• Donkere dagen

    De aanhoudend donkere dagen, de wind en regens die het huis geselden, deden me verlangen naar verlichting. Google verwees me naar de dichtstbijzijnde plek waar ik dit zou kunnen vinden. Naar de Grote kerk in Velp, waar filosoof en schrijver Stine Jensen in het kader van de ‘Maand van de Spiritualiteit’ een lezing zou geven. Het was uit geestbehoud dat ik ging.
    Jensen was gevraagd door het CPNB het essay te schrijven voor de ‘Maand van de Spiritualiteit’. Ik was verbaasd toen ik het hoorde. Zijzelf ook, vertelde ze in de Grote kerk in Velp. Toen ze, nadat haar die vraag was voorgelegd, even had opgezocht wie haar waren voorgegaan als schrijver van zo’n spiritueel getint essay, vatte ze moed. Ze dacht, als Jan Mulder het kan, kan ik het ook. Met het thema, ‘Aandacht’, kon ze wel wat, zo ze zei. Nu geloof ik dat Stine Jensen met veel dingen wel wat kan.

    Onlangs las ik haar boek Licht op het Noorden. Het lag op het krukje in de wc en ik begon het te lezen (wat aantoont dat boeken die voor het oprapen liggen, verbonden met enige mate van verveling, aanzet tot lezen.) Het was een verder kijken dan wat je ziet boek- en ging over het uit blank hout gedesignde en opgetrokken Scandinavisch leven. Jensen ging op zoek naar hoe de Scandinaviers dat doen, dat gelukkige leven enzo. Met dat geluk bleek het trouwens nogal mee te vallen.
    Ze bezocht het hol van de Black Metal scene in Noorwegen die – dit wist ik niet – in Scandinavië zijn oorsprong vond. En in Denemarken, wereldwijd het gelukkigste land, heerst de wet van Jante. Een ongeschreven wet waardoor Denen nooit – zoals Nederlanders op de vraag naar hoe het gaat: ‘Gaat wel’ (dubieus lachje), of ‘Niet zo goed’ (zucht) zullen antwoorden. Een Deen zegt ten alle tijde: ‘Uitstekend!’ Ook al is het tegendeel waar.

    In Helsinki heerst stilte, schrijft Jensen, alsof er een spreekverbod van kracht is. Veel mensen zijn er depressief. Daarom werd er een Helsinki-social app ontworpen. Een soort digitaal prikbord waar mensen kunnen aangeven verlegen te zitten om een praatje. Jensen plaatste een bericht: ‘Hi I am Stine from Holland. I’m on tram 13, who wants to talk to me?’ Waarna geen respons.

    In de Grote kerk in Velp vroeg Stine Jensen aan het publiek ‘waar denken jullie aan als het over aandacht gaat’. Ik had wel een idee maar zei niets. Ook niet toen er na de lezing vragen gesteld mochten worden. Bang dat de goed geformuleerde vragen in mijn hoofd er in onbegrijpelijke stukken uit zouden vallen zo gauw ik begon te spreken. Met verschrikt rond dwarrelende woorden waar ik geen touw aan vast zou weten te knopen.
    Na afloop kocht ik haar boek Ik lieg, dus ik ben wat me een mooie tegenhanger leek voor het spirituele, waarin ik niet besta.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Briljante schrijversatire

    Soms bestel ik een pizza met veel kaas en kijk ik series waarin het schrijversleven op zo’n krankzinnige manier wordt neergezet dat ik me lachend in mijn laatste hap verslik. Aan het einde van mijn pubertijd was er Californication, met David Duchovny als gekwelde maar aantrekkelijke romancier. Tien jaar later volgde The Affair, met Dominic West als de alles-heus-niet-zo-kwaad-bedoelende-maar-ja-pfffffff-oerdriften schrijver Noah. En sinds enkele weken is er The Truth About Harry Quebert Affair. Daarin gaan maar liefst twee (!) schrijvers gebukt onder melodrama dat op een of andere manier nooit hun eigen schuld is. Wat deze fictieve schrijvers gemeen hebben, is dat zij sterk autobiografisch getinte boeken schrijven. Die boeken komen er altijd in een beweging uit, eventuele writer’s block is van korte duur, de eerste versie wordt zeer succesvol uitgegeven. Vrouwen komen als sprinkhanen op hen af. En de muze is een mooie, zeer jonge en zeer getroebleerde vrouw.

    Even inzoomen: Zo de serie geschreven lijkt door mensen die nog nooit een schrijver van dichtbij hebben gezien, laat staan een boek hebben gelezen, zo is de betreffende muze in The truth about the Harry Quebert Affair geschetst door mensen die nog nooit een meisje van vijftien van dichtbij hebben gezien en die Lolita vooral als begrip kennen, niet als romanpersonage. Harry’s Nola is beeldschoon, houdt van opera’s, maakt sandwiches (…), blijkt op de juiste manier gek, seksueel actief en begrijpt ieder woord dat de schrijver uitkraamt. Natuurlijk gaat ze dood, niemand kan deze mysterieuze levenskracht immers aan.

    De serie blijkt gebaseerd op een roman van Joël Dicker. In hoeverre deze afwijkt van het boek weet ik niet, maar ik kan me voorstellen hoe Dicker gierend van het lachen het ene na het andere cliché over schrijven heeft opgetekend. Hield Dicker het droog toen hij, bij het bekijken van het televisieresultaat, het titelpersonage tegen de minderjarige Nola hoorde zeggen dat deze zijn eigen eenzaamheid zo beu was? Wat ging er door de makers heen tijdens het filmen van dialogen over hoe je altijd een laatste troefkaart in handen moet houden, hoe wachten op inspiratie doodeng is?
    Harry Quebert wordt bovendien gespeeld door Patrick Dempsey, die zijn rol als McDreamy uit Grey’s Anatomy voortzet, maar dan nog gekwelder. Kan dat? Ha!

    Het spektakelstuk uit Quebert is een confrontatie. De jonge Marcus maakt zich zorgen om zijn mentor, de gevluchte Harry, en vindt hem in een motel – of niet in, maar daarbuiten. Het regent. Harry heeft een stoel op een verlaten parkeerplaats gezet, hij is zeiknat. Na wat verwijtende vragen aan Marcus verlaat hij prompt de stoel en gaat hij OP DE GROND liggen. Kijkers zitten door al deze emotie inmiddels aan de hartbewaking. Niks geen relativerende ‘doe niet zo slap, man’ volgt, Marcus kruipt er gewoon NAAST. De regen klettert door.
    Even uitzoomen: Bromance. Gekwelde mannenzielen. Getroebleerde schrijvers. Het gewicht van de kunst, van de liefde. Die Dicker moet een enorme clown zijn. Ik zou graag eens een pizza met hem eten.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Vrouwen lezen

    Mijn vader vond het geen goed idee. ‘Maar mannen hebben nu eenmaal meer boeken geschreven,’ zei hij.
    Ja papa, dat is waar. Doordat vrouwen door de eeuwen heen veel minder kansen hebben gekregen om kennis te nemen van de canon, en nog minder kansen om er zelf een bijdrage aan te leveren, zijn er gedurende die eeuwen veel minder boeken door vrouwen geschreven dan door mannen.
    Maar daarnaast is het ook nog eens zo dat de vrouwen die ondanks dat pen, papier, belangrijke gedachten en een uitgever wisten te bemachtigen, minder aandacht en waardering kregen. Een situatie die in de Nederlandse letteren tot in het heden voortduurt, zo bleek vorig jaar uit een promotie-onderzoek van Corina Koolen.
    Boeken van vrouwen worden minder snel als literair bestempeld, krijgen minder positieve aandacht in de media, ontvangen minder literaire prijzen en worden minder goed verkocht. Ohja, en in de VS zijn boeken van vrouwelijke auteurs maar liefst 45 procent lager geprijsd, mailde een feministisch vriendje me ooit door. (Een feministisch vriendje hebben is trouwens fantastisch. Niets leuker dan een man die zijn twijfels uit over positieve discriminatie, samen met een andere man onder tafel te praten.)

    U, geïnformeerde lezer, wist dit natuurlijk allemaal al lang, en afhankelijk van uw eerder gevormde standpunten zult u deze feiten schouderophalend, gelaten zuchtend of met hernieuwde verontwaardiging tot u nemen. Maar de vraag is wat we eraan gaan doen. Of eigenlijk: wat ik eraan ga doen. Want ook ik heb bijna alleen maar romans die door mannen werden geschreven op mijn boekenplank, en ook ik hoor mezelf, gevraagd naar literaire voorbeelden, altijd een rijtje mannelijke schrijvers opsommen. En ik denk niet dat dat komt doordat er geen vrouwen zijn die mijn bewondering en navolging verdienen. Ze zijn er, ik heb ze alleen niet gelezen.

    Positieve discriminatie dus. Om de 21 jaren van mijn literatuurlezende leven – waarin ik mannelijke schrijvers positief discrimineerde – in balans te brengen, zal ik het komende jaar alleen maar boeken lezen, geschreven door vrouwen. Ik maak een uitzondering voor poëzie, want op dat gebied is mijn boekenplank al behoorlijk in balans, en de waardering voor mannen en vrouwen in het Nederlandse literaire veld trouwens ook, met recent twee vrouwelijke Dichters des Vaderlands en een hele zwik vrouwelijke C. Buddingh’prijswinnaressen in de afgelopen tien jaar. Maar voor proza en non-fictie roep ik 2019 uit tot het jaar van de vrouw.
    Een bijzonder goed idee, al zeg ik het zelf. Te beginnen met de grote Russinnen! Svetlana Aleksijevitsj bijvoorbeeld. U bent uitgenodigd.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • De werkelijkheid van Amos Oz (1939-2018)

    Op oudejaarsavond verwachtte ik niemand toen er werd aangebeld. Er stond een jongeman voor de deur. Hij zei, ‘Je zult wel niet meer aan me gedacht hebben.’ En ik, die dacht onverwachte gebeurtenissen ten alle tijde te zullen omarmen, vroeg, ‘Hoezo?’ De jongeman zei dat hij de ongenode en onverwachte gast was waar ik mijn hele leven al op wachtte. Ik schrok, want het is waar. Ergens in een gebied dat uit boeken komt, wacht ik op iets, een heilbrenger die de werkelijkheid een switch geeft zoals in verhalen wel gebeurt.

    Drie dagen daarvoor was Amos Oz overleden. Met A.B. Yehoshua en David Grosmann vormde hij ‘de grote drie van de Israëlische literatuur’, schreef Anet Bleich in een postuum voor de Volkskrant. Toen ik van zijn overlijden hoorde, zocht ik direct naar zijn meest omvangrijke werk. Een verhaal van liefde en duisternis is een liefdevol boek over zijn ouders en voorouders. Maar ook een boek over teleurstelling en verbittering. Op welke plek je het boek ook openslaat, je wordt direct gevangen door zijn woorden. Amos Oz ontdekte al jong dat de werkelijkheid niet kon tippen aan het leven dat in boeken wordt opgeroepen:
    ‘Wat mij omgaf telde niet, alles wat telde was van woorden gemaakt. (…) De hele werkelijkheid was niets dan een vergeefse poging, een oppervlakkige, mislukte poging om de verschijnselen uit de woordenwereld te imiteren.’
    Net toen ik me begon af te vragen wat zijn leidende thema was in zijn boeken, viel er een losbladig, dubbelgevouwen blad papier uit het boek. Het was een door de uitgever toegevoegde getypte brief gericht aan de lezer, aan mij.

    ‘Beste lezer, Als u mij zou dwingen in één woord te zeggen welk verhaal ik vertel in alle boeken die ik heb geschreven, dan zou ik zeggen: gezinnen. Als u mij twee woorden toestaat, zeg ik: ongelukkige gezinnen.’
    Dat fascinerende mij – de grote problemen die hij aanroerde, teruggebracht tot het gezin. Nu begreep ik ook de titel, meegegeven aan twee essays over de verhoudingen tussen Israël en Palestina, Help us to divorce. Dat gaat over twee volkeren die een uiterst slechte relatie met elkaar onderhouden, geschetst als een slecht functionerend gezin, waarvan beide partijen maar niet kunnen besluiten uit elkaar te gaan.

    In een van die essays beschrijft Oz hoe een passagier tijdens een lange taxirit naar de joodse chauffeur moet luisteren terwijl deze afgeeft op de Arabieren. De passagier vraagt hoe dit opgelost kan worden. Nou, zegt de taxichauffeur, gewoon elke Israëliër een wijk in de stad toekennen en van deur tot deur gaan met de vraag of hier Arabieren wonen. Zo ja, neerschieten. Dan zegt de passagier, die schrijver is, ‘Maar wat als er aan het einde van de dag, als het werk erop zit, de handen gewassen zijn, uit een van die huizen het huilen van een baby klinkt.’ Of hij dan terug gaat om zijn werk af te maken. Na een moment van stilte antwoordt de chauffeur: ‘U bent een wrede, heel wrede man.’

    De jongeman die onaangekondigd voor mijn deur stond wenste ik een goed uiteinde. Dat was nogal laf. In een goed verhaal had ik hem binnengelaten, een stoel voor hem aangeschoven, een kom soep aangeboden, een kom geurende soep. Ook ik heb een probleem met de werkelijkheid.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Nieuwjaar

    Op de eerste maandag van het nieuwe jaar zal om precies 12.00 uur ’s middags het luchtalarm klinken. Iedereen zal denken dat er niets aan de hand is.
    Toch zal het alarm voor niemand te missen zijn: het klinkt zo luid en vanaf zoveel verschillende, door het hele land verspreide plekken, dat het overal te horen is. Tegenwoordig worden zelfs degenen bereikt die zich, bijvoorbeeld, in een geluidsdichte ruimte bevinden of ergens middenin een zeldzaam stukje wildernis: ook per sms-bericht deelt men ons nu mee dat het luchtalarm getest wordt. Op 7 januari 2019, de eerste maandag van het nieuwe jaar, zal men om 12.00 uur dan ook denken dat het alarm getest wordt.
    Sommige mensen zullen stilstaan bij het feit dat er alweer een maand voorbij is. Een maand: wat heb ik gedaan? En vooral: wat heb ik niet gedaan? Anderen zullen zich er misschien over verbazen dat het pas maandag is. Het begin van de week die steeds weer eindeloos lijkt.

    En nutteloos ook, telkens weer. En dan zijn er nog die het alarm beschouwen als een handige herinnering dat het 12.00 uur is en dat het tijd is voor een boterham, dat de hond nodig uitgelaten moet, dat de baby nog mooi een uurtje zal doorslapen, dat de werkdag nog niet eens halverwege is. Dat de ochtend voorbij is en de middag begonnen.
    En jij? Zal jij denken aan wat het alarm óók zou kunnen betekenen? Zal je beschutting zoeken en je kind en je vrouw en je huisdier en – niet vergeten! – jezelf beschermen? Weet jij überhaupt wat je moet doen in het geval van een ramp?
    Ik weet in elk geval wat ik zal doen. Ik wacht niet eens tot maandag 7 januari 2019 12.00 uur. Ik ben allang begonnen met mijn voorbereidingen, jaren geleden.
    Ik ben alleen. Ik heb geen vrouw en geen kind, en mijn familie is mij allang vergeten. Jaren geleden stopte ik met werken en nadat ik al mijn spullen op straat zette, verkocht ik mijn huis. Ik heb niets.
    De ramp op de eerste maandag van het nieuwe jaar om precies 12.00 uur: voor mij betekent zij helemaal niets.

     


    Vincent Merjenberg (1983) studeerde Nederlands en werkte bij een uitgeverij. Hij woont met vrouw en kind in Amsterdam. Hij publiceerde verhalen in De Gids en Revisor en werkt nu aan een roman.

  • Leestekens

    Voor ik het weet zit ik in het hoofd van een achtenzeventig jarige actrice die in een flat in Lissabon woont en Alzheimer heeft. Ze wordt verzorgd door een neef van haar – tweede overleden – man en een dame op leeftijd. Zelf is ze van mening dat het prima met haar gaat: ‘ik kon me alleen niet herinneren waar mijn slaapkamer was, voor de rest vond ik alles, de keuken, de provisiekast.’
    Proza van António Lobo Antunes is als een litanie waarin het leven in al zijn facetten bezongen wordt. Zo ook in zijn onlangs verschenen roman Voor wie in het donker op mij wacht.

    Eenmaal begonnen kun je het boek niet wegleggen: je kunt een dame van respectabele leeftijd niet onderbreken in het ophalen van haar herinneringen. Fantastische interpretaties spelen zich af in haar hoofd. Ze ziet een hazewindhond op een schort in de keuken op de vloer liggen. Het kan ook zijn dat de hazewindhond op het schort staat afgebeeld. Die hazewind gaat er geregeld vandoor, dan gaat ze de straat op, om te zoeken. De hazewindhond wordt ook wel teruggevonden en profil op een keukenschort, tussen theedoeken en tafelkleden in de linnenkast.

    Tijdens het lezen zoek ik houvast in een vorm die vertrouwd is van hoe een boek geschreven hoort te zijn. Bij António Lobo Antunes hoef je daar niet mee aan te komen, die heeft zijn eigen bijzondere manier van een verhaal vertellen. Zoals A.L. Snijders tot zijn zkv is gekomen, zo heeft Lobo Antunes zijn ‘verhalen zonder kader’ (vzk) tot een unieke stijl gebracht. Teksten lopen van de ene gedachte naar de andere; van het ene personage over in een ander personage. Vloeiend jawel, met als enig leesteken de komma:

    “de dame op leeftijd en ik zaten in de keuken aan de tonijn toen de neef van mijn man binnenkwam, waarop de dame op leeftijd opsprong
    ‘Goedenavond’
    alsof de beleefdheid die haar dode zoon niet had kunnen redden wel garant stond voor haar baan, ik meende de hazewind tussen de theedoeken te zien, keek opnieuw en weg was hij, wat ik niet allemaal kwijt ben geraakt in mijn leven, mijn moeder een foto zonder stem, mijn lijf een wrak, mijn geheugen los zand, ik herinner me dat ik als kind om het hardst tot aan die boom daar deed met mijn vader, en dat hij me liet winnen en voor me klapte
    ‘Je bent veel sneller dan ik’
    of stom en achterdochtig tegenover mijn twee mannen, terwijl mijn moeder hem een teken gaf met haar ogen
    ‘Je kunt toch op zijn minst doen alsof je ze aardig vindt’
    En mijn vader met zijn kin in zijn bord zonder op of om te kijken, mijn oma tegen hem vanaf het fornuis
    ‘Ik heb je nooit gemogen’”

    Na anderhalf hoofdstuk taal ik niet meer naar leestekens. De gedachten van de oude actrice, die als een wijdvertakt netwerk door het boek stromen, hebben me bevangen. Lezen van Lobo Antunes is als voor het eerst eten van iets waar je tegenop ziet, inktvis, of mosselen in mijn geval. Daarna wil je meer.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Vlieguren

    Iemand vroeg me wanneer je schrijver bent. Dit was vlak nadat ik op mijn beurt had gevraagd wanneer je hoogzwanger bent. Er kwamen zulke verschillende antwoorden op dat ik maar gewoon het moment afwacht waarop ik mijn voeten niet meer kan zien. De schrijversvraag bleef me echter bezighouden.
    Ik kon zeggen dat je schrijver bent als je schrijft. Direct dacht ik aan al die mensen die in hun eentje op hun boeken, verhalen en gedichten ploegden maar geen uitgever vonden voor hun werk, die geen publicaties kregen in literaire tijdschriften en die, een weblog of een paar familieleden daargelaten, geen publiek aan hun teksten wisten te binden. Konden zij zichzelf schrijvers noemen? Die jongen die ik laatst in een barretje in zijn Moleskine zag pennen, zo opzichtig en zo serieus tegelijk, was dat een schrijver?

    Iemand, u raadt het al: een schrijver, zei eens dat je jezelf pas als zodanig serieus kon nemen vanaf publicatie bij een (literaire) uitgeverij. Klonk redelijk. Tegelijkertijd wist ik er genoeg die precies dat deden en in wie ik toch geen schrijver zag – bijvoorbeeld omdat er alleen dat ene verhaal inzat. Dat verhaal kon weliswaar hartstikke goed zijn en toch, vervolgens keek zo iemand in zijn of haar flesje en de inkt bleek op.
    Waar ik ook aan dacht: moeders en vaders zonder kinderen.
    Soms werd het me snel duidelijk wanneer iemand het niet was, een schrijver. Na een afwijzing ontving ik een bericht van iemand die me bedankte voor de moeite en zich in een adem afvroeg of het werk ergens anders naartoe gestuurd kon worden. Tja, waarom zou je je iets aantrekken van zorgvuldig onderbouwde feedback – feedback die bovendien, waar mogelijk, de smaakkwestie oversteeg? Het kon, maar in dit geval leek het me een vorm van halfambitie.
    Ik dacht aan de afwijzingen die ik zelf had ontvangen, dat waren er best een aantal, en hoe ik daarmee omgegaan was. Eerst heel boos worden, beetje janken ook, vervolgens harder werken. Halfambitie was niets voor schrijvers. Maar wat wist ik nou, ik had weliswaar een roman gepubliceerd maar wanneer keek ik voor het laatst in mijn eigen inktpotje?

    10.000 vlieguren schijnt het te kosten voor je ergens expert in bent. Bij zo’n getal ga ik altijd een beetje glazig kijken. Wat me wel belangrijk lijkt, is dat schrijven onlosmakelijk verbonden is met lezen. Of je daarmee altijd teruggrijpt op dezelfde twee of drie romans, een dichtbundel die je steevast bij je draagt, een versje uit je kindertijd, maakt niet uit. Waar het om gaat, is dat je je bewust bent van wie en wat je is voorgegaan – technisch en inhoudelijk.
    Er zijn mensen die geen kinderen kregen en toch vader en moeder zijn. Ze hebben het op een andere manier gedaan of het zit in hun karakter, maar het bestaat. Als er ouders zonder kinderen bestaan, bestaan er ook schrijvers – echte schrijvers – zonder publicaties. Is dat een goed antwoord? Ik weet het niet.

    Als ik op de bank lig, zie ik mijn voeten nog prima.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Herinnering aan ballonnen

    Toen ik vier was, vierde mijn basisschool zijn tienjarig bestaan met een ballonnenwedstrijd. Samen met de andere kinderen van mijn school stond ik op het schoolplein met een zwevende ballon met een kaartje eraan waar mijn naam en adres op stonden. Het touwtje strak in mijn vuist geklemd, wachtend tot we allemaal tegelijk onze ballon de lucht in mochten laten gaan. Als mijn ballon het verst van school gevonden zou worden – en de vinder was zo vriendelijk het kaartje met mijn naam terug te sturen – won ik de wedstrijd. Enkele dagen, weken, ik weet niet precies hoe lang later, lag het kaartje in onze brievenbus. Mijn oom en tante hadden het gevonden in de Belgische Ardennen. Daarmee was mijn ballon niet alleen het verst gekomen, maar had hij ook het dichtst bijzijnde familielid van de eigenaar getroffen. Of ik een prijs kreeg weet ik niet meer; het staat me bij dat de deadline al verstreken was, maar dat ik me evengoed bijzonder voelde.

    Toen ik twintig was, luisterde ik in het Utrechtse Academiegebouw naar forensisch psycholoog Willem Wagenaar, die uitlegde hoe je valse bekentenissen kunt uitlokken door mensen herinneringen aan te praten. Dat dit mogelijk is, was aangetoond met een experiment waarbij mensen de opdracht kregen aan de hand van jeugdfoto’s over hun herinneringen te vertellen. Op één foto, die er stiekem tussen was gestopt, stond een luchtballon. De meeste proefpersonen konden zich, terecht, niet herinneren dat ze ooit een ballonvaart hadden gemaakt. Maar toen ze enkele maanden later opnieuw werden bevraagd, had een aanzienlijk aantal deelnemers inmiddels een levendige herinnering aan een ballonvaart gefabriceerd.

    Aan deze twee gebeurtenissen moest ik vorige week denken bij de presentatie van de verhalenbundel van David Troch, Rue des Regrets, bij boekhandel Limerick in Gent. Troch las, onderwijl een witte ballon steeds groter opblazend, een verhaal voor over een ballonnenwedstrijd waarin de hoofdpersoon fantaseert over een oude eenzame man in Oost-Duitsland die de ballon met zijn kaartje eraan ziet hangen in de perelaar in de achtertuin en zich gedwongen ziet een ladder te lenen bij de buren om de ballon uit de boom te bevrijden. Om vervolgens het kaartje terug te sturen naar de hoofdpersoon, die het weliswaar veel te laat ontvangt, maar toch de morele winnaar van de ballonnenwedstrijd wordt. Dat wil zeggen, ik geloof dat de Oost-Duitse man in het verhaal het kaartje terugstuurt, maar helemaal zeker ben ik niet.

    Ik zou natuurlijk het boek erop kunnen naslaan om te controleren of het klopt. Ik zou ook mijn ouders kunnen opbellen om te vragen of mijn ballon inderdaad het verste kwam en gevonden werd door mijn oom en tante in de Belgische Ardennen. Maar ik blijf vandaag liever even bij het al dan niet juist herinnerde en bij het niet minder aangename en met David Troch gedeelde gevoel bijzonder te zijn. Omdat een kaartje met mijn naam en adres erop helemaal naar een ander land is gezweefd om daar te getuigen van mijn wel heel bijzondere bestaan.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Bregje Hofstede op drift

    Om te weten of je moet blijven, moet je weggaan. Niet voor een midweek naar een huisje op de Veluwe – dat leidt tot niets – maar echt weglopen. Dat is wat schrijfster Bregje Hofstede deed en daar schreef ze later de roman Drift over, (op drift geslagen, losgeslagen, roekeloos, reddeloos, schipbreukeling op volle zee). Ze beschrijft de veertig dagen dat ze van kennis, naar Airbnb, van hotel naar logeerzolder gaat. Haar rugzak, gevuld met schriften en notitieboekjes is haar belangrijkste bezit.
    Alles schreef ze op: wat er gezegd, gekeken, gegeten en gereageerd werd; als een op voorhand uitgeschreven speurtocht naar onvolkomenheden. Zelfs de vele uitgewisselde sms’jes tussen de Bregje in het boek en haar man, schreef ze in die notitieboekjes. Ze leest er obsessief in terug tijdens die veertig dagen dat ze rondzwerft. Speurend naar de eerste barsten en wie die veroorzaakt heeft. Want is er niet in alles wat er misgaat een oorsprong, een eerste wanklank, een schuldige te vinden?

    Er was sprake van twee manuscripten voor Hofstede tot deze versie van Drift kwam. Daarvan zijn gedeelten onder de titel De welp in Drift opgenomen met een unieke paginering, wat het lezen tot een diepgravende maar ook alerte onderneming maakt: de liefde laag voor laag beleefd en beschreven. Het leest als een essay in romanvorm. De breukvlakken in haar relatie vergelijkt ze met Japans porselein, waarvan de barsten met goudstof gelijmd worden. De gouden lijnen krijgen op den duur meer aandacht dan het porselein zelf. Hofstede noemt zichzelf ‘geen fijn mens’. Als kind noemden haar ouders haar heftig, huilerig, dramatisch, arrogant. Ze vraagt zich af: ‘Waren dit de woorden die het beste bij me pasten of paste ik me aan de woorden aan?’

    Ruim over de helft van het boek wanneer de liefde beschreven is in speelse vrijscènes, de ‘goedmaakseks’ en er à la Sartre en De Beauvoir de vrije liefde is gezocht in een triootje, beseft de Bregje uit het boek, in dit fragment onvermijdelijk opgaand in Hofstede, haar tekortkomingen:
    Terwijl ik dit schrijf [de roman], juist terwijl ik probeer terug te halen wat er gebeurde, verander ik alles en pers het in een vorm waar het, vrees ik, niet meer uit komt. Ik wil ze allebei naast elkaar laten bestaan: de liefdevolle scènes in de gloed van onze toekomst samen, en, genesteld in die gloed, het onafwendbare einde dat, juist omdat het zich al zolang had aangekondigd niet helemaal mijn schuld kan zijn.’

    Truus Schröder – tweede vrouw van Gerrit Rietveld, – vond dat binnenhuisarchitectuur erop gericht moest zijn de bewoners tot activiteit te inspireren, iets te creëren. Een gedachte die me zeer bevalt. De architectuur van een relatie zou zo moeten zijn dat muren verplaatst kunnen worden en deuren geopend blijven. Het gaat in het leven niet om geluk maar om ‘creëren’, is het signaal dat Hofstede met haar buitengewoon openhartige en sensitieve roman afgeeft.
    Denk ik aan Schopenhauers ‘Eenzaamheid is het lot van alle voortreffelijke geesten’, denk ik aan Bregje Hofstede.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • De naam een wens

    ‘Er is negen maanden geleden een afspraak gemaakt met iemand die ik nog nooit heb gezien,’ schrijft Willem Jan Otten in Kroniek van zoon die vader wordt, een prachtig essay, opgenomen in Een ridder van de Engelse drop. ‘Niets weet ik van hem af – alleen dat hij van nu af bij ons gaat inwonen en door ons onderhouden gaat worden.’
    Aan die negen maanden zitten wij nog niet, toch bevind ik me gek genoeg in dezelfde positie als een jaar geleden: in verwachting – van een nieuw jaar (schiet op, alsjeblieft) en een nieuw leven, maar in verwachting desalniettemin. Tegelijkertijd is er zoveel veranderd, zelfs mijn naam is nieuw.
    Een jaar geleden ook kocht ik een van mijn favoriete jeugdboeken: Het grote boek van Madelief. Verwachtingen had ik, over voorlezen en aan wie. Het liep anders en ik raakte het boek van Guus Kuijer niet meer aan. Verwijtend ligt het op het dak van de boekenkast, alsof het zeggen wil: daar kon ik niets aan doen.

    Geregeld sta ik voor die kast en verlies ik me, al wrijvend over mijn alsmaar groeiende buik, in mijmeringen over wat ik deze baby wil meegeven. IJdele gedachten natuurlijk, een kind krijgen is toch een beetje als het schrijven van een verhaal – alleen heb je in dit geval, met een beetje geluk, slechts het begin in de hand. Je reikt de eerste regels aan en schetst met je baarmoeder, je gezin en wat bijbehorende omstandigheden de openingsalinea’s. Vanaf daar moet je maar zien hoe het loopt, er het beste van hopen.
    Toen ik zeventien was en de lerarenopleiding Nederlands deed, haakte ik af bij de vraag wie ik was, wie ik wilde zijn als docent. Wel sloot ik in diezelfde tijd vrede met mijn naam. Het duurde even, maar langzaamaan was ik gaan begrijpen wat mijn ouders me wilden meegeven toen ze me Marijn noemden.

    Een naam is een wens, een duwtje in een mogelijke richting. Dat geldt voor mensen, maar ook voor personages: hoe kwaad was ik als kind geweest toen Bastiaan de prinses Maankind doopte in Het oneindige verhaal! Dat kon toch veel beter, dat deed haar toch geen recht? En die moeder die in Isabel Hovings De gevleugelde kat zegt dat het achteraf niet erg aardig was om de ene helft van haar tweeling, die ook nog eens overleed, Jericho te noemen? Instinctief begreep ik wat ze bedoelde, het gewicht van die boodschap. Mijn zoon zal ik nooit Remi noemen, maar voorlezen uit Alleen op de wereld zal ik wel.
    De naam, daar ben ik al over uit. Maar de rest van de wens? Die zit hem, onder andere, in verhalen. Ronja de roversdochter ligt al klaar, graag voed ik de kleine straks met verhalen over onverschrokken kinderen. Mogelijkheden – als je wilt, is dit wie je zou kunnen zijn, een beetje of een beetje meer. Het oneindige verhaal van Michael Ende hoort er natuurlijk bij.
    Maar laat ik beginnen met Madelief, een prima boodschap om aan een kind mee te geven.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Voorbereiding op onheil

    Ik had vroeger een schoonvader die huisarts was geweest. Zijn vrouw, mijn vroegere schoonmoeder, vertelde me ooit dat ze zich altijd de vreselijkste dingen inbeeldde als hij ’s nachts moest werken. Hij kon overreden worden door een vrachtwagen, worden neergestoken door de agressieve echtgenoot van een van zijn zwangere patiënten, in slaap vallen achter het stuur en tegen een lantaarnpaal rijden. In de meeste scenario’s overleefde hij het niet en bleef zij achter met haar twee zoons. Ze zou gebeld worden door het ziekenhuis, of een politieagent zou langskomen om haar het nieuws te brengen. Ze zou de kinderen onder dak moeten brengen, naar het ziekenhuis gaan om hem te identificeren, de familie op de hoogte brengen, de kinderen troosten, de crematie regelen. Liggend naast een lege plek in bed bedacht ze tot in detail wat er zou gebeuren als die plek voor altijd leeg zou blijven.

    Om het leed nog erger te maken, was ze ook nog eens bang het onheil dat ze ’s nachts bedacht over zichzelf af te roepen door eraan te denken. Bovenop haar angst voor ongelukken kwam de angst voor haar gedachten, die ze desondanks niet kon tegenhouden. Maar haar man, de huisarts, stelde haar gerust. Hij zei: ‘Wees maar niet bang dat je onheil creëert door eraan te denken. Zoveel macht heb je niet. Zie het liever als een manier om je erop voor te bereiden, er klaar voor te zijn als het gebeurt.’ Nadenken over onheil als vooruitwerkende verwerkingsstrategie.

    In een verhaal dat ik ooit wil schrijven, verdwijnt mijn vader als ik zeven jaar ben. Dat wil zeggen, de vader van de zevenjarige hoofdpersoon die veel overeenkomsten vertoont met mijzelf op zevenjarige leeftijd, verdwijnt. Wat er vervolgens gebeurt is nog niet duidelijk, behalve dat mijn fictieve ik haar vader jaren later door de stad ziet fietsen en ze er alsnog achterkomt waarom hij haar heeft verlaten.

    Hoewel mijn vader niet met terugwerkende kracht op mijn zevende uit mijn leven kan verdwijnen, vind ik het eng om over een verdwijnende vader te schrijven die op mijn eigen vader lijkt. Net als mijn vroegere schoonmoeder ben ik bang om onheil over mezelf af te roepen. Want het verhaal is een moment van creatie. Wat ik me kan voorstellen, kan gebeuren. Zoals bij de man die schreef over een hoofdpersoon die naar een Oost-Europees land verdween en dat vervolgens zelf ook deed. Een handeling beschrijven en die vervolgens uitvoeren is natuurlijk wat anders dan een noodlot beschrijven dat je vervolgens ten deel valt, maar toch. Er overleed al eens iemand van wie ik hield aan kanker nadat ik een verhaal had geschreven over iemand die aan kanker overleed.
    Toeval natuurlijk. Ook ik heb niet zo veel macht. En wat ik ook denk of schrijf, hoogstwaarschijnlijk zal mijn vader ergens in de komende dertig jaar uit mijn leven verdwijnen. Mogelijk heb ik tegen die tijd een verhaal geschreven dat mij op dat onheil voorbereidt.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • De verhalen

    Niet lang nadat mijn eerste verhaal  Het verhaal werd gepubliceerd ontving ik een e-mail van ene Nathan. Hij schreef dat ik mijn verhaal van hem heb gestolen.
    Ik ben het niet met hem eens, maar het gaat er hier niet om wie er gelijk heeft – al heb ik alles verzonnen, dus heb ik gelijk. Nee, het gekmakende is dat we allebei gelijk hebben en dat dat niet op toeval berust. Er komen teveel details van zijn werkelijkheid en mijn verzinsels overeen.
    Ik verwacht niet dat u mijn verhaal heeft gelezen (ik kreeg er destijds één reactie op: de e-mail van Nathan), dus hier even in het kort: de al wat oudere redacteur Nathan (!) krijgt een manuscript toegestuurd, een verhaal dat hem direct in zijn greep neemt. Hij is niet zozeer onder de indruk van de kwaliteit; het is de inhoud die hem raakt, persoonlijk en diep. Het verhaal gaat over hem en zorgt ervoor dat zijn veilige leventje begint te wankelen…

    Het mooie aan mijn verhaal is dat ik onduidelijk laat wat er precies beschreven wordt in dat fictieve verhaal en er slechts subtiel naar hint dat het Nathan doet denken aan zijn zoon, met wie hij geen contact meer heeft. Ook wordt de suggestie gewekt dat de schrijver van het verhaal méér weet van deze tragische vader-zoonrelatie. Dat een collega van hem het geschreven heeft. Of misschien zelfs zijn verloren zoon. (Óf Nathan zelf – een erg vergezochte interpretatie die toch ineens een stuk aannemelijker werd sinds ik Nathans e-mail ontving.)
    Kortom, ik bood mijn lezers vele mogelijkheden te bepalen wat er nu precies aan de hand is. (Een zeer geslaagd verhaal, al zeg ik het zelf – zeker voor een debuut.)
    Goed. Terug naar de beschuldiging in mijn inbox. Het verhaal waarvan Nathan (de e-mailschrijver, niet mijn personage) zegt dat ik het van hem heb gestolen – nu komt het! – is niet het verhaal dat in De Gids heeft gestaan, Het verhaal; dát verhaal heb ik echt zelf verzonnen, daaraan twijfelt zelfs Nathan niet. Nee, het gaat om het verhaal dat mijn personage aantreft op zijn bureau, het verhaal-in-het-verhaal… Dát zou over hem gaan.

    Een grap, denkt u. (Ik hoopte het; het zou immers betekenen dat tenminste één van mijn vrienden mijn verhaal had gelezen.) Maar: hoewel het verhaal-in-het-verhaal, zoals ik al uitlegde, helemaal niet verteld wordt in Het verhaal, zag ik het als mijn plicht (als beginnend schrijver neem ik de boel misschien te serieus) zelf wél te weten waarover het gaat. Alleen zo, meende ik geloofwaardig te kunnen beschrijven hoe dat verhaal een heel leven kan doen wankelen.
    Welnu, het was mijn eigen leven dat wankelde toen ik Nathans e-mail las: daarin vertelde hij dit verhaal-in-het-verhaal, tot het allerlaatste (door mij verzonnen!) detail. Het was exact wat ik bedacht, maar nooit opgeschreven heb…

    Ik heb Nathan (de echte) aangespoord zijn verhaal naar een uitgeverij te sturen, maar hij reageert niet meer op mijn berichten. Zelf schrijf ik geen verhalen meer, ik verzin ze alleen nog.

     

    (‘Het verhaal’ in De Gids)

     


    Vincent Merjenberg (1983) studeerde Nederlands in Groningen, werkte bij een uitgeverij en woont met zijn vrouw en zoontje in Amsterdam. Hij publiceerde enkele verhalen (De Gids, Revisor) en werkt aan zijn eerste roman.