vrouwenhater’.
    Mansouri verzamelde uitspraken van Hedayat en knipte en plakte die woorden tot een script. Vervolgens legde hij die voor een buitenstaander niet tot Hedayat herleidbare tekst in de monden van acteurs die doen alsof ze autoriteiten zijn die met veel kennis van zaken over de schrijver en zijn werk spreken.

    Tot er vragen gesteld konden worden, dacht ik dat ik naar een documentaire had gekeken, en vond ik Mansouri’s  cinematografische oplossing om het ontbreken van bewegend beeld van Hedayat te compenseren op zijn minst interessant.
    Nu ik weet dat Naked Solitude van begin tot eind gescript is, voel ik me bekocht en begrijp ik waarom er in de film geen enkele kritische vraag gesteld wordt.

    Van Sadegh Hedayat wordt wel gezegd dat hij zich vereenzelvigde met Franz Kafka, wiens werk hij in het Farsi vertaalde. Na het vraaggesprek met de niet bijzonder toeschietelijke Mansouri kan ik me niet meer aan de indruk onttrekken dat Naked Solitude: A View of the Life of Sadegh Hedayat vooral een verkapt zelfportret is van een regisseur die al achttien jaar in ballingschap leeft en zich misschien daarom steeds meer is gaan vereenzelvigen met het miskende talent dat Sadegh Hedayat volgens hem is.

    Om te weten of dat waar is, zit er niets anders op dan deze pseudo-documentaire nog een keer – en dan horizontaal – te bekijken.

     

     

    * Schwob: de campagne van het Nederlands Letterenfonds die ‘de beste onbekende boeken uit de wereldliteratuur’ onder de aandacht van Nederlandse lezers brengt.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Pars pro toto

    Jaren geleden nam ik deel aan een excursie naar het Müllerorgel van de Grote- of St. Bavokerk te Haarlem. Die excursies zijn er nog steeds op de laatste zaterdagmiddag van de zomermaanden. Tijdens zo’n excursie sta je terzijde van de organist die vanaf de orgelbank van alles laat horen, en daar uitleg bij geeft. Zoals het stereo-effect van de pedaaltorens (c links, cis rechts enz.). Ik herinner me dat organist Jos van der Kooy op een gegeven moment zei dat zo’n orgel in de tijd dat ze werden gebouwd, een overweldigende klank moet hebben gehad in de oren van de mensen die er toen naar luisterden; het was de tijd dat een trekkar die ratelend door de straten reed, zo’n beetje het hardste geluid was. Een détail dat me altijd is bijgebleven en ik moest er weer aan denken, toen ik bezig was een boekje te schrijven over de theoloog, schrijver en (amateur)organist Henk Vreekamp (1943-2016). Hij had zijn hart verpand aan de Veluwe en schreef daar een trilogie over. Een beetje romantisch misschien, maar dat is maar de helft van het verhaal.

    Of misschien is het maar een kwart, bedenk ik me nu ik stuit op het stukje ‘Geknetter op de Veluwe’ van Bob den Uyl in diens Vreemde verschijnselen. Den Uyl stak de draak met die hedendaagse liefde voor de Veluwe, want het is er helemaal niet stil, ‘er heerst een verschrikkelijk lawaai’. Hij doelt op een gemotoriseerde zaag, opgevoerde bromfietsen, een paar tanks die voorbij rijden, machinegeweren die ratelen en straaljagers die loeien.
    Met Kester Freriks in zijn boek Stilte, ruimte, duisternis zou je daaruit kunnen concluderen dat de natuur niet meer stil is, maar ook dat is niet het hele verhaal. Niet vanwege dat verschrikkelijke lawaai dat Den Uyl beschrijft, maar omdat volgens Freriks die geluiden niet in harmonie zijn met de omgeving, er wezensvreemd aan zijn.

    Dat Vreekamp het helemaal niet over dat lawaai had, heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat hij op de Veluwe samenviel met de omgeving en met zichzelf. De Veluwe schiep voor hem de ruimte waarin hij zijn gedachten en verbeelding de vrije loop kon laten. Ik zie hem voor me, wanneer de nevel uit de grond optrekt en hij met zijn blote voeten in het Kootwijkerzand staat. Geworteld in de grond waar zijn wieg stond. De Veluwe pars pro toto (dat is de andere helft van het verhaal), zoals Kana voor hem de voorsmaak van Kanaän was en Ede in een gedicht van Jan Weiland de voorsmaak van Eden. Of Zwolle, dat voor Hendrick ten Oever het aardse paradijs was. Zo schilderde hij het althans in 1675, op een doek dat momenteel te zien valt op de tentoonstelling ‘Gelderland Grensland’ in CODA Museum Apeldoorn. Wie de trap naar de expositieruimten afgaat, ziet ook een brommertje staan. Toeval? Nee: onderdeel van de tentoonstelling ‘Sparta, de sleutel tot een rijker leven’, knetterend over de Veluwe.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Het raadsel, de vrouw

    De storm over het boekenweekthema, en de voor de jaarlijkse geschenken gekozen schrijvers, is nog maar net gaan liggen – hoewel iemand die duidelijk niet aan woorden genoeg heeft het nodig vond de CPNB te bekladden – en ik lees Hokwerdas kind van Oek de Jong. Ook ik heb een mening over De moeder, de vrouw. Over vrouwen praten en schrijven, dat is niet aan boekinhoud gebonden, die twee mannen gun ik het van harte, mijn bezwaar zit hem in dat over. Over betekent: niet met. Maar ik wilde geen column schrijven over de boekenweek. Het is ruis, een stoorzender. Intussen bevindt een deel van mijn wezen zich in de romanwereld van Oek de Jong. 

    Hokwerda’s kind is goed geschreven – nee, meer dan goed geschreven, de taal is zinderend en sensueel, het verhaal spannend en dan is daar ook nog Amsterdam, dat tot leven komt als een volwaardig personage. Toch hapert er iets, iets weerhoudt me van de volledige overgave zoals ik die het liefst dankzij een verhaal ervaar.
    In de biografie op zijn persoonlijke website schrijft Jan Siebelink ‘(…) dat vooral mannelijke auteurs in staat zijn om onuitwisbare vrouwenfiguren te scheppen.’ Hij is allerminst ironisch en vervolgt: ‘Misschien omdat zij meer oog hebben voor het raadsel van de vrouw. Een vrouwelijk auteur wil haar heldin helemaal transparant maken. Een mannelijk auteur zal het raadsel heel willen laten.’

    Er is veel over die laatste twee zinnen te zeggen maar vooral over dat raadsel blijft hangen. Telkens wanneer het in Hokwerdas kind over Lins uitpuilende ogen, hoge taille, sterke lichaam en ronde vormen gaat, keer ik bij dat raadsel terug. Dan vraag ik me af of we – lezers van onze tijd, mensen die zich bezighouden met het boekenweekthema en de discussie daaromtrent – deze roman nog zouden ‘pikken’ wanneer hij nu zou zijn verschenen. Is Lin een geloofwaardig, op zichzelf staand vrouwelijk personage of is zij juist een (mannelijke) fantasie: niet zozeer een raadsel, maar eerder een wens? Is haar geschiedenis te plat, het waarom of de oorzaak ervan te rechtlijnig? Dit zijn vragen die ik mijzelf liever niet stel. Ik wil niet gehinderd worden door toetsen uit de werkelijkheid en al helemaal niet door speldenprikjes van andere schrijvers. 

     Later spreek ik een collega-schrijver. Zij, even kwetsbaar als getalenteerd, heeft zich teruggetrokken van de stoorzenders en de ruis. Eindelijk beleeft ze weer plezier aan het schrijven van haar volgende roman. Terwijl ze ruw het verhaal schetst, denk ik aan die eerste scène: Hokwerda die, sarrend, steeds maar weer de kleine Lin het water ingooit. De kracht van het hoofdstuk zit hem in wat er tussen de regels verscholen ligt.
    Als ik de roman noem bekent zij nooit boeken te lezen die tegen haar eigen materie schuren. Te veel ruis. Gelijk heeft ze. In de trein naar huis denk ik aan haar woorden en hoe deze schrijver uit een heel donkere bron put. Het is die bron die Oek de Jong zo schitterend tot leven wekt in Hokwerdas Kind. De rest, ja, is ruis. 

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

     

     

     

  • Vrachtwagens vol grind

    Zeven jaar waren we weg geweest. De overgang vanuit het midden van Portugal, de bergen, ruwe begroeiingen en weidse uitzichten, naar een met grind en tegels belegde Nederlandse tuinen. Waar achter de ramen van de meeste huizen een eenheid van twee identieke objecten in de vensters stonden opgesteld. Tussen wijkende gordijnen, als waren het de coulissen van een huiselijk toneel, de objecten een optreden verzorgden voor passanten. Je zag twee zedelijk neerbuigende bloeiende orchideeën in eenduidige potten, onbetamelijk grote lantaarns waarbinnen nooit een lichtje werd ontstoken, of een set schemerlampen, vermoedelijk zonder snoer. Het was in september 2007 dat we terugkeerden, wennen was een dagelijks ding.

    Het eerste nieuws dat me trof (ook het luisteren naar nieuwsberichten is anders als je lang bent weggeweest, alsof het niet voor jou, die zo lang weg was, bestemd is), was de brand in het Armando Museum in de Elleboogkerk in Amersfoort. Zijn daar aanwezige collectie, zo sprak de nieuwslezer op 22 oktober, was daardoor verloren gegaan. Het was een schok voor de kunstenaar, hij rouwde om het verlies van zoveel kunstobjecten en niet alleen om die van hemzelf; er zat ook een grafiek van Dürer in de collectie. Het bericht trok aan me, bracht me een stukje meer naar waar ik geland was. Sinds ik in de jaren tachtig Herenleed had gezien en later zijn gedichten las, begreep ik dat Armando altijd rekening hield met de wreedheid in de mens. Mijn geloof in het goede in de mens, dat niemand slecht wordt geboren, in wezen niet slecht is, begon te tanen toen steeds meer de betekenis van ‘schuldige landschap’ tot me doordrong, de tragiek in de mens.

    Aan ver doorgevoerde beteugelingen van de natuur kan ik niet wennen. Een gedicht van Armando raakt aan wat ik voel als ik langs betegelde voortuinen en grindbakken loop. Zijn gedicht Een galg, (Gedichten 2009 waarmee hij de  VSB Poëzieprijs 2011 won), raakt aan de verbazing en de irritatie die ik gewaar werd over hoe een land in zeven jaar tijd zo strak in zijn vorm getrokken was. Denk aan de hoeveelheid grind waarvoor rivieren worden afgegraven en die met vrachtwagens vol de stad werd binnengereden. Ik denk aan de bomen en planten die ontworteld werden en voor dood bij het grofvuil werden gelegd. Ik dacht aan degenen die dachten ergens aan te bouwen door bomen te ontwortelen, dat ze er uiteindelijk geen plezier van zouden hebben als het water zou komen. Ik las het niet zonder enige grimmigheid in mezelf gewaar te worden. Komt ie:

    Ze dachten we gaan de aarde beklimmen
    we gaan de dood verjagen, we
    zegenen de regen, we
    brengen stenen naar de stad

    Ze zwoegden
    en bouwden moeizaam een galg

    Armando is niet meer, gestorven in het harnas zou je uit de berichtgeving kunnen opmaken. En dat doe ik maar al te graag.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

     

  • Eierstokken

    Op een koude junizondagmiddag las C. Buddingh’-prijswinnaar Radna Fabias op een podium in een park een gedicht over eierstokken voor. In het gedicht draagt een ik-persoon haar vruchtbaarheid ten grave. Thuis las ik het nog eens na: ‘omdat ik van mijn moeder houd bezweer ik de herhaling vanuit mijn afgeklemde eierstokken’. En hoewel ik wist dat het niet ter zake mocht doen voor mijn begrip van het gedicht, kon ik het niet nalaten me af te vragen of deze zin over Fabias’ eigen eierstokken ging, en of ze alleen figuurlijk waren afgeknepen of ook in het echt. Ik overwoog zelfs om haar er een e-mail over te schrijven.

    De neiging van mensen (waaronder dus mijzelf) om te willen weten hoe waargebeurd een verhaal of gedicht precies is, heeft soms iets onaangenaams, vooral wanneer de waargebeurdheid als verkoopargument wordt gebruikt. Boeken die gepresenteerd worden als deels of helemaal autobiografisch, krijgen doorgaans meer aandacht dan boeken die geschreven zijn op basis van alleen verbeeldingskracht en interesse in de werelden van anderen, terwijl ze niet per definitie mooier of beter of zelfs realistischer zijn. Aan de andere kant ligt de nieuwsgierigheid van de ene echte mens in de verhalen van de andere echte mens misschien wel aan de basis van ons vermogen ons te interesseren in literatuur, en is het daarom ook niet gek dat de verhalen die mensen over zichzelf vertellen het meest aantrekkelijk zijn.

    Mijn nieuwsgierigheid naar de echte Radna Fabias had ook te maken met wat ik een paar weken daarvoor over de echte Renate Dorrestein had gehoord, tijdens een hommage aan haar werk en leven. Een opvallend feit uit dat leven is dat ze zich als jonge twintiger liet steriliseren omdat ze absoluut geen moeder wilde worden. Hoewel ze het gegeven van een sterilisatie bij mijn weten nooit in een literair verhaal heeft gebruikt, was haar wantrouwen jegens ouders en de terreur van het gezin wel duidelijk aanwezig in haar boeken. En dit wantrouwen was een van de redenen waarom ze zelf nooit moeder wilde worden.

    Een vrouw uit het publiek die met Dorrestein bevriend was geweest, wist te vertellen hoe moeilijk het destijds was een arts te vinden die de ingreep bij haar wilde uitvoeren. Uiteindelijk wist ze een arts te overtuigen. ‘Stel je voor dat ik een keer zo verliefd word op een man dat ik een kind met hem wil,’ had ze gezegd. ‘Dat wil ik koste wat het kost voorkomen.’
    Een uitspraak die een verhaal op zichzelf is, ondanks dat hij niet in een literair werk is opgenomen. Nog niet in ieder geval. Ik stel me voor, een gesteriliseerde vrouw die zo verliefd wordt op een man dat ze een kind met hem wil.

    Er zou een roman in kunnen zitten. En voor ik daaraan begin te schrijven moet ik dan toch misschien Radna Fabias eens mailen. Kijken of ik haar een paar, tot de verbeelding sprekende, waargebeurde uitspraken over haar eierstokken kan ontlokken.

     


    Gastcolumnist Gerda Blees schrijft tot september tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.